HOOFDSTUK X.
Terwijl Francis en de inlander zich veilig langs het ravijnpad naar boven spoedden, was het ravijn zelf, waar de olie er in stroomde, een vuurzee geworden, die den Chef, Torres en de gendarmes dwong om den steilen ravijnrand te bestormen. Terzelfdertijd was het gezelschap haciendados, dat den inlander vervolgde, genoodzaakt om terug te krabbelen naar boven, om uit het loeiende ravijn te ontvluchten.
Gedurig keek de inlander over zijn schouder heen om, tot hij met een kreet van vreugde, op een tweeden zwarten rookkolom wees, die voorbij de eerste brandende bron in de lucht opsteeg.
„Nog meer,” grinnikte hij. „Er zijn meer bronnen. Ze zullen allemaal branden. En zoo zullen zij en hun heele ras betalen voor de menigte slagen, die ze mij gegeven hebben. En er is daar ook een oliemeer, net een zee, zoo groot als Juchitan-Baai is het.”
En Francis herinnerde zich het oliemeer, waarvan de haciendado hem verteld had—dat, minstens vijf millioen ton olie bevattend, die nog niet door leidingen naar de zee overgebracht konden worden voor het zee-transport, open en bloot lag, enkel in een natuurlijke holte in den grond en vastgelegd door een aarden wal.
„Hoeveel ben jij waard?” vroeg hij, schijnbaar al heel ontoepasselijk, aan den inlander.
Maar deze begreep hem niet.
„Hoeveel zijn je kleeren waard—alles wat je aan je lijf hebt?”
„Een halve peso, neen, de helft van een halve peso,” bekende de inlander spijtig, zijn verscheurde lompen bekijkend.
„En wat bezit je nog meer?”
Het ongelukkige schepsel trok zijn schouders op, als bewijs van zijn groote armoede en voegde er toen bitter aan toe:
„Ik bezit niets dan een schuld. Ik heb tweehonderd vijftig pesos schuld. Daar zit ik voor mijn leven aan vast; mijn leven is er door verpest als dat van een man met een kankergezwel. Daarom ben ik een slaaf van den haciendado.”
„Oef!” Francis kon niet nalaten te grinniken. „Tweehonderd vijftig dollars minder dan niets waard, niet eens een cijfer, een loutere abstractie van een minimale hoeveelheid zonder naam, behalve in de mathematische verbeelding van den mensch, en toch verbrandt je hier een waarde van millioenen pesos aan olie. En als de bedding los is en onbetrouwbaar en de olie uit het buizenkanaal lekt, bestaat de kans, dat de oliebodem van het geheele veld ontbrandt—die, laten we zeggen, een waarde heeft van een billioen dollars. Zeg, voor een abstract begrip met een niet bestaande waarde van tweehonderd vijftig dollars, ben je toch wel een hombre, geloof me vrij.”
Hiervan begreep de inlander niets, behalve het woord „hombre”.
„Ik ben een man,” beweerde hij, zijn borst vooruitstekend en zijn gekneusd hoofd opheffend. „Ik ben een hombre en een Maya.”
„Een Maya-Indiaan—jij?” spotte Francis. [90]
„Half Maya,” was het weifelend antwoord. „Mijn vader is een volbloed-Maya. Maar de Maya-vrouwen in de Cordilleras behaagden hem niet. Hij moest een vrouw liefkrijgen van gemengd ras van de tierra caliente. Ik werd geboren; maar later bedroog ze hem met een Barbadoes-neger en hij keerde terug naar de Cordilleras. En, evenals mijn vader, was het mijn noodlot om een halfbloed van de tierra caliente lief te krijgen. Zij had geld noodig en mijn hoofd brandde van verlangen naar haar, en ik verkocht mijzelf als slaaf voor tweehonderd pesos. En ik zag noch haar, noch het geld terug. Vijf jaren was ik slaaf. Vijf jaren heb ik gezwoegd en werd ik geslagen en zie, nu de vijf jaren om zijn, is mijn schuld niet tweehonderd, maar tweehonderd vijftig pesos.”
En terwijl Francis Morgan en de lankmoedige halfbloed-Maya al dieper de Cordilleras indrongen om hun gezelschap in te halen en terwijl de olievelden van Juchitan, steeds verder voort de Cordilleras door, in vlammen opgingen, bereidden zich nog verder op, in het hartje der Cordilleras, andere gebeurtenissen voor, die alle vervolgers en vervolgden zouden tezamen brengen—Francis en Henry en Leoncia en haar gezelschap; de inlander; het gezelschap haciendados; en de gendarmes met hun Chef en gelijk met deze Alvarez Torres, begeerig om voor zich zelf, niet alleen de beloofde belooning te winnen van Thomas Regan, maar ook het bezit van Leoncia Solano.
In een hol zaten een man en een vrouw. De laatste was mooi en jong, een mestiza, of vrouw van gemengd ras. Bij het licht van een kleine olielamp las zij hardop uit een in kalfsleer gebonden boekdeel, wat een Spaansche vertaling was van Blackstone. Beiden hadden bloote voeten en armen, en waren gekleed in, van een kap voorziene, regenmantels van paklinnen. Haar kap was op haar schouders teruggeslagen, waardoor haar zwart, dik hoofdhaar zichtbaar werd. Maar de kap van den ouden man was over zijn hoofd getrokken, op de wijze van een monnik. Het gezicht, edel en ascetisch, een kenmerk van macht, was zuiver Spaansch. Don Quixote moet juist zoo’n gezicht gehad hebben. Maar toch was er een verschil. De oogen van dezen ouden man waren gesloten door het eeuwige duister der blindheid. Hij zou nooit een windmolen kunnen zien om op in te stormen.
Terwijl de mooie mestiza hem voorlas, zat hij daar, luisterend en denkend, in een houding, die herinnerde aan Rodin’s „Denker”.
Ook was hij geen droomer, of een bestrijder van windmolens, zooals Don Quixote. Ondanks zijn blindheid, die voor immer het uiterlijke der wereld onzichtbaar voor hem maakte, was hij een man van de daad, en zijn ziel was allesbehalve blind, onfeilbaar door den uiterlijken schijn heendringend tot in hart en ziel der wereld en haar heimelijkste zonden, roofzucht, edele gevoelens en deugden ontdekkend.
Hij hief zijn hand op en maakte een pauze in de lectuur, terwijl hij hardop over den inhoud van het gelezene nadacht.
„De menschelijke wet,” sprak hij langzaam en zeker, „is vandaag [91]een speelbal van het vernuft. Geen rechtvaardigheid, maar vernuft, is vandaag het spel der wet. De wet was in den beginne goed; maar de verdere voortgang der wet, de toepassing ervan, heeft den mensch in valsche banen geleid. Zij zien den weg aan voor het doel, de bedoeling voor het einde. Toch is de wet wet, en noodig, en goed. Alleen is de wet, in haar hedendaagsche toepassing, den rechten weg kwijtgeraakt. Rechters en rechtsgeleerden wedijveren om elkander een vlieg af te vangen en schrik aan te jagen door hun vernuft en geleerdheid, terwijl zij de klagers en verdedigers voor hen, geheel vergeten, die rechtvaardigheid en gerechtigheid zoeken in plaats van vernuft en geleerdheid.
„Toch heeft de oude Blackstone gelijk. Onder dit alles, in den diepsten grond hiervan, in de fundamenten van het gebouw der gerechtigheid, ligt de vraag, de ernstige en eerlijke vraag van rechtvaardige menschen naar gerechtigheid en rechtvaardigheid. Maar wat heeft de Prediker gezegd? „Hunne verzinsels zijn vele.” En de wet, die goed was in den beginne, is door al die verzinsels uit haar verband gerukt, zoodat noch procesvoerders, noch benadeelden er mee gediend zijn, maar alleen de vette rechters en de magere en hongerige rechtsgeleerden, die naam maken en dik worden, wanneer ze slimmer blijken te zijn dan hun tegenpartijen en dan de rechters, die beslissen.”
Hij zweeg, nog altijd in de houding van Rodin’s „Denker” en dacht na, terwijl de mestiza-vrouw op zijn gewone teeken wachtte om voort te gaan met lezen. Ten slotte, alsof hij ontwaakte uit een diepte van gedachten, waarin werelden op de weegschaal gelegd waren, sprak hij:
„Maar, hier in de Cordilleras van Panama hebben we een wet, die rechtvaardig, juist en enkel gerechtigheid is. Wij werken voor niemand en mesten ons zelven niet vet. Paklinnen en geen fijn laken past bij de gerechtigheid der wettelijke beslissing. Lees verder, Mercedes. Blackstone heeft altijd gelijk, wanneer hij altijd juist gelezen wordt—dit is, wat men een paradox noemt, en wat de tegenwoordige wet ook meestal is, een paradox. Lees verder. Blackstone zelf is de hoeksteen der menschelijke wet—maar, o, hoeveel onrecht is door verstandige menschen in zijn naam geschied!”
Tien minuten later hief de blinde denker zijn hoofd op, snoof de lucht in, en gaf het meisje een teeken om op te houden. Door hem er op attent gemaakt, snoof ook zij de lucht op:
„Misschien is het de lamp, o Rechtvaardige,” opperde zij.
„Het is brandende olie,” zei hij. „Maar het is de lamp niet. Het komt van verre. Ik heb ook hooren schieten in de ravijnen.”
„Ik hoorde niets …” begon zij.
„Dochter, jij, die zien kunt, behoeft niet zoo te luisteren als ik. Er zijn vele schoten gelost in de ravijnen. Beveel mijn kinderen om een onderzoek in te stellen en rapport uit te brengen.”
Eerbiedig buigend voor den ouden man, die niet kon zien, maar die, door zijn scherp geoefend gehoor en welbewuste berekening van elk harer spierbewegingen, wist dat zij gebogen had, hief de jonge vrouw het uit dekens bestaande [92]gordijn op en ging naar buiten. Aan weerszijden van het hol zat een man, uit de inlandsklasse. Beiden waren gewapend met geweer en hakmes, terwijl in hun gordels ontbloote messen gestoken waren. Op bevel van het meisje stonden beiden op en bogen, niet voor haar, maar voor het bevel en de onzichtbare bron van het bevel. Een hunner sloeg met den achterkant van zijn hakmes tegen den steen, waarop hij gezeten had, legde toen zijn oor tegen den steen en luisterde. In werkelijkheid was de steen slechts het uiteinde van een ader van metaalhoudend erts, die zich over en door het hart van den berg uitstrekte. En verderop, op de tegenovergestelde helling, in een gedeelte, dat uitzicht gaf op het schitterende panorama der afdalende hellingen van de Cordilleras, zat een andere inlander, die eerst luisterde, zijn oor gedrukt tegen een dergelijke metaalhoudende kwarts en vervolgens met zijn hakmes daartegen klopte om te antwoorden. Daarna stapte hij naar een grooten, half-dooden boom op een zes voet afstand, greep in het holle binnenste ervan en trok aan een touw, evenals een man, die een kerkklok luidt.
Maar geen geluid werd vernomen. In plaats daarvan bewoog een hoogen tak, zich op en neer vijftig voet boven zijn hoofd en als een arm van een seintoren uit den grooten stam uitstekend, evenals de arm van een seintoren, wat hij ook eigenlijk was. Twee mijlen verder, op den kam van een berg, gaf een dergelijke sein-boom antwoord. Nog verderop en lager op de hellingen, verkondigde de flikkering van een handspiegel in de zon het doorzenden der boodschap van den blinden man in het hol. En dat geheele gedeelte der Cordilleras kwam in beweging door de geheime taal van vibreerende ertsaderen, zonneflikkeringen en wuivende boomtakken.
Terwijl Enrico Solano slank en recht als een jonge Indiaan op zijn paard zat, aan weerszijden begeleid door zijn zoons, Alesandro en Ricardo, die aan zijn stijgbeugels hingen, profiteerden van den tijd, die gewonnen werd door Francis’ strijd met de gendarmes in de achterhoede, bleven Leoncia, op haar rijdier gezeten, en Henry Morgan achter. Geregeld keek een van beiden achterom, om te zien of Francis hen nog niet inhaalde. Henry wachtte de gelegenheid af en liep terug. Vijf minuten later probeerde Leoncia, die niet minder bezorgd was over Francis’ veiligheid, haar paard te doen keeren. Maar het dier, dat begeerig was om in gezelschap te komen van zijn kameraad, die hem vooruit was, weigerde aan den teugel te gehoorzamen, steigerde en verzette zich halsstarrig. Afstijgend en de teugels op den grond werpend, volgens de Panamasche methode om een rijpaard te kluisteren, ging Leoncia te voet terug. Zóó snel volgde zij Henry, dat zij hem bijna op de hielen was, toen hij Francis en den inlander ontmoette. Het volgend oogenblik berispten zoowel Henry als Francis haar om haar gedrag, maar in beider stem lag onwillekeurig de teederheid der liefde, wat geen van beiden aangenaam was te hooren.
Daar hun harten actiever waren dan hun hoofden, werden zij volslagen verrast door het gezelschap haciendados, dat uit de omringende jungle met geweld geweer op hen aanvloog. Ondanks het feit, dat zij op deze wijze den weggeloopen [93]inlander snapten, dien zij weer schopten en mishandelden zouden Leoncia en de beide Morgans niets te vreezen gehad hebben, wanneer de eigenaar van den inlander, de oude vriend der familie Solano, er bij was geweest. Maar een aanval van malaria, waaraan hij om de twee dagen leed, had hem, rillend van de koorts, neergeveld in de buurt van het brandende olieveld.
Maar, ofschoon zij door hun slagen den inlander tot kermen brachten en op zijn knieën om genade deden smeeken, waren de haciendados beleefd tegen Leoncia en zeer behoorlijk jegens Francis en Henry, ofschoon zij deze laatsten de handen op den rug bonden om hen mee te nemen naar de helling van het ravijn, waar de paarden achtergelaten waren. Maar op den inlander koelden zij, met Latijnsch-Amerikaansche wreedheid, hun woede.
En toch zouden zij met hun gevangenen, op eigen gelegenheid, nergens heengaan. Vreugdekreten verkondigden de verschijning op het tooneel van de gendarmes met hun Chef en Alvarez Torres. In eens verhief zich het snelvuur van staccato, verbasterd Latijn, waarin ieder lid der beide partijen vervolgers tegelijkertijd uitlegging trachtte te geven en te vragen. En terwijl het mengelmoes der stemmen, die allemaal tegelijk spraken en waarbij niemand iets verstond, een ware spraakverwarring deed ontstaan, trad Torres, met een hoofdknik tegen Francis en een triomfeerenden grijnslach tegen Henry, voor Leoncia en boog voor haar met de echte, diepe hoffelijkheid en eerbied van den hidalgo.
„Luister!” zei hij, op zachten toon, toen ze hem met een afkeerige armbeweging wegstiet. „Begrijp mij niet verkeerd. Vergis je niet in mij. Ik ben hier om je te redden en, wat er ook gebeuren moge, te beschermen. Jij bent de koningin mijner droomen. Ik wil voor je sterven—ja, met vreugde, hoewel ik toch nog veel liever voor je zou willen leven.”
„Ik begrijp er niets van,” antwoordde zij kortaf. „Ik zie niet in, wat leven en dood hiermee te maken hebben. Wij hebben geen kwaad gedaan. Ik heb geen kwaad gedaan en mijn vader evenmin. Ook Francis Morgan of Henry Morgan niet. Daarom, mijnheer, is dit geen kwestie van leven of dood.”
Henry en Francis, die ieder aan een kant dicht tegen Leoncia aangedrongen stonden, luisterden en vingen door het gemurmel der stemmen het gesprek van Leoncia en Torres op.
„Het is een kwestie van een gewissen dood door terechtstelling voor Henry Morgan,” hield Torres vol. „Zijn schuld aan den moord van Alfaro Solano, die je volle oom en een volle broer van je vader was, is onomstootelijk bewezen. Er bestaat niet de minste kans om Henry Morgan te redden. Maar Francis Morgan kan ik redden en in veiligheid brengen, als …”
„Als?” vroeg Leoncia, terwijl haar geheele houding deed denken aan een wijfjes luipaard.
„Als … je lief voor mij bent, en mijn vrouw wordt,” zei Torres met bewonderenswaardige kalmte, ofschoon twee hulpelooze Gringos, wier handen op hun rug gebonden waren, hem met hun oogen hun gemeenschappelijken wensch te kennen gaven om hem op staanden voet te vernietigen. [94]
Torres greep, in een ongeveinsde hartstochtelijke opwelling, ofschoon zijn snelle blik hem overtuigd had van de hulpeloosheid der beide Morgans, haar handen in de zijne en drong aan:
„Leoncia, als je echtgenoot kan ik misschien ook nog iets voor Henry doen. Zelfs kan ik misschien nog zijn leven en zijn hals redden, wanneer hij er in toestemt om onmiddellijk Panama te verlaten.”
„Jou, Spaansche hond!” snauwde Henry hem toe, zijn gebonden handen op zijn rug wringend, in een poging om ze vrij te maken.
„Vervloekte Gringo!” antwoordde Torres, terwijl hij met den vlakken rug van zijn hand Henry op den mond sloeg.
Oogenblikkelijk schoot Henry’s voet naar voren en de schop in Torres’ zijde wierp hem wankelend in de richting van Francis, die niet minder vlug was, om hem ook een schop toe te dienen. Heen en weer als een voetbal tusschen de spelers, werd Torres van den een naar den ander geschopt, tot de gendarmes de beide Gringos aangrepen en hen, in hun hulpeloosheid, begonnen te slaan. Torres moedigde niet alleen de gendarmes aan, maar trok zelf een mes; en een bloedig treurspel zou afgespeeld zijn, nu het beleedigde Latijnsch-Amerikaansche bloed in vuur geraakt was, ware er niet een twintigtal of meer gewapende mannen zwijgend ten tooneele verschenen, die zwijgend zich meester maakten van de situatie. Sommige der geheimzinnige nieuwelingen waren gekleed in katoenen buis en broek, en anderen droegen, met kappen voorziene, regenjassen van paklinnen.
De gendarmes en haciendados deinsden verschrikt terug, bekruisten zich, stamelden gebeden en riepen: „De Blinde Roover!” „De Wreede Rechtvaardige!” „Het zijn zijn mannen!” „Wij zijn verloren!”
Maar de veel-mishandelde inlander sprong naar voren en viel op zijn bloedende knieën neer voor een man met een streng gelaat, die de aanvoerder der mannen van den Blinden Roover scheen te zijn. Uit den mond van den inlander vloeide een stroom van klachten en een bede om gerechtigheid.
„Gij kent de gerechtigheid, waarop gij een beroep doet?” vroeg de aanvoerder met een diepe stem.
„Ja, de Wreede Gerechtigheid,” antwoordde de inlander. „Ik weet, wat het zeggen wil om een beroep te doen op de Wreede Gerechtigheid, en toch doe ik het, want ik zoek gerechtigheid en mijn zaak is rechtvaardig!”
„Ik doe eveneens een beroep op de Wreede Gerechtigheid!” riep Leoncia met vlammende oogen uit, ofschoon ze er op zachter toon tegen Francis en Henry aan toevoegde: „Wat die Wreede Gerechtigheid dan ook moge zijn.”
„’t Moet al heel erg zijn, wanneer ze minder eerlijk is, dan de gerechtigheid, die wij van Torres en den Chef kunnen verwachten,” antwoordde Henry op denzelfden fluistertoon, stapte toen stoutweg voor den aanvoerder met zijn kap en zei hardop: „En ik doe een beroep op de Wreede Gerechtigheid.”
De aanvoerder knikte.
„Ik ook,” fluisterde Francis zacht, en herhaalde toen hardop deze woorden. [95]
De gendarmes schenen in deze zaak niet mee te tellen, terwijl de haciendados zich maar al te bereidwillig toonden, om zich te onttrekken aan de gerechtigheid, die de Blinde Roover over hen zou uitspreken. Alleen de Chef protesteerde.
„Misschien weet gij niet, wie ik ben,” snoefde hij. „Ik ben Mariano Vercara è Hyos, met een ouden, beroemden naam en een lange, roemrijke loopbaan. Ik ben Chef van de Politie in San Antonio, de beste vriend van den gouverneur, en hoog in aanzien bij de Regeering der Republiek Panama. Ik ben de wet. Er is maar één wet en één gerechtigheid, en dat is die van Panama en niet van de Cordilleras. Ik protesteer tegen deze wet der bergen, die gij de Wreede Gerechtigheid noemt. Ik zal een leger uitzenden tegen uw Blinden Roover en de gieren zullen zijn beenderen afkluiven in San Juan.”
„Bedenk, dat je hier niet in San Antonio bent,” waarschuwde Torres sarcastisch den vertoornden Chef, „maar in de kreupelbosschen van Juchitan. Bovendien heb je geen leger.”
„Zijn deze beide mannen onrechtvaardig geweest jegens iemand, die een beroep gedaan heeft op de Wreede Gerechtigheid?” vroeg de aanvoerder plotseling.
„Ja,” bevestigde de inlander. „Ze hebben mij geslagen. Iedereen heeft mij geslagen. Zij ook hebben mij geslagen en zonder reden. Mijn hand is bebloed. Mijn lichaam is gekneusd en verscheurd. Nog eens beroep ik mij op de Wreede Gerechtigheid en ik beschuldig deze twee mannen van onrechtvaardigheid.”
De leider knikte en gaf aan zijn eigen manschappen een teeken om de gevangenen te ontwapenen en den afmarsch te regelen.
„Gerechtigheid!—ik vraag ook gerechtigheid!” riep Henry. „Mijn handen zijn op mijn rug gebonden. Alle handen moeten zoo gebonden worden of geen enkele. Bovendien is het zeer moeilijk loopen, wanneer men zoo vastgebonden is.”
De schaduw van een glimlach vloog over de lippen van den aanvoerder, toen hij zijn mannen beval de banden door te snijden, die zoo ergerlijk getuigden van de ongelijkheid, waarover geklaagd werd.
„Oef!” grinnikte Francis tegen Leoncia en Henry. „Ik heb een vage herinnering, dat ik vroeger, een millioen jaren geleden, ergens huisde in een rustig, klein, oud plaatsje, genaamd New-York, waar wij zoo onnoozel waren te denken, dat we de woestste en slimste golfspelers waren, die bestonden, een Inspecteur van Politie electrocuteerden, vochten met Tammany of vier mille boden met vijf vaste trekken in de hand.”
„Oef!” zuchtte Francis een half uur later, toen het pad, van een minder hoogen top, uitzicht gaf op verder op gelegen hoogere toppen. „Oef! Deze kerels in hun linnen zakken zijn geen wilde beesten. Kijk, Henry! Ze geven seinen! Kijk eens naar dien boom daar vlakbij, en dien grooten aan de overzijde van het ravijn. Kijk eens naar het wuiven van die takken.”
Nadat zij de laatste mijlen geblinddoekt afgelegd hadden, werden de gevangenen, nog steeds geblinddoekt, het hol [96]binnengeleid, waar de Wreede Gerechtigheid resideerde. Toen de doeken weggenomen werden, zagen zij, dat zij zich bevonden in een groote, luchtige grot, verlicht door talrijke toortsen en tegenover zich een blinden grijsaard, gekleed in paklinnen en gezeten op een ruw besneden troon, terwijl naast hem, met haar schouder tegen zijn knieën, een mooie mestiza zat.
De blinde man nam het woord en in zijn stem lag de fijne, zilveren toon, die ouderdom en levenswijsheid geven.
„Er is een beroep gedaan op de Wreede Gerechtigheid. Spreek! Wie verlangt rechtspraak en gerechtigheid?”
Allen zwegen en zelfs de Chef kon geen moed vinden om te protesteeren tegen de wet der Cordilleras.
„Er is een vrouw in het gezelschap,” vervolgde de Blinde Roover. „Laat haar het eerst spreken. Ieder sterfelijk mensch, hetzij man of vrouw, heeft zich aan iets schuldig gemaakt of wordt door zijn medemenschen van het een of ander beschuldigd.”
Henry en Francis wilden haar tegenhouden, maar met hetzelfde glimlachje aan beider adres, wendde zij zich met heldere, duidelijke stem tot den Wreeden Rechtvaardige.
„Ik heb alleen den man, wiens vrouw ik zal worden, geholpen om aan den dood te ontsnappen, dien hij ondergaan zou voor een moord, dien hij niet gepleegd heeft.”
„Gij hebt gesproken,” sprak de Blinde Roover. „Kom dichter bij mij.”
Geleid door in paklinnen gekleede mannen, terwijl de beide Morgans, die haar liefhadden, ongedurig en ongerust waren, liet men haar neerknielen aan de voeten van den ouden man. Het mestiza-meisje legde diens hand op Leoncia’s hoofd. Een minuut lang heerschte er een plechtige stilte, terwijl de rustige vingers van den Blinde op haar voorhoofd rustten en de polsslagen aan haar slapen controleerden. Toen nam hij zijn hand weg en leunde achterover om een beslissing te nemen.
„Sta op, senorita,” sprak hij. „Uw hart is vrij van kwaad. Gij gaat vrij uit.—Wie verschijnt er nog meer voor de Wreede Gerechtigheid?”
Onmiddellijk stapte Francis naar voren.
„Ik heb eveneens den man geholpen om aan een onverdienden dood te ontsnappen. De man en ik dragen denzelfden naam en wij zijn, hoewel zeer van verre, aan elkander verwant.” Hij ook, knielde neer, en voelde de zachte vingers over zijn wenkbrauwen en slapen glijden en ten slotte tot stilstand komen op den slagader aan zijn pols.
„Het is mij niet alles duidelijk,” sprak de Blinde. „Gij hebt geen rust en geen vrede met uw ziel. Gij hebt zorgen, die u drukken.”
Plotseling stapte de inlander naar voren en sprak ongevraagd, terwijl zijn stem de in paklinnen gekleede mannen deed opschrikken, alsof zij een godslastering hoorden.
„O, Rechtvaardige, laat dezen man vrij uitgaan,” sprak de inlander hartstochtelijk. „Tweemaal was ik dezen dag zwak en verried hem aan zijn vijand en tweemaal heeft hij mij vandaag beschermd voor mijn vijand en mij gered.”
En de inlander, weer op zijn knieën vallend, maar ditmaal [97]aan den voet der gerechtigheid, beefde en sidderde van bijgeloovige vrees, toen hij de lichte, maar vaste aanraking voelde der vingers van den zonderlingsten rechter, waarvoor hij ooit geknield had. Kneuzingen en verwondingen werden snel onderzocht, zelfs op zijn schouders en rug.
„De andere man gaat vrij uit,” verkondigde de Wreede Gerechtigheid. „En toch is er zorg en onrust in zijn binnenste. Weet iemand hier meer van en wil hij spreken?”
En Francis wist oogenblikkelijk welke zorg het was, die de blinde man in hem raadde—de groote liefde, die in hem gloeide voor Leoncia en die het loyale gevoel ten opzichte van Henry dreigde te verstikken. Niet minder snel begreep Leoncia en had de blinde man de onwillekeurige blik van begrijpen kunnen zien, die de man en de vrouw elkander toewierpen, dan had hij ongetwijfeld Francis’ zorgen kunnen vaststellen. Het mestiza-meisje zag het echter wel en haar hart zei haar onmiddellijk, dat hier een liefdesgeschiedenis in het spel was. Evenzoo had Henry het gezien en onwillekeurig de wenkbrauwen gefronsd.
De Rechtvaardige sprak:
„Ongetwijfeld een aangelegenheid van het hart,” verklaarde hij de zaak. „De eeuwige kommer om een vrouw in het hart van den man. Maar hoe het zij, deze man gaat vrij uit. Tweemaal op één dag heeft hij den man geholpen, die hem tweemaal verried. Evenmin heeft de zorg in zijn hart iets uit te staan met de hulp, die hij den man verleende, die, naar men zegt, onschuldig ter dood veroordeeld werd. Blijft nog het onderzoek over van dezen laatsten; en de rechtspraak over dit mishandelde schepsel voor mij, die dezen dag tweemaal zwak werd, terwille van zelfbehoud, en die nu juist bewezen heeft dapper en sterk te zijn, terwille van een ander.”
Hij boog zich voorover en liet zijn vingers onderzoekend over gelaat en wenkbrauwen van den inlander dwalen.
„Ben je bang om te sterven?” vroeg hij plotseling.
„O, Groote en Heilige, ik ben vreeselijk bang om te sterven,” was het antwoord van den inlander.
„Zeg dan, dat je gelogen hebt omtrent dezen man, zeg dat het een leugen was, dat hij je tweemaal te hulp kwam, en je zult leven.”
De inlander kromde zich en kromp ineen onder de vingers van den Blinde.
„Bedenk je goed,” klonk de ernstige waarschuwing. „De dood is niet goed. Om voor altijd onbeweeglijk te zijn, evenals de kluiten en rotsen, is niet goed. Zeg, dat je gelogen hebt en je bent meester van je leven. Spreek!”
Maar, ofschoon zijn stem beefde van doodsangst, verhief de inlander zich tot de hoogste geestelijke menschelijkheid.
„Tweemaal heb ik hem dezen dag verraden, o Heilige. Maar ik ben geen Petrus. Ik wil hem dezen dag geen driemaal verraden. Ik ben doodsbang, maar ik kan hem geen driemaal verraden.”
De blinde rechter leunde achterover en zijn gelaat straalde en lichtte, de uitdrukking ervan was geheel veranderd.
„Goed gesproken,” zei hij. „Gij hebt aanleg om een man te worden. En nu zal ik mijn vonnis over je uitspreken: Van [98]dit oogenblik af, gedurende al uw levensdagen op dit ondermaansche, zult gij aldoor denken als een man, handelen als een man, een man zijn. Het is beter om den een of anderen tijd als man te sterven, dan om eeuwig als een beest te leven. De Evangelist had ongelijk. Een doode leeuw is altijd beter dan een levende hond. Ga vrij uit, mijn herboren zoon, ga vrij uit.”
Maar toen de inlander, op een teeken van de mestiza, op wilde staan, werd hij door den blinden rechter tegengehouden.
„Wat was, o mensch, die eerst heden een man geworden zijt, in den beginne de oorzaak van al uw moeilijkheden?”
„Mijn hart was zwak en hongerig, o Heilige, naar een vrouw van gemengd ras van de tierra caliente. Ik zelf werd in de bergen geboren. Om harentwille stak ik mijzelf in schuld bij den haciendado voor de som van tweehonderd pesos. Zij vluchtte met het geld en een anderen man. Ik bleef achter als slaaf van den haciendado, die geen slecht mensch is, maar die, in de eerste plaats en altijd, een haciendado is. Ik heb gezwoegd, werd geslagen, en heb vijf lange jaren geleden, en mijn schuld is nu gestegen tot tweehonderd vijftig pesos, en toch bezit ik niets dan deze lompen en een lichaam, dat verzwakt is door onvoldoende voeding.”
„Was zij schoon?—deze vrouw van de tierra caliente?” vroeg de blinde rechter zacht.
„Ik was dol op haar, o Heilige. Ik geloof nu niet meer, dat ze schoon was. Maar toen was ze het. Het koortsachtig verlangen naar haar zette mijn hart en mijn hersenen in brand en maakte mij tot een slaaf, ofschoon zij in den nacht van mij wegvluchtte en ik haar nimmer weerzag.”
De inlander wachtte, op zijn knieën liggend en met gebogen hoofd, terwijl, tot ieders verwondering, de Blinde Roover diep zuchtte en tijd en plaats scheen te vergeten. Onwillekeurig en automatisch zwierf zijn hand naar het hoofd der mestiza, liefkoosde het glanzende zwarte haar en bleef dit liefkoozen terwijl hij sprak.
„De vrouw,” zei hij, met een stem zoo zacht, dat het nauwelijks meer was dan een gefluister en toch duidelijk en klankrijk. „Altijd weer de schoone vrouw. Alle vrouwen zijn schoon … voor een man. Zij beminnen onze vaders; zij brengen ons ter wereld; wij beminnen haar; zij schenken ons zonen om haar dochters te beminnen en haar dochters schoon te noemen; en dit is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven tot het einde van het menschelijk bestaan en de menschelijke liefde hier op aarde.”
Een diepe stilte heerschte in de grot, terwijl de Wreede Gerechtigheid een tijdlang in gedachten verzonken was. Ten laatste gaf de mooie mestiza hem een vertrouwelijk tikje en wekte hem uit zijn overpeinzingen om hem te herinneren aan den inlander, die nog altijd aan zijn voeten geknield lag.
„Ik spreek recht,” zei hij. „Gij hebt talrijke slagen ontvangen. Iedere slag op je lichaam is een kwijting van je schuld aan den haciendado. Ga vrij uit. Maar blijf in de bergen, en zorg er voor, dat je de volgende keer een vrouw uit de bergen liefkrijgt, want een vrouw moet je hebben en een vrouw is nu eenmaal een onvermijdelijke en eeuwige noodzakelijkheid [99]in het leven der mannen. Ga vrij uit. Gij zijt een halfbloed-Maya?”
„Ik ben een halfbloed-Maya,” mompelde de inlander. „Mijn vader is een Maya.”
„Sta op en ga vrij uit. En blijf in de bergen met je Maya-vader. De tierra caliente is geen geschikte plaats voor iemand, die in de Cordilleras geboren werd. De haciendado is niet tegenwoordig en daarom kan er over hem geen recht gesproken worden. En bovendien is hij maar een haciendado. Zijn mede-haciendados mogen ook vrij uitgaan.”
De Wreede Rechtvaardige wachtte een oogenblik en zonder dralen stapte Henry naar voren.
„Ik ben de man,” bevestigde hij stout, „die onschuldig ter dood veroordeeld werd voor het vermoorden van een man, dien ik niet gedood heb. Hij was de volle oom van het meisje, dat ik liefheb, en die mijn vrouw zal worden, wanneer er in deze grot in de Cordilleras werkelijk nog rechtvaardigheid woont.”
Maar de Chef viel hem in de rede.
„Voor een twintigtal getuigen dreigde hij dezen man te zullen dooden. Binnen het uur vonden we hem gebogen over het doode lichaam van den man, dat nog warm en slap en dus juist gedood was.”
„Hij spreekt de waarheid,” stemde Henry toe. „Ik dreigde den man, toen we allebei opgewonden waren door te veel drinken en drift. Ik werd zoo gevonden, gebogen over zijn doode, nog warme lichaam. Toch doodde ik hem niet. Evenmin weet ik, of kan ik vermoeden, welke lafaard hem in het donker een mes in den rug stak.”
„Kniel beiden neer, opdat ik u kan ondervragen,” beval de Blinde Roover.
Langen tijd onderzocht hij hen met zijn gevoelige, vragende vingers. Lang en steeds langer gleden zijn vingers, die geen beslissing konden vinden, over het gelaat en de polsen der beide mannen.
„Is er een vrouw?” vroeg hij scherp aan Henry Morgan.
„Een schoone vrouw. Ik heb haar lief.”
„Het is goed om zoo gekweld te zijn, want een man, die geen zorgen heeft om een vrouw, is maar een halve man,” sprak de blinde rechter. Hij wendde zich tot den Chef. „Geen vrouw baart u zorg, toch zijt gij niet onbekommerd. Maar deze man”—op Henry wijzend—„ik kan niet zeggen, of al zijn onrust aan de vrouw te wijten is. Misschien is zij gedeeltelijk aan u te wijten, of aan het een of andere booze plan, dat hij tegen u beraamt. Sta op, allebei. Ik kan niet tusschen u oordeelen. Toch is er een onfeilbare proef, de proef van de Slang en de Vogel. Zij is even onfeilbaar als God onfeilbaar is, want langs zulke wegen spreekt God nog recht in de zaken der menschen. Ook Blackstone vermeldt dergelijke methoden om de waarheid vast te stellen bij een gerechtelijk onderzoek.” [100]