WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 15: HOOFDSTUK XI.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XI.

Alle aanwezigen hadden het waarschijnlijk voor een kleine arena aangezien, die kuil in het midden van het domein van den Blinden Roover. Tien voet diep en dertig voet in doorsnee, met een gelijken vloer en loodrechte wanden, hadden menschenhanden weinig moeite gehad om van de natuurlijke vorm een symmetrisch geheel te maken. De, in paklinnen gekleede, mannen, de haciendados, de gendarmes—allen waren tegenwoordig, behalve de Wreede Rechtvaardige en de mestiza, en allen stonden om den rand der kuil geschaard, evenals het publiek, dat neerziet op een stieren- of gladiatorengevecht in den kuil.

Op bevel van den gestrengen aanvoerder der, in paklinnen gekleede, mannen, die hen gevangengenomen had, daalden Henry en de Chef langs een korten ladder in den kuil af. De aanvoerder en verscheidene der roovers vergezelden hen.

„De Hemel mag weten, wat er gaat gebeuren,” riep Henry lachend in het Engelsch naar boven naar Leoncia en Francis. „Maar wanneer het op een schermutseling aankomt of een Marquis van Queensbury of London Price Ring, dan zal ik het wel klaarspelen met mijnheer de vette Politiechef. Maar de oude blinde is niet gek en de kans bestaat, dat hij ons op de een of andere wijze op gelijken voet tegenover elkander zal stellen. In welk geval, als hij mij onder mocht krijgen, jelui, als publiek, je duimen op moet steken en zooveel kabaal maken, als je maar kunt. Wees er zeker van, dat zijn partij beslist de duimen zal opsteken, voor het geval hij onder komt.”

De Chef, die overbluft was door de val, waarin hij afgedaald was, wendde zich in het Spaansch tot den aanvoerder.

„Ik weiger te vechten met dezen man. Hij is jonger dan ik en beter bij adem. Bovendien is de zaak niet wettig. Het is niet overeenkomstig de wetten der Republiek Panama. Het is extra-territoriaal en volslagen onwettig.”

„Het is Slang en Vogel,” ontnam de aanvoerder hem het woord. „Gij zult de Slang zijn. Dit geweer krijg je in handen. De andere man zal de Vogel zijn. In zijn hand wordt de bel gegeven. Zie je! Op deze wijze moet je het godsgericht ondergaan.”

Op zijn bevel, werd een der roovers het geweer in handen gegeven en geblinddoekt. Een andere, niet geblinddoekte roover, kreeg een zilveren bel.

„De man met het geweer is de Slang,” zei de aanvoerder. „Hij mag één schot lossen op den Vogel, die de bel draagt.”

Op het teeken om te beginnen, liet de bandiet met de bel, deze op armslengte van zich afhoudend, rinkelen en sprong snel terzijde. De man met het geweer richtte dit, alsof hij wilde schieten, op de plek, die juist verlaten was en deed alsof hij schoot.

„Begrepen?” vroeg de aanvoerder aan Henry en den Chef.

De eerste knikte, maar de laatste riep juichend uit:

„En ik ben de Slang?”

„Gij zijt de Slang,” bevestigde de aanvoerder.

En de Chef greep gretig naar het geweer, niet langer protesteerend tegen het extra-territoriale van het geval. [101]

„Zal je een poging doen om me te raken?” waarschuwde Henry den Chef.

„Neen, Senor Morgan. Ik zal geen poging doen, maar ik zal je raken. Ik ben een der twee beste schutters van Panama. Ik bezit meer dan veertig medailles. Ik kan schieten met gesloten oogen. Ik kan in het duister schieten. Ik heb dikwijls, en met goed gevolg, in het duister geschoten. Je kunt je nu al gerust als dood beschouwen.”

Slechts één kogel werd op het geweer gedaan, vóór het aan den Chef overhandigd werd, nadat deze geblinddoekt was. Vervolgens, nadat Henry, uitgerust met de verraderlijke bel, aan de overzijde van de kuil geplaatst was werd de Chef met het aangezicht naar den muur gekeerd, waarna de roovers uit den kuil klommen en den ladder optrokken. Van boven sprak de aanvoerder tegen hen:

„Luister goed, Senor Slang, en verroer je niet vóór je alles gehoord hebt. De Slang mag maar één schot doen. De Slang mag zijn blinddoek niet aanraken. Als hij dit wel doet, is het onze plicht te zorgen, dat hij onmiddellijk gedood wordt. De Slang is aan geen tijd gebonden. Hij kan den geheelen dag wachten en den geheelen nacht, en de geheele eeuwigheid, eer hij het schot lost. Wat den Vogel betreft, deze heeft slechts te zorgen, dat de bel in zijn hand blijft, en moet de klepel altijd met volle kracht tegen den wand der bel slaan. Wanneer hij dit niet doet, moet hij onmiddellijk sterven. Wij staan hier boven u, senors, met het geweer in de hand om toe te zien, dat gij onmiddellijk sterft, wanneer gij de voorschriften overtreedt. En nu, moge God den onschuldige nabij zijn, vooruit!”

De Chef keerde zich langzaam om en luisterde, terwijl Henry, behoedzaam een poging doende om de bel in beweging te brengen, deze deed rinkelen. Het geweer werd met groote snelheid op het geluid gericht en volgde dit, terwijl Henry voortrende. Met een snelle beweging greep hij de bel in zijn andere uitgestrekte hand en rende terug in de tegenovergestelde richting, terwijl het geweer hem onverbiddelijk volgde. Maar de Chef was te slim om alles op één twijfelachtig schot te zetten en naderde langzaam door de arena. Henry stond stil en de bel gaf geen geluid. Het oor van den Chef had zoo juist de plaats van het laatste zilveren gerinkel vastgesteld en, ondanks zijn blinddoek, liep hij er zoo regelrecht op aan, dat hij precies ter rechterzijde van Henry en vlak voor de bel kwam te staan. Zeer voorzichtig, om geen leven te maken, hief Henry langzaam zijn arm op, zoodat het hoofd van den Chef, met een tusschenruimte van nauwelijks één duim, er onder door ging.

Met geveld geweer en nauwelijks een voet van den muur verwijderd, bleef de Chef besluiteloos staan, luisterde een oogenblik tevergeefs en deed toen nog een stap, waardoor de loop van het geweer in contact kwam met den muur. Hij draaide zich op zijn hielen om en voelde, nog altijd het geweer geveld houdend, als een blinde in de lucht om zijn vijand te zoeken. De loop zou tegen Henry aangedrukt zijn, wanneer hij niet onstuimig en in een zigzag-richting was weggesprongen. [102]

Midden in den kuil bleef hij stokstijf staan. De Chef liep op een meter afstand langs hem heen en botste tegen den tegenovergestelden muur. Hij liep langs den muur, zachtjes voortsluipend als een kat, terwijl zijn geweer aldoor in de lucht gericht was. Vervolgens waagde hij het om den kuil over te steken. Na een aantal malen aldus overgestoken te zijn, waarbij de stilstaande bel hem geen enkele aanwijzing aan de hand deed, beproefde hij het op een slimme manier. Zijn hoed op den grond gooiend om zijn uitgangspunt aan te wijzen, stak hij den kuil vlak bij den wand in rechte lijn over, deed een stap terzijde en begon den terugtocht langs deze nieuwe en langere lijn. Weer bij den muur gekomen, stelde hij vast, dat deze beide lijnen zuiver parallel liepen, door een stap terug te doen naar zijn hoed. Ditmaal deed hij van den hoed drie passen langs den muur en begon hier de derde lijn.

Zoo doorkruiste hij den heelen kuil en Henry zag, dat hij niet hieraan zou kunnen ontsnappen. Evenmin wachtte hij af, dat hij ontdekt werd. De bel rinkelend terwijl hij wegrende en zigzagsgewijze voortgaande en de bel van de eene hand in de andere nemend, bleef hij op een andere plek weer onbeweeglijk staan.

De Chef herhaalde zijn bewerkelijke onderzoekingstocht, maar Henry verkoos om een einde te maken aan de spanning. Hij wachtte, tot de laatste lijn van den Chef dezen vlak bij hem bracht. Hij wachtte, tot de loop van het geweer, op borsthoogte, nog een duim of zes van zijn hart verwijderd was. Toen maakte hij bliksemsnel twee gelijktijdige bewegingen. Hij dook onder het geweer en schreeuwde met stentorstem het bevel: „Vuur!”

Hierdoor verschrikt, haalde de Chef den trekker over en de kogel vloog over Henry’s hoofd heen. Uit de hoogte kwam een daverend applaus van de, in paklinnen gekleede, mannen. De Chef rukte zijn blinddoek af en zag het glimlachend gelaat van zijn tegenstander.

„Het is goed—God heeft gesproken,” verkondigde de, in paklinnen gekleede, aanvoerder, toen hij in den kuil afdaalde. „De ongedeerde man is onschuldig. Blijft nog over om den anderen man de proef te doen ondergaan.”

„Ik?” gilde de Chef bijna, in zijn verrassing en ontzetting.

„Gegroet, Chef,” grinnikte Henry. „Je hebt een poging gedaan om me te raken. Nu is het mijn beurt. Geef hier dat geweer.”

Maar de Chef, in zijn teleurstelling en woede vergetend, dat er maar één kogel op het geweer geweest was, drukte met een vloek den loop tegen Henry’s hart en haalde den trekker over. De haan sloeg met harden slag dicht.

„Het is goed,” sprak de aanvoerder, het geweer wegnemend en weer ladend. „Uw gedrag zal gerapporteerd worden. Nu blijft de proef voor u over, maar toch schijnt het, dat gij niet handelt als Gods uitverkoren man.”

Als een in het nauw gedrongen stier in de arena naar een uitweg zoekend om te ontsnappen en omhoog kijkend naar den kring meedoogenlooze gezichten, evenzoo keek de Chef omhoog en zag niets dan de geweren der, in paklinnen gekleede, mannen, de triomfeerende gezichten van Leoncia en [103]Francis, de verwonderde blikken van zijn eigen gendarmes en de bloeddorstige gezichten der haciendados, die volkomen geleken op de gezichten der toeschouwers bij een stierengevecht.

De nauwelijks zichtbare glimlach vloog weer over de strenge lippen van den aanvoerder, toen hij Henry het geweer overhandigde en hem blinddoekte.

„Waarom draai je hem niet met het gezicht naar den muur, tot ik klaar ben?” vroeg de Chef, toen de zilveren bel rinkelde in zijn zenuwachtig-trekkende hand.

„Omdat het gebleken is, dat hij Gods uitverkorene is,” was het antwoord. „Hij heeft de proef doorstaan. Daarom kan hij geen verraderlijke handeling begaan. Nu moet gij het godsgericht ondergaan. Wanneer je eerlijk en oprecht bent, kan de Slang je geen kwaad doen. Alzoo zijn Gods wegen.”

De Chef bewees veel handiger te zijn als jager, dan als wild. Aan de overzijde van Henry in den kuil staande, deed hij zijn best om onbeweeglijk te blijven; maar door zijn zenuwachtigheid trilde zijn hand en rinkelde de bel, toen Henry’s geweer op hem gericht werd. Onmiddellijk kwam het geweer tot stilstand en richtte zich dreigend op het geluid. Tevergeefs trachtte de Chef zijn zenuwachtigheid meester te worden en de bel stil te houden. Maar de bel rinkelde voort en, in wanhoop, slingerde hij haar weg en wierp zich op den grond. Maar Henry liet, op het geluid van den val van zijn vijand afgaande, het geweer zakken en haalde den trekker over. De Chef gilde van pijn toen de kogel zijn schouder doorboorde, sprong vloekend overeind, viel spartelend terug op den grond en bleef vloekend liggen.


Weer in het hol teruggekeerd, sprak de Blinde Rechter het oordeel uit, terwijl de mestiza aan zijn voeten naast hem zat.

„Deze man, die gewond is en zijn mond vol heeft over de wet van de tierra caliente, zal nu kennis maken met de wet van de Cordilleras. De proef van de Slang en de Vogel heeft bewezen, dat hij schuldig is. Om zich te redden, moet hij een losgeld van tienduizend dollars aan goudgeld betalen of anders blijft hij hier, als houthakker en waterdrager, voor de overige levensdagen, die God hem hier op aarde schenkt. Ik heb gezegd, en ik weet, dat mijn stem Gods stem is, en ik weet, dat God hem niet veel levensdagen meer zal schenken, wanneer het losgeld niet betaald wordt.”

Er heerschte een langdurige stilte, waarin zelfs Henry, die in de hitte van den strijd best een tegenstander kon neervellen, vond, dat zoo’n koelbloedige belofte van een spoedigen dood hem tegen de borst stuitte.

„De wet is meedoogenloos,” sprak de Wreede Rechtvaardige; en weer heerschte er zwijgen.

„Laat hem sterven, bij gebrek aan een losgeld,” sprak een der haciendados. „Hij heeft zich laten kennen als een verraderlijken hond. Laat hem als een hond sterven.”

„Wat zeg jij ervan?” vroeg de Blinde Roover plechtig. „Wat zeg jij ervan, inlander van vele slagen, die dezen dag als man herboren werd, halfbloed-Maya, die je bent en minnaar [104]der schoone vrouw. Zal deze man sterven als een hond, bij gebrek aan een losgeld?”

„Deze man is een hardvochtig mensch,” sprak de inlander. „Toch is mijn hart dezen dag wonderlijk zacht gestemd. Wanneer ik tienduizend dollars goudgeld bezat, zou ik zelf zijn losgeld betalen. Ja, o Heilige en Rechtvaardige, en wanneer ik tweehonderdvijftig pesos bezat, zou ik zelfs mijn schuld betalen aan den haciendado, van wien ik vrijgemaakt ben.”

Het blinde gelaat van den ouden man straalde als verheerlijkt.

„Uit u spreekt dezen dag ook Gods stem, herboren mensch,” prees hij.

Maar Francis, die snel iets in zijn chèque-boek gekrabbeld had, overhandigde aan de mestiza een chèque, waarvan de inkt nog nat was.

„Ik wil ook spreken,” zei hij. „Laat de man niet sterven als een hond, zooals hij verdient, nadat hij bewezen heeft, welk een verraderlijke hond hij is.”

De mestiza las de chèque hardop voor.

„Gij hoeft het niet nader te verklaren,” legde de Blinde Roover Francis het zwijgen op. „Ik ben een redelijk wezen en heb niet altijd in de Cordilleras gewoond. Ik heb veel zaken gedaan in Barcelona. Ik ken de Chemical National Bank in New-York en heb er door mijn agenten al meer zaken gedaan. De chèque is goed voor tienduizend dollars goudgeld. De man, die haar schreef, heeft vandaag waarheid gesproken. De chèque is goed. Bovendien weet ik, dat hij de betaling niet zal beletten. De man, die aldus het losgeld van een tegenstander betaalt is een der drie dingen: een zeer goed man; een dwaas; of een zeer rijk man. Zeg mij, o Man, is er ook een schoone vrouw?”

En Francis, die niet rechts of links durfde kijken, naar Leoncia of Henry, maar die recht voor zich uit den Blinden Roover in de oogen keek, antwoordde, omdat hij voelde, dat hij zoo moest antwoorden:

„Ja, o Wreede Rechtvaardige, er is een schoone vrouw.”