WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 18: HOOFDSTUK XIV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XIV.

„We kunnen er onmogelijk een millioen mijlen vandaan zijn,” zei Henry, toen het drietal stilstond aan den voet van een hooge, steile rots. „Als het nog verder is, dan loopt de koers recht over deze rots en daar wij die niet kunnen beklimmen en, naar de afmetingen te oordeelen, de omvang mijlenlang moet zijn, kan het niet anders of de bron van deze lichten moet hier ergens te vinden zijn.”

„Zou het geen man met een verrekijker geweest kunnen zijn?” opperde Leoncia.

„Hoogstwaarschijnlijk is het ’t een of ander natuurverschijnsel,” antwoordde Francis. „Ik voel veel voor natuurverschijnselen na onze ontmoeting met de schreeuwende zandvlakten.”

Leoncia, die toevallig iets verder langs de voorzijde van de rots keek, werd plotseling een en al aandacht en riep: „Kijk daar eens!” Hun oogen volgden de hare en bleven op hetzelfde punt rusten. Wat zij zagen, was geen schittering, maar een rustig, wit licht, dat straalde en gloeide als de zon. Langs den voet der rots voortkrabbelend, bemerkten de beide mannen aan den dichten plantengroei, dat hier in vele jaren geen menschelijke wezens geweest waren. Ademloos van de inspanning, drongen zij door het kreupelhout heen naar een open plek, waar nog niet lang geleden naar beneden gestorte rotsblokken den plantengroei belemmerd hadden.

Leoncia klapte in haar handen. Zij hoefde niet te wijzen. Dertig voet hooger, in de voorzijde der rots, zaten twee reuzenoogen. Elk der oogen was een vadem groot en de oppervlakte bestreken met een witte, reflecteerende stof.

„De oogen van Chia,” riepen ze uit.

Henry krabde zich over het hoofd en herinnerde zich plotseling iets.

„Ik vermoed, dat ik je kan vertellen, waar ze van gemaakt zijn,” sprak hij. „Ik heb het nog nooit gezien, maar ik heb er oude pioniers over hooren spreken. Het is een oud kunstje der Mayas. Ik wil mijn aandeel in den schat verwedden tegen een doorboord kwartje, Francis, dat ik je kan zeggen, wat dat reflecteerende goedje is.”

„Aangenomen!” riep Francis. „Een man is een dwaas als hij dergelijke weddenschappen niet aanneemt, zelfs al gaat het om een vermenigvuldigingstafel. De kans om millioenen dollars te winnen voor een beslist onbruikbaar kwartje. Ik zou wedden, dat tweemaal twee vijf is op de kans, dat dit door een wonder bewezen zou kunnen worden. Zeg op! Wat is het? De weddenschap is aangenomen.”

„Oesters,” lachte Henry. „Oesterschelpen, of liever, schelpen van pareloesters. Het is paarlemoer, kunstig ingelegd en vastgemetseld, zoodat de oppervlakte voortdurend reflecteert. Nu moet je bewijzen, dat ik ongelijk heb, klim dus naar boven en kijk.”

Onder de oogen, zich een twintig voet naar boven en beneden langs de rots uitstrekkend, was een eigenaardig driehoekig vooruitstekend stuk rots. Het leek veel op een bult op het gezicht van de rots. De top ervan was slechts een meter verwijderd van de plek tusschen de beide oogen. De oneffenheden der oppervlakte en door er zich als een kat aan [121]vast te klemmen, maakten het Francis mogelijk om de tien voet te beklimmen, die naar den voet der bult leidden. Van daar af tot aan de rots, was de weg gemakkelijker. Maar de gedachte aan een val van een vijfentwintig voet hoogte en een arm- of beenbreuk midden in zoo’n eenzaamheid, was minder prettig en Leoncia riep naar boven, hierdoor onwillekeurig een jaloerschen gloed in Henry’s oogen opwekkend:

„O, wees toch voorzichtig, Francis!”

Op de punt van den driehoek staande, keek hij nu eens in het eene, dan weer in het andere oog. Hij trok zijn jachtmes en begon te graven en te peuteren in het rechteroog.

„Als de ouwe heer hier was, zou hij een stuip krijgen bij het zien van zoo’n heiligschennis,” merkte Henry op.

„Het doorboorde kwartje is voor jou,” riep Francis naar beneden, tegelijkertijd het stukje, dat hij los gepeuterd had in Henry’s opgehouden hand werpend.

Het was paarlemoer, een plat stukje, met groote zorg gesneden om precies te passen in de menigte andere stukjes, die tezamen het oog vormden.

„Waar rook is, daar is ook vuur,” oordeelde Henry. „Niet voor niets kozen de Mayas deze, van God verlaten plaats en plaatsten deze oogen van Chia in de rots.”

„Het schijnt, dat we een vergissing begaan hebben, toen we den ouden heer en zijn heilige knoopen achterlieten,” zei Francis. „De knoopen zouden er ons alles van kunnen vertellen en ons zeggen, wat we verder moeten doen.”

„Waar oogen zijn, moet toch ook een neus zijn,” was Leoncia’s opmerking.

„En hier is hij!” riep Francis uit. „Hemeltje! Dat was de neus, waar ik tegen opgeklommen ben. We staan er te dicht bij om een goed overzicht te hebben. Op een honderd meter afstand, zou het er uitzien als een reusachtig gelaat.”

Leoncia naderde statig en schopte tegen een rottende hoop bladeren en takjes, die daar blijkbaar door de tropische stormen neergewaaid waren.

Dat moet de mond zijn of de plek waar een mond hoort te zitten, hier onder den neus,” sprak zij.

In een oogwenk hadden Henry en Francis den rommel terzijde geschopt en een opening blootgelegd, die te klein was om een menschelijk lichaam door te laten. Het was duidelijk, dat de neergestortte rotsblokken den weg gedeeltelijk versperd hadden. Door enkele rotsblokken opzij te werken, kregen ze voldoende ruimte, dat Francis zijn hoofd en schouders naar binnen kon werken en bij het licht van een lucifer rondkijken.

„Pas op voor slangen,” waarschuwde Leoncia.

Francis bromde, ten teeken dat hij het verstaan had en rapporteerde:

„Dit is geen natuurlijk hol. Het zijn allemaal uitgehouwen rotsen en goed gedaan ook, voor zoover ik er over oordeelen kan.” Een gemompelde verwensching verkondigde, dat hij zijn vingers brandde aan den uitdoovenden lucifer. En vervolgens hoorden zij zijn stem, verwonderd uitroepen: „Ik heb geen lucifers meer noodig. Het heeft een eigen verlichting—ergens in de hoogte—een geheime verlichting, maar toch is het daglicht. [122]Deze oude Mayas waren beslist handige kerels. Het zou me niets verwonderen, als we een lift ontdekten, warm en koud water, een fornuis en een Zweedschen portier.—Welnu, tot ziens.”

Zijn lichaam, beenen en voeten verdwenen en toen hoorden zij zijn stem:

„Kom ook binnen. Het hol is fijn.”

„En ben je nu niet blij, dat ik meegegaan ben?” vroeg Leoncia, toen ze zich bij de twee mannen voegde op den gelijken vloer van de, in de rots uitgehouwen, kamer, waar zij, nu hun oogen zich snel gewenden aan het geheimzinnige, grauwe daglicht, met verrassende duidelijkheid om zich heen konden zien. „Eerst vond ik de oogen voor jelui en toen den mond. Als ik niet mee gegaan was, zouden jelui nu hoogstwaarschijnlijk een halve mijl verder geweest zijn, om de rots heenloopend en je met iederen stap verder verwijderend.”

„Maar de plaats is even leeg als Moeder Hubbards provisiekast,” vervolgde zij een oogenblik later.

„Natuurlijk,” zei Henry. „Dit is enkel de antichambre. Zoo simpel zouden de Mayas den schat niet verbergen, waar de conquistadores met zoo’n ijver achterheen zaten. Ik durf te wedden, dat we er bijna nog even ver van af zijn om den schat te vinden, als wij zijn zouden, wanneer we nog in San Antonio zaten, in plaats van hier.”

De doorgang, die twaalf of vijftien voet breed en een onbepaalde hoogte had, liep volgens Henry’s schatting een veertig passen, of ruim honderd voet door. Toen werd ze plotseling nauwer, liep eerst met een rechthoek naar rechts en met een dergelijken rechthoek naar links en beschreef een bocht naar een ander ruim vertrek.

Nog altijd wees het geheimzinnig binnendringende daglicht hen den weg en Francis, die vooruitliep, bleef zoo plotseling stilstaan, dat Leoncia en Henry, die een voor een achter hem aankwamen, tegen hem aanbotsten. Zij gingen naast elkaar staan, Leoncia in het midden en Henry aan haar linkerzijde en staarden nu op een lange rij menschelijke wezens, reeds lang dood, maar niet tot stof vergaan.

„Evenals de Egyptenaren, kenden de Mayas de balsemkunst,” zei Henry, onwillekeurig zijn stem dempend tot een gefluister in de tegenwoordigheid van zooveel onbegraven dooden, die recht overeind stonden, met open oogen, alsof ze nog altijd leefden.

Allen waren als Europeanen gekleed en allen droegen de ongevoelige gelaatstrekken van Europeanen. Evenals in hun leven, waren zij gehuld in de door de eeuwen verteerde kleedij der conquistadores en Engelsche zeeroovers. Twee hunner droegen een verroest harnas, waarvan het vizier opgeslagen was. Hun zwaarden en ponjaarden waren in hun gordels gestoken of hielden zij in hun verschrompelde handen en in hun gordels staken ook reusachtige vuursteenpistolen van heel oud model.

„De oude Maya had gelijk,” fluisterde Francis. „Ze hebben de bergplaats getooid met hun stoffelijke overblijfselen en zijn in de wachtkamer neergezet als een waarschuwend voorbeeld voor indringers.—Zeg! Die kerel is een echte Spanjaard. [123]Ik wil wedden, dat hij haia-lai gespeeld heeft, en zijn voorouders voor hem ook.”

„En dat is een man uit Devonshire, zoo zeker als iets,” fluisterde Henry terug. „Ik wil kwartjes met gaatjes verwedden tegen acht dollar stukken, dat hij de vaalbruine herten stroopte en aan ’s konings wraak ontsnapte in het eerste schip, dat uitzeilde naar het Spaansche Schiereiland.”

„Br-r-r!” huiverde Leoncia, zich aan de twee mannen vastklemmend. „De heilige dingen der Mayas zijn doodelijk en spookachtig. En er gaat een klassieke wraakneming mee gepaard. De zoogenaamde schenders der schatkamer zijn haar verdedigers geworden, haar beschermend met hun stof, dat niet vergaat.”

Ze voelden niet veel lust om verder te gaan. De aangekleede geesten der, reeds zoo langen tijd, dooden, hield hen tijdelijk ervan terug. Henry werd melodramatisch.

„Zelfs tot deze afgelegen, gekke plaats leidde hun speurhondenneus hen, reeds van het begin der Verovering af, op zoek naar schatten,” sprak hij. „Al konden zij er zich dan ook niet mee uit de voeten maken, ze hebben ze toch ongetwijfeld beroerd.—Ik neem mijn hoed voor jelui af, zeeroovers en conquistadores! Ik groet u, oude, onversaagde plunderaars, wier neuzen het goud rooken en wier harten dapper genoeg waren om er voor te vechten!”

„Oef!” zei Henry, terwijl hij er bij de andere twee op aandrong om de rij der vroegere avonturiers te doorloopen. „De oude Sir Henry zelf moest eigenlijk hier staan, aan het hoofd der stoet.”

Zij deden dertig passen eer de doorgang weer een bocht maakte, juist aan het einde der dubbele rij mummies en hier liet Henry zijn makkers halt houden, terwijl hij voor zich uit wees en sprak:

„Ik weet niets van Sir Henry, maar daar heb je Alvarez Torres.”

Met een Spaanschen helm op, met een versleten Spaansch gewaad uit de middeleeuwen, een groot Spaansch zwaard in zijn bruine, verweerde hand, stond een mummie, wier mager, bruin gelaat sprekend geleek op het magere, bruine gelaat van Alvarez Torres. Leoncia deinsde op dit gezicht hijgend terug en bekruiste zich. Francis liet haar aan Henry over, naderde en streek met zijn vingers over wangen, lippen en voorhoofd van het voorwerp en lachte geruststellend:

„Ik wou maar, dat Alvarez Torres even dood was als deze hier. Ik twijfel er echter geen oogenblik aan, of Torres stamde van hem af—ik bedoel vóór hij hier kwam om hier zijn laatste aardsche woonplaats te kiezen als een lid van de Bewaarders der Maya-schat.”

Leoncia passeerde huiverend de grimmige gedaante. Ditmaal noodzaakte de nauwe bocht, die zeer donker was, Henry, die vooruit liep, om verscheidene lucifers aan te steken.

„Hallo!” zei hij, toen hij na een paar honderd voet afgelegd te hebben, stilhield. „Kijk eens naar die handwerkkunst! Kijk eens, hoe die steen gehouwen is!”

Voor hen uit, stroomde grauw licht den doorgang binnen en [124]maakte het gebruik van lucifers onnoodig. Halverwege in een nis lag een steen, even groot als de doorgang. Het was duidelijk, dat men dezen gebruikt had om den doorgang af te sluiten. Hij was prachtig bewerkt, de zijkanten en hoeken precies gelijk gemaakt aan de plaats in den muur, waar hij ingeschoven moest worden.

„Ik wil wedden, dat de vader van den ouden Maya hier gestorven is,” riep Francis uit. „Hij kende het geheim der balansen en hefboomen, die dien steen in beweging brachten en hij werd slechts gedeeltelijk weggeschoven, zooals je ziet …”

„De hel is losgebroken!” viel Henry hem in de rede, voor zich op den vloer wijzend, waar de verschillende gedeelten van een geraamte verspreid lagen. „Dat moeten zijn overblijfselen zijn. ’t Is beslist van jongeren datum, anders zou hij ook wel een mummie geworden zijn. Hoogstwaarschijnlijk was hij de laatste bezoeker, die voor ons hier kwam.”

„De oude priester zei, dat zijn vader mannen van de tierra caliente hierheen leidde,” herinnerde Leoncia Henry.

„En hij zei, dat niemand ooit terugkeerde,” voegde Francis er bij.

Henry, die het doodshoofd onderzocht en opgeraapt had, slaakte weer een uitroep en stak een lucifer aan, om de anderen te laten zien, wat hij ontdekt had. Niet alleen droeg het hoofd de sporen van een slag met een zwaard of een hakmes, maar een gat in den achterkant van het doodshoofd wees duidelijk aan, dat daar een kogel binnengedrongen was. Henry schudde het hoofd en werd beloond door een gerammel er binnen in, schudde nog eens en schudde er een, gedeeltelijk afgeplatten, kogel uit. Francis onderzocht dezen.

„Uit een oud pistool,” besloot hij hardop. „Met zwak of zeer verlegen kruit, want in een plaats als deze, moet het schot van een kleinen afstand gelost zijn en toch is de kogel niet door en door gedrongen. En het is beslist een echt menschenhoofd.”

Een rechthoekige bocht vormde het einde van den elleboog en gaf toegang tot een kleine, maar goed verlichte, in de rots uitgehouwen kamer. Door een boog en met verticale, een voet dikke en een halven voet van elkander geplaatste, steenen staven afgesloten venster, drong grauw daglicht naar binnen. De vloer van dit vertrek was bezaaid met uitgebleekte menschelijke beenderen. Een onderzoek der doodshoofden wees uit, dat deze van Europeanen afkomstig waren. Daartusschen verspreid lagen geweren, pistolen en messen en hier en daar een hakmes.

„Zoover kwamen zij, over den drempel der schatkamer,” zei Francis, „en, naar den schijn te oordeelen, hebben zij om het bezit ervan gestreden vóór ze hem in handen kregen. ’t Is jammer, dat de oude man niet hier is, om te zien, wat er met zijn vader gebeurde.”

„Zouden er geen overlevenden geweest zijn, om er met den buit van door te gaan?” opperde Henry.

Maar op dat oogenblik zag Francis, die van de beenderen opkeek om de kamer aan een onderzoek te onderwerpen, iets, wat hem deed zeggen: [125]

„Neen, beslist niet. Kijk die steenen in die oogen eens. Dat zijn robijnen of ik heb nog nooit een robijn gezien!”

Zij volgden zijn blik naar het steenen beeld van een hurkende, zware vrouw, die hen met roode oogen en open mond aanstaarde. De mond was zoo groot, dat het gezicht erdoor tot een caricatuur gemaakt werd. Ernaast, eveneens uit steen gehouwen en van iets heldhaftiger vormen, stond een obscure en afzichtelijke mannelijke gedaante, met één gewoon oor en één oor, even belachelijk groot als de mond der vrouw.

„Die schoone dame moet zeker Chia voorstellen,” grinnikte Henry. „Maar wie is haar mannelijke vriend met het olifantsoor en de groene oogen?”

„Raad maar,” lachte Francis. „Maar dit weet ik wel: deze groene oogen van den man met zijn olifantenoor zijn de grootste smaragden, die ik ooit gezien of waarvan ik ooit gedroomd heb. Ieder op zich zelf is eigenlijk te groot om verhandeld te kunnen worden. Ze zijn geschikt voor kroonjuweelen of voor niets.”

„Maar een paar smaragden en een paar robijnen, hoe groot ze ook zijn, kunnen toch niet den geheelen schat der Mayas vormen,” merkte Henry op. „Wij zijn den drempel der schatkamer overgestapt en nu missen wij den sleutel …”

„Die de oude Maya, daarginds op de schreeuwende zandvlakten, ongetwijfeld in die heilige kwast kan vinden,” sprak Leoncia. „Behalve deze twee beelden en de beenderen op den vloer, is er niets hier te vinden.”

Onder het spreken, naderde zij het mannelijk beeld, om dit beter te bekijken. Het belachelijke oor trok haar aandacht en zij wees er in, zeggend: „Ik weet den sleutel niet, maar hier heb je het sleutelgat.”

In werkelijkheid was het olifantsoor, in plaats van een opening te vertoonen, die men van zoo’n groot oor zou verwachten, heelemaal dichtgemaakt op een kleine opening na, die wel een beetje geleek op een sleutelgat. Tevergeefs liepen ze door de kamer, tegen den muur en op den vloer kloppend, op zoek naar listig verborgen doorgangen of geheime aanwijzingen, die leidden naar de bergplaats van den schat.

„De beenderen der mannen van de tierra caliente, twee afgodsbeelden, twee smaragden van buitengewone grootte, twee dito robijnen en wij zelven, dat is al, wat dit vertrek bevat,” telde Francis op. „Er blijven ons slechts twee dingen over om te doen: terugkeeren en Ricardo en de muilezels halen om hier buiten te kampeeren; en den ouden heer en zijn heilige knoopen hierheen brengen, al zouden we hem moeten dragen.”

„Blijf jij hier met Leoncia, dan zal ik teruggaan om hen te halen,” stelde Henry voor, toen ze door de lange gangen geloopen waren en de rij der rechtopstaande dooden en buiten de rots stonden in de zonneschijn en de frissche lucht.


Achter hen op de schreeuwende zandvlakten knielden de inlander en zijn vader in den cirkel, die op zoo luidruchtige wijze door den wijsvinger van den ouden man getrokken was. Een plaatselijke regenbui ontlastte zich boven hen en, ofschoon de inlander huiverde, bad de oude man door, ongevoelig [126]voor den wind en den regen, die zijn huid geeselden. Omdat de inlander huiverde en zich onbehaaglijk voelde, merkte hij twee dingen op, die aan de aandacht van zijn vader ontsnapten. Ten eerste, zag hij Alvarez Torres en José Mancheno zich voorzichtig uit de jungle op de zandvlakten wagen. Vervolgens zag hij een wonder gebeuren. Dit wonder was, dat dit tweetal kalm voortstapte over het zand, zonder dat hun voortgaan het minste geluid te voorschijn riep. Toen zij verdwenen waren, raakte hij met zijn vinger voorzichtig het zand aan en er ontstond geen spookachtig gefluister. Hij duwde zijn vinger in het zand en nog bleef alles stil, evenals het stil bleef, toen hij stevig met zijn vlakke hand op het zand sloeg. De voorbijtrekkende regenbui had het zand met stomheid geslagen.

Hij schudde zijn vader wakker uit zijn gebeden, zeggend:

„Het zand geeft geen geluid meer. Het is even stil als het graf. En ik heb den vijand van den rijken Gringo geruischloos over de zandvlakten zien loopen. Hij is niet vrij van zonden, deze Alvarez Torres, en toch maakte het zand geen leven. Het zand is dood. De stem van het zand bestaat niet. Waar de zondaar mag loopen, daar mogen gij en ik ook loopen, oude vader.”

Binnen den cirkel trok de oude Maya, met bevenden wijsvinger nog meer kabalistische teekenen in het zand en het zand schreeuwde niet tegen hem. Buiten den cirkel was het hetzelfde—omdat het zand nat geworden was, en omdat het zand enkel kon spreken, wanneer het door de zon kurkdroog was geworden. Hij liet de knoopen van de heilige kwast door de vingers glijden.

„Ze zeggen,” sprak hij, „dat we veilig verder kunnen gaan, als het zand niet meer schreeuwt. Tot dusverre heb ik alle voorschriften opgevolgd. Opdat wij nu ook verder gehoorzamen, moeten we voortgaan.”

Ze vorderden zoo snel, dat ze, kort nadat ze de schreeuwende zandvlakten over waren, Torres en Mancheno inhaalden, welk waardig tweetal in het kreupelhout aan den eenen kant sloop, wachtte tot de priester en zijn zoon voorbijgegaan waren en toen, achter hun aan, hun weg vervolgden. Onderwijl liep Henry, die een korteren weg nam, de beide paren mis.