HOOFDSTUK XVI.
Halverwege tusschen den uitspuitenden waterstroom en de rotsblokken staande, hielden Henry en Ricardo snel krijgsraad. Naast hen, op den grond gehurkt, kreunde en bad de laatste Maya-priester. Door talrijke schudpartijen, die dienden om zijn verdoofde oude hersenen wat helderder te maken, was Henry er in geslaagd een tamelijk vaag verhaal van het gebeurde in den berg los te krijgen.
„Alleen zijn zoon werd gebeten en viel in het gat,” redeneerde Henry hoopvol.
„Dat is zoo,” stemde Ricardo toe. „Hij heeft niet gezien, dat de overigen eenig letsel kregen, een nat pak uitgezonderd.”
„En het kan best zijn, dat ze nu in de een of andere kamer hoog en droog zitten,” vervolgde Henry. „Wanneer we de rotsblokken kunnen opruimen, krijgen we het hol misschien open, zoodat het water kan afvloeien. Als ze nog in leven zijn, kunnen ze het dagen lang uithouden, want gebrek aan water doodt het snelst, en water hebben ze beslist meer dan ze noodig hebben. Ze kunnen het geruimen tijd zonder voedsel uithouden. Maar ik vraag me af, hoe Torres daar binnen bij hen kwam.”
„Ik vraag me af, of die aanval der Caroos op ons zijn werk niet was,” merkte Ricardo op.
Maar Henry verwierp deze gedachte.
„Hoe het zij,” sprak hij, „daar gaat het op het oogenblik [137]niet over—waar het over gaat is: hoe in den berg te komen voor het geval zij nog in leven zijn. Jij en ik kunnen in geen maand door dien steenhoop heen komen. Wanneer we vijftig man konden krijgen om te helpen, dan zouden we, wanneer we ze in dag- en nachtploegen verdeelen, in achtenveertig uur de opening vrij kunnen maken. Dus is het eerste werk wat we doen moeten, die mannen zien te krijgen. Ziehier, wat we moeten doen. Ik zal een muildier nemen en zoo snel mogelijk naar die Caroo-nederzetting rijden en ze den inhoud van een van Francis’ chèque-boeken beloven, wanneer ze ons willen komen helpen. Als dat mislukt, kan ik een troep uit San Antonio halen. Ik ga dus direct op weg. Ondertusschen kan jij den weg verkennen, en al de muildieren, inlanders, voedselvoorraad en kampeeruitrusting hierheen brengen. Luister ook aan de rots—zij konden wel eens teekenen geven door te kloppen.”
Henry dreef zijn muildier voort, het Caroo-dorp binnen, zeer tot misnoegen van het muildier en tot even groote verwondering der Caroos, die hun wijkplaats aldus zagen binnendringen door één enkele van het gezelschap, dat zij getracht hadden te vernietigen. Zij hurkten op hun drempels en slenterden in den zonneschijn, onder een onverschillig uiterlijk de verwondering verbergend, die hen doortintelde en hun haast te machtig werd. Zooals het altijd geweest is, overheerschte de durf van den blanke het wilde en het mestiezenras en de Caroos bleven werkeloos. Onwillekeurig redeneerden zij op de hun eigen langzame wijze, dat alleen een man, een buitengewoon man, een edel of bovennatuurlijk man, uitgerust met krachten, die zij niet begrijpen konden, het zou durven wagen om op een uitgeput en koppig muildier hier in hun talrijk midden te verschijnen.
Zij spraken een mestiezen-Spaansch, dat hij verstaan kon en wederkeerig verstonden zij zijn Spaansch; maar, wat hij hen vertelde betreffende het ongeluk in den heiligen berg was niet in staat om hen wakker te schudden. Met een lijdelijk gezicht en onverschillig hun schouders ophalende, luisterden zij naar zijn voorstel om een poging tot redding te wagen en de belofte van een hooge belooning voor hun tijdverlies.
„Wanneer een berg de Gringos verzwolgen heeft, dan is dit Gods wil en wie zijn wij, dat wij ons zouden stellen tusschen God en Zijn wil?” antwoordden zij. „Wij zijn arme menschen, maar wij hoeven voor niemand te werken en evenmin verlangen wij tegen God op te staan. Bovendien was het de schuld van de Gringos zelf. Dit is hun land niet. Zij hebben geen recht om hier hun lusten bot te vieren op onze bergen. Laten ze zelf hun zaak met God uitvechten. Wij hebben genoeg te doen met onze eigen zaken, en onze vrouwen zijn losbandig.”
Lang na het siesta-uur reed Henry, op zijn derde en meest weerspannige muildier het slaperige San Antonio binnen. In de hoofdstraat, halverwege tusschen het gerechtshof en de gevangenis, hield hij stil op het zien van den Chef van Politie en den kleinen, dikken, ouden rechter, die op den voet gevolgd werden door een twaalftal gendarmes en een paar ongelukkige [138]gevangenen—weggeloopen inlanders van de plantages te Santos. Terwijl de rechter en de Chef luisterden naar Henry’s verhaal en bede om hulp, gaf de Chef den rechter, die zijn rechter was, zijn maaksel en hem met hart en ziel toegedaan was, heimelijk een wenk.
„Ja, zeker zullen we je helpen,” zei de Chef ten slotte, zijn armen uitrekkend en geeuwend.
„Hoe spoedig kunnen we de mannen bij elkander krijgen en op weg gaan?” vroeg Henry gretig.
„Wat dat betreft, we hebben het zeer druk—nietwaar, waarde rechter,” antwoordde de Chef met een vadsige onbeschaamdheid.
„We hebben het zeer druk,” geeuwde de rechter in Henry’s gelaat.
„Vooreerst nog te druk,” vervolgde de Chef. „Het spijt ons, dat we morgen en ook overmorgen niet in de gelegenheid zullen zijn om een poging te wagen ter redding van je Gringos. Maar over een poosje …”
„Laten we zeggen, aanstaande Kerstmis,” stelde de rechter voor.
„Ja,” besloot de Chef met een hoffelijke buiging. „Kom ons tegen Kerstmis maar weer eens opzoeken en, als we het dan niet meer zoo druk hebben, dan zullen we misschien eenige mogelijkheid zien om de gelegenheid te vinden om te beginnen met de poging om de gevraagde expeditie bij elkaar te brengen. Tot zoolang, gegroet, Senor Morgan.”
„Meen je dat?” vroeg Henry met toornig gelaat.
„Dat is hetzelfde gezicht, dat hij getrokken moet hebben, toen hij Senor Alfaro Solano verraderlijk van achteren aanviel,” sprak de Chef onheilspellend.
Maar Henry deed alsof hij deze laatste beleediging niet hoorde.
„Ik zal je zeggen, wat jelui zijn,” barstte hij los in rechtmatigen toorn.
„Wees voorzichtig!” waarschuwde de rechter hem.
„Je bent mij geen knip voor den neus waard,” antwoordde Henry. „Je hebt niets over mij te zeggen. Ik heb volledige vergiffenis ontvangen van den President van Panama zelf. En nu zal ik zeggen, wat jelui zijn. Jelui zijn mulatten. Jelui zijn mestiezen-zwijnen.”
„Ga voort, alstublieft, senor,” zei de Chef, met de onderdanige beleefdheid, die doodelijke haat schenkt.
„Je bezit noch de deugden van den Spanjaard, noch die van den bewoner van Caraïbië, maar beider ondeugden bezit je in driemaal sterkere mate. Mestiezen-zwijnen, dat ben je en dat is alles, wat je bent, jelui allebei.”
„Bent u uitgesproken, senor?—heelemaal uitgesproken?” vroeg de Chef zachtmoedig.
Tegelijkertijd gaf hij de gendarmes een teeken, die Henry van achteren besprongen en hem ontwapenden.
„Zelfs de President der Republiek Panama kan geen misdaad kwijtschelden, die nog niet begaan is—heb ik gelijk, rechter?” zei de Chef.
„Dit is een nieuwe beleediging,” nam de rechter onmiddellijk de vingerwijzing op. „Deze Gringo-hond heeft de wet gehoond.” [139]
„Dan zal zijn zaak onderzocht worden en nu onderzocht worden, onmiddellijk en hier op deze plaats. We zullen ons niet ophouden met terug te gaan en het gerechtshof weer te openen. We zullen zijn zaak onderzoeken en als we een beslissing genomen hebben, verdergaan. Ik heb een heele goede flesch wijn …”
„Ik houd niet van wijn,” weerde de rechter snel af. „Ik heb liever mescal. En ondertusschen, nu we allebei getuige en slachtoffer van de beleediging zijn, is het niet noodig om verdere bewijzen te zoeken dan die alreeds in mijn bezit zijn en verklaar ik den gevangene schuldig. Hebt u nog iets in het midden te brengen, Senor Mariano Vercara è Hyos?”
„Vier en twintig uur in den stok zal dezen heethoofdigen Gringo wel een beetje bekoelen,” antwoordde de Chef.
„Dat zal zijn vonnis zijn,” bevestigde de rechter, „dat dadelijk ten uitvoer gebracht wordt. Leid den gevangene weg, gendarmes, en sluit hem in den stok.”
Met het aanbreken van den dag lag Henry in den stok, nadat hij al twaalf uren van gevangenschap achter zich had, op zijn rug te slapen. Maar zijn slaap was ongedurig, daar deze subjectief gestoord werd door nachtmerries over zijn metgezellen, die in den berg gevangen zaten en objectief door de steken van ontelbare muskieten. Zoodoende ontwaakte hij, zich wendend en krommend en slaande naar de gevleugelde plaaggeesten, tot de volle bewustheid van zijn toestand. Bovenmate geprikkeld door het gif van een duizend muskietenbeten, zond hij zooveel verwenschingen het aanbrekende daglicht in, dat hij de aandacht trok van een man, die een tasch met gereedschappen droeg. Het was een goed gebouwd jongmensch met een schrander gezicht, gekleed in de uniform van een aviateur van het Leger der Vereenigde Staten. Hij veranderde van koers zoodat hij bij den stok kwam, stond stil en luisterde en keek met verbazing en bewondering toe.
„Vriendje,” zei hij, toen Henry even zweeg om op adem te komen. „Gisterenavond toen ik hier aan wal gezet werd, terwijl de helft van mijn uitrusting aan boord gelaten werd, heb ik zelf ook een beetje gevloekt. Maar dat was niets vergeleken bij jou. Alle achting, mijnheer. Je kunt het nog veel beter dan een stukkenrijder. Als je nu het heele lijstje nog eens wilt afwerken, zal ik heel wat meer voorraad hebben, wanneer ik een volgende keer weer eens behoefte heb om te vloeken.”
„En wie, voor den duivel, ben jij?” vroeg Henry. „En wat, voor den duivel, kom je hier doen?”
„Ik neem het je niet kwalijk,” grinnikte de vliegenier. „Met zoo’n gezwollen gezicht, heb je wel het recht om ruw te worden. Wie heeft je zoo afgeranseld? In de hel heb ik tot nog toe mijn status niet vastgesteld. Maar hier op aarde sta ik bekend als Parsons, Luitenant Parsons. Met den duivel heb ik tot nog toe niets uit te staan; maar hier in Panama moet ik vandaag van den Atlantischen Oceaan naar de Stille Zuidzee vliegen. Is er iets, dat ik voor je doen kan, eer ik vertrek?”
„Zeker,” bevestigde Henry. „Neem een stuk gereedschap [140]uit je tasch en verbrijzel dit hangslot. Ik zal nog rheumatiek krijgen, als ik hier langer moet blijven. Ik heet Morgan en niemand heeft me afgeranseld. Dit zijn muskietenbeten.”
Met eenige slagen van een schroevendraaier verbrijzelde Luitenant Parsons het oude hangslot en hielp Henry overeind. Terwijl hij zijn voeten en enkels wreef om het bloed weer in beweging te brengen, vertelde Henry, vliegensvlug aan den vliegenier het voorgevallene en het misschien tragische lot van Leoncia en Francis.
„Ik houd van dien Francis,” besloot hij. „Hij is mijn sprekend evenbeeld. We lijken meer op elkander dan tweelingen en moeten heel ver aan elkander verwant zijn. Wat de senorita betreft, niet alleen bemin ik haar, maar ik ben met haar verloofd. Wil je mij nu helpen? Waar is de machine? Het duurt een heelen tijd om te voet of op een muildier den Maya-Berg te bereiken, maar wanneer je mij in je machine meeneemt, zou ik er in een oogwenk zijn, tegelijk met een honderd dynamietpatronen, die je mij wel kunt bezorgen en waarmee ik den bergwand zou kunnen laten springen en het water doen afvloeien.”
Luitenant Parsons aarzelde.
„Zeg ja, o, zeg ja,” smeekte Henry.
In het binnenste van den heiligen berg, bevonden de drie gevangenen zich in een absolute duisternis, zoodra de steen, die de opening van de godenkamer afsloot, weer op zijn plaats gekomen was. Francis en Leoncia tastten rondom zich en hun handen raakten elkander. Een oogenblik later was zijn arm om haar heengeslagen en de zaligheid van deze aanraking maakte den toestand slechts half zoo verschrikkelijk. Vlak bij hen konden ze Torres hooren, die zwaar ademhaalde. Ten slotte mompelde hij:
„Heilige Moeder Gods, dat was op het kantje af! Ik vraag me af, wat er nu verder zal gebeuren.”
„Er zullen nog menige verders komen, voor we uit dezen bergpas zijn gekomen,” verzekerde Francis hem. „En we konden wel beginnen om te trachten eruit te komen.”
Hun wijze van verdergaan was snel geregeld. Leoncia achter zich plaatsend, terwijl haar hand den zoom van zijn jas vasthield, zoodat hij haar kon geleiden, liep hij verder met zijn linkerhand tegen den muur steunend. Voor hem uit, zocht Torres zijn weg langs den rechtermuur. Door hun stemmen konden zij dus met elkander in verbinding blijven, de breedte van den gang berekenen en voorkomen, dat ze door dwarsgangen van elkander gescheiden werden. Gelukkig was de vloer van den tunnel, want het was werkelijk een tunnel, gelijk, zoodat zij, terwijl zij zich op het gevoel een weg baanden, niet struikelden. Francis weigerde om, anders dan in dringende noodzakelijkheid, gebruik te maken van zijn lucifers, en zorgde er voor om niet in een eventueelen kuil te vallen, door voorzichtig eerst één voet vooruit te brengen en zich te overtuigen, dat hij vasten grond onder de voeten had, eer hij zijn gewicht er op over bracht. Bijgevolg vorderden zij slechts langzaam. Zij legden niet meer dan een halve mijl per uur af. [141]
Slechts eens ontmoeten zij een zijgang. Hier stak hij een kostbare lucifer uit zijn waterdichte doos aan en vond, dat er geen keus te doen was tusschen de beide gangen. Ze geleken op elkander als twee druppels water.
„Er zit niets anders op, dan er een te probeeren,” besloot hij, „en wanneer deze ons nergens heenleidt, terug te keeren en de andere te nemen. Eén ding is zeker: deze gangen leiden ergens heen, anders zouden de Mayas de moeite niet gedaan hebben om ze te maken.”
Tien minuten later stond hij plotseling stil en gaf een waarschuwenden kreet. De voet, die hij uitgestoken had, vond niets dan een ledige ruimte, waar de vloer had moeten zijn. Een andere lucifer werd aangestoken en zij ontdekten, dat zij op den rand stonden van een natuurlijk hol van zulke afmetingen, dat het kleine vlammetje noch rechts, noch links, noch boven, noch onder, noch aan de overzijde de grenzen ervan kon laten zien. Maar zij slaagden er in een soort ruwe trap te ontdekken, die gedeeltelijk door de natuur, gedeeltelijk door menschenhanden was gevormd, die afdaalde in de zwarte opening.
Na een uur, nadat zij het pad gevolgd hadden, dat over den bodem van het hol leidde, werden zij beloond door een flauwe schemering, die sterker werd naarmate ze verder gingen. Voor zij het wisten, hadden ze de bron ervan bereikt—die veel dichterbij was, dan ze dachten; en Francis, die wijnranken en kreupelhout wegtrok, krabbelde te voorschijn in den namiddagzonneschijn. In een oogwenk stonden Leoncia en Torres naast hem en keken van de rots neer in een dal. Het was bijna cirkelvormig, een volle mijl in doorsnee, en het scheen rondom afgesloten te zijn door bergen en rotsen.
„Dat is het dal der Verloren Zielen,” sprak Torres plechtig. „Ik heb er van hooren spreken, maar heb er nooit aan geloofd.”
„Ik heb het ook gehoord en ook nooit willen gelooven,” hijgde Leoncia.
„En wat zou dat?” vroeg Francis. „Wij zijn geen verloren zielen, maar echte menschen van vleesch en bloed. Waarom zouden we ons ongerust maken?”
„Maar, Francis, luister toch,” zei Leoncia. „De verhalen, die ik ervan gehoord heb, van dat ik een klein meisje was af, stemmen alle overeen, dat iemand, die er inging, er nooit weer uitkwam.”
„Toegestemd dat dit zoo is,” zei Francis, die niet nalaten kon te glimlachen, „hoe zijn die verhalen er dan uitgekomen? Wanneer er nooit iemand terugkeerde om ze te vertellen, hoe kan dan iedereen daarbuiten het weten?”
„Ik weet het niet,” stemde Leoncia toe. „Ik vertel alleen maar, wat ik gehoord heb. Bovendien heb ik er nooit aan geloofd. Maar dit klopt met alle beschrijvingen uit de verhalen.”
„Niemand keerde er ooit uit terug,” bevestigde Torres even plechtig als tevoren.
„Hoe weet je dan, dat iemand er in ging?” hield Francis aan.
„Al de verloren zielen wonen hier,” was het antwoord. „Daarom hebben wij ze nooit gezien, omdat ze er nooit uit [142]konden komen. Ik verzeker u, mijnheer Francis Morgan, dat ik geen onredelijk wezen ben. Ik heb een goede opvoeding gehad. Ik studeerde in Europa en heb zaken gedaan in uw eigen stad New-York. Ik ben op de hoogte der wetenschap en der philosophie; en toch weet ik, dat dit het dal is, waaruit men nimmer terugkeert, wanneer men het eenmaal is binnengetreden.”
„Wel, we zijn er nog niet in, is het wel?” antwoordde Francis met een licht ongeduldige beweging. „En we hoeven er ook niet in te gaan, is het wel?” Hij kroop voorwaarts naar den rand van een hoop losse aarde en verbrokkelde steenen om beter het voorwerp in de verte te kunnen zien, waarop juist zijn oog gevallen was. „Als dat geen dak van graszoden is …”
Op dat oogenblik bezweek de grond onder zijn handen. In een oogwenk brak de heele zachte helling, waarop zij stonden, los en alle drie gleden en rolden de steile helling af, midden in een miniatuur-lawine van aarde, steen en bosjes gras.
De beide mannen sprongen het eerst op in het dichte kreupelhout, dat hun val gebroken had, maar eer zij bij Leoncia konden komen, was deze ook al lachend opgestaan.
„Net terwijl je zei, dat we het dal niet binnen hoefden te gaan!” zei ze lachend tegen Francis. „Wil je het nu gelooven?”
Maar Francis was met iets bezig. Zijn hand uitstrekkend, greep hij een bekend voorwerp, dat achter hen aan de helling afdanste. Het was de helm van Torres, dien deze uit de kamer der mummies gestolen had en hij wierp hem Torres toe.
„Gooi dat ding weg,” zei Leoncia.
„Het is het eenige, wat ik heb, om me tegen de zon te beschermen,” was zijn antwoord, toen, terwijl hij hem in zijn handen omdraaide, zijn oogen bleven rusten op een opschrift aan den binnenkant. Hij liet dit aan zijn metgezellen zien en las hardop:
„Da Vasco.”
„Ik heb er van gehoord,” hijgde Leoncia.
„En gij hebt de waarheid gehoord,” bevestigde Torres. „Da Vasco was mijn voorvader in de rechte lijn. Mijn moeder was een Da Vasco. Hij kwam met Cortez naar het Spaansche Schiereiland.”
„Hij was een oproerling,” vervolgde Leoncia het verhaal. „Ik herinner mij heel goed, dat mijn vader en oom Alfaro het vertelden. Met een twaalftal kameraden zocht hij den Maya-schat. Zij waren de aanvoerders van een stam Caraïbiërs, een honderd personen sterk met inbegrip der vrouwen, die hen moesten helpen. Mendoza vervolgde hen op bevel van Cortez; en zijn rapport, dat in de archieven berust, vermeldt, zooals oom Alfaro mij vertelde, dat ze in het dal der Verloren Zielen gedreven werden, waar zij achtergelaten werden om een ellendigen dood te vinden.”
„En hij heeft blijkbaar getracht er uit te komen langs den weg, waardoor wij er in gekomen zijn,” vervolgde Torres, „en de Mayas grepen hem en maakten een mummie van hem.”
Hij zette den ouden helm op zijn hoofd, zeggende: [143]
„Hoe laag de zon ook staat aan den middaghemel, toch brandt ze mij venijnig op het hoofd.”
„En mij bijt de honger venijnig,” bekende Francis. „Is het dal onbewoond?”
„Ik zou het wel denken, senor,” antwoordde Torres. „Denk aan het verhaal van Mendoza, waarin hij zegt, dat Da Vasco en zijn gezelschap achtergelaten werden, om een ellendigen dood te vinden. Maar dit weet ik wel: dat niemand ooit meer iets van hen gezien heeft.”
„Het ziet er naar uit, of er voldoende voedsel moet groeien in een plaats als deze …” begon Francis, maar hield op, toen hij Leoncia bessen van een struik zag plukken. „Hier! Schei uit, Leoncia! We hebben al genoeg wederwaardigheden gehad, zonder nog een zeer lieftallige, maar zeer vergiftigde jonge vrouw er bij te krijgen.”
„Ze zijn heel goed,” zei ze, kalm dooretend. „Je kunt zien, waar de vogels er aan gepikt en van gegeten hebben.”
„Dan vraag ik vergiffenis en houd je gezelschap,” riep Francis, zijn mond vullend met het sappige fruit. „En als ik de vogels kon vangen, die er aan gepikt hebben, zou ik ze eveneens opeten.”
Toen ze hun ergsten honger gestild hadden, stond de zon zoo laag, dat Torres den helm van Da Vasco afnam.
„We doen het beste, als we vannacht hier blijven,” sprak hij. „Ik liet mijn schoenen achter in het hol bij de mummies en verloor Da Vasco’s oude laarzen onder het zwemmen. Mijn voeten zijn aan reepjes gescheurd en er is hier overvloed van droog gras, waaruit ik een paar sandalen kan vlechten.”
Terwijl hij hiermee bezig was, legde Francis een vuur aan en verzamelde een voorraad hout, omdat, ondanks het feit, dat zij zich dicht bij den evenaar bevonden, de groote hoogte vuur voor een nachtverblijf noodig maakte. Vóór hij voldoende voorraad had, was Leoncia, op haar zijde liggend en haar hoofd in de holte van haar arm, gerust ingeslapen. Langs haar heen, aan den anderen kant van het vuur, stapelde Francis behoedzaam een verschansing van droge bladeren en boschaarde op.