HOOFDSTUK XVII.
De dag brak aan in het dal der Verloren Zielen en het Lange Huis in het dorp der Verloren Zielen. Volle tachtig voet lengte mat het Lange Huis, terwijl het half zoo breed was, opgebouwd van rotsblokken, dertig voet hoog tot aan den gevel van het stroodak. Uit het huis stapte langzaam de Priester der Zon naar buiten—een oude man, die beefde op zijn beenen, met sandalen aan de voeten, gekleed in een lang kleed van grof homespun, in wiens verweerd Indiaansch gelaat duidelijke kenteekenen te vinden waren, dat hij ook afstamde van de oude conquistadores. Op zijn hoofd stond een zonderlinge gouden kap, omgeven door een halven cirkel gepolijst gouden punten. De beteekenis was zeer duidelijk, namelijk de opgaande zon en de stralen der opgaande zon. Hij wankelde over een open plek naar de plaats, waar een [144]groot, hol houtblok bengelde tusschen twee palen, die besneden waren met totemische en heraldische figuren. Hij keek naar den Oostelijken horizon, die zich reeds rood kleurde in de ochtendschemering, om zich te overtuigen, dat hij op tijd was, hief een stok op, welks vezelig einde tot een bal was samengevlochten en sloeg tegen het holle houtblok. Hoe zwak hij ook was en hoe licht de slag, het holle houtblok dreunde en schalde als verwijderde donder.
Bijna onmiddellijk kwamen uit de, met graszoden gedekte woningen, die het vierkant rondom het Lange Huis vormden, de Verloren Zielen naar buiten, terwijl hij langzaam de slagen voortzette. Mannen en vrouwen, ouden en jongen, kinderen en babies, die op den arm gedragen werden, allen kwamen naar buiten en liepen naar den Zonnepriester. Geen meer verouderd schouwspel kon ooit in de twintigste eeuwsche wereld worden waargenomen. Ongetwijfeld waren het Indianen en toch waren in menig gelaat de sporen van het Spaansche ras terug te vinden. Enkele gezichten waren, zoo op het oog, zuiver Spaansch. Weer andere, zuiver Indiaansch. Maar daarnaast en daartusschen getuigden de meesten van hen, van een vermenging der beide rassen. Maar nog zonderlinger was hun kleeding—wat niet zoozeer te merken was aan de vrouwen, die gekleed waren in lange, bescheiden gewaden van homespun, maar meer aan de mannen, wier homespun een zonderlingen snit had, overeenkomstig het Spaansche kleed, dat in Spanje gedragen werd tijdens de eerste reis van Columbus. Alledaagsch en droef zagen de mannen en vrouwen er uit—als een ras, dat al te zeer gedegenereerd is om nog vreugde in het leven te scheppen. Dit was ook het geval met de jongelingen en jonge meisjes, met de kinderen en zelfs met de zuigelingen, die nog aan de borst waren—het geval met iedereen, twee uitgezonderd; de eene, een jong meisje van tien jaar, wier gezicht getuigde van kracht, geest en verstand. Onder de pafferige gezichten der pafferige, domme Verloren Zielen was haar gelaat als een schitterende bloem. Alleen het gelaat van den ouden Zonnepriester geleek op het hare, schrander, krachtig en intelligent.
Terwijl de priester voortging met op het weerklinkende houtblok te slaan, vormde de geheele stam een halven cirkel rondom hem, het gelaat naar het Oosten wendend. Toen de zon even haar bovenste randje vertoonde, begroette de priester haar en juichte haar toe in een eigenaardig, verouderd Spaansch, zelf tot driemaal toe een diepe buiging makend, terwijl de stam zich plat op den grond neerwierp. En toen de zon heelemaal boven den horizon stond, rees de heele stam, op aanwijzing van den priester overeind, en hief een vroolijk gezang aan. Juist toen hij zijn volk liet heengaan, trok een dun rookwolkje, dat boven het dal in de kalme lucht opsteeg, de aandacht van den priester. Hij wees er heen en riep een aantal der jonge mannen tot zich.
„Het stijgt op uit de Verboden Plaats der Verschrikking, waar geen lid van de stam mag komen. Het is een duivel of een vervolger, die door onze vijanden gestuurd wordt, die al eeuwenlang onze schuilplaats gezocht hebben. Hij mag niet ontsnappen om rapport uit te brengen, want onze vijanden [145]zijn machtig en wij zouden vernietigd worden. Ga! Doodt hem, opdat wij zelf niet gedood worden.”
Rondom het vuur, dat gedurende den nacht met tusschenpoozen van nieuwe brandstof was voorzien, lagen Leoncia, Francis en Torres te slapen, de laatste met zijn nieuwe sandalen aan de voeten en den helm van Da Vasco stevig over zijn hoofd getrokken om zich voor den dauw te beschutten. Leoncia werd het eerst wakker en het tooneel voor haar was zoo wonderlijk, dat ze rustig door haar neergeslagen wimpers bleef liggen kijken. Drie mannen van den zonderlingen stam der Verlorenen, met gespannen boog, in een houding, die haar duidelijk te kennen gaf, dat ze gestoord waren in het vermoorden van haar en haar metgezellen, keken met verwonderd gelaat naar den slapenden Torres. Zij keken elkander weifelend aan, ontspanden hun bogen en schudden het hoofd om te kennen te geven, dat ze niet zouden dooden. Zij kropen dichter naar Torres toe, hurkten neer om beter zijn gezicht te kunnen zien en zijn helm, die hun het meeste belang scheen in te boezemen.
Van de plaats waar zij lag, kon Leoncia net even met haar voet bij Francis’ schouder komen. Hij ontwaakte kalm en ging kalm overeind zitten, hierdoor de aandacht der vreemdelingen tot zich trekkend. Onmiddellijk gaven zij het algemeen geldende vredesteeken, legden hun bogen neer en strekten hun vlakke handen uit, om te laten zien, dat ze ongewapend waren.
„Goedenmorgen, grappige vreemdelingen,” sprak Francis hen in het Engelsch aan, wat hun het hoofd deed schudden, terwijl Torres er door ontwaakte.
„Dat moeten Verloren Zielen zijn,” fluisterde Leoncia tegen Francis.
„Of echte staatsagenten,” lachte hij terug. „Het dal is tenminste bewoond.—Torres, wie zijn je vrienden? Uit de wijze, waarop ze je aankijken, zou men opmaken, dat het bloedverwanten van je zijn.”
Absoluut geen notitie van hen nemend, gingen de drie Verloren Zielen op een afstand staan en overlegden op zachten, sissenden toon.
„Dat klinkt als een eigenaardig soort Spaansch,” merkte Francis op.
„Het is, op zijn minst genomen, heel ouderwetsch,” bevestigde Leoncia.
„Het is een verbastering van het Spaansch uit den tijd der conquistadores,” voegde Torres er aan toe. „Zie je, dat ik gelijk had. De Verloren Zielen komen hier nooit weg.”
„Maar ze moeten in ieder geval ten huwelijk geven en gegeven worden,” beweerde Francis, „hoe moet men anders het bestaan van deze drie jonge broekjes verklaren?”
Maar nu verzochten de jonge broekjes, die het eens geworden waren, hen met bemoedigende gebaren, om hen door het dal heen te volgen.
„Het zijn tenminste goedaardige, vriendelijke kerels, ondanks hun zorgelijk uiterlijk,” zei Francis, toen zij aanstalten maakten om hen te volgen. „Maar heb je ooit van je leven een [146]verzameling gezien met zoo’n droevig gelaat? Ze zijn beslist met donkere maan geboren, of al hun geliefde gezellen zijn gestorven of iets dergelijks.”
„Het is juist het soort gezicht, dat men van Verloren Zielen zou verwachten,” antwoordde Leoncia.
„En als we hier nooit weer uitkomen, veronderstel ik, dat we nog heel wat droeviger zullen moeten kijken dan zij,” antwoordde hij. „Maar hoe het zij, ik hoop, dat ze ons bij een ontbijt brengen. Deze bessen zijn beter dan niets, maar dat beteekent nog niet veel.”
Nadat zij een uur of nog langer, gedwee hun geleiders gevolgd waren, kwamen zij bij de open vlakte, de woningen en het Lange Huis van den stam.
„Dit zijn afstammelingen van het gezelschap van Da Vasco en de Caraïbiërs,” bevestigde Torres, toen hij zijn blik liet gaan over de gezichten der saamgestroomde bewoners. „Dat is duidelijk aan hen te zien.”
„En ze zijn van den Christelijken godsdienst van Da Vasco vervallen tot de heidensche,” voegde Francis er bij. „Kijk maar eens naar dat altaar—daar. Het is een steenen altaar en, naar den reuk te oordeelen, is het geen ontbijt, dat daar staat te koken, maar een offerande, ondanks het feit, dat het naar schapenvleesch ruikt.”
„Goddank, dat het slechts een lam is,” was Leoncia’s verzuchting. „De oude Aanbidders der Zon brachten menschelijke offers. En dit is Zonnedienst. Kijk maar eens naar die ouden man daar in dat lange kleed, met den gouden stralenkap. Hij is een Zonnepriester. Oom Alfaro heeft mij alles verteld omtrent de Aanbidders der Zon.”
Achter en boven het altaar, was een groot metalen beeld van de zon.
„Goud, allemaal goud,” fluisterde Francis, „en onvervalscht. Kijk eens naar die stralen en hun dikte, en toch is het metaal zoo zuiver, dat ik durf wedden, dat een kind ze naar alle kanten zou kunnen ombuigen en er zelfs knoopen in leggen.”
„Hemelsche goedheid!—kijk daar eens!” hijgde Leoncia, met haar oogen naar een grove steenen buste wijzend, die aan eene zijde van het altaar stond en iets lager was. „Dat is het gelaat van Torres. Het is het gelaat van de mummie in de Maya-grot.”
„En hier staat een opschrift …” Francis stapte naar voren om te kijken, maar werd door de priester gebiedend teruggewezen. „Er staat op „Da Vasco”. Zie je wel, dat hij hetzelfde soort helm op heeft als Torres draagt.—En, zeg! Kijk eens naar den priester! Als hij geen volle broer van Torres kan zijn, dan heb ik nog nooit in mijn leven zoo’n gelijkenis gezien!”
De priester maande, met toornig gelaat en gebiedende gebaar Francis aan om stil zijn en boog zich voor de kokende offerande. Als het ware als antwoord, doofde de wind het vuur onder de offerande uit.
„De Zonnegod is boos,” verkondigde de priester met groote plechtigheid, terwijl zijn eigenaardig Spaansch toch begrijpelijk was voor de nieuwaangekomenen. „Er zijn vreemdelingen in ons midden gekomen en niet verslagen. Daarom is de [147]Zonnegod boos. Spreek, jongelingen, die de vreemdelingen levend voor ons altaar gebracht hebt. Was het niet mijn wensch, die eeuwig en altijd de wensch van den Zonnegod is, dat gij hen zoudt dooden?”
Een der drie jongemannen stapte sidderend naar voren en wees met sidderende wijsvingers op het gelaat van Torres en dat der steenen buste.
„Wij herkenden hem,” stamelde hij, „en wij konden hem niet dooden, omdat wij ons de profetie herinnerden, dat onze groote voorvader op zekeren dag zou terugkeeren. Is deze vreemdeling het? Wij weten het niet. Wij kunnen het niet weten of oordeelen. Gij, o Priester, hebt de kennis en u zij het oordeel. Is hij het?”
De priester keek Torres oplettend aan en slaakte een onsamenhangenden uitroep. Zich plotseling omkeerend stak hij het heilige offervuur weer aan uit een pot met vuur, die aan den voet van het altaar stond. Maar het vuur vlamde op, verdoofde en ging uit.
„De Zonnegod is boos,” herhaalde de priester; waarop de Verloren Zielen op hun borsten sloegen en kermden, en jammerden. „Het offer wordt niet aangenomen, want het vuur wil niet branden. Er gaan vreemde dingen gebeuren. Dit is een kwestie der diepere mysteries, die ik alleen mag weten. We zullen de vreemdelingen niet offeren—nog niet. Ik moet tijd hebben, om mij op de hoogte te stellen van den wil van den Zonnegod.”
Met zijn hand wuivend, beduidde hij de leden van den stam om heen te gaan, de plechtigheid half-volbracht opheffend en beval, dat de drie gevangenen naar het Lange Huis gebracht zouden worden.
„Ik kan het spel niet volgen,” fluisterde Francis Leoncia in het oor, „maar hoe het zij, ik hoop, dat we hier wat te eten krijgen.”
„Kijk eens wat een lief, klein meisje,” zei Leoncia, met haar oogen het kind met het levendige, verstandige gelaat aanwijzend.
„Torres heeft haar ook al opgemerkt,” fluisterde Francis terug. „Ik zag, hoe hij haar wenkte. Hij is ook niet op de hoogte van het spel en weet niet naar welken kant de bom zal springen, maar hij laat geen enkele gelegenheid voorbijgaan om vriendschap te sluiten. We zullen hem in het oog moeten houden, want hij is een verraderlijke hond en in staat, om ons ieder oogenblik te verraden, wanneer hij daarmee zijn eigen huid kan redden.”
In het Lange Huis gekomen en gezeten op ruwgevlochten rietmatten, zagen zij zich spoedig van voedsel voorzien. Zuiver drinkwater en een dikke brij van vleesch en groenten werden in overvloedige hoeveelheid opgediend in eigenaardige, ongeglazuurde steenen schalen. Ook kregen ze warme koeken van Indiaansch koren, die wel wat geleken op tortillas.
Nadat de vrouwen, die hen bediend hadden, vertrokken waren, bleef het kleine meisje, dat haar hierheen bracht en toezicht hield, achter. Torres hernieuwde zijn vriendschapsbetuigingen, maar zij deed alsof ze hem niet zag en wijdde haar aandacht aan Leoncia, die haar scheen aan te trekken. [148]
„Ik houd het ervoor, dat zij een soort gastvrouw is,” verklaarde Francis. „Zie je—zooiets als de dorpsmeisjes in Samoa, die alle reizigers en bezoekers, onverschillig van hoe hooge afkomst, gezelschap houden en die toezicht houden op nagenoeg alle werkzaamheden en plechtigheden. Zij worden door de opperhoofden gekozen om hun schoonheid, hun deugd en hun verstand. En dit meisje doet me erg aan haar denken, alleen is ze nog vreeselijk jong.”
Steeds dichter naderde zij Leoncia en, hoewel ze blijkbaar zich zeer aangetrokken voelde door de schoone, vreemde vrouw, was er in haar gedrag toch geen spoor te ontdekken van slaafsheid of een gevoel van minderwaardigheid.
„Zeg mij,” sprak zij, in het eigenaardige, verouderde Spaansch, dat in het dal gesproken werd, „is deze man werkelijk Kapitein Da Vasco, die teruggekeerd is uit zijn huis in de zon, boven in den hemel?”
Torres lachte valsch en boog, en verklaarde trotsch: „Ik ben een Da Vasco.”
„Niet een Da Vasco, maar Da Vasco zelf,” berispte Leoncia hem in het Engelsch.
„Het is een goede kans—maak er gebruik van!” beval Francis, eveneens in het Engelsch. „Het kan ons allen uit de verlegenheid helpen. Ik heb het niet bijzonder begrepen op dien priester, en hij schijnt de hooge-kokalorum over deze Verloren Zielen te zijn.”
„Ik ben eindelijk van de zon teruggekeerd,” zei Torres, van de gelegenheid gebruik makend, tegen het kleine meisje.
Zij schonk hem een langen, vasten blik, waarin hij zien kon, hoe zij nadacht, oordeelde en waardeerde. Toen boog zij, met een effen gezicht, eerbiedig voor hem en, Francis nauwelijks een blik waardig keurend, wendde zij zich tot Leoncia en begunstigde haar met een vriendelijk lachje, dat haar gelaat verhelderde.
„Ik wist niet, dat God de vrouwen zoo schoon maakt, als gij zijt,” sprak het kleine meisje zacht, eer zij zich omkeerde om weg te gaan. Bij de deur stond zij stil om er bij te voegen: „De Dame Die Droomt is schoon, maar ze is toch heel anders dan gij.”
Maar nauwelijks was ze heengegaan, of de Zonnepriester, gevolgd door een aantal jongelieden, trad binnen, oogenschijnlijk om de schotels en het ongebruikte voedsel weg te nemen. Juist terwijl sommige van hen zich vooroverbogen om de schotels op te nemen, sprongen zij op een teeken van den priester overeind, wierpen zich op de drie gasten, bonden hun handen en armen stevig op hun rug vast en leidden hen naar buiten naar het altaar van den Zonnegod voor den geheelen verzamelden stam. Hier, waar ze een smeltkroes op een driepoot boven een fel vuur zagen staan, werden zij vastgebonden aan, pas in den grond geslagen, palen, terwijl talrijke dienstvaardige handen brandstoffen opstapelden tot aan hun knieën.
„Houd je nu taai—wees even trotsch als een echte Spanjaard,” beval en hoonde Francis Torres tegelijkertijd. „Je bent Da Vasco zelf. Honderden jaren geleden, was je hier op aarde, in ditzelfde dal, met de voorouders van deze mestiezen.” [149]
„Gij moet sterven,” sprak de Zonnepriester hen aan, terwijl de Verloren Zielen als één man het hoofd bogen. „Vierhonderd jaren lang, sedert wij hier verblijf houden in dit dal, hebben we alle vreemdelingen gedood. Gij werdt niet gedood en zie nu den oogenblikkelijken toorn van den Zonnegod: ons altaarvuur doofde uit.” De Verloren Zielen kermden en jammerden en sloegen op hun borsten. „Daarom, om den Zonnegod te verzoenen, zult gij nu sterven.”
„Wees voorzichtig!” riep Torres, fluisterend nu eens door Francis, dan door Leoncia, aangespoord. „Ik ben Da Vasco. Ik ben juist van de zon teruggekomen.” Hij knikte met zijn hoofd, omdat zijn handen gebonden waren, naar de steenen buste. „Ik ben die Da Vasco. Vierhonderd jaar geleden leidde ik uw voorouders hierheen, en ik liet u hier, met het bevel om hier te blijven tot ik zou terugkomen.”
De Zonnepriester aarzelde.
„Welnu, priester, spreek en antwoord den goddelijken Da Vasco,” sprak Francis barsch.
„Hoe kan ik weten, of hij goddelijk is?” vroeg de priester snel. „Lijk ik zelf ook niet veel op hem? Ben ik daarom goddelijk? Ben ik Da Vasco? Is hij Da Vasco? Of kan Da Vasco niet nog in de zon zijn?—Want ik weet zeker, dat ik een mensch ben, uit een vrouw geboren, achtenzeventig jaren geleden en dat ik Da Vasco niet ben.”
„Gij hebt niet tegen Da Vasco gesproken!” dreigde Francis, terwijl hij zeer eerbiedig voor Torres boog en hem in het Engelsch toesiste: „Wees trotsch, vervloekte kerel, wees trotsch.”
De priester weifelde een oogenblik en sprak toen Torres aan.
„Ik ben de getrouwe Priester der Zon. Niet gemakkelijk zal ik mijn geloof verzaken. Als gij de goddelijke Da Vasco zijt, beantwoord mij dan één vraag.”
Torres knikte met schitterend gespeelde trotschheid.
„Houdt gij van goud?”
„Van goud houden!” spotte Torres. „Ik ben in de zon een groot heerscher en de zon is van goud gemaakt. Goud? Het is voor mij hetzelfde als het stof onder mijn voeten en de rots, waaruit uw trotsche bergen zijn opgebouwd.”
„Bravo!” fluisterde Leoncia goedkeurend.
„Dan, o goddelijke Da Vasco,” sprak de priester nederig, ofschoon hij den triomfantelijken klank in zijn stem niet geheel kon verbergen, „zijt gij geschikt voor de oude en gebruikelijke proef. Wanneer gij den gouddronk gedronken hebt, en nog kunt zeggen, dat gij Da Vasco zijt, dan zal ik, en wij allen, ons voor u neerbuigen en u aanbidden. Altijd kwamen zij, dorstend naar goud. Maar wanneer wij hun dorst bevredigd hadden, was hun dorst onvermijdelijk voor immer gestild, want zij waren dood.”
Terwijl hij sprak en de Verloren Zielen gretig toekeken en terwijl de drie vreemde met niet minder groote vrees toekeken, stak de priester zijn hand in den geopenden mond van een grooten, lederen zak en begon handenvol goudklompjes in den heeten smeltkroes op den driepoot te werpen. Ze stonden er zoo dicht bij, dat ze konden zien hoe het goud [150]vloeibaar werd en opsteeg in den smeltkroes als een drank, die het ook moest worden.
Het kleine meisje, gebruik makend van haar buitengewone positie in den Stam der Verloren Zielen, naderde den Zonnepriester en sprak, zoodat allen het konden hooren:
„Dat is Da Vasco, Kapitein Da Vasco, de goddelijke Kapitein Da Vasco, die onze voorouders lang, lang geleden hierheen leidde.”
De priester trachtte haar, door het fronsen van zijn wenkbrauwen, tot zwijgen te brengen. Maar het meisje herhaalde haar bewering, nadrukkelijk van de buste naar Torres wijzend en omgekeerd; en de priester voelde, hoe hij zijn houvast verloor, terwijl hij heimelijk de zondige liefde vervloekte der moeder van het kleine meisje, waardoor zij zijn dochter geworden was.
„Maak, dat je wegkomt!” gebood hij streng. „Dit zijn dingen, waarvan jij niets begrijpt. Als hij Kapitein Da Vasco is en goddelijk, zal hij het goud drinken en ongedeerd blijven.”
In een grove aarden kruik, die verhit was in den pot met vuur aan den voet van het altaar, goot hij het gesmolten goud uit. Op een teeken legden eenige der jongemannen hun speren terzijde en naderden Leoncia, blijkbaar met de bedoeling om haar mond open te breken.
„Houd op, priester!” riep Francis met stentorstem. „Zij is niet goddelijk, zooals Da Vasco. Beproef den gouden dronk op Da Vasco.”
Waarop Da Vasco Francis een kwaadaardigen, boozen blik toewierp.
„Blijf je verheven trots bewaren,” was Francis’ instructie aan hem. „Weiger den dronk. Laat hen de binnenzijde van je helm zien.”
„Ik wil niet drinken!” riep Torres, half in een panischen schrik, toen de priester zich tot hem wendde.
„Gij zult drinken. Als gij Da Vasco zijt, de goddelijke gebieder der zon, dan zullen wij het weten en neerknielen en u aanbidden.”
Torres deed een beroep op Francis, wat niet ontsnapte aan de smalle oogjes van den priester.
„Trek een gezicht, alsof je zult moeten drinken,” sprak Francis droogjes. „Hoe het zij, doe het terwille der dame en sterf als een held.”
Met een plotselingen, woedenden ruk aan de koorden, waarmee hij gebonden was, trok Torres zijn eene hand los, greep zijn helm af en hield dien zoo, dat de priester de binnenzijde kon zien.
„Kijk, wat hierin gegrift staat,” beval Torres.
De verbazing van den priester bij het zien van het opschrift DA VASCO, was zoo groot, dat de kruik uit zijn hand viel. Het wegvloeiende, gesmolten goud, stak de droge bestanddeelen op den grond in brand, terwijl een der speerdragers, die een spatje op zijn voet kreeg, woest gillend van pijn wegdanste. Maar de Zonnepriester herstelde zich spoedig. Den pot met vuur grijpend, wilde hij juist de takkebossen in brand steken, die om zijn drie slachtoffers opgestapeld lagen, toen het kleine meisje tusschenbeide kwam. [151]
„De Zonnegod wilde niet, dat de groote kapitein den drank zou drinken,” sprak zij. „De Zonnegod sloeg u de kruik uit de hand.”
En toen al de Verloren Zielen begonnen te mompelen, dat de zaak toch meer beteekende, dan hun priester er uit maakte, was deze laatste gedwongen om zijn hand terug te trekken. Maar toch was hij besloten, dat de drie indringers zouden sterven. Dus sprak hij, listig, tegen zijn volk:
„Wij zullen op een teeken wachten.—Breng olie. Wij zullen den Zonnegod tijd laten om ons een teeken te geven.—Breng een kaars. De kruik olie over de takkebossen gietend om ze nog brandbaarder te maken, zette hij het aangestoken stuk kaars midden tusschen de gedrenkte vloeistof en sprak:
„De duur van de kaars zal ook de duur van den tijd zijn voor het teeken. Zal het zoo zijn, o mijn volk?”
En al de Verloren Zielen mompelden: „Het zij zoo.”
Torres keek hulp zoekend naar Francis, die antwoordde:
„De oude bruut verminderde zeker de lengte der kaars een beetje. Ze kan op zijn best vijf minuten branden en misschien gaan we over drie minuten al in vlammen op.”
„Wat kunnen we doen?” vroeg Torres als razend, terwijl Leoncia een dapper gezicht zette en Francis met een droef en moedig liefdevol lachje in de oogen keek.
„Bidden om regen,” antwoordde Francis. „En de lucht is zoo helder als kristal. En als dat niet helpt, sterf kalm. Schreeuw niet al te hard.”
En zijn oogen keerden terug naar die van Leoncia en verrieden, wat hij haar nooit tevoren had durven verraden—zijn gansche hart en liefde. Hoewel gescheiden door de palen, waaraan zij ieder afzonderlijk waren vastgebonden, waren zij toch nooit zoo dicht bij elkander geweest en de band, die hen tot elkander trok en vereenigde, waren hun oogen.
Het kleine meisje, dat naar den hemel keek of het teeken ook kwam, was de eerste, die het zag. Torres, die enkel oogen had voor het stukje kaars, dat bijna opgebrand was, hoorde den uitroep van het meisje en keek op. En tegelijkertijd hoorde hij, en hoorden allen, het ronkend geluid, alsof er een monsterachtig insect door de lucht vloog.
„Een vliegmachine,” mompelde Francis. „Torres, zeg dat dit het teeken is.”
Maar het was niet noodig om dit te zeggen. Boven hen, op een hoogte van niet meer dan honderd voet, daalde en cirkelde de machine, de eerste aëroplane, die de Verloren Zielen zagen, terwijl, als een zegenbede uit den hemel, de bekende woorden neerdaalden:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
Den cirkel geheel beschrijvend en tot een hoogte van bijna duizend voet opstijgend, zagen zij hoe vlak boven hun hoofd een voorwerp zich van de vliegmachine losmaakte, een driehonderd voet als een dieplood naar beneden viel, zich toen uitspreidde in een groote parachute, waar onderaan, als een spin aan zijn web, de gedaante van een man hing, welke laatste, toen hij den grond naderde, weer begon te zingen: [152]
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden—
De gansche bemanning wijken doet.”
En toen volgde de eene gebeurtenis op de andere met buitengewone snelheid. Het stukje kaars viel uiteen, de brandende pit in het kleine meer van gesmolten vet, het meer ontbrandde en de, in olie gedrenkte, takkebossen er om heen vlogen in brand. En Henry, die midden tusschen de Verloren Zielen belandde, een groot gedeelte van hen onder zijn parachute begravend, stond met een paar sprongen naast zijn vrienden en schopte de brandende takkebossen naar rechts en naar links. Slechts één seconde hield hij hiermee op. Dit was toen de Zonnepriester tusschenbeiden kwam. Een rechthoekige slag met zijn arm tegen de kaak legde dezen bejaarden vertrouweling van God op zijn rug en, terwijl hij zich langzaam herstelde en overeind krabbelde, sneed Henry de koorden los, waarmee Leoncia, Francis en Torres gebonden waren. Zijn armen werden uitgestrekt om Leoncia te omhelzen, toen ze hem terugstiet met de woorden: „Snel! Er is geen tijd voor uitleggingen. Val op je knieën voor Torres en doe alsof je zijn slaaf bent—en spreek geen Spaansch, spreek Engelsch.”
Henry begreep er niets van en, terwijl Leoncia hem met haar oogen geruststelde, zag hij hoe Francis zich neerwierp aan de voeten van hun gemeenschappelijken vijand.
„Hola!” mompelde Henry, toen hij het voorbeeld van Francis volgde. „Daar gaat hij. Maar het is erger dan rattekruid.”
Leoncia volgde en al de Verloren Zielen wierpen zich op den grond voor Kapitein Da Vasco, die in hun midden hemelsche boodschappers ontving, regelrecht uit de zon. Alles knielde neer, behalve de priester, die, diep getroffen, er over stond te denken om het ook te doen, toen de melodramatische spotduivel in Torres’ ziel hem ingaf om zijn rol te buiten te gaan.
Zoo trotsch als Francis hem steeds geboden had te zijn, hief hij zijn rechtervoet op en zette dien op Henry’s nek, bij ongeluk het grootste gedeelte van zijn oor bedekkend en dit knellend.
En Henry vloog letterlijk omhoog.
„Je zult niet op mijn oor stappen, Torres!” schreeuwde hij, hem ter gelijkertijd neerslaande, zooals hij den priester neergeslagen had.
„En nu is het boter aan de galg gesmeerd,” merkte Francis droog en niet zeer geestig op. „Het verhaal van den Zonnegod nadert hier onmiddellijk zijn einde.”
De Zonnepriester wenkte triomfantelijk zijn speerdragers; hij begreep de situatie. Maar Henry richtte den loop van zijn automatisch pistool op het middenrif van den ouden priester; en de priester, die zich de legenden herinnerde van doodelijke projectielen, gevormd uit die geheimzinnige zelfstandigheid, die „kruit” genoemd wordt, glimlachte geruststellend en wenkte zijn speerdragers om terug te gaan.
„Dit gaat mijn gaven van wijsheid en verstand te boven,” sprak hij zijn stamgenooten toe, terwijl zijn onrustigen blik steeds weer terugkeerde naar den loop van Henry’s pistool. „Ik zal mijn toevlucht nemen tot een laatste middel. Laat een [153]boodschapper uitgezonden worden, om de Dame Die Droomt te wekken. Zeg haar, dat vreemdelingen uit de lucht, en misschien wel uit de zon, hier in ons dal zijn. En dat alleen de wijsheid van haar verre droomen ons duidelijk kunnen maken, wat wij niet begrijpen, en wat zelfs ik niet begrijp.”