HOOFDSTUK XX.
Langen tijd bleef de Dame Die Droomt staren op het spel der wateren. Ten slotte stond ze op, zuchtend: „Mijn arme hond.” Het heengaan van Torres beteekende niets voor haar. Van haar meisjesjaren af gewoon om de beschikking te hebben over leven en dood van haar half-wild en gedegenereerd volk, was het menschelijk leven haar, bijgevolg, niet heilig. Wanneer het leven goed en lief was, dan was het natuurlijk juist om het te laten leven. Maar wanneer het leven boos was en leelijk en gevaarlijk voor andere levens, dan was het juist om het te laten dooden of te dooden. Zoodoende was Torres voor haar slechts een episode geweest[169]—onaangenaam, maar snel voorbijgaande. Maar van dien hond was het jammer.
Luid in de handen klappend, toen ze haar kamer binnentrad, om een van haar vrouwen te roepen, overtuigde zij zich, dat de deksel van de juweelenkist openstond. Zij gaf de vrouw een bevel en keerde zelf terug naar het platform, vanwaar ze onopgemerkt in de kamer kon kijken.
Enkele minuten later werd Francis door de vrouw de kamer binnengeleid en alleen gelaten. Hij verkeerde niet in een vroolijke gemoedsstemming. Hoe mooi het ook geweest was, dat hij van Leoncia afgezien had, hij kon zich niet verheugen over deze daad. Evenmin kon hij zich verheugen in het vooruitzicht om de vreemde dame te trouwen, die regeerde over de Verloren Zielen en in deze zonderlinge meer-woning huisde. Maar, in tegenstelling met Torres, wekte ze in hem geen vrees of verbittering op. Integendeel, Francis voelde voor haar een diep medelijden. Hij was onwillekeurig onder den indruk gekomen van het tragische pathos der volwassen, mooie vrouw, die wanhopig zocht naar liefde en een echtgenoot, ondanks haar gebiedend en aanmatigend optreden.
In een oogwenk herkende hij de kamer voor wat het was en vroeg zich, licht verwonderd, af, of hij reeds beschouwd werd als de bruidegom, zonder er verder over te spreken, zonder toestemming, zonder huwelijksplechtigheid. In gedachten verzonken, trok de kist nauwelijks zijn aandacht. De Koningin, die hem in het oog hield, zag, dat hij blijkbaar op haar wachtte, en hem, na eenige minuten, op de kist toetreden. Hij nam er een handvol juweelen uit en liet ze onverschillig weer een voor een er in vallen, alsof het knikkers waren, keerde zich om en stapte naar den anderen kant om de luipaardhuiden op haar slaapstede te bekijken. Vervolgens ging hij er op zitten, oogenschijnlijk volkomen onverschillig voor slaapstede of schat. Dit alles beviel de Koningin zoo zeer, dat ze er niet toe kon besluiten, om nog langer te blijven spionneeren. De kamer binnentredend en hem begroetend, vroeg ze lachend:
„Was Senor Torres een leugenaar?”
„Was?” vroeg Francis, om iets te zeggen, terwijl hij opstond.
„Hij is niet meer,” verzekerde zij hem. „Wat beteekent, dat hij noch hier noch daar is,” haastte zij zich te zeggen, toen Francis belangstelling begon te toonen in Torres’ einde. „Hij is heengegaan, en het is goed, dat hij heengegaan is, want hij kan nu nooit terugkomen. Maar hij loog, is het niet?”
„Beslist,” antwoordde Francis. „Hij is een doortrapte leugenaar.”
Hij moest wel de verandering op haar gelaat zien, toen hij zoo van harte instemde met haar meening omtrent Torres’ waarheidlievendheid.
„Wat heeft hij gezegd?” vroeg Francis.
„Dat hij de uitverkorene was, om met mij te trouwen.”
„Een leugen,” merkte Francis droogjes op.
„Vervolgens zei hij, dat gij de uitverkorene waart—wat ook een leugen was.” Haar stem werd zachter.
Francis schudde het hoofd. [170]
De onwillekeurige vreugdekreet, die de Koningin slaakte, wekte in zijn hart zoo’n teeder medelijden op, dat hij er bijna toe kwam om zijn armen om haar heen te slaan en haar te liefkoozen. Zij wachtte, wat hij zou zeggen.
„Ik ben de man, die je zal trouwen,” vervolgde hij kalm. „Je bent zeer schoon. Wanneer zal ons huwelijk plaats hebben?”
De onstuimige vreugde in haar gelaat was zóó groot, dat hij plechtig beloofde, dat door zijn toedoen dit gelaat nimmer de sporen van verdriet zou dragen. Zij mocht dan al heerscheres zijn over de Verloren Zielen, onmetelijke rijkdommen bezitten en begiftigd zijn met de bovennatuurlijke macht om in den Spiegel te lezen; in de eerste plaats was ze voor hem een eenzame en naïeve vrouw, overvloeiend van liefde en volkomen onwetend van de liefde.
„En ik zal je nog een leugen vertellen, dien dat beest van een Torres mij vertelde,” barstte zij verontwaardigd los. „Hij zei mij, dat je rijk waart en dat je, voor je mij trouwde, wilde weten, wat ik bezat. Hij zei me, dat je hem gezonden hadt om te onderzoeken, welke rijkdommen ik bezat. Ik weet, dat dit een leugen was. Je trouwt mij niet om dat!” Met een toornig gebaar wees zij op de kist met juweelen.
Francis schudde het hoofd.
„Je trouwt mij om mijzelf,” ging zij triomfantelijk voort.
„Om jezelf,” loog Francis, ondanks zich zelf.
En toen zag hij een verwonderlijk iets. De Koningin, deze Koningin, die de reinste autocraat was, die beval, kom hier en ga daarheen, die den dood van Torres niet meer waardig keurde dan enkel een vermelding en die haar koninklijken echtgenoot koos, zonder ook maar naar zijn wenschen te vragen, deze Koningin begon te blozen. Langs haar hals en over haar gelaat, tot aan haar ooren en voorhoofd toe, vloog de roze gloed der maagdelijke zedigheid en verlegenheid. En dit teeken van verwarring, bracht Francis ook in de war. Hij wist niet wat hij doen moest en voelde het warme bloed opstijgen onder de gebruinde huid van zijn eigen gelaat. Nooit tevoren, dacht hij, hadden een man en een vrouw in een dergelijke positie verkeerd in de levensgeschiedenis der mannen en vrouwen. Hun wederzijdsche verlegenheid was zeer groot en, al had hij er zijn leven mee kunnen redden, het was hem onmogelijk om een woord uit te brengen. Dus was de Koningin genoodzaakt om het eerst te spreken.
„En nu,” zei ze, nog sterker blozend, „moet je mij het hof maken.”
Francis deed moeite om iets te zeggen, maar zijn lippen waren zoo droog, dat hij ze eerst moest bevochtigen en slechts enkele onsamenhangende woorden kon stamelen.
„Ik werd nooit bemind,” vervolgde de Koningin dapper. „Mijn volk houdt zich niet op met liefde. Het zijn redelooze dieren. Maar wij, gij en ik, zijn man en vrouw. Daarbij hoort begeeren en teederheid—dat heeft mijn Spiegel der Wereld mij geleerd. Maar ik ben onervaren. Ik weet niet hoe het moet. Maar gij, die uit de groote wereld komt, moet het weten. Ik wacht. Gij moet mij liefhebben.”
Zij zonk neer op haar rustbank, trok Francis naast zich [171]en wachtte, zooals ze gezegd had. Terwijl hij, die op bevel moest liefhebben, als verlamd was door de onmogelijkheid om aan dit bevel te gehoorzamen.
„Ben ik niet mooi?” vroeg de Koningin na een nieuwe pauze. „Zijn je armen niet als dol van verlangen om zich om mij heen te slaan, evenals ik dol verlangend ben, om ze om mij heen te voelen? Nog nooit hebben mannenlippen de mijne beroerd. Waar gelijkt een kus op—een kus op de lippen, bedoel ik? Je lippen op mijn hand waren een extase. Je kuste toen niet alleen mijn hand, maar ook mijn ziel. Mijn hart voelde toen den druk van je lippen. Heb je het kloppen ervan niet gevoeld?”
„En nu,” zei ze een half uur later, toen ze hand in hand op de slaapbank zaten, „heb ik je het weinige verteld, wat ik van mijzelf weet. Ik weet van het verleden niet anders, dan men mij ervan verteld heeft. Het tegenwoordige zie ik duidelijk in mijn Spiegel der Wereld. De toekomst kan ik eveneens zien, maar slechts vaag; ook begrijp ik niet altijd, wat ik zie. Ik werd hier geboren. Zoo ook mijn moeder, en haar moeder. Het toeval wilde, dat er altijd in het leven van iedere koningin een minnaar kwam. Soms kwamen ze hier, evenals gij. De moeder van mijn moeder, zoo vertelde men mij, verliet het dal om haar minnaar te zoeken en was langen tijd weg—jarenlang. Zoo ging ook mijn moeder weg. Ik ken den geheimen weg, waar de reeds lang gestorven conquistadores de geheimen der Mayas bewaken, en waar Da Vasco zelf staat, wiens helm door dat beest van een Torres zoo onbeschaamd gestolen en tot zijn eigendom verklaard werd. Wanneer jij niet gekomen waart, zou ik ook weg hebben moeten gaan om je te zoeken, want jij waart het, die voor mij bestemd waart en moest zijn.” Een vrouw trad binnen, gevolgd door een speerdrager, en Francis kon nauwelijks wijs worden uit het vreemde, ouderwetsche Spaansch, waarin het gesprek gevoerd werd. Met een gemengd gevoel van toorn en blijdschap, deelde de Koningin hem in het kort den inhoud ervan mee.
„Wij moeten nu naar het Lange Huis gaan voor de trouwpartij. De Priester der Zon is koppig, ik begrijp niet waarom, of hij moest wenschen het bloed van jelui allen op zijn altaar te zien. Hij is zeer bloeddorstig. Hij is de Zonnepriester, maar hij bezit weinig verstand. Men bericht mij, dat hij het volk tracht op te zetten tegen ons huwelijk—die hond!” Zij vouwde haar handen, terwijl haar gezicht hard werd en haar oogen vlamden van koninklijke woede. „Hij zal ons trouwen volgens de oude gebruiken, voor het Lange Huis, voor het Altaar der Zon.”
„Het is nog niet te laat, om van gedachten te veranderen, Francis,” drong Henry aan. „Bovendien is het niet eerlijk. Ik heb het kortste strootje getrokken. Nietwaar, Leoncia?”
Leoncia kon niet antwoorden. Zij stonden in een groep voor het altaar, ten aanschouwe van de vergaderde Verloren Zielen. De Koningin en de Zonnepriester bevonden zich in het Lange Huis. [172]
„Je zou niet graag zien, dat Henry met haar trouwde, is het niet, Leoncia?” vroeg Francis.
„En jou evenmin,” antwoordde Leoncia. „Alleen Torres had ik gaarne met haar zien trouwen. Ik houd niet van haar. Ik zou niet graag een mijner vrienden haar echtgenoot zien worden.”
„Het lijkt haast of je jaloersch bent,” merkte Henry op. „Maar hoe het zij, Francis schijnt niet al te mistroostig te zijn over zijn lot.”
„Ze is heelemaal niet kwaad,” antwoordde Francis. „En ik kan mijn lot waardig, zoo al niet gelijkmoedig dragen. En ik wil je nog iets anders vertellen, Henry, nu we het hier toch over hebben; ze zou je niet eens nemen, al vroeg je haar.”
„O, dat weet ik nog zoo net niet,” begon Henry.
„Vraag het haar dan,” was het voorstel. „Daar komt ze aan. Kijk eens naar haar oogen. Daar broeit iets. En de priester ziet er uit als een donderwolk. Doe haar je voorstel en zie welke kans je hebt tegenover mij.”
Henry schudde koppig het hoofd.
„Ik zal het doen—maar niet om je te toonen welk een vrouwenveroveraar ik ben, doch alleen terwille van het eerlijke spel. Ik speelde dit niet toen ik je zelfopoffering aannam, maar nu zal ik het spelen.”
Voor zij hem tegen konden houden, was hij op de Koningin toegeloopen, had zich tusschen haar en den priester ingedrongen en begon op ernstigen toon te spreken. En de Koningin luisterde lachend. Maar haar lach was niet voor Henry bestemd. Stralend van triomf lachte ze tegen Leoncia.
Het kostte niet veel tijd om Henry’s voorstel af te wijzen, waarop de Koningin zich bij Leoncia en Francis voegde, terwijl de priester haar op de hielen volgde en Henry, die langzaam achteraan kwam, moeite deed om de blijdschap te verbergen, die hij voelde over het blauwtje, dat hij geloopen had.
„Wat dunkt je ervan?” sprak de Koningin Leoncia aan. „Die goede Henry heeft mij juist gevraagd zijn vrouw te worden, dat is vandaag de vierde. Word ik niet zeer bemind? Hebt je ooit vier aanbidders gehad, die je alle vier wenschen te trouwen op je huwelijksdag?”
„Vier!” riep Francis uit.
De Koningin schonk hem een teederen blik.
„Jij zelf en Henry, dien ik juist afgewezen heb. En voor jelui, vandaag, die onbeschofte Torres en nu pas, in het Lange Huis, de priester hier.” Bij deze herinnering vlamde de toorn op in haar oogen en wangen. „Deze Priester der Zon, deze priester, die reeds lang ontrouw was aan zijn beloften, deze man, die slechts half een man is, verlangde mij als vrouw! Die hond! Dat beest! En hij had ten slotte de onbeschaamdheid te zeggen, dat ik niet de vrouw van Francis zou worden. Kom. Dat zal ik hem laten zien.” Zij riep met een hoofdbeweging haar eigen speerdragers op uit den groep en beval met haar oogen twee hunner om achter den priester te gaan staan en hem te bewaken. Op het gezicht hiervan, begon er gemompel op te stijgen uit de menigte.
„Maak voortgang, priester,” beval de Koningin barsch. „Anders zullen mijn mannen je op staanden voet dooden.” [173]
Hij keerde zich met een ruk om, alsof hij een beroep wilde doen op het volk, maar de toespraak, die zijn lippen deed trillen, werd niet onder woorden gebracht, toen hij de speerpunten op zijn borst gericht zag. Hij onderwierp zich aan het onvermijdelijke en liep vooruit tot vlak voor het altaar, waar hij de Koningin en Francis voor zich plaatste, terwijl hij zelf boven op het platform van het altaar ging staan, vanwaar hij op hen neerzag en over hen heen de Verloren Zielen aankeek.
„Ik ben de Priester der Zon,” begon hij. „Mijn geloften zijn mij heilig. Als gewijd priester word ik gedwongen deze vrouw, de Dame Die Droomt, in den echt te verbinden met dezen vreemdeling en indringer, wiens bloed reeds vervallen is aan dit altaar. Mijn geloften zijn mij heilig. Het is mij onmogelijk, ze ontrouw te worden. Ik weiger deze vrouw en dezen man te trouwen. In den naam van den Zonnegod weiger ik deze plechtigheid te voltrekken …”
„Dan zult gij sterven, priester, hier en op dit oogenblik,” siste de Koningin hem toe, de dichtstbijzijnde speerdragers een teeken gevend om hun speren tegen hem op te heffen en de andere speerdragers bevelend om zich tegen de murmureerende en half-opstandige Verloren Zielen te keeren.
Nu volgde er een gewichtige pauze. Ongeveer een minuut lang werd er geen woord gesproken, geen gedachte verraden door een ongedurige beweging. Ze stonden allen onbeweeglijk als even zoovele standbeelden; en iedereen keek naar den priester, op wiens hart de vergiftigde speerpunten gericht waren.
Hij, wiens bloed en leven in deze zaak in de eerste plaats op het spel stond, was ook de eerste, die handelde. Hij gaf toe. Kalm keerde hij de dreigende speren den rug toe en richtte, in ouderwetsch Spaansch, een gebed om vruchtbaarheid tot de Zon. Tot de Koningin en Francis terugkeerend, liet hij hen, door een handbeweging, zich diep neerbuigen, zoodat ze half voor hem knielden. Toen hij met zijn vingertoppen hun handen aanraakte, kon hij niet verhinderen, dat zijn gelaatstrekken zich onwillekeurig vertrokken.
Toen het paar, op zijn aanwijzing, opstond, brak hij een kleine koren-koek doormidden en gaf ieder de helft.
„Het Heilig Avondmaal,” fluisterde Henry Leoncia in, toen het paar hun stuk koek stukbrak en opat.
„De Roomsch-Katholieke Godsdienst, die Da Vasco met zich hierheen gebracht moet hebben, maar zoo ontaard, dat het nu de huwelijksplechtigheid geworden is,” fluisterde zij terug, ofschoon ze, nu ze zag, dat Francis voor haar verloren was, moeite moest doen om zich te bedwingen en met kleurlooze, op elkander geklemde lippen, haar nagels in haar handpalmen drukte. Van het altaar nam de priester een kleine ponjaard en een gouden kopje en bood deze de Koningin aan. Zij zei iets tegen Francis, die zijn mouw opstroopte en haar zijn ontblooten linker benedenarm aanbood. Op het punt om een sneedje in zijn vleesch te geven, aarzelde zij en, inplaats daarvan, zette zij de punt van den ponjaard voorzichtig op haar tong.
Maar nu kreeg de woede de overhand. Toen ze den smaak [174]van het lemmet proefde, wierp ze het wapen van zich, sprong half op den priester toe, en gaf haar speerdragers half bevel om hem te dooden en beefde en sidderde door de moeite, die ze deed om zich te beheerschen. Met haar oogen den ponjaard volgend, overtuigde zij zich, dat de vergiftigde punt niemand anders trof, om zijn noodlottige uitwerking te volbrengen en trok toen uit de plooien van haar kleed een andere kleine ponjaard te voorschijn. Deze probeerde zij eerst ook op haar tong, voor ze met de punt ervan een sneedje in Francis’ huid gaf en in den gouden kop eenige roode bloeddruppeltjes opving, die uit de verwonding kwamen. Francis herhaalde hetzelfde voor haar en bij haar, waarop de priester, met vlammenden blik, den kop nam en het vermengde bloed op het altaar offerde.
Er ontstond een pauze. De Koningin fronste de wenkbrauwen.
„Wanneer er vandaag nog bloed moet vloeien op het altaar van den Zonnegod …” begon zij dreigend.
En de priester richtte zich, alsof hij zich zijn verzuim herinnerde, tot het volk en verkondigde plechtig, dat het tweetal nu man en vrouw was. De Koningin wendde zich tot Francis, met de bede in de oogen, om haar in zijn armen te sluiten. Toen hij dit deed en haar op de begeerige lippen kuste, zuchtte Leoncia en drukte zich, als om steun zoekend, vast tegen Henry aan. Evenmin ontging Francis deze voorbijgaande zwakte en hij begreep, hoewel Leoncia, toen de blozende Koningin met oogen, die triomfantelijk glinsterden, haar medezuster aankeek, oogenschijnlijk trotsch en onverschillig rondblikte.