WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 28: HOOFDSTUK XXIV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XXIV.

Een kwartier nadat ze met den kleinen kustvaarder geland waren te Colon, een boot van de United Fruit Company treffend, was de reis van de Koningin met Francis naar New-York een snelle opeenvolging van gunstige verbindingen geweest. Door te New-Orleans op de werf een auto te nemen naar het station en een wedloop van kruiers met handbagage, slaagden zij er in om nog net op het nippertje den trein te halen. Te New-York aangekomen, ontmoette Francis Bascom, die met Francis’ eigen auto aan het station was, en met dezelfde vaart werd de tocht voortgezet naar het sierlijke paleis, dat R. H. M. zelf, Francis’ vader, voor zijn millioenen had laten bouwen te Riverside Drive.

Zoodoende kende de Koningin nog niet veel meer van de groote wereld, dan toen ze haar reizen begon door in de onderaardsche rivier te springen. Wanneer ze een minderwaardiger schepseltje geweest was, zou ze ontzet geweest zijn over deze reuzen-beschaving rondom haar. Nu was ze koninklijk onlogisch, en nam deze beschaving aan als een geschenk van haar koninklijken echtgenoot. Want koninklijk was hij, gediend als hij werd door talrijke slaven. Had zij dit niet op de boot en in den trein gemerkt? En hier, in zijn paleis, beschouwde zij den stoet bedienden, die hen begroette, als iets heel natuurlijks. De chauffeur opende het portier der limousine. Andere bedienden brachten de bagage binnen. Francis stak geen hand uit, behalve naar haar arm om haar te ondersteunen. Zelfs in Bascom—een man, dien zij niet voor een bediende aanzag—vermoedde zij iemand, die in Francis’ dienst was. En zij zag Bascom vertrekken in Francis’ limousine, met instructies en op bevel van Francis.

Haar verrukking over het inwendige der woning was naïef en kinderlijk. De bedienden heelemaal vergetend, of liever, er geen acht op slaande, zooals zij haar eigen bedienden in haar meer-woning over het hoofd zag, klapte zij in de groote hall in haar handen, keek naar de marmeren trap en snelde op een drafje naar het naaste vertrek en gluurde naar binnen. Het was de bibliotheek, die zij in den Spiegel der Wereld gezien had op den dag, waarop zij Francis voor het eerst ontmoette. En het visioen werd werkelijkheid, want Francis ging met haar de groote boekenkamer binnen, zijn arm om haar heen geslagen, juist zooals zij hem gezien had op de vloeibaar-metalen oppervlakte van den gouden bokaal. De telefonen en de koersaanwijzer herinnerde zij zich ook; en, juist zooals zij toen zich zelf zag doen, liep zij naar het bord om dit te bekijken en Francis stond, met zijn arm nog altijd om haar heen geslagen, naast haar. [200]

Nauwelijks was hij begonnen om haar het instrument eenigszins te verklaren en juist toen hij begreep, dat het onmogelijk was om haar in een paar minuten al de finesses der beursinstelling te leeren, lazen zijn oogen op het lint, dat Frisco Consolidated twintig procent was gedaald—iets wat nog nooit gebeurd was met dien kleinen spoorweg in Iowa, die R. H. M. gesticht en aangelegd had en op den dag van zijn dood nog trots verklaarde zoo’n goed ding te zijn, dat dit iedere storm zou doorstaan, al gingen de helft der banken en heel Wall Street over den kop.

De Koningin merkte den onrust op, die steeds sterker op Francis’ gelaat te lezen stond.

„Het is tooverachtig—net als mijn Spiegel der Wereld?” vroeg en constateerde zij half.

Francis knikte.

„Het vertelt je geheimen, dat weet ik,” vervolgde zij. „Evenals mijn gouden bokaal, brengt het de heele wereld hier in deze kamer, bij je. Het brengt je zorg. Dat is duidelijk te zien. Maar wat voor zorg kan deze wereld je brengen, terwijl je toch een van haar groote koningen bent?”

Hij opende zijn mond om haar laatste vraag te beantwoorden, hield op en zei niets, inziende dat hij het haar toch niet begrijpelijk kon maken, terwijl zijn geest gekweld werd door de beelden van groote spoorwegen en scheepvaartlijnen, van wemelende stations en woelige dokken; van mijnwerkers, zwoegend in Alaska, in Montana, in Death Valley, van gebreidelde rivieren en, in een harnas geslagen watervallen, en van electrische geleidingen op tweehonderd voet hooge palen boven laaglanden, moerassen en vennen, en van al de mechanische, economische en finantiëele instellingen eener twintigste eeuwsche machinebeschaving.

„Het brengt je zorgen,” herhaalde zij. „En, helaas! Ik kan je niet helpen. Mijn gouden bokaal is weg. Nooit zal ik er de wereld meer in aanschouwen. Ik ben niet langer een heerscheres over de toekomst. Ik ben niets meer dan een vrouw en hulpeloos in deze vreemde, reusachtige wereld, waarheen je mij gebracht hebt. Ik ben niets dan een vrouw, en jou vrouw, Francis, je vrouw, die trotsch op je is.”

Hij had haar bijna lief, toen hij, het lint loslatend, haar een oogenblik vast tegen zich aandrukte eer hij naar de telefonen liep. Ze is verrukkelijk, dacht hij. Er is geen bedrog of kwaad in haar, ze is enkel vrouw, een en al vrouw, liefelijk en beminnelijk—helaas, waarom moet Leoncia altijd en immer in mijn gedachten tusschen haar staan; haar die ik heb en haar, die ik nooit zal bezitten!

„Nog meer tooverij,” mompelde de Koningin, toen Francis, die aansluiting gekregen had met Bascom’s kantoor, zei:

„Mijnheer Bascom komt ongetwijfeld binnen een half uur terug. U spreekt met Morgan—Francis Morgan. Mijnheer Bascom vertrok nog geen vijf minuten geleden naar zijn kantoor. Wanneer hij aankomt, zeg hem dan, dat ik ook op weg ben naar zijn kantoor en er hoogstens vijf minuten later zal zijn dan hij. Het is van groot belang. Zeg hem, dat ik op weg ben. Dank u. Goeden dag.”

Het was zeer natuurlijk, dat de Koningin teleurgesteld was, [201]toen Francis haar vertelde, dat hij onmiddellijk moest vertrekken naar een plaats, genaamd Wall Street, terwijl zij al de wonderen van het groote huis nog moest zien.

„Wat is het toch?” vroeg ze, een tikje misnoegd, „dat je, als een slaaf, van mij wegsleept?”

„Het zijn zaken—en zaken van groot gewicht,” zei hij haar, met een glimlach en een kus. „Het is de groote Amerikaansche god. Bovendien, is het een zeer verschrikkelijke god en als hij slaat, slaat hij vreeselijk en snel.”

„En je hebt zijn misnoegen opgewekt?” vroeg zij.

„Helaas ja, ofschoon ik niet weet waardoor. Ik moet naar Wall Street gaan …”

„Is dat zijn altaar?” viel ze hem vragend in de rede.

„Dat is zijn altaar,” antwoordde hij, „waar ik moet gaan onderzoeken, waardoor ik hem beleedigd heb en hoe ik hem kan verzoenen en boete doen.”

Zijn overhaaste poging om haar de deugden en werkzaamheden uit te leggen der dienstbode, die hij telegrafisch uit Colon ontboden had, boezemde haar nauwelijks belang in, en zij viel hem in de rede door te zeggen, dat de dienstbode blijkbaar gelijkstond met de Indiaansche vrouwen, die haar bediend hadden in het dal der Verloren Zielen en dat ze gewend was om bediend te worden van den tijd, dat ze een klein meisje was af, toen ze van haar moeder Engelsch en Spaansch leerde in het huis aan het meer. Maar toen Francis zijn hoed nam en haar kuste, bedaarde zij en wenschte hem geluk voor het altaar toe.

Na verscheidene uren, waarin zij in haar eigen vertrekken wonderlijke avonturen beleefde, waarbij de meid, een Spaansch sprekende Fransche vrouw als gids en raadgeefster diende en nadat zij afwisselend gemeten en bekeken was door een prachtig gekleede vrouw, die zelf wel een koningin leek en bediend werd door twee jonge vrouwen en die, volgens de gedachten der Koningin, zeker geroepen was om haar en Francis te dienen, liep zij de groote trap weer af om de bibliotheek eens te gaan verkennen met haar geheimzinnige telefonen en koersaanwijzer.

Langen tijd keek zij naar den laatste en luisterde naar het onregelmatig getik. Maar zij, die Engelsch en Spaansch kon lezen en schrijven, kon niet wijs worden uit de hiërogliefen, die op zoo’n wonderlijke wijze op het lint te voorschijn kwamen. Vervolgens probeerde zij de eerste der telefonen. Zich herinnerend, hoe Francis er aan geluisterd had, legde zij haar oor tegen de spreekbuis. Maar toen herinnerde zij zich, dat hij gebruik gemaakt had van den hoorn, nam dezen van den haak en hield hem aan het oor. De stem, ongetwijfeld een vrouwestem, klonk zoo dicht bij haar, dat ze verschrikt en verrast den hoorn liet vallen en terugdeinsde. Juist trad Parker, Francis’ oude huisknecht, de kamer binnen. Zij had hem nog niet gezien, en zijn kleeding was zoo keurig en zijn houding zoo waardig, dat ze hem voor een vriend van Francis aanzag in plaats van voor een bediende—een vriend, zooals Bascom, die hem met Francis’ machine aan het station afgehaald had, als een gelijke met hen binnen in de auto had gezeten en die toch vertrokken was, met de bevelen van Francis, waaraan hij blijkbaar moest gehoorzamen. [202]

Toen ze Parker’s ernstig gelaat zag, lachte ze verlegen en wees vragend op de telefoon. Ernstig nam hij den hoorn op, mompelde: „Een vergissing,” in den hoorn en hing hem op. In deze paar minuten ontstond er een omwenteling in de gedachten der Koningin. Dat was geen stem van een god of een geest, die zij gehoord had, maar een vrouwestem.

„Waar is die vrouw?” vroeg ze.

Parker’s stijve houding werd nog een beetje stijver, de uitdrukking van zijn gelaat nog deftiger, terwijl hij boog.

„Er is een vrouw verborgen hier in huis,” sprak ze snel. „Haar stem weerklinkt in dat ding. Zij moet in de andere kamer zijn …”

„Het was Centraal,” trachtte Parker haar woordenvloed tegen te houden.

„Het kan me niet schelen, hoe ze heet,” ging de Koningin voort.

„Ik wil niet, dat er een andere vrouw in huis is dan ik. Zeg haar, dat ze weggaat. Ik ben zeer boos.”

Parker werd nog stijver en ernstiger, en nu kreeg zij een ander idee. Misschien was deze deftige heer wel voornamer dan ze verwachtte in het rijk der kleinere koningen, dacht ze. Misschien was hij wel net een koning als Francis en zij had hem als een mindere, als een veel mindere behandeld.

Zij nam hem bij de hand, in haar voortvarendheid toch zijn weerstand opmerkend, trok hem naar een sofa en liet hem naast haar plaats nemen. Om Parker’s verlegenheid nog te verhoogen, greep zij in een bonbondoos en begon hem chocolaadjes te voeren, zijn mond met deze snoeperij sluitend telkens wanneer hij hem open deed om te protesteeren.

„Zeg,” sprak ze, toen ze hem bijna volgestopt had, „is het de gewoonte van de mannen hier in dit land om polygamie te plegen?” Parker stond verstomd over deze ruwe oprechtheid.

„O, ik ken de beteekenis van het woord wel,” verzekerde ze hem. „Maar ik herhaal, is het de gewoonte van de mannen hier in dit land om polygamie te plegen?”

„Er is geen vrouw hier in huis, behalve u zelf, mevrouw, en de vrouwelijke dienstboden,” slaagde hij er eindelijk in om te zeggen. „Die stem, die u hoorde, is niet de stem van een vrouw hier in huis, maar de stem van een vrouw, mijlen ver weg, die u moet dienen en iedereen, die een telefonisch gesprek wil voeren.”

„Zij is de slavin van het mysterie?” vroeg de Koningin, die een flauw vermoeden begon te krijgen, hoe de zaak in elkaar zat.

„Ja,” stemde de bediende van haar echtgenoot toe. „Zij is een slavin van de telefoon.”

„Van de vliegende spraak?”

„Ja, mevrouw, zoo kunt u het noemen, van de vliegende spraak.”

Hij wist geen raad om te ontsnappen aan een situatie, waarin hij nog nooit in zijn geheele carrière verkeerd had. „Kom, dan zal ik het u laten zien, mevrouw. Deze slavin der vliegende spraak staat nacht en dag klaar voor uw bevelen. Als u wilt, stelt deze slavin u in staat om met uw echtgenoot, mijnheer Morgan te spreken …” [203]

„Nu?”

Parker knikte, stond op en ging haar voor naar de telefoon.

„Eerst,” legde hij uit, „spreekt u met de slavin. Op hetzelfde oogenblik, waarop u dit opneemt en aan uw oor brengt, zal de slavin antwoorden. De slavin zegt onveranderlijk: „Nummer?” Soms zegt ze ook „Nummer? Nummer?” En soms is ze zeer prikkelbaar. Wanneer de slavin gezegd heeft „Nummer”, dan moet u zeggen: „Eddystone 1292”, waarop de slavin zal zeggen: „Eddystone 1292” en dan moet u antwoorden: „Ja, alstublieft.”

„Moet ik tegen een slavin „alstublieft” zeggen?” viel ze hem in de rede.

„Ja, mevrouw, want deze slavinnen der vliegende spraak zijn bijzondere slavinnen, die men nooit ziet. Ik ben niet jong meer, maar ik heb nog nooit van mijn leven een Centrale gezien.—Dus, vervolgens, na een oogenblik, zal een andere slavin, een vrouw, die weer mijlen ver van de eerste verwijderd is, tegen u zeggen: „Dit is Eddystone 1292” en u zult zeggen: „Ik ben mevrouw Morgan. Ik wil mijnheer Morgan spreken, die waarschijnlijk in het privé-kantoor van mijnheer Bascom is.” En dan wacht u, misschien een halve minuut, of een minuut, en dan zal mijnheer Morgan met u beginnen te praten.”

„Over een afstand van mijlen en nog eens mijlen?”

„Ja, mevrouw—juist alsof hij in de kamer hiernaast was. En wanneer mijnheer Morgan zegt: „Goedendag,” dan moet u ook zeggen: „Goedendag,” en de hoorn ophangen, zooals u mij hebt zien doen.”

En alles gebeurde zooals Parker haar gezegd had, toen zij zijn instructies opvolgde. De twee verschillende slavinnen gehoorzaamden aan de tooverkracht van het nummer, dat zij haar opgaf, en Francis praatte en lachte tegen haar, verzocht haar, om zich niet eenzaam te voelen en beloofde dien middag niet later dan vijf uur thuis te zullen komen.


Ondertusschen en den geheelen dag door, had Francis het zeer druk en was zeer verontrust.

„Wat heb je toch voor een geheime vriend?” vroeg Bascom telkens en telkens weer, terwijl Francis zijn hoofd schudde en tevergeefs giste, wie het kon zijn.

„Want zie je, behalve waar het jouw fondsen betreft, is de markt redelijk en in orde. Maar kijk jouw fondsen eens. Daar heb je Frisco Consolidated. Er is absoluut geen aanleiding of reden, waarom ze dien kant opgaan. Alleen jouw fondsen dalen. New-York, Vermont en Connecticut betaalde de laatste vier kwartalen vijftien procent, en is zoo solied als Gibraltar. Toch is het gezakt en hard gezakt ook. Hetzelfde is het geval met Montana Lode, Death Valley Copper, Imperial Tungsten, Northwestern Electric. Neem Alaska Trodwell—zoo solied als de rots der eeuwen. De beweging daartegen begon eerst gisteren laat in den middag. Ze sloten acht procent lager, en vandaag zijn ze nog tweemaal zooveel gezakt. Allemaal fondsen, waarin je sterk geïnteresseerd bent. Andere fondsen worden niet meegesleept. Verder is de beurs vast.”

„Ook Tampico-Petroleum is vast gestemd,” zei Francis, „en daar ben ik toch het sterkst in geïnteresseerd.” [204]

Bascom trok wanhopig zijn schouders op.

„Weet je zeker, dat je niemand kunt bedenken, die hier de schuld van is en misschien je vijand kan zijn?”

„Al was mijn leven er mee gemoeid, Bascom, ik kan geen mensch bedenken. Ik heb geen vijanden gemaakt, omdat ik, sedert mijn vader gestorven is, niet veel gedaan heb. Tampico-Petroleum is het eenige, waar ik zaken in gedaan heb, en die zijn zelfs nu nog goed.” Hij stapte naar den koersaanwijzer. „Daar. Een half procent hooger de aandeelen van vijfhonderd.”

„Hoe het zij, er zit iemand achter je heen,” verzekerde Bascom hem. „Dat is zoo klaar als de dag. Ik heb van het begin af de verslagen der verschillende fondsen nagegaan. Ze zijn gekleurd, kunstig en voorzichtig gekleurd, en de kleurstof is pessimistisch en officiëel. Waarom boekte Northwestern Electric haar dividend? Waarom zetten ze dat zwartgallige stukje in Mulhancy’s verslag over Montana Lode? O, de rest van die zwartgalligheid doet er niets toe, maar waarom al deze uitlatingen. ’t Is duidelijk genoeg. Het is niets anders dan een raid, die naar het schijnt op jou gemunt is en het is ook geen plotselinge, snelle aanval. Het is langzaam begonnen en neemt gestadig toe. En de bom is gereed om los te barsten bij het eerste oorlogsgerucht, een groote werkstaking of een finantiëele paniek—bij het een of ander, dat de geheele markt zal drukken.

„Bedenk eens in welke positie je verkeert, nu alle fondsen, behalve die van jou, normaal zijn. Ik heb je stukken op prolongatie gedekt en nog eens gedekt. Een groot deel van je geldelijke borgtocht is reeds verdwenen. En je stukken op prolongatie zakken steeds meer. Je kunt ze ook moeilijk verkoopen. Dat zou een ramp tengevolge kunnen hebben. Het is te netelig.”

„Daar heb je Tampico-Petroleum, die zoo gunstig is als je maar kunt wenschen—dat is voldoende borgtocht om alles te dekken,” opperde Francis. „Hoewel ik altijd huiverig geweest ben om die aan te spreken,” voegde hij er bij.

Bascom schudde zijn hoofd.

„Dan is er nog de Mexicaansche revolutie en onze eigen krachtelooze administratie. Als we Tampico-Petroleum op het spel zetten, en er zou daarginds iets ernstigs gebeuren, dan zou het uit zijn met je, je waart op, failliet.

„En toch,” besloot Bascom, „zie ik geen anderen uitweg dan om Tampico-Petroleum te gebruiken. Zie je, alles is bijna uitgeput, wat je mij in handen gegeven hebt. En dit is geen wervelstorm. Het gaat langzaam en zeker als een naderende gletscher. Ik heb al deze jaren je beurszaken gedaan, en dit is de eerste maal, dat we in het nauw gedreven worden. Maar hoe staat het met je andere zaken? Collins behartigt die en is er van op de hoogte. Je moet er ook van op de hoogte zijn. Welke zekerheid kan je me geven? Nu? En morgen? En de volgende week? En de eerstvolgende drie weken?”

„Hoeveel heb je noodig?” was Francis’ weervraag.

„Vandaag vóór beurssluiting een millioen.” Bascom wees veelbeteekenend op den koersaanwijzer. „En in de eerstvolgende drie weken nog minstens twintig millioenen, wanneer—en let goed op dit wanneer—wanneer de vrede in de [205]wereld behouden blijft en wanneer de algemeene markt even normaal blijft als in de afgeloopen zes maanden.”

Francis stond op, na een besluit genomen te hebben en greep naar zijn hoed.

„Ik ga nu dadelijk naar Collins. Hij weet veel meer van mijn andere zaken af, dan ik zelf. Ik zal zorgen, dat je vóór beurssluiting minstens een millioen in handen hebt, en ik vertrouw, dat ik de rest gedurende de eerstkomende weken wel zal kunnen dekken.”

„Bedenk wel,” waarschuwde Bascom hem, terwijl zij elkander de hand drukten, „het is juist die langzaamheid van den aanval, die zoo onheilspellend is. Het is regelrecht op jou gemunt en het is geen onbeduidende zaak. Wie er ook achter zit, hij doet het op groote schaal en hij moet heel wat in de melk te brokken hebben.”


Verscheidene malen, laat in den middag en avond, werd de Koningin opgebeld door de slavin der vliegende spraak en in staat gesteld om met haar echtgenoot te praten. Tot haar blijdschap vond zij in haar eigen kamer, naast haar bed, een telefoon, waardoor zij, door het kantoor van Collins op te bellen, Francis goedennacht zei. Ook probeerde ze hem een hartelijken kus te geven en ontving, met een vreemd en vaag geluid, zijn kus als antwoord.

Zij wist niet hoelang zij geslapen had, toen ze wakker werd. Zonder zich te bewegen, zag ze door haar halfgesloten oogleden Francis in de kamer en naar haar kijken. Toen hij zacht verdergegaan was, sprong ze uit haar bed en liep nog tijdig naar de deur om hem de trap af te zien gaan.

Nog meer moeilijkheden met den grooten Zakengod—was haar gedachte. Hij ging naar beneden naar die wonderlijke kamer, de bibliotheek om nog meer te lezen van de dreigementen en waarschuwingen van dien geduchten god, die zoo geheimzinnig den vorm aannamen van geschreven woorden bij het getik van den koersaanwijzer. Zij bekeek zich zelf in den spiegel, streek haar haren glad en met een glimlachje van liefde en verwachting trok ze een huisjapon aan—een der verrukkelijke sieraden van Francis’ voorzorg en voorzienigheid.

Bij den ingang der bibliotheek stond ze stil, daar ze de stem hoorde van een ander dan Francis. Eerst dacht ze, dat het de vliegende spraak was, maar onmiddellijk begreep ze, dat het daarvoor te duidelijk, te dichtbij en heel anders was. Naar binnen glurend, zag ze twee mannen in groote clubfauteuils vlak bij elkander zitten, met de gezichten naar elkander toe. Francis, vermoeid van de beslommeringen van den dag, droeg nog altijd zijn gewone pak; maar de andere was in avondtoilet. En zij hoorde, hoe hij haar man „Francis” en hoe deze hem „Johnny” noemde. Dat, en hun intiem gesprek, overtuigde haar dat zij oude en dikke vrienden waren.

„En vertel me nu niet, Francis,” zei de ander, „dat je al dezen tijd door Panama gezworven hebt, zonder dat je je hart een dozijn malen aan de senoritas verloren hebt.”

„Maar eens,” antwoordde Francis na een pauze, waarin de Koningin opmerkte, dat hij zijn vriend onafgebroken aankeek.

„Bovendien,” ging hij na een nieuwe pauze voort, „verloor [206]ik werkelijk mijn hart—maar niet mijn hoofd Johnny Pathmore, o Johnny Pathmore, je bent werkelijk een flirtende bruut, maar ik zeg je dat je nog massa’s moet leeren. Ik verzeker je, dat ik in Panama de verrukkelijkste vrouw ter wereld gevonden heb—een vrouw, waarvoor ik den hemel dankbaar was, dat ik haar leerde kennen; een vrouw, waarvoor ik met vreugde gestorven zou zijn; een vrouw, vurig, hartstochtelijk, lieftallig, edel, ja een koninklijke vrouw.”

En de Koningin, die luisterde en de intense bezieling van zijn gelaat zag, glimlachte trots en verrukt, want had zij niet een echtgenoot gekregen, die tegelijkertijd een aanbidder bleef?

„En de dame—e—a—beantwoordde zij je gevoel?” waagde John Pathmore te zeggen.

„Zij bemint mij zooals ik haar bemin—dit weet ik absoluut zeker.” Hij stond plotseling op. „Wacht. Ik zal je haar laten zien.”

En toen hij naar de deur liep, vluchtte de Koningin, overgelukkig door de bekentenis van haar echtgenoot, die zij afgeluisterd had, schalksch weg om zich te verbergen in den breeden deuringang van een groot vertrek, dat de meid haar beschreven had als de ontvangkamer, wat dat dan ook voor een kamer mocht zijn. Met vergenoegen zich Francis’ verbazing voorstellend, wanneer hij haar niet in bed vond, keek ze hem na toen hij de breede, marmeren trap opliep. Enkele minuten later kwam hij terug. Met een lichte huivering merkte zij, dat hij niet de minste verbazing toonde, dat hij haar niet gevonden had. In zijn hand droeg hij een rol dun, wit karton. Niet rechts of links ziende, liep hij de bibliotheek weer in.

Naar binnen glurend, zag ze hem de rol losmaken, die voor Johnny Pathmore neerleggen en hoorde hem zeggen:

„Oordeel zelf. Daar heb je ze.”

„Maar waarom zet je daarbij zoo’n doodbiddersgezicht, ouwe kerel?” vroeg Johnny Pathmore, na langen tijd het portret bekeken te hebben.

„Omdat we elkander te laat ontmoetten. Ik was genoodzaakt een andere te trouwen. En ik verliet haar voor altijd, enkele uren vóór ze de vrouw werd van een ander, welk huwelijk al vastgesteld was, voor een van ons beiden wist, dat de ander bestond. En je moet weten, dat de vrouw, die ik trouwde, een goede en prachtige vrouw is. Zij zal altijd mijn toewijding bezitten. Maar, helaas, mijn hart kan ik haar nooit geven.”

Na een oogenblik van groote afgetrokkenheid, begon de Koningin de geheele waarheid te begrijpen. Haar gebalde handen tegen haar hart gedrukt, bezweek ze bijna onder de duizeling, die haar beving. Ofschoon er nog verder gesproken werd in de bibliotheek, verstond zij geen woord meer, terwijl ze haar best deed om zich te beheerschen, wat haar eerst langzaam gelukte. Eindelijk wankelde ze met ingetrokken schouders, een arm, droef schaduwbeeld van de schitterende vrouw en echtgenoote, die zij nog slechts enkele minuten geleden was, door de hall en sleepte zich langzaam, als in een nachtmerrie, de trap op. In haar kamer gekomen, verloor ze al haar zelfbeheersching. Francis’ ring werd van haar vinger getrokken en vertrapt. Haar boudoir-mutsje en haar schildpadden [207]haarspelden deelden in de algemeene verwoesting onder haar voeten. Stuiptrekkend, sidderend en in zich zelf mompelend, wierp ze zich wanhopig op haar bed en slaagde er enkel in om, in een extase van verdriet, zich volkomen kalm te houden, toen Francis, op weg naar bed, even om het hoekje in haar kamer keek.

Zij gaf hem een uur, dat haar duizend eeuwen toescheen, tijd om in slaap te komen. Toen stond ze op, nam de ruwe, met juweelen bezette ponjaard, die haar eigendom geweest was in het dal der Verloren Zielen in de hand en liep zachtjes, op haar teenen, naar zijn kamer. Daar op de tafel stond het groote portret van Leoncia. Niet wetend wat te doen, den ponjaard omklemmend tot zij kramp kreeg in haar handpalm en vingers, weifelde zij tusschen haar echtgenoot en Leoncia. Eenmaal, vlak naast zijn bed, hief zij haar hand op om toe te stooten, maar de opwellende tranen in haar brandende oogen verduisterden haar blik, zoodat de hand met den ponjaard naar beneden zakte, terwijl zij hoorbaar snikte.

Zich oprichtend en van besluit veranderend, liep ze naar de tafel. Een gereedliggende bloc-note en potlood trokken haar aandacht. Zij krabbelde een paar woorden, scheurde het blaadje af en legde dit op het gelaat van Leoncia, dat plat op de oppervlakte van het gepolijste hout lag. Vervolgens, nagelde zij, met een vasten stoot van den ponjaard, het briefje vast op het portret tusschen Leoncia’s oogen, zoodat de punt van het lemmet in het hout drong en het gevest trillend rechtop bleef staan.