WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 29: HOOFDSTUK XXV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XXV.

Ondertusschen waren, evenals de verschillende gebeurtenissen in New-York, waar Regan krachtig voortging met zijn reusachtigen aanval op al de fondsen van Francis, terwijl Francis en Bascom tevergeefs zijn identiteit trachtten vast te stellen, ook in Panama gebeurtenissen in werking, die Leoncia en de Solanos omvatten, Torres en den Chef van Politie en, om de belangrijkste niet te vergeten, Yi Poon, de dikke Chinees met het vollemaansgezicht. De kleine, oude rechter, die het werktuig was van den Chef, zat te slapen in het gerechtshof te San Antonio. Hij had rustig twee uren geslapen, nu en dan met zijn hoofd knikkend en iets mompelend, ofschoon het een ernstige zaak was, waarop twintig jaren in San Juan stond, waar de sterkste het niet langer dan tien jaar kon uithouden. Maar de rechter hoefde geen rekening te houden met bewijzen of pleidooi. Voor de zaak afgeroepen werd, waren beslissing en vonnis reeds bepaald, hem ingeblazen door den Chef. De advokaat van den gevangene eindigde zijn oppervlakkig pleidooi, de klerk bij het gerechtshof snoot zijn neus en de rechter werd wakker. Hij keek opgewekt rond en sprak:

„Schuldig.”

Niemand verwonderde zich, zelfs de gevangene niet.

„Morgen vroeg verschijnen voor het vonnis.—Volgende zaak.” [208]

Na dit bevel, maakte de rechter aanstalten om een nieuw dutje te gaan doen, toen hij Torres en den Chef het gerechtshof zag binnentreden. Een glinstering in de oogen van den Chef zei hem wat hij doen moest en oogenblikkelijk hief hij de gerechtszitting op tot den volgenden dag.

„Ik ben bij Rodriguez Fernandez geweest,” legde de Chef vijf minuten later in de leege gerechtszaal uit. „Hij zegt, dat het een ruwe edelsteen was en dat veel verloren zou gaan door het slijpen, maar dat hij er toch nog vijfhonderd dollars goudgeld voor wilde geven.—Laat hem den rechter eens zien, Senor Torres, en de overige handvol groote steenen.”

En Torres begon te liegen. Hij moest liegen, omdat hij de schande niet wilde bekennen, dat de juweelen hem door de Solanos en de Morgans ontnomen waren, toen ze hem de haciënda uitgooiden. En hij loog met zoo’n overtuiging, dat hij zelfs den Chef overtuigde, terwijl de rechter, behalve waar het de kwaliteiten van sterken drank betrof, alles accepteerde, wat de Chef hem wilde doen gelooven. In het kort, ontdaan van de talrijke bijzonderheden, die Torres er doorheen vlocht, kwam zijn verhaal hier op neer, dat hij zoo overtuigd was, dat de juwelier de juweelen te laag schatte, dat hij ze door een specialen boodschapper naar zijn agent in Colon gezonden had, met instructies om in connectie te treden met Tiffany in New-York om ze te laten taxeeren en eventueel te verkoopen.

Toen ze de gerechtszaal verlieten en de trappen afgingen, die geflankeerd werden door afzonderlijke pilaren, die de merkteekenen droegen van kogelschoten van vroegere revoluties, zei de Chef:

„En daar wij de bescherming der wet noodig hebben bij onzen avontuurlijken onderzoekingstocht naar deze juweelen en, nog meer, omdat we beiden onzen goeden vriend, den rechter, gaarne mogen lijden, zullen we hem een klein aandeel geven in hetgeen we winnen. Hij zal ons vertegenwoordigen in San Antonio gedurende onze afwezigheid en, zoo noodig, ons de bescherming der wet verleenen.” Nu wilde het toeval, dat achter een der pilaren Yi Poon half-gehurkt zat, met zijn hoed in de oogen getrokken. Ook was het niet enkel toeval, dat hij daar zat. Reeds lang had hij geleerd, dat waardevolle geheimen, die altijd gepaard gaan met menschelijke zorgen, bijzonder veel te vinden zijn in de buurt der gerechtshoven, die het brandpunt vormen van dergelijke moeilijkheden. Men kon het nooit van tevoren zeggen. Ieder oogenblik kon zoo’n geheim iemand ontvallen of aan een ander oververteld worden. Daarom beschouwde Yi Poon zich als een visscher, die zijn lijn uitwierp in zee, wanneer hij zat te luisteren naar den verdediger en den beschuldigde, de getuigen en de getuigen à décharge, en zelfs het aanhangsel der gerechtshoven, den oogenschijnlijk toevalligen toeschouwer.

Zoo was dezen morgen, de eenige veelbelovende persoon, dien Yi Poon er uit gepikt had, een ouden, in lompen gekleeden inlander, die er uitzag alsof hij teveel had gedronken en nu, in dezen toestand van reactie, zou bezwijken, als hij niet onmiddellijk weer wat te drinken kreeg. Zijn oogen waren met bloed beloopen en hadden roode randen, terwijl er in zijn verwilderde en verweerde trekken een wanhopig besluit te [209]lezen stond. Toen het gerechtshof leeggeloopen was, had hij zijn plaats gekozen buiten op de trappen, dicht bij een pilaar.

En waarom? Yi Poon vroeg dit zich zelf af. Daar binnen bleven enkel de drie voornaamste mannen van San Antonio over—de Chef, Torres en de Rechter. Welk verband bestond er tusschen hen, of een van hen en den dronkelap, die bibberde, alsof hij verkleumde in de gloeiende hitte der loodrechte zonnestralen? Yi Poon wist het niet, maar hij wist, dat het wel de moeite zou loonen om zijn kans, al liet die nog zoo lang op zich wachten, waar te nemen om dit te weten te komen. Daarom zat hij droomerig, als de verpersoonlijking van iemand, die rustig een zonnebad neemt, op de trappen achter den pilaar, waar geen streepje schaduw hem beschutte voor de gloeiende zon, die hij zoozeer verfoeide. De oude inlander deed wankelend een stap vooruit, zwaaide alsof hij zou neerslaan, maar slaagde er toch in om Torres van zijn metgezellen te scheiden, die een twaalf passen verder op straat op hem wachtten, waar ze ongedurig en trippelend, alsof ze op heete kolen stonden, maar in een ernstig gesprek verdiept bleven staan. En er ontging Yi Poon geen woord of gebaar, geen glinstering in de oogen of een veranderde trek in het gelaat van het tweetal, onder het gesprek, dat plaats had tusschen den grooten Torres en het wrak van een inlander.

„Wat nu weer?” vroeg Torres barsch.

„Geld, om godswil een beetje geld, senor, een klein beetje geld,” jammerde de oude inlander.

„Je hebt je geld gehad,” snauwde Torres. „Toen ik wegging, gaf ik je het dubbele bedrag om tweemaal zoo lang van je af te zijn. In de eerste twee weken heb je geen centavo tegoed.”

„Ik heb schuld,” jammerde de oude man, terwijl zijn heele lichaam sidderde en trilde door de zenuwverstorende werking van den drank, dien hij blijkbaar nog zoo kort geleden gebruikt had.

„Op de lei in de Peter- en Pauls-herberg,” zei Torres hoonend, zijn onfeilbare diagnose stellend.

„Op de lei in de Peter- en Pauls-herberg,” was de openhartige bekentenis. „En de lei is vol. Ik kan geen drank meer krijgen zonder betalen. Ik ben een ellendige en lijd duizend folteringen zonder mijn kruidenbier.”

„Je bent een onredelijk zwijn!”

Een vreemde waardigheid en een wijsheid, die alle wijsheid te boven gaat, scheen plotseling het oude wrak te bezielen, toen hij zich recht oprichtte, een oogenblik ophield met beven, en ernstig sprak:

„Ik ben oud. Er is geen levenskracht meer overgebleven in mijn hart en mijn aderen. De wenschen mijner jeugd zijn vervlogen. Met dit gebroken lichaam kan ik niet eens meer werken, ofschoon ik heel goed weet, dat arbeid verlichting en vergetelheid schenkt. Ik kan zelfs niet arbeiden en vergeten. Voedsel walgt mij als ik het in den mond steek en pijnigt mijn ingewanden. Vrouwen—zij zijn een pest en het is een ergernis te denken, dat men haar ooit begeerd heeft. Kinderen—ik heb mijn laatste twaalf jaar geleden begraven. Godsdienst—maakt mij bang. Dood—zelfs slapend verlaat mij [210]de angst daarvoor niet. Drank—o, goede God! dat is de eenige prikkeling en het eenige levensgenot, dat mij overblijft!

„Wat doet het er toe of ik teveel drink? Dat komt omdat ik veel te vergeten heb en niet veel tijd meer over om in de zon te luieren eer de Duisternis, voor eeuwig de zon voor mijn oude oogen uitdooft.”

Ontoegankelijk voor de filosophie van den ouden man, maakte Torres een ongeduldige, dreigende beweging om verder te gaan.

„Een paar pesos, maar een handvol pesos,” smeekte de oude inlander.

„Geen centavo,” zei Torres beslist.

„Heel goed,” zei de oude man even beslist.

„Wat bedoel je daarmee?” knarste Torres, in wien snel een vermoeden oprees.

„Heb je dat vergeten?” was het antwoord, dat met zoo’n veelbeteekenenden nadruk gegeven werd, dat Yi Poon zich er over verwonderde, om welke reden Torres den inlander een soort pensioen of lijfrente gaf.

„Ik betaal je, volgens onze overeenkomst, om te vergeten,” sprak Torres.

„Ik zal nooit vergeten, hoe mijn oude oogen zagen, dat je Senor Alfaro Solano in den rug stak,” antwoordde de inlander.

Ofschoon hij zich, in onbeweeglijke rust, verborgen achter den pilaar bleef zitten, ging Yi Poon, figuurlijk gesproken, recht zitten. De Solanos waren menschen van aanzien en rijkdom. Dat Torres een hunner vermoord zou hebben, was werkelijk een kostbaar geheim.

„Beest! Onredelijk zwijn! Smerig dier!” Torres’ handen balden zich van woede. „Omdat ik goed voor je ben, behandel je mij aldus! Als je nog eens je tong durft roeren, zal ik je naar San Juan zenden. Je weet, wat dat zeggen wil. Niet alleen zal je slapen in angst voor den dood, maar als je wakker bent, zal je geen oogenblik bevrijd zijn van den angst voor het leven, als je staart op de gieren, die zeker en binnenkort het vleesch van je beenderen zullen scheuren. En er zal geen kruidenbier zijn in San Juan. Er is nooit een druppel kruidenbier in San Juan voor de menschen, die ik daarheen zend. Zoo? Hé? Ik dacht het wel. Je wilt dus twee weken wachten, tot het weer de tijd is, waarop ik je het geld geef. Als je niet wacht zal je nooit meer kruidenbier drinken vóór je in de magen der gieren belandt.”

Torres draaide zich op zijn hielen om en was verdwenen. Yi Poon keek hem na toen hij met zijn beide metgezellen de straat uit liep, kwam achter den pilaar uit om den ouden inlander te vinden, die in elkaar gezakt was uit teleurstelling van nu heelemaal geen drank te krijgen, en die kreunde en kermde en scherpe gilletjes uitstootte, terwijl zijn lichaam sidderde als het lichaam van een stervend dier in zijn laatste stuiptrekkingen, en zijn vingers aan zijn huid en kleeren plukten, alsof hij er duizendpooten aftrok. Yi Poon ging naast hem zitten en begon op eigen gelegenheid met een opmerkelijke bezigheid. Gouden en zilveren munten uit zijn zak halend, [211]begon hij deze te tellen en liet het geld rammelen en rinkelen, met zoo’n zoeten, zachten klank, dat het in de verdoofde ooren van den inlander klonk als het kabbelend, klaterend geluid van fonteinen vol sterken drank.

„Wij zijn verstandig,” vertelde Yi Poon hem in hoogdravend Spaansch, terwijl hij aldoor het geld liet rinkelen en de inlander huilde en jammerde om de paar centavos, die noodig waren voor een borrel. „Wij zijn verstandig, jij en ik, oude man, en we zullen hier gaan zitten en elkander vertellen, wat we weten van mannen en vrouwen, van leven en liefde, van vrees en plotselingen dood, van de woede, die het hart in vuur zet en het staal, dat bitter koud in den rug dringt; en als je mij vertelt, wat ik gaarne hooren wil, dan zal je kruidenbier drinken tot het je ooren uitloopt en je oogen er in verdrinken. Je houdt van dat kruidenbier, hé? Je zoudt nu graag een borrel hebben, nu, spoedig, heel gauw?”


De nacht, waarin de Chef van Politie en Torres hun expeditie voorbereidden onder bescherming der duisternis, zou voor de Solano-haciënda een zeer gewichtige worden. Het begon al vroeg. Toen het diner afgeloopen was, zat de familie, waartoe ook Henry, als broeder van Leoncia, gerekend werd, op de ruime veranda voor het huis hun koffie te drinken en hun cigaretten te rooken. In het maanlicht zagen zij op de trap een zonderlinge gedaante naderkomen.

„Het lijkt wel een spook,” zei Alvarado Solano.

„Dan toch een vet spook,” merkte Martinez, zijn tweelingbroeder op.

„Een Chineesch spook, waar je je vinger niet doorheen kunt steken,” lachte Ricardo.

„Dezelfde Chinees, die Leoncia en mij voor een huwelijk behoedde,” zei Henry Morgan, hem herkennend.

„De geheimenkoopman,” lachte Leoncia. „En als hij niet met een nieuw geheim komt aanzetten, zal het mij erg tegenvallen.”

„Wat wil je van ons, Chinees?” vroeg Alesandro, de oudste der gebroeders Solano, op scherpen toon.

„Mooi nieuw geheim, heel mooi nieuw geheim misschien koopen,” mompelde Yi Poon trotsch.

„Je bent te duur met je geheimen, Chinees,” zei Enrico niet zeer bemoedigend.

„Dit mooie nieuwe geheim zeer duur,” verzekerde Yi Poon hem vriendelijk.

„Maak, dat je wegkomt,” beval de oude Enrico. „Ik hoop nog lang te leven, maar tot aan den dag van mijn dood verlang ik geen geheimen meer te hooren.”

Maar Yi Poon was heel zeker van zijn zaak.

„Op zekeren dag hadt gij een zeer knappen broeder,” sprak hij. „Op zekeren dag uw zeer knappe broeder, Senor Alfaro Solano, sterft met mes in zijn rug. Mooi. Een geheim, niet?”

Maar Enrico was al bevend overeind gesprongen.

„Je weet?” gilde hij bijna zijn vraag uit.

„Hoeveel?” zei Yi Poon.

„Al, wat ik bezit!” riep Enrico, maar keerde zich tot Alesandro, om er bij te voegen: „Handel jij met hem, mijn zoon. Betaal hem goed, als hij het door een ooggetuige kan bevestigen.” [212]

„Gij kunt er van op aan,” sprak Yi Poon. „Ik heb een getuige. Hij goede oogen gekregen. Hij ziet man steken mes in Senor Alfaro’s rug in het donker. Zijn naam …”

„Ja, ja,” hijgde Enrico vol verlangen.

„Duizend dollars voor zijn naam,” zei Yi Poon, aarzelend welk soort van dollars hij zou durven vragen. „Duizend dollars goudgeld,” besloot hij.

Enrico vergat, dat hij de onderhandeling overgedragen had aan zijn oudsten zoon.

„Waar is je getuige?” schreeuwde hij.

En Yi Poon, zachtjes iets naar beneden roepend, in de richting van het kreupelhout, ontbood den, door den drank verwoesten, inlander, die als een echt spook langzaam naderkwam en de trappen opwankelde.


Op denzelfden tijd bewaakten, aan het uiteinde der stad, twintig ruiters, waaronder de gendarmes Rafaël, Ignacio, Augustino en Vicente, een karavaan van ruim twintig muilezels en wachtten op het bevel van den Chef van Politie om te vertrekken voor, zij wisten niet welk geheimzinnig avontuur, in de Cordilleras. Wat ze wel wisten, was dat, zorgvuldig gescheiden gehouden van al de overige dieren, een sterk, groot muildier stond beladen met tweehonderdvijftig pond dynamiet. Ook wisten ze, dat het oponthoud veroorzaakt werd door Senor Torres, die langs het strand was weggereden met den gevreesden Caroo-moordenaar, José Mancheno, die, dank zij de gratie Gods en van den Chef van Politie, er al jarenlang voor gespaard was gebleven, om op het schavot zijn talrijke vergrijpen tegen leven en wet te boeten.

En terwijl Torres op het strand wachtte en het paard van den Caroo en nog een ander vasthield, liep de Caroo te voet den slingerenden weg op, die naar de haciënda der Solanos leidde. Weinig vermoedde Torres, dat op twintig voet afstand, in de jungle, die langs het strand liep, een rustig slapende, dronken, oude inlander lag en gehurkt naast hem een zeer heldere en zeer nuchtere Chinees zat, met een, pas verworven, bedrag van duizend dollars in zijn gordel. Yi Poon had nauwelijks tijd gehad om den inlander in dezen schuilhoek te slepen, toen Torres over het zand voorbijreed en bijna vlak naast hem stilhield.

Op de haciënda waren alle leden der huishouding op weg naar bed. Leoncia, die juist haar haren los ging maken, hield op, toen ze kleine keisteentjes tegen haar raam hoorde kletteren. Met een zacht gefluisterde waarschuwing om geen leven te maken, overhandigde José Mancheno haar een verkreukeld briefje, dat Torres geschreven had, met de geheimzinnige woorden:

„Van een vreemden Chinees, die geen honderd voet hier vandaan op den zoom van het kreupelhout wacht.”

En Leoncia las, in afschuwelijk Spaansch:

„Eerste keer, ik vertel u geheim over Henry Morgan. Nu ik heb geheim over Francis. Kom mee en praat nu met mij.”

Leoncia’s hart sprong op van vreugde toen ze den naam van Francis las en toen ze een mantel omsloeg en met den Caroo meeging, kwam het geen oogenblik in haar op, om er aan te twijfelen, dat Yi Poon op haar stond te wachten. [213]

En Yi Poon, die beneden op het strand Torres bespiedde, twijfelde geen oogenblik, toen hij den Caroo-moordenaar zag verschijnen met de senorita Solano, gebonden en met een prop in den mond, als een meelzak over zijn schouder geslagen. Ook betwijfelde Yi Poon geen oogenblik zijn volgende handeling, want hij zag hoe Leoncia werd vastgebonden in het zadel van het derde paard en in galop meegevoerd over het strand, terwijl Torres en de Caroo ieder aan een kant van haar reden. De Chinees liet den dronken inlander slapen en liep zoo snel den weg tegen den heuvel op, dat hij ademloos op de haciënda aankwam. Niet alleen tevreden met op de deur te kloppen, sloeg hij er met zijn vuisten en voeten tegen en bad zijn Chineesche goden, dat geen kortaangebonden Solano hem een kogel zou geven, voor hij zijn dringende boodschap kon overbrengen.

„Loop naar den duivel,” zei Alesandro, toen hij de deur geopend had en het licht viel op het gelaat van den lastigen bezoeker.

„Ik heb groot geheim,” hijgde Yi Poon. „Zeer groot, splinternieuw geheim.”

„Kom morgenvroeg maar eens op een fatsoenlijker uur terug,” bromde Alesandro, toen hij zich gereed maakte om den Chinees van de deur te trappen.

„Ik verkoop niet geheim,” stamelde en hijgde Yi Poon. „Ik geef het present. Ik geef nu geheim. De senorita, uw zuster, is gestolen. Zij is gebonden op een paard, dat hard loopt over het strand.”

Maar Alesandro, die Leoncia nog geen half uur geleden goedennacht had gezegd, lachte luid en ongeloovig en wilde den geheimenkoopman weer een schop toedienen. Yi Poon was wanhopig. Hij haalde de duizend dollars te voorschijn en legde ze in Alesandro’s hand, zeggende:

„Gij gauw gaan kijken. Als de senorita nu in dit huis is, gij houdt al dat geld. Als de senorita er niet is, gij geeft geld terug …”

En Alesandro was overtuigd. Een minuut later wekte hij het heele huis. Vijf minuten later waren de paardenjongens, hun oogen nauwelijks open door hun diepen slaap, in de kralen paarden en muilezels aan het vangen en opzadelen, terwijl de familie Solano rijkleeren aantrok en zich van wapens voorzag.


Op en neer langs de kust en op de verschillende paden, die terug leidden naar de Cordilleras, verspreidden de Solanos zich, in het donker blindelings zoekend naar het spoor der ontvoerders. Of het toeval het zoo wilde, kreeg Henry, dertig uur later, alleen het spoor te pakken en volgde het, zoodat hij, gekampeerd in dezelfde voetstap van God, waar de oude Maya-priester het eerst de oogen van Chia gezien had, het heele gezelschap van twintig mannen en Leoncia aantrof, die het ontbijt gereedmaakten en nuttigden. Twintig tegen een, wat nooit eerlijk en altijd iets onmogelijks is, maakte geen indruk op Henry Morgan’s Angel-Saksischen geest. Wat wel indruk maakte was het, met dynamiet beladen muildier, dat afgezonderd stond van de ruim veertig afgezadelde dieren en [214]daar door de zorgelooze inlanders achtergelaten was, met de lading nog altijd op zijn rug. In plaats van de beslist onmogelijke poging te wagen om Leoncia te bevrijden en begrijpend dat het groote getal der mannen haar vrouwelijke veiligheid verzekerde, stal hij het muildier met de dynamiet.

Hij nam het niet ver mee. In de beschutting van het lage hout, opende hij het pak en vulde al zijn zakken met dynamietpatronen, een doos met detonators en een stuk lont. Met een spijtigen blik op de rest van het dynamiet, dat hij gaarne zou hebben laten ontploffen, maar wat hij niet aandurfde, bepaalde hij den weg, dien hij zou moeten nemen, wanneer hij slaagde, om Leoncia aan haar ontvoerders te ontfutselen. Zooals Francis, bij een vroegere gelegenheid te Juchitan, den weg bezaaid had met zilveren dollars, zoo bezaaide Henry ditmaal den weg met dynamiet, de patronen in kleine hoopjes en de lonten, niet langer dan de lengte van een detonator, met een detonator aan ieder einde.


Drie uren sloop Henry om het kamp in den voetstap van den God, eer hij gelegenheid kreeg om Leoncia van zijn tegenwoordigheid op de hoogte te brengen; en nog twee kostbare uren gingen verloren, eer zij de kans schoon zag, om naar hem toe te sluipen. Wat niet zoo erg geweest was, wanneer haar vlucht niet bijna onmiddellijk ontdekt was en de gendarmes en de rest van Torres’ gezelschap, allen bereden, hen, die te voet waren, niet dadelijk hadden kunnen inhalen.

Toen Henry Leoncia neertrok om zich naast hem achter een beschuttende rots te verbergen en tegelijkertijd zijn geweer aanlegde, protesteerde zij.

„We hebben niet de minste kans, Henry,” zei ze. „Zij zijn te talrijk. Als je vecht, wordt je beslist gedood. En wat zal er dan van mij worden? ’t Is beter, dat je zelf ziet te ontsnappen en hulp haalt, terwijl ze mij opnieuw gevangen nemen, dan dat je sterft en ik toch weer gevangen genomen word.”

Maar hij schudde zijn hoofd.

„Ze zullen ons niet gevangennemen, liefste zuster. Vertrouw op mij en wacht. Daar komen ze. Nu moet je kijken.”

Op verschillende rijdieren, paarden en pakdieren—zooals zij ze in hun haast gegrepen hadden—verschenen Torres, de Chef en hun mannen in het gezicht. Henry mikte, niet op hen, maar op een, iets dichter bijgelegen plek, waar hij zijn eerste lading dynamiet had neergelegd. Toen hij den trekker overhaalde, verhief zich in de tusschenruimte een wolk rook en aarde, die hen belette om iets te zien. Toen de wolk langzaam optrok, zagen ze hen, de helft der dieren en mannen omvergeworpen en allemaal versuft en verschrikt door de ontploffing.

Henry greep Leoncia’s hand, trok haar overeind en holde zij aan zij met haar voort. Op behoorlijken afstand achter zijn tweede zaaisel, trok hij haar naast zich neer om te rusten en op adem te komen.

„Ze zullen nu niet zoo snel naderkomen,” siste hij juichend. „En hoe langer zij ons vervolgen, hoe langzamer ze zullen vorderen.”

Overeenkomstig zijn voorspelling, bewogen de vervolgers [215]zich, toen ze in het gezicht kwamen, zeer voorzichtig en zeer langzaam.

„Eigenlijk moesten ze gedood worden,” zei Henry. „Maar ze hebben niet de minste kans en ik heb den moed niet om het te doen. Maar ik zal ze toch een beetje aan het schrikken maken.”

Weer schoot hij in het uitgezaaide dynamiet en weer vluchtte hij, de verwarring den rug toekeerend, achter zijn derde zaaisel.

Nadat hij de derde ontploffing teweeggebracht had, rende hij met Leoncia naar zijn vastgebonden paard, hief haar in het zadel en rende naast haar voort, zich aan haar stijgbeugel vastklemmend.