WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 32: HOOFDSTUK XXVIII.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XXVIII.

Niet voor niets, werd Regan door zijn associés, De Wolf van Wall Street genoemd! Terwijl hij gewoonlijk slechts een conservatief, op grooten schaal handelend, speler was, bezondigde hij zich even dikwijls, evenals een periodiek drinker, aan woeste, gewaagde beursspeculatie. Minstens vijfmaal in zijn langdurigen loopbaan had hij de bodem uit de markt of het dak er afgeslagen en dit telkens met een persoonlijke winst van millioenen. Hij hield zich nooit op met een kleine strooptocht en hij deed het ook niet te dikwijls.

Hij liet jaren rustig voorbijgaan, tot alle verdenking tegen hem in slaap gesust was en zijn wereld dacht, dat de Wolf eindelijk oud en vreedzaam geworden was. En dan, als een donderslag, trof hij de mannen en de fondsen, die hij wilde vernietigen. Maar, hoewel de slag altijd als een donderslag neerkwam, de voorbereiding was heel anders. Maanden en zelfs jarenlang werden de verschillende plannen voor dien dag gesmeed, de plannen en voorwaarden voor den strijd nauwkeurig gewikt en gewogen.

Zoo was het ook geweest met de voorbereiding en uitwerking van het dreigende Waterloo voor Francis Morgan. Er schuilde wraak achter, maar het was wraak jegens een doode. Niet Francis, maar Francis’ vader was de man, dien hij wilde treffen, ofschoon hij door den levende het graf moest treffen, om zijn doel te bereiken. Acht jaren had hij gewacht en naar zijn kans uitgekeken, voor de oude R. H. M.—Richard Henry Morgan—gestorven was. Maar hij had zijn kans niet schoon gezien. Hij was werkelijk de Wolf van Wall Street, maar nooit had hij, door het een of ander gelukkig toeval de kans gehad tegenover de Leeuw—want tot aan zijn dood stond R. H. M. bekend als de Leeuw van Wall Street.

Zoo had Regan, hoewel altijd onder den schijn van eerlijkheid, de veete van vader op zoon overgebracht. Toch was Regan’s grondslag, waarop hij zijn wraak opbouwde, laag en [231]verkeerd op touw gezet. Zeker, acht jaren voor R. H. M.s dood, had hij getracht hem een poets te spelen en dit was mislukt, maar hij had nooit kunnen droomen, dat R. H. M. dit geraden had. Toch had R. H. M. dit niet alleen geraden, maar was er, zonder een schaduw van twijfel, van overtuigd, en had prompt en handig zijn verraderlijke associé beetgenomen. Zoodoende zou Regan, wanneer hij geweten had, dat R. H. M. van zijn trouweloosheid op de hoogte was, zijn pil geslikt hebben zonder aan wraak te denken. Zooals de zaken nu stonden, geloovend dat R. H. M. even slecht was als hij zelf, geloovende dat R. H. M. uit laagheid, even laag als de zijne, zonder aanleiding of verdenking, hem zoo gemeen behandeld had, zag hij geen anderen weg om zijn rekening met hem te vereffenen dan door hem, of in plaats van hem, zijn zoon te ruïneeren.

En Regan had zijn tijd afgewacht. Eerst had Francis zich niet druk gemaakt met het finantiëele spel, tevreden met zijn geld veilig te laten staan in de veilige fondsen, waarin zijn vader het belegd had. Eerst toen Francis voor het eerst actief was opgetreden, door millioenen te steken in Tampico-Petroleum, met de zekerheid, hier millioenen mee te winnen, had Regan een schijn van kans gezien om hem te vernietigen. Maar toen hij eenmaal de kans had, liet Regan geen tijd verloren gaan, hoewel zijn langzame, grondige campagne maandenlange ontwikkeling noodig had. Voor hij hiermee gereed was, wist hij ongeveer ieder aandeel van ieder fonds, dat Francis bezat. De voorbereiding had Regan, werkelijk twee jaren en nog meer gekost. Van enkele der corporaties, waarin Francis sterk geïnteresseerd was, was Regan zelf directeur of een der voornaamste aandeelhouders. Van Frisco Consolidated was hij president. Van New-York, Vermont en Connecticut was hij vice-president. Het toezicht hebbend over een directeur der Northwestern Electric had hij het door keukenpolitiek zoover gebracht dat hij een meerderheid van twee derde controleerde. En zoo ging het met alles, hetzij direct of indirect, door corporaties en bank-relaties had hij de hand in de geheime bronnen en drijfveeren van het finantiëele, en zaken-organisme dat de steun uitmaakte van Francis’ fortuin.

Toch was geen enkele hiervan meer dan een bagatel, vergeleken bij dat voornaamste van alles—Tampico-Petroleum. Hiervan bezat Regan, behalve een onnoozele twintig duizend aandeelen, die hij op de beurs gekocht had, niets, beheerschte niets, ofschoon de tijd naderde, waarin hij deze in ongekende hoeveelheden zou moeten verkoopen, en er mee handelen. Tampico-Petroleum was feitelijk Francis’ particulier terrein. Verscheidene zijner vrienden waren, voor hun doen, hier sterk in geïnteresseerd; mevrouw Carrothers zelfs heel sterk. Zij maakte het hem lastig en liet hem zelfs per telefoon daarover niet met rust. Dan waren er ook nog anderen, zooals Johnny Pathmore, die hem nooit lastig vielen en die, wanneer ze elkander ontmoetten, zorgeloos en optimistisch over den toestand der markt en over finantiëele aangelegenheden in het algemeen praatten. En dit alles was nog moeilijker te dragen dan de voortdurende zenuwachtigheid van mevrouw Carrothers.

Northwestern Electric was, dank zij Regan’s machinaties, [232]werkelijk dertig procent gedaald en daarop blijven staan. De buitenstaanders, die meenden, dat ze op de hoogte waren, beschouwden dit fonds als absoluut onbetrouwbaar. Dan was er de kleine, oude, zoo-hecht-als-de-rots-van-Gibraltar Frisco Consolidated. De ernstigste geruchten waren daaromtrent in omloop en op het praatje van een failliet werd steeds meer den nadruk gelegd. Montana Lode leed reeds onder Muthaney’s minder gunstig en ongemodificeerd rapport en Weston, de groote expert, uitgezonden door de Engelsche aandeelhouders, had niets geruststellends gerapporteerd. Zes maanden geleden had Imperial Tungsten, dat nog niets opleverde, noodlottige groote onkosten moeten maken door de groote werkstaking, die nog heel in haar begin scheen te zijn. En niemand, behalve de talrijke arbeidersleiders, die het wisten, vermoedde, dat Regan’s goud achter deze zaak zat. Het was juist het geheime en het doodelijke van den aanval, wat Bascom ontmoedigde. Alle fondsen, waarin Francis geïnteresseerd was, werden, als door een langzaam voortschuivenden gletscher, naar beneden gedrukt. Er was niets opzienbarends in deze beweging, het was enkel een geregeld, aanhoudend dalen, waardoor Francis’ groot fortuin ontzettend inkromp. En behalve hetgeen hij in vast bezit had, krompen ook zijn stukken op prolongatie telkens meer in.

Toen kwamen er oorlogsgeruchten. Gezanten ontvingen rechts en links hun paspoort en de halve wereld scheen te mobiliseeren. Dit was het oogenblik, nu de beurs geschokt was en er een paniek heerschte, en nu de wereldlijke machten talmden met het uitvaardigen van moratoriums, dat Regan gekozen had om toe te slaan. De tijd was rijp voor een berenaanval en met hem verbonden, waren een half dozijn andere groote beren, die hem stilzwijgend als hun aanvoerder erkenden. Maar zelfs zij kenden niet den vollen omvang van zijn plannen, of vermoedden hun bepaalde richting. Zij namen deel aan den aanval, terwille van de winst en dachten, dat hij dit om dezelfde reden deed, in de eenvoudige oprechtheid hunner geldelijke visioenen geen spoor ontdekkend van Francis Morgan of zijn overleden vader, voor wien de groote klap bestemd was.

Regan’s bureau tot het verspreiden van geruchten kreeg het druk en de eersten, die daalden en die het hardst daalden op de terugloopende markt waren de fondsen van Francis, die reeds aanzienlijk gezakt waren, voor de berenaanval begon. Toch was Regan te voorzichtig om dwang uit te oefenen op Tampico-Petroleum. Trotsch hieven deze het hoofd op temidden der algemeene plotselinge daling en gretig wachtte Regan op het oogenblik van wanhoop, waarop Francis genoodzaakt zou zijn om deze op de markt te werpen om zijn verminderde borgtocht in andere richtingen te dekken.


„God! God!”

Bascom rustte met zijn wang op de palm van zijn eene hand en trok een gezicht alsof hij vreeselijke kiespijn had.

„God! God!” herhaalde hij. „Er heerscht een paniek op de beurs en Tampico-Pet is naar de maan. Kijk ze dalen! Wie had dat kunnen droomen!” [233]

Francis, die geregeld een trekje deed aan een cigaret en niet eens merkte, dat hij haar niet aangestoken had, zat met Bascom in het privé-kantoor van dezen laatste.

„Het lijkt wel een uitverkoop,” beweerde hij.

„Dat kan zoo niet langer doorgaan dan tot morgenvroeg—dan ben je uitverkocht en ik met je,” sprak zijn makelaar eenvoudig, snel een blik op de klok werpend.

Deze wees op twaalf, zooals Francis’ snelle, machinale blik vaststelde.

„Gooi de rest van Tampico-Pet er op,” zei hij droevig. „Dat is wel voldoende tot morgen.”

„En wat morgen?” vroeg zijn makelaar, „met dit bodemloos vat en nu iedereen, tot de loopjongens toe, al is uitverkocht.”

Francis trok zijn schouders op. „Je weet, dat ik het huis, Dreamwold en Adirondack Camp al tot het uiterste belast heb.”

„Heb je geen vrienden?”

„Op zoo’n tijd!” zei Francis bitter.

„Wel, dit is juist de goede tijd,” antwoordde Bascom. „Kijk eens hier, Morgan. Ik ken het stel, waarmee je college geloopen hebt. Daar heb je Johnny Pathmore …”

„En hij zit er al tot over zijn ooren tusschen. Wanneer ik failliet ga, gaat hij ook. En Dave Donaldson zal zich moeten bekrimpen tot een bedrag van ongeveer honderd zestig dollar per maand. En wat Chris Westhouse betreft, hij zal zijn kostwinning moeten zoeken in de bioscoop. Hij was altijd goed op tooneeluitvoeringen, en ik weet zeker dat hij het ideale „film-gezicht” heeft.”

„Dan heb je nog Charley Tippery,” opperde Bascom, ofschoon hij daar blijkbaar niet veel van hoopte.

„Ja,” stemde Francis even hopeloos toe. „Maar er is alleen maar één ding met hem het geval—zijn vader leeft nog.”

„Die oude kerel waagde nooit iets in zijn leven,” voltooide Bascom. „Hij heeft altijd millioenen ter zijner beschikking. En hij leeft nog, ongelukkig genoeg.”

„Charley zou hem er wel toe kunnen overhalen, en dit zeker doen ook, maar er is maar één bezwaar.”

„Geen borgstellingen meer?” vroeg de makelaar.

Francis knikte.

„Alsof de oude man van een dollar zou scheiden, zonder de noodige zekerheidsstelling.”


Toch liet Francis enkele minuten later, hopende Charley Tippery in de middaguren op zijn kantoor te vinden, zijn kaartje afgeven. Van alle juweliers en handelaars in edelgesteenten in New-York, was de zaak van Tippery de grootste. En dat niet alleen. Ze werd als de grootste ter wereld beschouwd. Van het geld van den ouden Tippery was een grooter bedrag in de groote Diamond Corner gestoken, dan zelfs zij, die de meeste dingen doorgrondden, hiervan afwisten.

Het onderhoud verliep, zooals Francis voorspeld had. De oude man hield feitelijk de teugels van alles nog in handen, en de zoon had weinig hoop zijn bijstand te winnen.

„Ik ken hem,” zei hij tegen Francis. „En ofschoon ik mijn best zal doen, vertrouw geen oogenblik op een goeden uitslag. Ik zal zoover gaan als ik kan, maar dat is ook alles. [234]Het ergste is, dat hij het gereede geld heeft liggen, om nog niets te zeggen van de noodige goede hypotheken en Amerikaansche effecten. Maar zie je, Grootvader Tippery leende eens, toen hij nog jong was en moest vechten en de zaak stichten, een vriend duizend dollars. Hij kreeg ze nooit terug en kwam hier nooit overheen. Evenmin kon Vader Tippery hier ooit overheen komen. Deze gebeurtenis verhardde hen beiden. Wel, vader zou zelfs geen stuiver leenen op de Noordpool, tenzij hij de Pool als onderpand kreeg en deze eerst terdege had laten taxeeren. En jij hebt geen waarborgen, zie je. Maar ik zal je wat zeggen. Ik zal er vanavond na het diner met den ouden heer over beginnen. Dan is hij het beste gestemd, en ik zal ondertusschen op mijn eigen houtje rondsnuffelen en zien, wat ik doen kan. O, ik weet wel, een paar honderdduizend helpen geen zier, en ik zal doen, wat ik kan, om een grootere som los te krijgen. Wat er ook gebeurt, ik zal morgen vroeg om negen uur aan je huis zijn …”

„’t Zal morgen een drukke dag voor mij zijn,” lachte Francis flauwtjes, toen zij elkander de hand drukten. „Ik ga om acht uur van huis.”

„En ik zal er tegen acht uur zijn,” antwoordde Charley Tippery, hem hartelijk de hand drukkend. „En ondertusschen zal ik mijn best doen. Er beginnen zich al plannen te vormen …”


Francis had dien middag nog een ander onderhoud. Teruggekomen op het kantoor van zijn makelaar, vertelde Bascom hem, dat Regan opgebeld had en Francis wilde spreken, zeggende dat hij een belangrijke mededeeling voor hem had.

„Ik zal er dadelijk heengaan,” zei Francis naar zijn hoed grijpend, terwijl de hoop zijn gelaat deed opklaren. „Hij was een oud vriend van mijn vader en als iemand mij erdoor kan slepen, dan is hij het.”

„Wees daar niet al te zeker van.” Bascom schudde zijn hoofd en zweeg een oogenblik, huiverig om te zeggen, wat hij te zeggen had. „Ik belde hem op, juist voordat je terugkeerde uit Panama. Ik was zeer openhartig tegen hem. Ik vertelde hem van je afwezigheid en je gevaarlijke positie hier en vroeg hem—o ja, ronduit en op den man af—of ik in geval van nood op hem mocht rekenen. En hij weigerde. Zeker, iemand kan weigeren, wanneer hem een dienst gevraagd word. Dat is niets bijzonders. Maar mij dunkt, ik merkte meer … neen, ik wil niet zeggen vijandschap; maar ik wil zeggen, dat ik den indruk kreeg … hoe zal ik het noemen?—wel, dat het mij opviel, dat hij zoo bijzonder en eigenaardig koelbloedig en onverschillig was.”

„Onzin,” lachte Francis. „Hij was een veel te goed vriend van mijn vader.”

„Wel eens gehoord van de Cosmopolitan Railways Merger?” vroeg Bascom met veelbeteekenenden nadruk.

Francis knikte bevestigend, maar zei toen:

„Maar dat was voor mijn tijd. Ik heb er van gehoord en dat is ook alles. Spreek. Wat was daarmee? Zeg me, wat je op het hart hebt.”

„Dat is een te lange geschiedenis, maar neem deze eene raadgeving van mij aan. Als je Regan spreekt, leg dan je [235]kaarten niet open op tafel. Laat hem eerst zijn spel spelen en als hij iets aanbiedt, laat hij dit dan doen, zonder dat je er om gevraagd hebt. Natuurlijk kan ik mij vergissen, maar het zal je niet schaden, als je je hand omhoog houdt en hem eerst laat spelen.”

Na verloop van nog een half uur, zat Francis bij Regan en zijn toestand was zoo hachelijk, dat hij zijn natuurlijke opwellingen moest bedwingen en zich, overeenkomstig Bascom’s instructies, heel onverschillig voordeed over zijn staat van zaken. Hij deed zelfs groot.

„Je zit er aardig tusschen, hé?” begon Regan.

„O, nog niet zoo diep, dat het water over mijn lippen komt,” antwoordde Francis luchtig. „Ik kan nog ademhalen en het zal nog lang duren, eer ik begin te zinken.”

Regan gaf niet dadelijk antwoord. In plaats daarvan, keek hij snel naar de laatste meters van het lint, dat de koersen aangaf.

„Maar je drukt Tampico-Pet toch aardig omlaag.”

„En ze hebben aftrek,” kaatste Francis terug en voor het eerst begreep hij, uiterst verwonderd, dat Bascom’s voorgevoel wel eens waar kon zijn. „Zeker, zij worden verzwolgen.”

„Maar toch zal je merken, dat Tampico-Pet zakt terwijl ze aftrek hebben, dat is toch een zeer wonderlijk verschijnsel,” hield Regan vol.

„Wanneer de contramineurs bezig zijn, ziet men allerlei wonderlijke verschijnselen,” blufte Francis met een air van groote wijsheid. „En wanneer ze genoeg van mijn fondsen verzwolgen hebben, zullen ze rijp zijn voor kruierswerk.

„De een of ander zal er wel wat voor over hebben om mijn fondsen uit hun handen te krijgen. Ik denk, dat ze leelijk zullen bloeden, eer ik met hen afgehandeld heb.”

„Maar je zit er heelemaal onder, jongen. Ik heb je strijd gevolgd, al van voor je terugkomst af. Tampico-Pet is je laatste toevlucht.”

Francis schudde het hoofd.

„Dat zou ik niet graag zeggen,” loog hij. „Ik heb reserves ter beschikking, waarvan mijn beursvijanden niets vermoeden. Ik leid ze om den tuin, dat is de zaak, leid ze heelemaal om den tuin. Natuurlijk vertel ik je dit in vertrouwen, Regan. Je waart een vriend van mijn vader. Ik houd een groote schoonmaak en, als je mijn raad wilt aannemen, dan begin je dadelijk met koopen. Je kunt er zeker van zijn, dat je spoedig met de aanbieders kunt afrekenen.”

„Wat zijn dat voor reserves?”

Francis trok zijn schouders op.

„Dat zullen ze wel ondervinden, wanneer ze volgepropt zitten met mijn stukken.”

„’t Is niets dan bluf!” barstte Regan bewonderend los. „Je hebt dezelfde stalen zenuwen van den ouden heer. Maar je zult mij moeten bewijzen, dat het geen bluf is.”

Regan wachtte en Francis werd plotseling geïnspireerd.

„Het is zoo,” mompelde hij. „Je hebt het gezegd. Het water loopt mij over de lippen en ik sta op het punt om te zinken. Maar dit zal niet gebeuren, als jij me wilt helpen. Je hebt [236]je enkel maar mijn vader te herinneren en je hand uit te steken om zijn zoon te redden. Als jij me steunt, zullen we hen allen buikpijn doen krijgen …”

En nu toonde de Wolf van Wall Street zijn tanden. Hij wees op het portret van Richard Henry Morgan.

„Waarom denk je, dat ik dit al die jaren daar aan den muur had hangen?” vroeg hij.

Francis knikte, alsof de eenige denkbare verklaring hun beproefde en oude vriendschap kon zijn.

„Raad nog eens,” spotte Regan grimmig.

Francis schudde verbaasd het hoofd.

„Opdat ik hem nooit zou vergeten,” vervolgde de Wolf. „En wanneer ik wakker was, heb ik hem geen enkel oogenblik vergeten.—Herinner je je de Cosmopolitan Railways Merger? Wel, de oude R. H. M. heeft me daarmee een vlieg afgevangen. En het was een reuzenvlieg, dat kan je gelooven. Maar hij was te slim, om mij het hem ooit betaald te laten zetten. Daarom bleef dat portret daar hangen en ik heb hier zitten wachten. En nu is de tijd gekomen!”

„Je bedoelt?” vroeg Francis kalm.

„Net wat ik zeg,” gromde Regan. „Ik heb gewacht en gewerkt voor dezen dag en nu is hij aangebroken. Ik heb de welp gekregen, waar ik hem wilde hebben.” Hij keek met een kwaadaardigen blik naar het portret. „En als dat den ouden heer niet in zijn graf doet omdraaien …”

Francis stond op en keek zijn vijand nieuwsgierig aan.

„Neen,” zei hij, bij wijze van alleenspraak, „het is het niet waard.”

„Wat is het niet waard?” vroeg de andere argwanend.

„Om je een pak slaag te geven,” was het koelbloedige antwoord. „Ik zou je met mijn handen in vijf minuten kunnen dooden. Je bent geen Wolf. Je bent slechts een laffe hond, voor zoover je geen stinkdier bent. Ze zeiden me, dat ik dit van je kon verwachten, maar ik geloofde het niet en kwam hier, om te zien of het waar was. Ze hadden gelijk. Je bent alles, wat ze van je zeiden. Wel, ik moet maken, dat ik hier wegkom. Het ruikt naar een vossenhol. Het stinkt.”

Hij bleef staan met zijn hand op de deurknop en keek om. Het was hem niet gelukt, om Regan driftig te maken.

„En wat ga je nu doen?” hoonde de laatste.

„Als je mij toestaat om mijn makelaar aan je telefoon te roepen, dan zal je het misschien hooren,” antwoordde Francis.

„Ga je gang, jonge bok,” stemde Regan toe en liet er toen achterdochtig op volgen: „… Ik zal hem zelf voor je opbellen.”

En, nadat hij zich overtuigd had, dat Bascom werkelijk aan de telefoon stond, overhandigde hij Francis den hoorn.

„Je hadt gelijk,” verzekerde deze aan Bascom. „Regan is al, wat je gezegd hebt en nog veel meer. Ga door met je plan de campagne. We hebben hem, juist waar we hem wilden hebben, ofschoon de oude vos het geen oogenblik wilde gelooven. Hij denkt, dat hij mij zal villen, ruïneeren.” Francis dacht een oogenblik na, hoe hij het best zijn grootspraak kon voortzetten en vervolgde toen: „Ik zal je iets vertellen, wat je nog niet weet. Hij is de man, die van het begin af den aanval leidde. Zoo, nu weet je, wie we gaan begraven.” [237]

En na nog een poosje op deze wijze doorgesproken te hebben, hing hij den hoorn op.

„Zie je,” verklaarde hij, weer bij de deur staande, „je waart zoo slim, dat we er niet achter konden komen, wie het was. Wel, alle duivels, Regan, we waren er op voorbereid om een onbekende, die heel wat sterker was dan jij, af te rossen. En nu jij het maar bent, wordt de zaak al heel gemakkelijk. Wij dachten, dat het inspanning zou kosten. Maar nu is het een ding van niets. Morgen om dezen tijd, zal er hier in je kantoor een begrafenis zijn, maar jij bent geen van de rouwdragers. Jij zult het lijk zijn—en een allesbehalve aanlokkelijk finantiëel lijk zal je wezen, wanneer we met je afgerekend hebben.”

„Het doodelijk venijn van R. H. M.,” grinnikte de Wolf. „Hemel, wat kon hij opsnijden!”

„’t Is jammer, dat hij jou niet begraven heeft en mij die moeite bespaard,” was Francis’ laatste pijl.

„En al de onkosten,” riep Regan hem achterna. „Het wordt wel een beetje kostbaar voor je en op deze plaats zal geen begrafenis zijn.”


„Wel, morgen is het dus de dag,” zei Francis tegen Bascom, toen ze ’s avonds afscheid namen. „Morgen om dezen tijd zal ik een netjes geschoren, gevild, gedroogd en gerookt exemplaar zijn voor Regan’s particuliere verzameling. Maar wie zou gedacht hebben, dat dit ouwe stinkdier zooiets met mij voorhad! Ik heb hem nooit iets in den weg gelegd. Integendeel, ik beschouwde hem altijd als den besten vriend van mijn vader.—Als Charley Tippery maar wat van dat overtollige geld der Tippery’s kon loskrijgen …”

„Of als de Vereenigde Staten maar een moratorium wilden uitvaardigen,” verklaarde Bascom even hopeloos.

En Regan sprak op dit oogenblik tegen zijn bijeengeroepen agenten en specialiteiten van zijn geruchten-bureau:

„Verkoopen! Verkoopen! Verkoop alles, wat je machtig hebt kunnen worden. Ik zie geen heil in deze markt!”

En Francis kocht, op weg naar de stad, het laatste extra-blad, en las de, met groote letters gedrukte hoofdregel:

Ik zie geen heil in deze markt …
Thomas Regan.

Maar Francis was den volgenden morgen om acht uur niet thuis om Charley Tippery te ontvangen. Het was een nacht geweest, waarin het officiëele Washington niet had geslapen en de telegraafdraden hadden het nieuws over het land gedragen, dat de Vereenigde Staten, hoewel niet in oorlog, een moratorium uitgevaardigd hadden. ’s Morgens om zeven uur door Bascom zelf, die deze tijding bracht, uit zijn bed gehaald, was Francis met hem naar de stad gegaan. Het moratorium had hen nieuwe hoop gegeven en er was veel te doen.

Maar Charley Tippery was niet de eerste, die in het paleis in Riverside Drive arriveerde. Enkele minuten voor acht, was Parker zeer verrast en verstoord toen hij Henry en Leoncia, vreeselijk bruingebrand en vermoeid van de reis, den tweeden huisknecht, die de deur opengedaan had, voorbij zag snellen. [238]

„Het helpt niets, of u zoo naar binnen komt,” verzekerde Parker hen.

„Mijnheer Morgan is niet thuis.”

„Waar is hij heengegaan?” vroeg Henry, het valies, dat hij droeg, in de andere hand nemend. „Wij moeten hem pronto hebben en ik zal je leeren, dat pronto vlug beteekent. En wie, voor den duivel, ben jij?”

„Ik ben de vertrouwde knecht van mijnheer Morgan,” antwoordde Parker deftig. „En wie is u?”

„Ik heet Morgan,” antwoordde Henry kortaf, rondkijkend alsof hij iets zocht en liep met groote stappen naar de bibliotheek, keek naar binnen en zag de telefonen. „Waar is Francis? Onder welk nummer kan ik hem opbellen?”

„Mijnheer Morgan heeft last gegeven, dat niemand hem op mocht bellen, behalve in dringende omstandigheden.”

„Wel, wat ik hem te zeggen heb, is dringend. Wat is het nummer?”

„Mijnheer Morgan heeft het vandaag zeer druk,” herhaalde Parker koppig.

„Hij staat er aardig slecht voor, is het niet?” raadde Henry.

Het gelaat van den knecht verried niets.

„’t Ziet er naar uit, of hij vandaag failliet zal gaan, niet?”

Parker’s gelaat verried geen enkele aandoening.

„Voor de tweedemaal zeg ik u, dat hij het zeer druk heeft …” begon hij.

„Alle duivels!” viel Henry hem in de rede. „Het is geen geheim. De speculanten hebben hem leelijk te pakken. Dat weet iedereen. De ochtendbladen waren er vol van. Kom nu maar uit den hoek, mijnheer de vertrouwde knecht. Ik wil zijn nummer weten. Ik heb zelf belangrijke zaken met hem af te handelen.”

Maar Parker bleef weigerachtig.

„Hoe heet zijn advokaat? Of zijn agent? Of een van zijn vertegenwoordigers?”

Parker schudde zijn hoofd.

„U moet me eerst zeggen, wat voor zaken u met hem hebt,” waagde de knecht te zeggen.

Henry zette het valies neer en deed alsof hij op den ander aan wilde vliegen om Francis’ telefoonnummer uit hem te schudden. Maar Leoncia kwam tusschenbeide.

„Zeg het hem,” sprak ze.

„Het hem zeggen!” schreeuwde Henry, haar voorstel aanvaardend. „Ik zal beter doen. Ik zal het hem laten zien.—Hier, kom hier, jij.” Met groote stappen liep hij de bibliotheek binnen, gooide het valies op een leestafel en begon het los te maken. „Luister naar mij, mijnheer de vertrouwde knecht. Onze zaak is een goede zaak. Wij willen Francis Morgan redden. Wij gaan hem uit de put halen. Wij hebben millioenen voor hem, hier in dit ding …”

Parker, die ijskoud, met afkeurenden blik had toegekeken, deinsde bij deze laatste Woorden ontzet achteruit. Òf die vreemde bezoekers waren krankzinnigen, òf slimme misdadigers. Misschien waren op dit oogenblik, waarop ze hem aan de praat hielden met hun verhaal over millioenen, hun handlangers [239]wel bezig om de bovenste verdiepingen van het huis te bestelen. En dat valies, kon best met dynamiet gevuld zijn.

„Hier!”

Met een snellen greep, had Henry hem bij zijn kraag gegrepen, toen hij zich omkeerde om te vluchten. Met zijn andere hand hief Henry het deksel op en liet een massa ongeslepen juweelen zien. Parker toonde duidelijk, dat hij verrast was, ofschoon Henry den aard van zijn opwinding niet vermoedde.

„Ik dacht wel, dat dit je zou overtuigen,” verweet Henry. „Wees nu een goede kerel en geef me zijn nummer.”

„Ga zitten, mijnheer … en mevrouw,” mompelde Parker onder beleefde buigingen en een welgeslaagde poging om zich te beheerschen.

„Ga zitten, alstublieft. Ik heb het nummer in mijnheer Morgan’s slaapkamer laten liggen; hij gaf het mij vanmorgen, toen ik hem hielp met kleeden. Ik zal het in een oogwenk halen. Gaat u onderwijl alstublieft zitten.”

Eenmaal buiten de bibliotheek, werd Parker een zeer actief, helderdenkend persoon. Den tweeden lakei aan de voordeur plaatsend, zette hij den eersten op wacht voor de deur der bibliotheek. Hij zond verscheidene andere bedienden heen om de bovenverdiepingen te gaan verkennen of ze daar misschien ook medeplichtigen zouden verrassen bij hun verfoeilijk werk. Zelf wendde hij zich, via de telefoon van den bottelier, tot den naastbijzijnden politiepost.

„Ja, mijnheer,” herhaalde hij tot den sergeant. „Het zijn òf een paar krankzinnigen òf een paar misdadigers. Zend alstublieft dadelijk een gevangenwagen, mijnheer. Ik weet op het oogenblik zelf niet welke verschrikkelijke misdaden zich misschien nog onder dit dak zullen afspelen …”

Ondertusschen liet aan de voordeur de tweede lakei, met merkbare verlichting, den, ondanks het vroege uur in avondtoilet gekleeden, Charley Tippery binnen, dien hij kende als een beproefd vriend van zijn meester. De eerste bottelier liet hem met een even groot gevoel van verlichting, waaraan hij nog diverse wenken en waarschuwingen toevoegde, in de bibliotheek.

Niet wetende, wat of wie hij verwachten moest, liep Charley Tippery door het groote vertrek naar den vreemden man en de vrouw toe. In tegenstelling met Parker, trok hun gebruind en vermoeid gelaat zijn aandacht, niet als iets verdachts, maar als iets, dat meer belangstelling waardig was, dan New-York gewoonlijk aan zijn meer of minder deftige bezoekers schenkt. Leoncia’s schoonheid trof hem en hij zag dadelijk, dat zij een dame was. Henry’s gebruinde, verweerde trekken, die zoo sprekend geleken op die van Francis en R. H. M. wekten zijn bewondering en eerbied op.

„Goeden morgen,” sprak hij Henry aan, ofschoon deze begroeting tevens voor Leoncia bestemd was. „Vrienden van Francis?”

„O, mijnheer,” riep Leoncia. „Wij zijn meer dan vrienden. Wij zijn hier gekomen om hem te redden. Ik heb de ochtendbladen gelezen. Alleen door de stomheid der bedienden …” [240]

En Charley Tippery koesterde niet de minste achterdocht. Hij stak Henry zijn hand toe.

„Ik ben Charley Tippery,” zei hij.

„En mijn naam is Morgan, Henry Morgan,” begroette Henry hem met warmte, als een verdrinkende, die zich vastklemt aan een levensredder. „En dit is juffrouw Solano—Senorita Solano—mijnheer Tippery. Eigenlijk is juffrouw Solano mijn zuster.”

„Ik kwam voor dezelfde zaak,” verkondigde Charley Tippery, toen de voorstelling was afgeloopen. „De redding van Francis moet, volgens mijn inzicht, geschieden door gereed geld of beslist verhandelbare borgstellingen. Ik heb meegebracht, wat ik dezen geheelen nacht bij elkaar heb kunnen scharrelen, en wat ik beslist weet, dat ontoereikend is …”

„Hoeveel heb je meegebracht?” vroeg Henry op den man af.

„Achttienhonderd duizend—en wat heb jij meegebracht?”

„Rommel,” zei Henry, op het geopende valies wijzend, niet wetend, dat hij tot een deskundige uit een, reeds drie generaties bestaande, juweliersfirma sprak.

Een vluchtig onderzoek van een dozijn der juweelen, op goed geluk er uit genomen en een nog vluggere globale schatting der hoeveelheid, bracht een uitdrukking van verwondering en opgewektheid op het gelaat van Charley Tippery.

„Ze zijn millioenen waard! millioenen!” riep hij uit. „Wat wil je ermee doen?”

„Ze verkoopen, om er Francis mee te helpen,” antwoordde Henry. „Ze zijn voldoende borgstelling voor elk bedrag, is het niet?”

„Sluit het valies,” riep Charley Tippery, „onderwijl zal ik telefoneeren!—Ik moet mijn vader zien te spreken, voor hij het huis uitgaat,” legde hij hen over zijn schouder heen uit, terwijl hij op aansluiting wachtte. „Het is maar vijf minuten gaans van hier.”

Juist toen hij het korte gesprek met zijn vader afbrak, trad Parker binnen, gevolgd door een politie-luitenant en twee agenten.

„Daar is de bende, luitenant—arresteer ze,” zei Parker. „.… O, mijnheer, pardon, mijnheer Tippery. Ik bedoel natuurlijk u niet.—Alleen de twee anderen, luitenant. Ik weet niet, wat hun ten laste gelegd moet worden—krankzinnigheid, in ieder geval, zoo niet erger, wat zeer waarschijnlijk is.”

„Hoe maakt u het, mijnheer Tippery,” was de vriendschappelijke groet van den luitenant.

„U zult niemand arresteeren, luitenant Burns,” zei Charley Tippery lachend tegen hem. „U kunt den wagen terugzenden naar de post. Ik zal het wel in orde maken met den Inspecteur. Want u gaat mee met mij en dit valies en deze verdachte menschen, naar mijn huis. U zult de lijfwacht zijn—o, niet van mij, maar van dit valies. Er zitten millioenen in; koude millioenen, harde millioenen, prachtige millioenen. Wanneer ik het open in tegenwoordigheid van mijn vader, zult gij iets zien, wat weinig menschen in deze wereld te zien zullen krijgen.—En nu, vooruit, allemaal. Wij verknoeien onzen tijd.” [241]

Gelijktijdig met Henry greep hij naar het valies en toen beider handen het vastgrepen, sprong luitenant Burns toe om tusschenbeide te komen.

„Ik geloof, dat ik het maar zal dragen, tot de koop gesloten is,” sprak Henry.

„Zeker, zeker,” stemde Charley Tippery toe, „als we maar niet meer kostbare tijd verliezen. Het zal toch nogal tijd kosten om den koop te sluiten. Kom mee! Vlug!”