WeRead Powered by ReaderPub
Drie Harten cover

Drie Harten

Chapter 8: HOOFDSTUK IV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative unfolds as a series of brisk, film-inspired episodes that combine breathless action with romantic complication. A central male figure becomes entangled in a mistaken marriage that threatens his chance to be with the one true woman, and subsequent episodes pursue his efforts to undo the error and achieve a rightful union. Scenes emphasize cinematic set pieces, rapid plotting, and melodramatic turns, while the framing voice reflects on adaptation between screen and prose and on the commercial pressures that shape popular storytelling.

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

„Wij moeten snel te werk gaan—dat staat vast,” zei Francis tot de kleine vergadering van Solanos op het voorplein der Solano-haciënda.

„Dat staat vast!” riep Leoncia toornig uit, haar rusteloos heen en weer loopen stakend. „Het staat vast, dat we hem moeten redden.”

Onder het spreken schudde zij hartstochtelijk haar vinger voor Francis’ neus, om haar woorden kracht bij te zetten. Hier niet mee tevreden, schudde zij haar vinger met gelijken nadruk voor de neuzen van haar vader en diverse broeders.

„Snel!” ging zij voort. „Natuurlijk moeten we snel te werk gaan. Dat, of …” Haar stem stierf weg bij het ontzettende schrikbeeld van hetgeen Henry te wachten stond, wanneer ze niet snel handelden.

„Voor den Chef van Politie staan alle Gringos gelijk,” bevestigde Francis deelnemend. Wat was ze schitterend mooi en verrukkelijk, dacht hij. „Hij loopt beslist heel San Antonio af en hij maakt korte metten. Hij zal Henry niet meer tijd gunnen, dan hij ons gaf. We moeten hem vannacht er uit zien te krijgen.”

„Luister nu,” begon Leoncia weer. „Wij, Solanos, kunnen deze … deze terechtstelling niet toelaten. Onze trots … onze eer. Wij kunnen het niet toelaten. Spreek! de een of ander van jelui. Vader—gij. Doe een voorstel …”

En terwijl het gesprek voortgezet werd, werd Francis, die ditmaal zweeg, door smart gefolterd. Leoncia’s ijver was schitterend, maar ze gold een ander man en hij kon zich hier nu niet precies over verblijden. De herinnering aan het gevangenisplein, nadat hij bevrijd en Henry gearresteerd was, stond hem nog duidelijk voor oogen. Hij zag nog, met dezelfde zielesmart, [45]hoe Leoncia in Henry’s armen lag, hoe Henry haar hand zocht om zich te overtuigen of zij zijn ring droeg en de lange kus en omhelzing, die hierop volgden.

Och, het zei zoo, zuchtte hij heimelijk, hij had zijn best gedaan. Had hij Leoncia niet met overtuiging en koelbloedig verteld, nadat Henry weggevoerd was, dat deze haar man en haar minnaar was en dat dit de wijste keuze was, die een dochter der Solanos kon doen?

Maar deze herinnering maakte hem geen greintje gelukkiger. En evenmin de juistheid er van. Want juist was het. Daar twijfelde hij geen oogenblik aan en dit gaf hem kracht om zijn hart jegens haar te verharden. Toch vond hij in zijn geval, deze juistheid de schraalste troost.

En toch, wat kon hij anders verwachten? Het was zijn ongeluk, dat hij te laat in Centraal-Amerika gekomen was, dat was al, en dat hij deze vrouwelijke bloem reeds geannexeerd vond door een, die vroeger gekomen was dan hij—een man, even goed als hijzelf en een man met een beslist even eerlijk hart, ja zelfs nog beter. En zijn eerlijk hart gebood hem om loyaal te zijn jegens Henry—jegens Henry Morgan, van hetzelfde geslacht en bloed; jegens Henry Morgan, de vurige afstammeling van een vurig voorvader, met zijn pantalon van zeildoek en slappe sombrero, met een voorliefde voor de ooren van vreemde jongemannen, die leefde van scheepsbeschuit en schildpadeieren en de Stier en het Kalf omwoelde, zoekend naar den schat van den ouden Sir Henry.


En terwijl Enrico Solano en zijn zoons plannen en ontwerpen maakten op het breede voorplein en Francis slechts met een half oor luisterde, kwam een bediende Leoncia iets in het oor fluisteren en leidde haar om den hoek van het voorplein, waar zich nu een tooneel afspeelde, dat beslist Francis’ lachlust en toorn opgewekt zou hebben.

Leoncia werd begroet door Alvarez Torres, in al de middeleeuwsche Spaansche kleederpracht van een groot haciënda-bezitter, zooals die nog altijd bewaard bleef in Latijnsch-Amerika, die met zijn sombrero in de hand, diep voor haar boog en haar deed plaatsnemen in een rieten ruststoel. Haar eigen begroeting klonk droef, maar toch doorweven met nieuwsgierigheid, alsof zij hoopte, dat hij nog een woord van bemoediging zou spreken.

„Het verhoor is afgeloopen, Leoncia,” sprak hij zacht en meewarig, zooals men over een doode spreekt. „Hij is veroordeeld. Morgen om tien uur is de tijd. Het is alles heel droevig; heel, heel droevig. Maar …” Hij haalde zijn schouders op. „Neen, ik zal niet hard over hem spreken. Hij was een achtenswaardig mensch. Zijn drift was zijn eenige fout. Hij was te opvliegend, te vurig. Dit was zijn ongeluk. Nooit zou hij, in een redelijk, bezonnen oogenblik, Alfaro neergestoken hebben …”

„Hij heeft mijn oom niet gedood!” riep Leoncia uit, haar afgewend gelaat opheffend.

„En het is jammer,” ging Torres meewarig en droef voort, iedere oneenigheid vermijdend. „De rechter, het volk, de Chef van Politie, allen gelooven, helaas, dat hij het gedaan heeft. [46]Wat zeer te betreuren is. Maar dit is niet de reden, waarom ik u opzocht. Ik kwam om u mijn diensten aan te bieden, in welk opzicht u die zoudt kunnen gebruiken. Mijn leven, mijn eer, alles is ter uwer beschikking. Spreek. Ik ben uw slaaf.”

Plotseling en elegant op één knie voor haar neerzinkend, greep hij haar hand van haar schoot en zou oogenblikkelijk voortgegaan zijn met spreken, wanneer zijn oogen niet waren blijven rusten op den ring met den diamant aan haar ringvinger. Hij fronste de wenkbrauwen, maar hield zijn hoofd gebogen om dit te verbergen, tot hij zijn gelaatstrekken weer in zijn macht had en begon toen weer te spreken.

„Ik kende je al toen je nog klein was, Leoncia, zoo heel, heel klein en lief, en ik heb je altijd liefgehad.—Luister nu alsjeblieft. Ik moet mijn hart uitspreken. Luister naar mij, tot ik alles gezegd heb. Ik heb je altijd liefgehad. Maar toen je van het klooster terugkwam, van je kostschool in het buitenland, vrouw geworden, een volwassen en deftige jongedame, volkomen in staat om het huis der Solanos te besturen, toen werd ik verteerd door je schoonheid. Ik ben geduldig geweest. Ik wachtte met spreken. Maar je zult het wel geraden hebben. Je hebt het zeker geraden. Na dien tijd was ik dol verliefd op je. Ik werd verteerd door de stralende schoonheid, door je vurige persoonlijkheid, zelfs nog meer dan door je schoonheid.”

Hij was niet tegen te houden, dit wist ze maar al te goed, en ze luisterde geduldig, neerziende op zijn gebogen hoofd en zich afvragend, waarom zijn haar toch zoo leelijk geknipt was en of dit het laatst gedaan zou zijn te New-York of te San Antonio.

„Weet je, wat je altijd voor mij geweest bent sedert je terugkomst?” Zij antwoordde niet en deed evenmin een poging om haar hand terug te trekken, ofschoon de zijne haar vleesch drukte en kneusde tegen Henry Morgan’s ring. Zij vergat naar hem te luisteren, afgeleid door een gedachtenketen, die zich ver uitstrekte. Het begin der keten was, dat Henry Morgan haar niet met zoo’n woordenvloed bemind en voor zich gewonnen had. Waarom moesten die menschen, met Spaansch bloed in de aderen, toch altijd zooveel woorden gebruiken om hun gevoelens uit te drukken? Henry was zoo geheel anders geweest. Hij had nauwelijks één woord gesproken. Hij had gehandeld. Betooverd door haar blik, haarzelf met zijn oogen betooverend, had hij haar zonder waarschuwing, zoo zeker was hij ervan haar niet te zullen verrassen of verschrikken, in zijn armen genomen en zijn lippen op de hare gedrukt. En de hare waren niet al te verbaasd en volstrekt niet onwillig geweest om te antwoorden. Eerst na dien eersten kus en met zijn armen nog om haar heen geslagen, was Henry beginnen te spreken.

En welk plan werd daarginds nu door haar mannelijke familieleden en Francis Morgan uitgebroed? peinsde haar geest verder, doof voor den bewonderaar aan haar voeten. Francis! O, zij zuchtte bijna en vroeg zich verwonderd af, waarom deze vreemde Gringo haar hart toch zoo in beroering bracht, terwijl ze toch heel goed wist, dat ze Henry liefhad. Was zij wispelturig? Was het deze man? Of een ander? Of onverschillig [47]welke man? Neen! Neen! Zij was niet wuft of ontrouw. En toch?… Misschien kwam het omdat Francis en Henry zoo veel op elkander geleken, en haar arm, dwaas, liefhebbend vrouwenhart niet voldoende onderscheid tusschen hen kon maken. En toch—terwijl zij altijd gedacht had, dat zij Henry overal ter wereld zou willen volgen, in alle voor- of tegenspoed, nu scheen het haar toe, dat zij Francis zelfs nog verder zou willen volgen. Zij had Henry lief, verklaarde haar hart plechtig. Maar ze had Francis ook lief, en zij kon haast zeker raden, dat Francis haar ook liefhad—zij kon zich niet vergissen in den warmen druk zijner lippen op de hare in de gevangeniscel; en er was een verschil in haar liefde voor de beide mannen, dat zij niet vermocht te verklaren en haar bijna tot de beschamende conclusie bracht, dat zij, de laatste en eenigste vrouwelijke afstammelinge van het huis Solano, wispelturig was.

De sterke druk van haar vleesch tegen Henry’s ring, veroorzaakt door den hartstochtelijker greep van Torres, bracht haar gedachten tot hem terug, zoodat zij weer den stortvloed van zijn woorden hoorden, die steeds voortgolfde:

„Je waart de verrukkelijke doorn in mijn vleesch, het getande raadje van de spoor, dat de zoetste en scherpste liefdewonden in mijn borst maakte. Ik droomde van jou … en voor jou. En ik heb mijn eigen benaming voor je. Altijd weer de eene naam, die ik voor je had: de Koningin mijner Droomen. En je zult mijn vrouw worden, mijn Leoncia. Wij zullen dezen dwazen Gringo vergeten, die al zoo goed als dood is. Ik zal goed voor je zijn, en vriendelijk. Ik zal je altijd liefhebben. En nooit zal zijn schim zich tusschen ons stellen. Wat mij betreft, ik zal dit niet toestaan. Wat jou … Ik zal je zoo liefhebben, dat zijn schim de kans niet zal hebben om zich tusschen ons te stellen en je ook maar één oogenblik zielesmart te veroorzaken.”

Leoncia overlegde langen tijd zwijgend, wat nieuw voedsel gaf aan Torres’ hoop. Zij voelde behoefte om tijd te winnen. Als Henry eens gered kon worden … en had Torres zijn diensten niet aangeboden? Het viel haar niet gemakkelijk om hem weg te zenden, wanneer een menschenleven mogelijk van hem afhing.

„Spreek!—ik verteer!” drong Torres met bevende stem aan.

„Stil! Stil!” zei ze zacht „Hoe kan ik luisteren naar de liefdesverklaring van een man, terwijl de man, dien ik liefhad, nog in leven is?”

Liefhad! De verleden tijd gaf haar een schok. Eveneens verraste het Torres en deed zijn hoop hooger opvlammen. Zij was reeds bijna de zijne. Zij had gezegd: liefhad. Zij had Henry niet meer lief. Zij had hem bemind, maar dit was nu voorbij. En zij, een teeder en fijngevoelig meisje en vrouw, kon natuurlijk haar liefde voor hem niet bekennen, terwijl de andere man nog in leven was. Dit was edel van haar. Hij was trotsch op zijn eigen edele gedachten en vleide zich met het denkbeeld, dat hij haar heimelijke gedachten zoo goed geraden had. En … wel besloot hij, hij zou er wel voor zorgen, dat de man, die den volgenden morgen om tien uur moest sterven, [48]geen uitstel of hulp kreeg. Het eenige, wat vaststond was dat, wilde hij Leoncia spoedig voor zich winnen, Henry Morgan spoedig moest sterven.

„Wij zullen er niet verder over spreken … op het oogenblik,” zei hij hoffelijk en vriendelijk, terwijl hij zachtjes haar hand drukte, opstond en op haar neerkeek.

Zij gaf hem een zachten, dankbaren handdruk, voor zij haar hand losmaakte en stond op.

„Kom,” zei ze. „We zullen ons bij de anderen voegen. Zij bedenken nu, of trachten een plan te bedenken, om Henry Morgan te redden.”

Het gesprek van het groepje menschen verflauwde toen zij zich bij hen voegden, alsof men Torres maar half vertrouwde.

„Hebben jelui al iets bedacht?” vroeg Leoncia.

De oude Enrico, even rechtop, slank en sierlijk gebouwd als zijn zoons, schudde het hoofd.

„Ik heb een plan, als u het mij niet kwalijkneemt,” begon Torres, maar hield op, toen hij een waarschuwenden blik opving van Alesandro, den oudsten zoon.

Op den weg, beneden het plein gelegen, waren twee vogelverschrikkers van bedeljongens verschenen. Hoewel ze, naar hun grootte te oordeelen, niet ouder waren dan tien jaren, toonden zij door de listige uitdrukking in hun oogen en op hun gelaat, veel ouder. Ieder droeg één enkel prachtig kleedingstuk, zoodat men kon zeggen, dat ze samen een hemd en een broek deelden. Maar welk een hemd! En welk een broek! Deze laatste, gemaakt voor een volwassen man en van grof zeildoek, was vastgemaakt om den hals van den jongen, terwijl de band ingehaald was met een vastgeknoopt touw, zoodat het kleedingstuk niet van de schouders kon glijden. Zijn armen waren door de gaten gestoken, waar eens de zakken hadden gezeten. De pijpen der broek waren met een mes afgesneden om ze meer in overeenstemming te maken met de lengte van zijn eigen ledematen. De slippen van het manshemd, dat de andere jongen aan had, sleepten over den grond.

„Vamos!” riep Alesandro hen barsch toe, om ze weg te jagen. Maar de jongen met de broek nam deftig een steen weg, die hij boven op zijn bloote hoofd gedragen had en liet nu een brief zien, dien hij daaronder meegedragen had. Alesandro boog zich voorover, nam den brief en gaf dien, na een blik op het opschrift geworpen te hebben, aan Leoncia, terwijl de jongens op huilerigen toon om geld begonnen te vragen. Francis, die ondanks zich zelf om hen moest lachen, wierp hen een paar stukjes zilvergeld toe, waarop het hemd en de broek verdwenen langs het pad.

De brief was van Henry en Leoncia las hem snel door. Het was niet bepaald een afscheidsbrief, want hij schreef in den toon van een man, die alleen door een onbegrijpelijk toeval verwacht te sterven. Maar, met het oog op de mogelijkheid van een dergelijk onbegrijpelijk toeval, wilde Henry toch afscheid nemen en er de schertsende aanbeveling voor Leoncia aan toevoegen om Francis niet te vergeten, die wel waard was, dat men zich zijner herinnerde, omdat hij zooveel op hem, Henry, geleek.

Leoncia’s eerste opwelling was om de anderen den brief te [49]laten lezen, maar de opmerking omtrent Francis hield haar hiervan terug.

„Hij is van Henry,” zei ze, het briefje in haar japon stekend. „Er staat niets bijzonders in. Hij schijnt er geen oogenblik aan te twijfelen, dat hij op de een of andere manier zal ontsnappen.”

„Daar zullen we voor zorgen,” verklaarde Francis beslist.

Met een dankbaar glimlachje aan zijn adres en een vragend aan Torres, zei Leoncia:

„U sprak over een plan, Senor Torres?”

Torres glimlachte, draaide zijn knevel op en nam een gewichtige houding aan.

„Er is één manier, de Gringo-, Angel-Saksische manier en die is eenvoudig, recht op het doel afgaande. Dat is het in één woord, recht op het doel afgaande. Wij zullen heengaan en Henry op de regelrechte, brutale en juiste Gringo-manier uit de gevangenis halen. Dat is het eenige, wat ze niet van ons zullen verwachten. Daarom zal het gelukken. Er zijn genoeg ongehangen schurken hier aan wal te vinden, waarmee we de gevangenis kunnen bestormen. Huur ze, betaal ze goed, maar geef ze slechts een gedeelte van het geld vooruit en de zaak is gezond.”

Leoncia knikte gretig en toestemmend. De oogen van den ouden Enrico schoten vuur en zijn neusgaten verwijdden zich alsof hij reeds kruitdamp rook. De jongelui werden aangewakkerd door zijn voorbeeld. En allen keken Francis aan om zijn meening te hooren en zijn toestemming te ontvangen. Maar hij schudde langzaam het hoofd en Leoncia slaakte een scherpen kreet van teleurstelling.

„Dat is een hopelooze onderneming,” zei hij. „Waarom zoudt gij allen uw hals wagen in zoo’n dolzinnige onderneming, die in het minst geen kans van slagen heeft?” Onder het spreken liep hij van Leoncia’s zijde naar de omheining om een oogenblik tusschen Torres en de andere mannen te komen, en slaagde er tegelijkertijd in om Enrico en zijn zoons een waarschuwenden blik toe te werpen. „Wat Henry betreft, het ziet er naar uit, alsof het met hem gedaan is …”

„Je bedoelt, dat je mij wantrouwt?” stoof Torres op.

„Hemel, man,” protesteerde Francis.

Maar Torres draafde door: „Je bedoelt, dat ik door jou, een man, dien ik ternauwernood ken, uitgesloten word van de vergadering der Solanos, die mijn oudste en meest vereerde vrienden zijn.”

De oude Enrico, wien de opstijgende toorn tegen Francis in Leoncia’s gelaat niet ontgaan was, slaagde er in haar een waarschuwing te doen toekomen, eer hij met een hoffelijk gebaar Torres tot zwijgen bracht en begon te spreken.

„Er zijn geen vergaderingen der Solanos, waarvan gij uitgesloten wordt, Senor Torres. Gij zijt werkelijk een oud vriend van onze familie. Wijlen uw vader en ik waren vrienden, bijna broeders. Maar dat—en gij zult het oordeel van een oud man niet kwalijk nemen—neemt niet weg, dat Senor Morgan gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat uw plan hopeloos is. Om de gevangenis te bestormen zou werkelijk een dwaasheid zijn. Denk maar eens aan die dikke muren. Zij zouden weerstand bieden aan een wekenlang beleg. En toch, ik beken [50]het, kwam ik ook bijna in de verzoeking om het te wagen, toen gij het plan opperdet. Toen ik nog jong was, en de Indianen bestreed hoog in de Cordilleras, hebben we iets dergelijks bij de hand gehad. Kom, laten we op ons gemak gaan zitten, dan zal ik het jelui vertellen …”

Maar Torres, die vele dingen in zijn hoofd had, weigerde langer te blijven en schudde met een beetje vriendelijker gevoelens allen de hand, verontschuldigde zich kort tegen Francis en vertrok op zijn, met zilverbeslag opgetuigd paard naar San Antonio. Een der onderwerpen, die zijn gedachten in beslag namen, was de telegrafische verbinding, waarin hij stond met het kantoor van Thomas Regan in Wall Street. Heimelijk toegang hebbend tot het draadloos Rijkstelefoonstation van Panama in San Antonio, was hij in de gelegenheid om berichten te verzenden naar het station te Vera Cruz. Niet alleen was zijn connectie met Regan zeer winstgevend, maar het was ook in overeenstemming met zijn persoonlijke plannen met Leoncia en de Morgans.

„Wat heb je tegen Senor Torres, dat je zijn plan moest verwerpen en hem boos maken?” vroeg Leoncia aan Francis.

„Niets,” was het antwoord, „behalve, dat we hem niet noodig hebben en dat ik niet bijzonder met hem ingenomen ben. Hij is een dwaas en zou ieder plan in de war sturen. Denk maar eens, hoe hij struikelde bij het verhoor van mij. Mogelijk is hij ook niet te vertrouwen. Ik weet het niet. Maar in ieder geval, waarom zouden we hem vertrouwen als we hem niet noodig hebben? Maar zijn plan is goed. We zullen regelrecht naar de gevangenis gaan en Henry er uit halen, wanneer jelui allemaal van de partij zijn. En we hoeven ons vertrouwen niet te stellen in een bende ongehangen schurken en strandslijpers. Wanneer wij met ons zessen het niet klaarspelen, kunnen we er gerust van afzien.”

„Er moeten altijd minstens een dozijn schildwachten op post staan rondom de gevangenis,” voerde Ricardo, Leoncia’s jongste broer, een jongen van achttien jaar, aan.

Leoncia, wier toorn weer opgewekt werd, fronste de wenkbrauwen tegen hem; maar Francis trok partij voor hem.

„Goed,” zei hij. „Maar we zullen die wachters wel wegjagen.”

„De muren zijn vijf voet dik,” zei Martinez Solano, tweelingbroeder van Alvarado.

„Breek er door heen,” antwoordde Francis.

„Maar hoe?” riep Leoncia uit.

„Dat ga ik je juist uitleggen. Gij, Senor Solano, hebt voldoende rijpaarden? Mooi. En gij, Alesandro, zie je misschien kans om me een paar stukken dynamiet ergens van de plantage te bezorgen? Mooi, meer dan mooi. En gij, Leoncia, moet als huisvrouw van de haciënda weten of je in de provisiekamer voldoende voorraad hebt van die whisky, merk drie sterren?”

„O, de zaak wordt al ingewikkelder,” lachte hij, toen hij haar toestemmend antwoord ontving. „Wij bezitten al de eigenschappen voor een avontuurlijk verhaal van Rider Haggard of Rex Bach. Luister nu. Maar wacht. Ik moet met jou nog overleggen, Leoncia, omtrent enkele bijzondere tooneelvoorstellingen …” [51]