HOOFDSTUK V.
De namiddag was half om, toen Henry, voor zijn getralied celraam, de straat inkeek en zich verwonderd afvroeg of er nooit een briesje zou komen van de Chiriqui-Lagune en de onbeweeglijke lucht afkoelen. De straat was stoffig en vuil—vuil, omdat de eenige straatvegers, die men ooit gekend had sedert de stad eeuwen geleden werd gesticht, de straathonden en de onheilspellende buizerds waren, die zelfs nu op roof uit waren en door den afval dansten. Lage, gewitte steenen gebouwen en huisjes maakten de straat tot een oven.
Al dit wit en het stof was ondraaglijk en pijnlijk voor de oogen, en Henry zou den blik afgewend hebben, wanneer niet de talrijke havelooze mosos, die in een tegenoverliggend portaal zaten te dommelen, plotseling wakker geworden waren, en aandachtig de straat ingekeken hadden. Henry kon niets zien, maar hij kon het rammelen hooren van het een of andere voertuig, dat met spoed naderde. Plotseling kwam het in gezicht, een, op een rattenval gelijkend, licht wagentje, dat getrokken werd door een, op hol zijnd paard. Op de bank zat een oude man, met grijs haar en baard, die tevergeefs het paard tot stilstand trachtte te brengen.
Henry glimlachte en verwonderde zich erover, dat het bouwvallige wagentje niet uit elkander viel, zoo hobbelde en danste het in de diepe wagensporen. Elk wiel, half-los en dreigend heelemaal los te gaan, hobbelde en ontweek het spoor van het andere wiel. En zoo het wagentje al heel bleef, dan was het een wonder, dacht Henry, dat het rare tuig niet in stukken vloog. Vlak voor het raam gekomen, deed de oude man een laatste poging, door zich half van zijn zitplaats te verheffen en aan de teugels te trekken. De eene was verteerd en brak. Toen de koetsier achterover op zijn bankje terugviel, rustte zijn volle gewicht op den eenen, overgebleven teugel, wat het paard met een scherpe wending naar rechts deed keeren. Wat er toen gebeurde—of er een wiel bezweek of dat er een wiel losraakte en daarna bezweek—Henry zou het niet kunnen zeggen. Het eenige, wat te constateeren viel, dat de heele wagen verongelukte. De oude man, meegesleept door het stof en zich hardnekkig vastklemmend aan den overgebleven teugel, dwong het paard een cirkel te beschrijven tot het bleef staan, hem aankeek en tegen hem snoof.
Toen hij opstond, verzamelden zich een menigte mosos rondom hem. Deze werden rechts en links ruw terzijde geschoven door de gendarmes, die uit de gevangenis kwamen toeloopen. Henry bleef aan het venster staan en was, voor een man, die nog slechts enkele uren te leven had, een zeer geanimeerd toeschouwer en toehoorder van hetgeen nu volgde.
Zijn paard aan een gendarme gevend om het vast te houden, niet stilstaande om zich een beetje van het vuil te ontdoen, hinkte de oude man snel naar den wagen en begon de talrijke kisten, groot en klein, die de lading uitmaakten, aan een onderzoek te onderwerpen. Voor één kist was hij buitengewoon bezorgd, beproefde zelfs om deze op te beuren en scheen te luisteren, terwijl hij ze opbeurde. Hij richtte zich op, toen hij door een der gendarmes aangesproken werd en gaf, rad van tong, antwoord. [52]
„Ik? Helaas, senors, ik ben een oude man en ver van huis. Ik ben Leopoldo Narvaez. Het is waar, mijn moeder was een Duitsche, moge de Heiligen haar genadig zijn; maar mijn vader was Baltazar de Jesus y Cervallos è Narvaez, zoon van Generaal Narvaez met een roemrijk verleden, die nog onder den grooten Bolivar zelf streed. En nu ben ik half geruïneerd en ver van huis.”
Aangespoord door verdere vragen, doorspekt met de beleefde uitroepen van medelijden, waarmee zelfs de nederigste moso niet karig is, slaagde hij er in om, beleefd en dankbaar, voort te gaan met zijn verhaal.
„Ik ben van Bocas del Toro komen rijden. Die reis kostte mij vijf dagen en ik heb weinig zaken gedaan. Ik woon in Colon, en ik wou, dat ik er was. Maar zelfs een waardige Narvaez kan venter worden en ook een venter moet leven, nietwaar, senors, is het niet zoo? Maar zeg me, woont er in dit aardige stadje San Antonio geen Tomas Romero?”
„Er zijn een massa Tomas Romeros over heel Panama verspreid,” lachte Pedro Zurita, de assistent-cipier. „Je mag wel een nadere beschrijving van hem geven.”
„Hij is de neef van mijn tweede vrouw,” antwoordde de oude vol verwachting en scheen zeer verbaasd over het bulderend gelach der omringende menigte.
„En er wonen een dozijn Tomas Romeros in en om San Antonio,” vervolgde de assistent-cipier, „die allemaal wel de neef van je tweede vrouw kunnen zijn, senor. Daar heb je Tomas Romero, de dronkaard. Je hebt Tomas Romero, de dief. Dan heb je Tomas Romero—maar neen, die werd een maand geleden opgehangen voor moord en diefstal. Dan heb je nog de rijke Tomas Romero, die veel vee in de heuvels heeft loopen. En …”
Bij elken naam, die genoemd werd, had Leopoldo Narvaez droevig het hoofd geschud, totdat de veehouder genoemd werd. Nu kreeg hij meer hoop en viel den spreker in de rede:
„Pardon, senor, dat moet hij zijn, of iemand anders zooals hij. Ik zal hem wel vinden. Als mijn kostbare voorraad handelswaren veilig opgeborgen kan worden, ga ik hem dadelijk opzoeken. Het is goed, dat het ongeluk mij op deze plaats trof. Nu kan ik ze aan u toevertrouwen, die, dat kan men met een half oog zien, een eerlijk en achtenswaardig man zijt.” Onder het spreken haalde hij uit zijn zak twee zilveren pesos te voorschijn en gaf die aan den cipier. „Ziedaar, ik wil dat gij en uw mannen ook een pleiziertje hebt voor de hulp, mij bewezen.”
Henry grinnikte heimelijk, toen hij de toenemende belangstelling in den ouden man en het medelijden met hem zag, van de zijde van Pedro Zurita en de gendarmes, veroorzaakt door het geschenk der geldstukken. Zij duwden de nieuwsgierigste toeschouwers ruw terug van den verongelukten wagen en begonnen de kisten de gevangenis in te dragen.
„Voorzichtig, senors, voorzichtig,” smeekte de oude, zeer bezorgd, toen ze de groote kist opnamen. „Wees er niet ruw mee. De inhoud is kostbaar en breekbaar, zeer breekbaar.”
Terwijl de lading van den wagen in de gevangenis gedragen [53]werd, verwijderde de oude man zich en droeg het tuig van het paard, op den teugel na, in den wagen.
Pedro Zurita beval, dat ook het tuig naar binnen gebracht moest worden en verklaarde, met een blik op de armzalige menigte: „Er zou geen stukje of gespje meer te vinden zijn een seconde nadat wij ons omgedraaid hadden.”
Het overschot van den wagen als opstap gebruikend en met een handig zetje van den cipier en zijn manschappen, slaagde de kramer er in om op zijn paard te komen.
„In orde,” zei hij en voegde er dankbaar aan toe: „Duizendmaal dank, senors. Gelukkig heb ik eerlijke menschen ontmoet, aan wie ik mijn goederen gerust kan toevertrouwen—al zijn het maar schamele goederen, koopmansgoederen, zie je; maar voor mij maken ze mijn kostwinning uit. Het doet mij pleizier, dat ik u ontmoet heb. Morgen kom ik terug met mijn bloedverwant, dien ik ongetwijfeld zal vinden, en zal u ontslaan van den last om mijn onaanzienlijke bezittingen te bewaren.” Hij nam zijn hoed af. „Adios, senors, adios!”
Hij reed weg op een sukkeldrafje, bang voor het dier, dat hij bereed en dat het ongeval veroorzaakt had. Hij hield stil en keerde zijn hoofd om, toen Pedro Zurita hem iets toeriep.
„Je doet het best, als je naar het kerkhof gaat, Senor Narvaez,” raadde de cipier. „Daar liggen een groote honderd Tomas Romeros.”
„En ik smeek u, senor, dat ge goed op de groote kist past,” riep de kramer terug.
Henry zag, hoe de straat weer eenzaam en verlaten werd, toen de gendarmes en de inwoners vluchtten voor de verzengende zonnestralen. Geen wonder, dacht hij heimelijk, dat de stem van den ouden kramer hem een beetje bekend voorgekomen was. Dit kwam omdat zijn spraak slechts gedeeltelijk een Spaanschen tongval bezat—en gedeeltelijk den Duitschen tongval van zijn moeder. Bovendien sprak hij ook als een inboorling en hij zou even goed beroofd worden als een inboorling, wanneer er iets van waarde zat in de zware kist, die hij bij de cipiers gedeponeerd had, was Henry’s gevolgtrekking, eer hij het voorval uit zijn geest verbande.
In de kamer der bewakers, nauwelijks vijftig voet van Henry’s cel verwijderd, was men bezig om Leopoldo Narvaez te berooven. Het was begonnen toen Pedro Zurita een nauwkeurig en begeerig onderzoek instelde van de groote kist. Hij beurde het eene einde op om het gewicht te schatten, en snuffelde als een hond aan de spleten of zijn neus hem ook op de hoogte zou stellen van den inhoud.
„Laat haar met rust, Pedro,” sprak een der gendarmes lachend tot hem. „Je hebt twee pesos gekregen, om eerlijk te zijn.”
De assistent-cipier zuchtte, liep weg en ging zitten, keek nog eens naar de kist en zuchtte weer. Het gesprek wilde niet vlotten. Voortdurend dwaalden de oogen der mannen naar de kist. Een vettig spel kaarten kon hen ook niet boeien. Het spel wilde niet vlotten. De gendarme, die Pedro geplaagd had, liep nu zelf naar de kist en snuffelde eraan.
„Ik ruik niets,” beweerde hij. „Blijkbaar is er niets in de [54]kist, wat ruikt. Maar wat kan er in zitten? De caballero zei, dat het iets van waarde was!”
„Caballero!” snoof een andere gendarme. „De vader van den ouden man was waarschijnlijk een venter van bedorven visch in de straten van Colon, evenals diens vader voor hem. Iedere leugenachtige bedelaar beweert, dat hij van de conquistadores afstamt.”
„En waarom niet, Rafaël?” antwoordde Pedro Zurita. „Stammen wij daar ook niet van af?”
„Ongetwijfeld,” stemde Rafaël gereedelijk toe. „De conquistadores versloegen menigeen …”
„En waren de voorouders der overlevenden,” voltooide Pedro voor hem, wat een algemeen gelach uitlokte. „Maar hoe het zij, ik zou haast een van deze pesos willen geven om te weten, wat er in die kist zit.”
„Daar heb je Ignacio,” begroette Rafaël de binnenkomst van een sleutelbewaarder, wiens zware oogleden getuigden, dat hij juist een dutje gedaan had. „Hij werd niet betaald om eerlijk te zijn. Kom, Ignacio, verlos ons van onze nieuwsgierigheid door ons te zeggen wat er in die kist zit.”
„Hoe kan ik dat weten?” vroeg Ignacio, naar het voorwerp der algemeene belangstelling kijkend. „Ik ben pas wakker.”
„Dus men heeft je niet betaald om eerlijk te zijn?” vroeg Rafaël.
„Heilige Moeder Gods, ik zou wel eens willen zien, welke man mij betaalde, om eerlijk te zijn?” vroeg de sleutelbewaarder.
„Neem dan die bijl en maak de kist open,” verklaarde Rafaël zich nader. „Wij mogen het niet doen, want even zeker als Pedro de twee pesos met ons zal deelen, even zeker zijn wij betaald om eerlijk te zijn. Open de kist, Ignacio, of we sterven van nieuwsgierigheid.”
„We willen enkel kijken, alleen maar kijken,” mompelde Pedro zenuwachtig, toen de sleutelbewaarder met de platte kant der bijl een plank losmaakte. „Dan zullen we de kist weer sluiten en … Steek er je hand in, Ignacio. Wat voel je?… hé, waar voelt het naar? Ha!”
Na veel trekken en wringen verscheen Ignacios hand weer, een cartonnen omhulsel omsluitend.
„Maak het voorzichtig los, want het moet er weer om gedaan worden,” raadde de cipier.
En toen de omhulsels van papier en carton weggenomen waren, rustten aller oogen als betooverd op een kwart fleschje whisky.
„Wat is die zorgvuldig ingepakt,” mompelde Pedro op eerbiedigen toon. „Dat moet heel goed spul zijn, dat er zooveel zorg aan besteed werd.”
„Het is Amerikaansche whisky,” zuchtte een gendarme. „Slechts eens in mijn leven heb ik Amerikaansche whisky gedronken. Ze was verrukkelijk. En ze gaf iemand een moed, dat ik in de arena te Santos sprong en een woesten stier met mijn handen alleen bestreed. Zeker het is waar, de stier wierp mij omver, maar sprong ik niet in de arena?”
Pedro nam de flesch en maakte zich gereed om er den hals af te slaan. [55]
„Halt!” riep Rafaël. „Je werdt betaald, om eerlijk te zijn.”
„Door een man, die zelf niet eerlijk was,” luidde het antwoord. „Dat goedje is contrabande. Er is geen accijns voor betaald. De oude man was in het bezit van smokkelwaar. Laten wij er nu dankbaar en met een gerust geweten bezit van nemen. We zullen er beslag op leggen. We zullen ze vernietigen.”
Zonder af te wachten, dat de flesch de ronde zou maken, haalden Ignacio en Rafaël een nieuwe te voorschijn en sloegen er de halzen af.
„Drie sterren—de beste, die er is,” sprak Pedro Zurita gedurende een pauze, op het handelsmerk wijzend. „Zie je, alle Gringo-whisky is goed. Eén ster duidt aan, dat ze heel goed is; twee sterren, dat ze uitmuntend is; drie sterren, dat ze superb is, het beste en zelfs nog beter dan dat. O, ik weet het. De Gringos zijn verzot op krachtig spul. Van larie moeten ze niets hebben.”
„En vier sterren?” vroeg Ignacio, met een schorre stem van den drank en vochtige, glinsterende oogen.
„Vier sterren? Vriend Ignacio, vier sterren zou òf een plotselingen dood beteekenen òf te vertalen zijn als: het Paradijs.”
Het duurde niet lang of Rafaël noemde een anderen gendarme, zijn arm om diens hals geslagen, broeder en beweerde, dat er niet veel toe noodig was, om een mensch hier op aarde gelukkig te maken.
„Die ouwe man was een dwaas, een driedubbele dwaas en dat nog driemaal,” was de verklaring van Augustino, een gendarme met een onnoozel gelaat, die nu voor het eerst aan zijn gevoelens lucht gaf.
„Viva Augustino!” juichte Rafaël. „Die drie sterren hebben een wonder gewrocht. Kijk maar! Hebben ze Augustino’s mond niet geopend?”
„En ik zeg, dat die oude man nog driemaal, driemaal een dwaas was!” galmde Augustino dapper. „Deze echte godendrank was zijn eigendom, geheel van hem en hij is er vijf dagen mee op weg geweest van Bocas del Toro, en heeft er geen enkele druppel van genomen. Zulke dwazen als hij moesten naakt boven op een mierenhoop gelegd worden, dit zeg ik.”
„Die ouwe man was een schelm,” beweerde Pedro. „En als hij morgen zijn drie sterren komt halen, zal ik hem als smokkelaar arresteeren. Dat zal ons een pluimpje bezorgen.”
„Als wij het bewijs vernietigen—zoo?” vroeg Augustino, weer een hals stukslaande.
„Wij zullen het bewijs bewaren—zoo!” antwoordde Pedro, een leege flesch op de steenen vloer stukgooiend. „Luistert, kameraden. De kist was heel zwaar—dat weten we allemaal. Ze viel. De flesschen braken. De drank liep er uit en zoodoende merkten wij, dat er contrabande inzat. De kist en de gebroken flesschen zullen voldoende bewijs zijn.”
Het rumoer werd sterker, naarmate de drank verminderde. Een gendarme kreeg ruzie met Ignacio over een vergeten schuld van tien centavos. Twee andere zaten op den grond, de armen om elkanders hals geslagen en weenden over de ellende van hun huwelijksleven. Augustino verdedigde, in een [56]zondvloed van woorden, zijn philosofische stelling, dat zwijgen goud was. En Pedro Zurita dweepte met broederschap.
„Zelfs mijn gevangenen,” jammerde hij. „Ik heb ze lief, alsof het mijn broeders zijn. Het leven is droef.” De tranen kwamen hem in de oogen en hij zweeg even, om nog een teug te nemen. „Mijn gevangenen zijn, om zoo te zeggen, mijn kinderen. Mijn hart bloedt om hunnentwil. Kijk maar! Ik ween. Laten we met hen deelen. Laat hun ook een oogenblik gelukkig zijn. Ignacio, mijn dierbare broeder. Doe me een pleizier. Zie, mijn tranen vallen op je hand. Breng een flesch van dit elixir aan den Gringo Morgan. Zeg hem, dat het mij toch zoo spijt, dat hij morgen moet hangen. Zeg hem, dat ik hem liefheb en verzoek hem te drinken en vandaag gelukkig te zijn.”
En toen Ignacio heenging om de boodschap over te brengen, begon de gendarme, die eens te Santos bij de stierengevechten in de arena gesprongen was te brullen:
„Ik moet een stier hebben! Ik moet een stier hebben!”
„Lieve hemel, hij moet er een hebben, om de armen om zijn nek te slaan en hem lief te hebben,” verklaarde Pedro Zurita, opnieuw in tranen uitbarstend. „Ik houd ook van stieren. Ik heb alle dingen lief. Ik heb de muskieten zelfs lief. De heele wereld is liefde. Dat is het geheim des levens. Ik wou, dat ik een leeuw had om mee te spelen …”
De, niet te miskennen, wijs van „Rug aan rug, door den grootmast gescheiden”, dat openlijk op straat gefloten werd, trok Henry’s aandacht, en hij liep door zijn groote cel naar het raam, toen het geknars van een sleutel in de deur hem snel deed gaan liggen en zich houden of hij sliep. Ignacio waggelde dronken naar binnen met de flesch in de hand, die hij Henry deftig aanbood.
„Met de beste wenschen van onzen goeden cipier, Pedro Zurita,” stamelde hij. „Hij zegt, dat gij moet drinken en er niet aan denken, dat uw hals morgen een beetje uitgerekt zal worden.”
„Mijn beste wenschen aan Senor Pedro Zurita en zeg hem, dat hij voor mijn part met zijn whisky naar den duivel kan loopen,” antwoordde Henry.
De sleutelbewaarder richtte zich op en zwaaide niet langer, alsof hij plotseling nuchter werd.
„Heel goed, senor,” zei hij, ging weg en sloot de deur.
In een oogwenk was Henry aan het raam, net op tijd om van aangezicht tot aangezicht tegenover Francis te staan, die hem, tusschen de staven door, een revolver toeduwde.
„Gegroet, camerada,” zei Francis. „We zullen je in een oogwenk hieruit helpen.” Hij hield twee staafjes dynamiet, waarvan lont en slaghoedje in orde waren, omhoog. „Ik heb deze aardige breekijzertjes meegebracht, om je eruit te halen. Trek je zoo ver mogelijk terug in je cel, omdat er heel gauw een gat in dezen muur geslagen zal worden, groot genoeg om er met de Angélique door te zeilen. En de Angélique ligt op de reede op je te wachten.—Nu, maak dat je wegkomt. Ik ga de lont aansteken. ’t Is maar een kort stukje.”
Nauwelijks had Henry zich in een uithoek van de cel teruggetrokken, of de deur werd met geweld ontsloten en geopend [57]onder een heidensch geschreeuw en gevloek, waaruit hij het duidelijkst de oude en onveranderlijke strijdkreet der Latijnsch-Amerikanen kon onderscheiden: „Dood den Gringo!”
Ook hoorde hij Rafaël en Pedro, onder het binnenkomen, brabbelen, de een: „Hij is een vijand der broederlijke liefde,” en de ander: „Hij zei, dat ik naar den duivel kon loopen—zei hij dat niet, Ignacio?”
Ze hadden geweren in de hand, en achter hen verdrongen zich de dronken woestelingen, op verschillende wijzen gewapend, met ponjaards en pistolen, zoowel als met bijlen en flesschen. Toen ze Henry’s revolver zagen, stonden ze stil, en Pedro, die zenuwachtig aan zijn geweer plukte, mompelde plechtig:
„Senor Morgan, je staat op het punt om naar je rechtmatige schuilhoek in de hel te gaan verhuizen.”
Maar Ignacio wachtte niet. Hij vuurde woest en blindelings, miste Henry de halve breedte der cel en viel het volgend oogenblik neer onder Henry’s kogel. De overigen trokken zich overhaast terug in de gang der gevangenis, waar zij, zelf ongezien, hun wapens in de kamer hun werk lieten doen.
Den hemel dankend, dat de muren zoo dik waren en hopend, dat geen ricochet hem zou treffen, verschool Henry zich in een beschutten hoek en wachtte op de ontploffing.
Deze kwam. Het venster en de muur eronder werd één groote opening. Door een stuk steen tegen het hoofd getroffen, zonk Henry duizelig op den grond en toen de damp van kalk en kruit wat optrok, zag hij vaag, hoe Francis, als het ware, door de opening naar binnen zwom. Toen hij door het gat naar buiten gesleept werd, was Henry weer geheel zich zelf meester. Hij zag hoe Enrico Solano en Ricardo, zijn jongste zoon, met geweren in de hand, de menigte in bedwang hield, die op straat begon samen te loopen, terwijl de tweelingen, Alvarado en Martinez, op gelijke wijze de menschen terughielden, die van den anderen kant kwamen.
Maar de bevolking was enkel nieuwsgierig, daar ze niets anders konden doen, dan hun leven verliezen en niets winnen bij een poging om zulke machtige lieden tegen te houden als deze waren, die op klaarlichten dag muren lieten springen en gevangenissen bestormden. En ze weken eerbiedig terug voor de dichtaaneengesloten groep, toen deze de straat afmarcheerde.
„In de volgende straat wachten de paarden,” vertelde Francis aan Henry, toen hun handen elkander drukten. „En Leoncia is er ook. Een galop van een kwartier brengt ons naar het strand, waar de boot wacht.”
„Zeg, dat was dat lied, dat ik je geleerd heb,” grinnikte Henry. „Dat klonk me verduiveld aangenaam in de ooren, toen ik je dat hoorde fluiten. Die honden waren zoo voorbarig, dat ze zelfs niet tot morgen konden wachten om me op te hangen. Ze dronken zich vol met whisky en besloten om er maar onmiddellijk een eind aan te maken. Dat was een rare geschiedenis met die whisky. Een oude caballero liet, als verongelukt kramer, een heele karlading ervan, vlak voor de gevangenis omkantelen …”
„Want zelfs een edele Narvaez, zoon van Baltazar de Jesus [58]y Cervallos è Narvaez, zoon van Generaal Narvaez met zijn roemrijk verleden, kan een kramer zijn en ook een kramer moet leven, niet waar, senors, is het niet zoo?” imiteerde Francis.
Henry keek hem blij verrast aan, en zei eenvoudig:
„Francis, één ding doet me pleizier, allemachtig veel pleizier.”
„En dat is?” vroeg Francis in de pauze, die ontstond juist op het oogenblik, dat zij den hoek omsloegen van de straat, waar de paarden stonden.
„Dat ik je ooren niet afgesneden heb op dien dag op het Kalf, toen ik je onder had liggen en je er op aandrong, dat ik het doen zou.”