WeRead Powered by ReaderPub
Een abel spel ende een edel dinc van den Hertoghe van Bruyswijc, hoe hi wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant (Gloriant) cover

Een abel spel ende een edel dinc van den Hertoghe van Bruyswijc, hoe hi wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant (Gloriant)

Chapter 1: TER INLEIDING.
Open in WeRead

About This Book

The play presents a medieval courtly romance in which a proud noble is overcome by love for the daughter of a rival house; their relationship develops through brisk, witty dialogue, comic attendants, and episodes of recognition and conversion. Its structure balances psychological probing of pride and desire with deliberate medieval naïvetés and anachronistic pagan imagery drawn from classical and popular beliefs. Recurring themes include love's transformative force, tensions between pagan devotion and Christian faith, and a blend of satire and sincerity. The language and scenes aim for theatrical effect, favoring lively exchanges and performative set pieces.

The Project Gutenberg eBook of Een abel spel ende een edel dinc van den Hertoghe van Bruyswijc, hoe hi wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant (Gloriant)

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Een abel spel ende een edel dinc van den Hertoghe van Bruyswijc, hoe hi wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant (Gloriant)

Author: R. J. Spitz

Release date: November 24, 2004 [eBook #14143]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN ABEL SPEL ENDE EEN EDEL DINC VAN DEN HERTOGHE VAN BRUYSWIJC, HOE HI WERT MINNENDE DES ROEDELIOENS DOCHTER VAN ABELANT (GLORIANT) ***



TER INLEIDING.


Het "Abel spel ende een edel dinc van den hertoghe van Bruyswyc, hoe hi wert minnende des Roedelioens dochter van Abelant", in de wandeling naar den hoofdpersoon "Gloriant" geheeten, moet gerekend worden tot de serie van voortbrengselen van onze Middeleeuwsche dramatische letterkunde, waartoe ook de in deze reeks uitgegeven "Esmoreit" en "Lanseloet van Denemerken" behooren. Voor litterair-historische bijzonderheden omtrent deze serie Middeleeuwsche drama's, voor zoover ze in een weder niet-wetenschappelijk bedoelde uitgave op hun plaats zijn, moge verwezen worden naar de inleidingen van genoemde stukken, mede van de hand van den schrijver dezer regelen.

Hier zij nog slechts opgemerkt dat de in deze dingen ook slechts een weinig georiënteerde lezer weder aanstonds merken zal, hoe dicht de avonturenvolle stof van zulk een abel spel zich aansluit bij die der ridderromans.

Wie van den oorsprong van het gegeven van ons drama meer wil weten, verwijs ik naar de inleiding van: Mr. H.E. Moltzer, De Middelnederlandsche Dramatische Poëzie,[1] naar welke uitgave de hiervolgende text is afgedrukt.

Verdient ons stuk door een nieuwe uitgave uit de vergetelheid en onbekendheid, waarin het zich op dit oogenblik bij het grootere publiek bevindt, te worden te voorschijn gehaald? Het antwoord mag bevestigend luiden, al was het alleen maar om het feit dat het Haagsche tooneelgezelschap dat zich met den oud-vaderlandschen naam van "Ghesellen van den Spele" getooid heeft,[2] het in het komende tooneelseizoen voor het voetlicht zal brengen. Maar ook overigens, het lijkt mij onbegrijpelijk dat, terwijl Esmoreit en Lanseloet van Denemerken zich reeds weder verscheidene jaren in een belangstellend toeschouwend en lezend publiek verheugen, de Gloriant betrekkelijk onbekend en in nieuwer tijden, voor zoover ik weet, onopgevoerd en in populaire editie onuitgegeven is gebleven. Litterair lijkt het stuk mij verre de meerdere van de Esmoreit, zéker wat karakter-teekening en dramatischen opbouw, maar ook wat de dialoog aangaat. Al is deze laatste in de Esmoreit zonder twijfel vlot en pittig, de dialoog in òns stuk komt mij voor—en ik hoop dat hieronder met enkele voorbeelden aan te toonen—sterker, ik zou bijna zeggen moderner, want langs-den-neus-weg-geestiger te zijn. En de dramatische opbouw: heel de opzet is in Gloriant voor een modern mensch veel aannemelijker; wat is gansch die geschiedenis van dien trotschen man en die trotsche vrouw die zich allebei te goed vinden voor het huwelijk en die dus met fatale zekerheid bestemd zijn om in elkaars handen te vallen, niet een prachtige "trouvaille", de kunst van een geestig en psychologisch-analyseerend modern auteur waardig. Denk eens aan Shaw met zijn "macht van de levenskracht"!

Neen, ik persoonlijk vind, dat Esmoreit, ondanks zijn misschien diepere moreele strekking en opzet, het als waarlijk tè-naïef bij Gloriant min of meer aflegt, hoezeer ik het eerste stuk ook apprecieer als een waardevol overblijfsel van middeleeuwsche volkskunst. En al geef ik oogenblikkelijk toe dat de fijne, diep-menschelijke "Lanseloet" zeer veel zielvoller is dan Gloriant, minder onderhoudend is dit laatste stuk zeker niet! Ik begrijp dan ook in geenen deele hoe Prof. Dr. J. te Winkel in zijn "Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde" I[3] tot zijn blijkbaar niet zeer gunstig oordeel over het stuk gekomen is; Prof. te Winkel, die anders het sappige van onze oud-nederlandsche kunst zoo wèl weet te apprecieeren!

Op het verbazend-aardige gegeven van het stuk wees ik boven al met een enkel woord en ik zal er geen verdere beschouwingen aan wijden, wijl ik bij ondervinding meen te weten dat een uitgelegde mop geen mop meer is en ik het er bovendien voor houd dat "inleiders" van litteratuur-werken die zoovéél meenen te moeten uitleggen een weinig-hoogen dunk van de intelligentie van hun publiek aan den dag leggen. Het is heusch geen heksentoer om het verloop van dit tooneelwerkje te volgen en wie het zintuig voor de fijne humor ervan mist—ik beklaag hem—doch kan het hem met geen redenatie van twintig vel druks bijbrengen!

Van de pittigheid van de dialoog een enkel voorbeeld. (Ook die zij overigens den lezer te "savoureeren" overgelaten!) Lees eens hoe aardig en raak Gloriant in Tooneel I van het derde bedrijf, als hij het ten gevolge van het portret "te pakken" heeft, door zijn oom Gheraert met zijn eigen woorden, waarmee hij zoo kort te voren nog de vrouw en de liefde smaalde, wordt vastgezet!

Ook op iets anders zou ik in dit verband nog even de aandacht willen vestigen. Als Gloriant de macht van de liefde heeft leeren voelen, en hij deze geweldigste aller menschelijke aandoeningen verheerlijkt met gloedvolle woorden (passages waar de dichter waarlijk een fiere schoonheid in zijn verzen bereikt: vs. 568 vlg.; vs. 828 vlg.), dan is in deze alleenspraken opmerkelijk de vereenzelviging van de Liefde Gods en de menschelijke liefde (caritas en amor!). Schóón is deze vereenzelviging in Gloriant's woorden ongetwijfeld, maar ongewoon in de middeleeuwen waarin men deze beide "soorten" van liefde in den regel nogal goed uit elkaar hield.

Hoe aardig en psychologisch-raak ook de opzet van het stuk, hoe vlot en pittig ook de dialoog, de Gloriant zou geen waardig abel spel zijn (en zou zeker een deel van zijn bekoorlijkheid missen!) als hij niet gelardeerd was met een tal van prachtige naïeveteiten. De middeleeuwsche toeschouwers, lezers en kunstenaars (die bijv. een Jeruzalemsche hooge-priester in Katholiek bisschopsgewaad ten hoogste aannemelijk vonden) stoorden zich niet aan een anachronisme of onmogelijkheid meer of minder en wij—storen er ons ook niet aan, want aan de innerlijke waarde van de Middeleeuwsche kunst doen zij geen afbreuk en—grappig zijn ze vaak in hooge mate. Zoo het blijkbaar geloof in Vrouw Venus bij den christen Gloriant—zoo de "Godenkraam", waarbij de Sarraceensche dramatis personae om de andere seconde zweren: Mamet en Mahoen, (verbasteringen van Mohammed die voor een afgod werd gehouden; dat de Mohammedanen monotheïsten waren drong tot onze Middeleeuwers niet door!) Apolijn, Jupetijn en Tervogant die uit de klassieke mythologie zijn geïmporteerd,—zij zijn niet alleen in dit stuk het pantheon der Saracenen.

Ook de "bekeering" van Florentijn tot het Christendom mag in dit theologisch verband worden gememoreerd. Zij is een waardig pendant van die van Esmoreit in het gelijknamige spel en is al even-weinig voorbereid door behoorlijk godsdienstonderricht!

Ook Rogier is kostelijk, die voor de gezelligheid van Gloriant en Florentijn, uit woede op zijn Heer Roedelioen en Mamet ten spijt Christen zegt te worden, maar even later nog hartgrondig een Tervogantsche knoop er op legt! (vs. 964). Hij is niet zoo dociel als Esmoreit die onmiddellijk na zijn bekeering op vastberaden wijze "Christelijk" zweert.

Maar alle spot ter zijde, er is toch ook iets zeer schoons gelegen in het gevoel van absolute superioriteit nopens zijn godsdienst, dat de middeleeuwsche Christen in zich omdroeg en waardoor dergelijke voor ons onaannemelijke bekeeringen tot iets van-zelf-sprekends werden.

Aardig van ongemotiveerdheid is ook (vs. 739) hoe de "verrader" Floerant den koning direct weet te rapporteeren dat de man in wiens armen Florentijn wordt aangetroffen de hertog van Brunswijk is! Hoe kon hij dat weten?

Ten slotte moet ik nog op enkele practische punten in verband met mijn wijze van uitgeven wijzen:

1°. Aan textcritiek is bij deze populaire uitgave wederom niet gedaan;

2°. De verklarende noten pretendeeren niet steeds wetenschappelijk-getrouwe "vertalingen" van de Middelnederlandsche text te zijn. Vaak is deze niet letterlijk, maar in zijn moderne "gevoelswaarde" weergegeven: ik bedoel de aanteekening geeft dan "wat wij in zoo'n geval zouden zeggen;"

3°. De indeeling in bedrijven en tooneelen en de tooneel-aanwijzingen komen natuurlijk niet in het handschrift voor, maar zijn van schrijver dezes, die bij voorbaat erkent, dat voor een eenigszins-andere indeeling hier en daar wat te zeggen ware. Zoo zou men kunnen aanvoeren dat wat hier als tweede bedrijf is gegeven eigenlijk nog tot de "expositie" behoort en dus nog bij het eerste bedrijf had moeten worden ingedeeld. Maar na rijpelijk overdenken ben ik tot de conclusie gekomen dat, zooals ik het nù heb gedaan, de ontwikkeling der gebeurtenissen voor den lezer overzichtelijker is;

4°. Wat de spelling en uitspraak van het Middelnederlandsch betreft; er zij nog even aan het volgende herinnerd: oe = oo; y = ie; verbindingen van werkwoord + voornaamwoord komen veel voor, bijv.: latic = laat ik; stoerfdi = stierft gij;

In het algemeen geven de noten uitsluitsel.

Geniet, lezer (en eventueel toeschouwer), van dit allerleukste stukje middeleeuwen, zooals schrijver dezes van het herlezen-na-jaren en zich-er-in-werken genoten heeft!

R.J. SPITZ.





PERSONEN:



Prologhe,

Gloriant, hertogh van Bruyswyck,

Gheraert, shertoghen oem,

Godevaert,

Die Roede Lioen,
coninc van Abelant,

Rogier,

Floriant,

Hangdief,

Florentyn die maghet.




Prologhe:

bewaren alle gader.

Heren ende vrouwen, groet ende clene,

Ic bidde u allen int ghemene,

Dat ghi wilt maken een ghestille
5

Ende merct daer na diet merken wille.

Men sal u hier spelen een suverlijc
dinc

Van enen hoghen jonghelinc

Die hertoghe was van Bruyswijc.

Hem dochte dat niemen sijns ghelijc
10

Op eertrike niet vinden en mochte,

Ende sprac uut overmoedege gedochte,

Roemeghe
worden ende onbekint,

Daer dicke die menege es bi ghescint.

Want wie dat hem te hoghe beroemt
15

Als dan die sake anders coemt

Soe wort hi bi den roeme ghescant:

Alsoe ghevielt desen hoghen wigant:

Al was hi rike
ende hoghe gheboren,

Uut groten roem soe quam hem toren.
20

Om dat hi sprac roemeghe woert,

Wert vrouwe Venus op hem ghestoert,


Die roemeghe worde, die hi sprac,

Alsoe ghi nu hier selt bescouwen.
25

Daer omme radic heren ende vrouwen,

Dat hem nieman te hoghe en sal beroemen,

Want daer es selden ere af comen.

Te hoghen roem en wert nie
ghepresen.

Nu bidden wi gode, die wert ghesleghen
30

Ane een cruce om onsen sonden,

Dat wi alle salich werden vonden

Te Josepat in dat soete dal,

Daer God sijn oerdeel besitten
sal:

Dies biddic Maria der coninghinnen.
35

Nu hoert ende swijcht, wi gaen beghinnen.





EERSTE BEDRIJF




Tooneel I


(
Aan het hof te Brunswijk
)


Gheraert, shertoghen oem:

Waer sidi, lieve vrient Godevaert?


Godevaert:

Ic ben hier, heer Gheraert,

Nu segt mi, wats die raet?


Gheraert:

Godevaert, het en dochte mi niet quaet,
40

Dat ons hertoghe, die hoghe baroen,

Enen huwelijc woude doen

lijf

Ende es een sterc jonc man van daghen:
45

Hadde hi een wijf, si mochte draghen

Kindren, dat ware des lants profijt.

Hets een lantscap groet ende wijt,

Het ware scade, bleeft sonder gheboert.

Daer omme hebbic u gheroepen voert,
50

Dat ghi ons daer toe sout gheraden.


Godevaert:

Heer Gheraert, dat en mochte niet scaden,

Daer hebbic oec onlancs om ghepeinst.

Maer ic segghe u al ongheveinst,

Heer Gheraert, ghi sijt des hertoghen oem,
55

Daer omme moetti sijns nemen goem

Meer dan ic ofte die hem niet en bestaet.


Gheraert:

Wattan,
Godevaert, ghi moet ons raet

Gheven, hoe dat wi varen
moghen.

Dlantschap waers
in goeden hoghen,
60

Hadde hi een wijf ende kinder daer bi.


Godevaert:

Heer Gheraert, daer omme selen wi ic ende ghi

Onder ons beiden daer na spien.

Ic weet ons wel na ene te sien

Die men hem gheven sal herde
gherne.
65

Dats die coninc van Averne

Heeft een dochter noyael
ende goet,


Ende hevet enen goeden aert.


Gheraert:

Sekerlijc, heer Godevaert,
70

Die huwelijc dochte mi goet:

Die coninc van Averne es een edel bloet

Ende die altoes binnen sinen daghen

Sine wapen eerlijc heeft ghedraghen,

Ende sijn vorders
van goeder aert.
75

Sekerlike, Godevaert,

Desen huwelijc dochte mi goet ghedaen.


Godevaert:

Laet ons dan toten hertoghe gaen

Ende laet ons hem dit legghen te voren,

Dan so moghen wi spreken horen,
80

Hoe dat hi beraden
si.

Nu willen wi gaen ic ende ghi

Ende laet ons horen wat hi seght.