WeRead Powered by ReaderPub
Een Midzomernachtdroom cover

Een Midzomernachtdroom

Chapter 6: Tweede Bedrijf.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De handeling verweeft vier verhaallijnen: de politieke voorbereiding van een beoogd huwelijk van een hertog en zijn bruid; twee jonge paren wiens verliefdheden en gezagsconflicten hen in het nabije woud brengen; een groep dorpsambachtslieden die een toneelstuk repeteren; en de strijd tussen de elfenkoning en -koningin waarbij een ondeugende geest met een liefdesdrank verwarring zaait. Nachtelijke betovering, komische misverstanden en identiteitswisselingen laten de grenzen tussen droom en werkelijkheid vervagen en onderzoeken thema's als liefde als willekeur, transformatie en de spelende natuur van verbeelding.

Een Midzomernachtdroom.

  • Personen:

  • Theseus, hertog van Athene.
  • Hippolyta, koningin der Amazonen, verloofd met Theseus.
  • Egeus, vader van Hermia.
  • Hermia, dochter van Egeus, verliefd op Lysander.
  • Minnaars van Hermia.
    • Lysander,
    • Demetrius.
  • Helena, verliefd op Demetrius.
  • Philostratus, bestuurder der hoffeesten.
  • Dissel, een timmerman.
  • Schaaf, een schrijnwerker.
  • Spoel, een wever.
  • Wind, een blaasbalgmaker.
  • Tuit, een ketellapper.
  • Slokker, een snijder.
  • Oberon, de koning der Elfen.
  • Titania, de koningin der Elfen.
  • Puck, een kabouter, Oberons dienaar.
  • Elfen.
    • Erwtebloesem,
    • Spinrag,
    • Mot,
    • Mosterdzaad.
  • Andere Elfen, in het Gevolg van hun koning en koningin.
  • Gevolg van Theseus en Hippolyta.

Het tooneel is te Athene en in een nabijgelegen woud.

Eerste Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Athene. Een Zaal in het paleis van Theseus.

Theseus, Hippolyta, Philostratus en Gevolg komen op.

Theseus.

Thans komt, Hippolyta, ons huwlijksuur

Met spoed nabij. Vier blijde dagen brengen

Een nieuwe maan; maar o! wat talmt die oude

Met af te nemen! Wat ik vurig wensch

Vertraagt ze, dralend als een weduw doet,

Die van haar stiefzoons renten ’t leven rekt.

Hippolyta.

Vier dagen, zij verzinken snel in nacht;

Vier nachten, zij verdroomen snel den tijd;

Dan wordt op nieuw de zilvren boog der maan

Gespannen aan den hemel, en beschouwt

De nacht van ons festijn. 12

Theseus.

De nacht van ons festijn. Philostratus,

Ga, wek Athene’s jeugd tot blij gejuich;

Roep op den vluggen, dartlen geest der vreugd;

Verban zwaarmoedigheid naar ’t huis van rouw;

Die bleeke gast past niet bij onzen trouw.—

(Philostratus af.)

Hippolyta, ik vroeg u met mijn zwaard,

En won uw liefde door u leed te doen;

Maar wil u huwen op een andre wijs,

Met pracht en praal en blijde feestlijkheid.

(Egeus, Hermia, Lysander en Demetrius komen op.)

Egeus.

Heil Theseus, onzen grooten hertog heil!

Theseus.

Dank, Egeus, dank!—Gij wilt iets vragen? Spreek!

Egeus.

Vol leedgevoel verschijn ik en verklaag

Mijn kind hier, mijne dochter Hermia.

Treê voor, Demetrius.—Mijn eedle Heer,

Aan dezen man beloofde ik hare hand;—

Treê voor, Lysander;—en, genadig vorst,

Hier deze heeft mijn dochters hart betooverd;—

Gij, gij, Lysander, schonkt haar teedre rijmpjes,

Gij ruildet minnepanden met mijn kind,

Zongt aan haar venster vaak bij maneschijn,

Met valsche stem, een lied van valsche min,

En prenttet haar ter sluik uw beeld in ’t brein

Door ringen, wissewasjes, vlokjes haar,

Door speeltuig, tuiltjes, lekkernijen,—boden

Van veel gewicht bij de onervaren jeugd;

Door list hebt gij mijn dochters hart gekaapt,

De volgzaamheid, die zij mij schuldig is,

In wreevle koppigheid verkeerd.—Mijn vorst,

Wanneer zij thans niet voor uw troon belooft

In de’ echt te treden met Demetrius,

Dan vraag ik, krachtens ’t oude Atheensche recht,

Volstrekte macht op haar, mijn eigendom;

Zij kieze: en neem’ deez’ man tot echtgenoot,

Of lijd’ de doodstraf, die naar onze wet

In dit geval onmidlijk volgen mag.

Theseus.

Wat zegt gij, Hermia? wees wijs, schoon kind; 46

Uw vader moet u gelden voor een god,

Die uwe schoonheid schiep; voor iemand, wien

Gij slechts een beeld van was zijt, dat door hem

Gevormd is en dat hij bewaren kan,

Maar dat hij ook de macht heeft te verbreken.

Demetrius is toch een waardig man.

Hermia.

Lysander is het ook.

Theseus.

Lysander is het ook. Ja, op zichzelf;

Maar hier, nu hij uws vaders stem niet heeft,

Is de ander hem in waardigheid vooruit.

Hermia.

O, waar’ ’t mijn oog, waarmeê mijn vader koos!

Theseus.

Wierd eer ùw oog door zijne keus geleid!

Hermia.

Ik smeek u om verschooning, edel vorst;

Ik weet niet, wat de kracht, den moed mij geeft,

Noch of het aan een zedig meisje past,

Dat ik in zulk een hoogen kring mij uit;

Maar toch, ik waag ’t, mijn vorst, de vraag te doen:

Wat is het ergste, dat mij treffen kan,

Als ik Demetrius mijn hand ontzeg?

Theseus.

Ziehier uw keus: gij sterft den dood, of zweert

’t Verkeer met mannen voor uw leven af.

Dus, schoone Hermia, beproef uzelf;

Denk aan uw jeugdig bloed; stel u de vraag,

Of,—als ge uws vaders wenschen wederstreeft,—

Gij ook der nonnen dracht verduren kunt,

En, steeds in ’t sombre klooster ingesperd,

Als kuische zuster levenslang den lof

Der koude maan met matte liedren zingen!

Driewerf gelukkig, wien ’t betoomde bloed

Aldus des levens pelgrimstocht vergunt;

Doch ’t roosje, dat zijn geur genieten doet,

Leeft zoeter leven, dan dat op zijn struik

Groeit, leeft en sterft in heilige eenzaamheid.

Hermia.

Zoo wil ik groeien, leven, sterven, Heer,

Eer dat mijn maagdeblos de heerschappij

Erkenn’ van hem, wiens opgedrongen juk

Mijn ziel versmaadt en nooit aanvaarden zal.

Theseus.

Bedenk u nog;—bij de eerste nieuwe maan,—

Den dag, die tusschen mijn geliefde en mij

Den eeuw’gen band van trouw bezeeglen zal,—

Wees dan bereid te sterven op dien dag,

Wijl gij den wil uws vaders niet wilt doen;

Of doe dien, reik Demetrius de hand;

Of wel, Diana’s outer hoore uw eed

Van streng en eenzaam leven voor altoos. 90

Demetrius.

Word, Hermia, verzacht!—Lysander, geef

Voor mijn goed recht uw krachtlooze aanspraak op!

Lysander.

Gij hebt haars vaders gunst, Demetrius;

Trouw dus met hem en laat mij Hermia.

Egeus.

’t Is waar, gij spotter, hij bezit mijn gunst;

En al het mijne schenkt mijn gunst aan hem;

Ook zij is mijn, en al mijn recht op haar

Verleent mijn gunst nu aan Demetrius.

Lysander.

’k Ben, Heer, van even edel bloed als hij;

Niet minder rijk; mijn liefde is grooter zelfs;

Zoo weegt mijn rang, mijn stand, kortom mijn staat

Den zijnen op, of overweegt dien nog;

En,—wat nog meer dan al dit roemen geldt,—

Mij schonk de schoone Hermia haar min;

Waarom dus zou ik op mijn recht niet staan?

Demetrius,—ik zeg ’t hem in ’t gezicht,—

Heeft Nedars dochter, schoone Helena,

Het hof gemaakt; het meisje kreeg hem lief,

Hem innig lief, ja meer, afgodisch lief,

Hem, dezen valschen, wisselzieken man.

Theseus.

’k Erken, dat ik ’t vernam, en ’k was van zins

Demetrius hierover aan te spreken;

Maar eigen zaken boeiden mij te zeer,

Het is me ontgaan.—Maar kom, Demetrius,

En Egeus ook; ik wil u onder ons

Eens zeggen, wat ik denk van deze zaak.—

Gij, schoone Hermia, houd u bereid

Uw hoofd te buigen voor uws vaders wil;

Want anders eischt Athene’s wet,—door ons

In ’t minst niet te verzwakken,—uwen dood,

Of doemt u tot den ongehuwden staat.—

Hippolyta, hoe is ’t, mijn lieve bruid?—

Komt, Egeus en Demetrius, wij gaan;

Ik heb u noodig voor ons huwlijksfeest,

Maar deel het een en ander bovendien

U meê, dat van nabij uzelf betreft.

Egeus.

Wij volgen u, naar plicht en eigen wensch.

(Theseus, Hippolyta, Egeus, Demetrius en Gevolg af.)

Lysander.

Hoe is ’t, mijn lief, hoe ziet uw wang zoo bleek?

Hoe zijn de rozen er zoo snel verwelkt?

Hermia.

Wellicht wijl regen haar ontbreekt, ofschoon

Mijn oogen rijk genoeg in tranen zijn.

Lysander.

Wee mij; naar alles wat ik las en ooit

Uit sagen of geschiedenis vernam,

Vloot nooit de stroom van ware liefde zacht;

Nù was zij te verschillend door geboort’,—

Hermia.

O ramp! voor needrig dienen al te hoog! 136

Lysander.

Dan weer, wat leeftijd aangaat, slecht geënt,—

Hermia.

O hoon! te oud voor een verbond met jeugd!

Lysander.

Dan hing zij van de keus van vrienden af,—

Hermia.

O hel! te kiezen met eens anders oog!

Lysander.

Of, was ook ziel met ziel aaneengesmeed,

Dan heeft haar ziekte, krijg of dood belaagd,

Voorbijgaand, vluchtig als een klank doen zijn,

Kort als een droombeeld, ijdel als een schim,

Snel als het weerlicht in koolzwarte nacht,

Dat plotsling aarde en hemel openbaart,

Maar, eer een mensch nog zeggen kan: “het licht!”

Weer door de duisternis verslonden wordt;

Zoo snel verdwijnt het schoonst en schitt’rendst heil.

Hermia.

Als leed dus altijd trouwe liefde trof,

Zoo blijkt het, dat het noodlot dit besloot,

En dan leer’ de beproeving ons geduld,

Wijl immer bij de liefde leed behoort,

Zooals ook mijmren, droomen, wenschen, zuchten

En tranen vaste mintrawanten zijn.

Lysander.

Een juist besluit. Dus hoor nu, Hermia;

Ik heb een moei, die weduwe is: zij woont

Op zeven mijlen afstands van Athene;

Zij is van groot vermogen, kinderloos,

En zij beschouwt mij als haar’ een’gen zoon.

Daar huw ik u, mijn lieve Hermia,

En daarheen kan de felle Atheensche wet

Ons niet vervolgen. Dus, hebt gij mij lief,

Sluip morgen nacht dan uit uws vaders huis;

En in het woud, een uurtje van de stad,—

Waar ik u ’s ochtends eens met Helena

Ter viering van het Meifeest heb ontmoet,—

Daar zal ik op u wachten.

Hermia.

Daar zal ik op u wachten. Mijn Lysander!

Ik zweer u bij Cupido’s strafsten boog,

En felste schicht met gouden punt, bij de onschuld

Van ’t duivenspan, dat Venus’ wagen trekt,

Bij al wat harten bindt en liefde wekt,

En bij de vlam, waar Dido zich den dood

Door bracht, toen de Trojaan haar valsch ontvlood,

Bij alle de eeden, die de man ooit brak,

In aantal meer dan die de vrouw ooit sprak;

Gij treft ter plaatse, die gij hebt bedacht,

Mij waarlijk morgen aan te middernacht.

Lysander.

Houd, liefste, woord!—Zie, daar komt Helena. 179

(Helena komt op.)

Hermia.

Wees welkom, schoone Helena! Waarheen?

Helena.

Gij noemt mij schoon? Herroep dat “schoon” toch. Neen,

Schoon noemt Demetrius u; hem is uw schoon,

Uw oog een leidstèr, uwer stemme toon

Veel zoeter dan den herder ’s leeuwriks lied,

Als ’t koren groent, de rooz’laar bloesems schiet.

Hoe meen’ge ziekte, die licht overslaat!

Waar ’t zoo met schoon, ik eigende uw gelaat,

Mijn oog stal uwen blik, mijn oor verslond

Uw zoet geluid en leerde ’t aan mijn mond.

Waar’ de aarde mijn, ik koos Demetrius uit,

En liet dan gaarne aan u de rest ten buit.

O, leer me uw blik; o zeg, wat tooverkracht

Schonk op zijn harteklop u zulk een macht?

Hermia.

Ik frons het voorhoofd, toch zoekt hij mijn gunst.

Helena.

Leerde uw gefrons mijn glimlach zulk een kunst!

Hermia.

Door bitse woorden blaas ik ’t vuur nog aan.

Helena.

Deed mijn gevlei bij hem die vlam ontstaan!

Hermia.

Hoe meer ik haat, te vuur’ger mint hij mij.

Helena.

Hoe meer ik min, te feller haat hij mij!

Hermia.

’k Heb aan zijn dwaasheid, Helena, geen schuld.

Helena.

Neen, maar uw schoonheid wel; had ik die schuld!

Hermia.

Ontvang als troost, dat hij mij nooit meer ziet,

Daar ik van hier met mijn Lysander vlied.—

O, vóór den tijd, dat ik Lysander zag,

Was mij Athene een Paradijs; maar, ach!

Sinds zijn betoovring mijn gemoed regeert,

Heeft die den hemel in een hel verkeerd!

Lysander.

Ons plan zij, Helena, u toevertrouwd,

Als morgen nacht zich Phoebe weer beschouwt,

Haar zilvren aanschijn spieglend in den vliet,

Dauwdruppels spreidend over gras en riet,

En duisternis de vlucht verbergen zal,

Verlaten wij ter sluik Athene’s wal.

Hermia.

En op dat bloemrijk plekje van het woud,

Waar gij en ik zoo vaak in zoeten kout

Neêrlagen en ons hart uitstortten, dáár

Ontmoeten nu mijn lief en ik elkaar;

Wij zoeken, nu Athene ons zoo verbant,

Ons nieuwe vrienden in het vreemde land.

Vriendin, vaarwel! Zend ons uw heilbeê na;

Schenke u ’t geluk Demetrius als gâ!—

Houd woord, Lysander! Ach, ons oog versmacht

Naar liefdes troost,—maar ’t moet,—tot morgen nacht! 223

Lysander.

Vertrouw op mij. (Hermia af.)—’t Ga, Helena, u goed:

Dra worde ùw min door wedermin begroet!

(Lysander af.)

Helena.

Wat oogst toch de eene liefde, de andre hoon!

Wij gelden in Athene als even schoon;

Wat helpt dit, vindt Demetrius het niet?

Die wil niet zien, wat ieder ander ziet;

En is hij dwaas, als hij voor Hermia gloeit,

’k Ben even dwaas, als mij zijn aanblik boeit.

Zelfs aan wat leelijk en nietswaardig is,

Leent liefde schoonheid en beteekenis.

Zij ziet niet met het oog, maar met het hart,

Van daar is ze in haar oordeel vaak verward,

En daarom heet de God der liefde blind,

En is zijn beeltnis een gevleugeld kind,

Dat onbesuisd, niet ziende, in ’t wilde vliegt

En in zijn keus zoo dikwijls zich bedriegt.

Zooals bij ’t spel een knaap geen eed ontziet,

Ontziet des noods de Liefde een meineed niet:

Eer Hermia Demetrius ontstak,

Werd eed op eed, als hagelslag op ’t dak,

Aan mij gedaan; die hagel, ach! verdween

En vloeide weg, toen hààr zon hem bescheen.—

Ik meld hem fluks de vlucht van Hermia,

Dan ijlt hij morgen nacht in ’t woud haar na;

O, dat hij voor ’t bericht mij dank bewijz’!

Dit wensch ik, doch ik koop ’t voor hoogen prijs.

Maar ’t smartlijk heil is niet te duur gekocht,

Als ik hem volg en zie op zijnen tocht.

(Helena af.)

Tweede Tooneel.

Aldaar. In ’t huis van Dissel.

Dissel, Schaaf, Spoel, Wind, Tuit en Slokker komen op.

Dissel.

Is ons heele gezelschap nu bij mekâar?

Spoel.

Je zoudt het best doen, als je ze allen in eens opriept, man voor man, zooals zij op de ceêl staan.

Dissel.

Hier heb ik het lijstje van ieders naam, die in heel Athene voor bekwaam gehouden wordt om te spelen in ons tusschenspel voor den hertog en de hertogin op zijn trouwdag in den avond.

Spoel.

Zeg nu eerst, goede Pieter Dissel, waar het stuk over loopt; lees dan de namen van de spelers en kom zoo aan het begin.

Dissel.

Komaan dan, ons stuk is: de zeer jammerlijke comedie en zeer droevige dood van Pyramus en Thisby.

Spoel.

Een mooi stuk werk, dat verzeker ik je, en een grappig ook!—Kom, goede Pieter Dissel, roep nu de spelers op, bij ’t lijstje af.—Mannen, wat uit mekâar, op een rij! 17

Dissel.

Geeft antwoord, als ik je opnoem.—Klaas Spoel, de wever!

Spoel.

Hier. Zeg nu, welke rol ik heb, en ga dan voort.

Dissel.

Jij, Klaas Spoel, staat hier voor Pyramus.

Spoel.

Wat is Pyramus? een minnaar of een tyran?

Dissel.

Een verliefd minnaar, die zijn eigen uit verliefdheid dapper doodsteekt.

Spoel.

Dat zal een traan of ettelijk kosten, als het natuurlijk gespeeld wordt. Als ik het doe, laten de toeschouwers dan hun zakdoeken klaar houden; ik zal stroomen laten vergieten; ik zal aandoenlijk wezen, dat het liefhebberij is.—Nu de volgenden;—maar toch, ik heb het meeste sjenie voor een tyran; ik zou Erkles prachtig kunnen spelen, of een grimmige rol, die alles kort en klein slaat:

“De rouwe rots

Bonst met een bots

En sleurt des slots

Gevangnis om;

Maar Phibbus’ kar,

Die straalt als star,

Werpt in de war

Den dollen drom.”

Dat ging daar verheven;—Ga nu voort met de namen van de spelers!—Dat is zoo de manier voor Erkles, de manier voor een tyran; een minnaar valt meer in ’t aandoenlijke.

Dissel.

Wouter Wind, de blaasbalkmaker!

Wind.

Hier, Pieter Dissel!

Dissel.

Jij moet Thisby op je nemen.

Wind.

Wat is Thisby? een dolend ridder?

Dissel.

Neen, dat is de juffer, waar Pyramus op verliefd moet zijn.

Wind.

Neen maar, wat weêrga, je moet me niet voor vrouw laten spelen; mijn baard komt al mooi uit.

Dissel.

Dat doet er niet toe; je kunt een momgezicht voordoen en je moogt een stemmetje gebruiken, zoo fijn als je maar wilt. 52

Spoel.

Als ik mijn gezicht mag wegstoppen, laat mij dan òòk voor Thisby spelen; ik zal een verschrikkelijk fijn stemmetje opzetten:—“Thisne, Thisne!”—“O Pyramus, o mij zoo dier! zie hier uw Thisby, u zoo dier, uw bruid zoo dier!”

Dissel.

Neen, neen, jij moet voor Pyramus spelen, en jij, Wind, voor Thisby.

Spoel.

Goed, ga voort.

Dissel.

Steven Slokker, de snijder!

Slokker.

Hier, Pieter Dissel!

Dissel.

Steven Slokker, jij moet voor Thisby’s moeder spelen.—Jan Tuit, de ketellapper!

Tuit.

Hier, Pieter Dissel!

Dissel.

Jij voor Pyramus’ vader; ikzelf voor Thisby’s vader.—Schaaf, de schrijnwerker, jij hebt de rol van den Leeuw; en nu, hoop ik, zijn we klaar met de rollen.

Schaaf.

Heb je de rol van den Leeuw ook op papier? Och toe, heb je ze, geef ze mij dan, want ik ben zoo hardleersch.

Dissel.

Je kunt het wel zoo voor de vuist doen, want het is niets als brullen.

Spoel.

Geef mij de rol van den Leeuw ook! Ik zal brullen, dat het ieders hart goed zal doen mij te hooren; brullen zal ik, dat de hertog zal zeggen: “nog ereis brullen! nog ereis brullen!”

Dissel.

Als je het al te vreeselijk deedt, zou je de hertogin en de dames laten schrikken, dat ze aan het gillen raakten; en dat zou genoeg wezen om ons allemaal aan de galg te brengen.

Allen.

Ja, dat bracht ons aan de galg, allemaal, zooals we hier zijn!

Spoel.

Ik moet ook zeggen, vrienden, dat, als we de dames zoo deden schrikken, dat ze buiten-d’r-zelf raakten, ze d’r niet op zouden zien, als we gehangen werden; maar ik zal m’n stem zoo’n forcie geven, dat ik je zoo zacht zal brullen als het liefste zuigduifje; ik zal je brullen, alsof je een nachtegaal hoorde.

Dissel.

Neen, jij kunt geen andere rol hebben als Pyramus; want Pyramus is een man met gladde wangen; een man zoo net als je er maar een op een zomerschen achtermiddag te zien krijgt, een heel fatsoenlijk, een heerachtig man; daarom, jij moet volstrekt Pyramus spelen.

Spoel.

Nu, ik neem het aan. In wat voor baard zou ik hem het best spelen?

Dissel.

Wel, zooals ge zelf verkiest. 94

Spoel.

Ik wil hem je geven in een stroogelen baard, of in een oranjebruinen baard, in een karmezijnrooden baard, of in een Fransch-kroongelen baard, zoo mooi hooggeel.

Dissel.

Er zijn Franschen genoeg met een geheel kale kruin, en zoo zou je ook wel zonder baard kunnen spelen.—Maar, mannen, hier zijn je rollen; ik dring bij je aan en bid en verlang, dat je ze morgen avond van buiten kent; en dat je in het bosch van het paleis dan bij me komt, een mijl van de stad, bij maanlicht; daar zullen we rippeteeren; want, komen wij in de stad bij mekaâr, dan krijgen ze het in den neus, en dan krijgen we toehoorders, en dan was ons plan bekend. Ik zal in den tusschentijd een lijst maken van de benoodigdhedens, die er voor ons stuk niet zijn. Nu, mannen, ik verzoek je, laat me niet in den steek!

Spoel.

We zullen maken dat we er zijn, en daar kunnen wij in ’t geniep en vrijmoedig onze rippetitie houden. Doet je best maar en kent den boel! Atjé!

Dissel.

Bij den hertogseik dan, daar komen we bij mekaâr.

Spoel.

Ja goed; past op er te wezen of het zal er spannen!

(Allen af.)

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Een woud bij Athene.

Elfe en Puck komen op, van verschillenden kant.

Puck.

Zeg, geest, waarheen? waar zwerft gij heen?

Elf.

Over berg en vallei,

Over heg, over muur,

Door het park, door de wei,

Door rivier en door vuur,

Zwerf ik rond met elfenspoed,

Vlugger dan de maanbol doet,

Dien mijn koningin, en houd

Frisch haar plekjes in het woud;

Primula’s, haar eerewacht,

Zijn op ’t gouden kleed bevracht

Met robijnen, elvengaven,

Die de lucht met geuren laven;

Ik moet om druppels dauw dit veld hier door,

Hang elke bloem een paarl in ieder oor.

Vaarwel, gij plompe geest, want ik moet gaan,

Dra komt mijn koningin met de elfen aan.

Puck.

De koning viert een feest hier deze nacht;

Hij moet de koningin niet zien; geef acht!

Want Oberon is zeer gekrenkt en boos,

Wijl zij een lieflijk kind als dienaar koos,

In Indië geroofd, een koningszoon;

Nooit had ze in haar gevolg een knaap, zoo schoon;

Naijvrig vorderde Oberon dit kind,

Opdat het hem door ’t woud de paden vind’;

Zij weigert hem het lieve wicht en vlecht

Er kransen voor, is teêr er aan gehecht;

En waar hij nu bij ’t sterrenlicht haar ziet,

In veld of bosch, of aan een heldren vliet,

Daar volgt een twist, die heel hun elfenstoet

Verschrikt in eikelnapjes schuilen doet. 31

Elf.

Erken ik wèl uw wijs van doen, uw leest,

Dan zijt ge wis die sluwe, plaagsche geest,

’t Kaboutertje, dat boerenmeisjes kwelt,

Haar melk ontroomt en deerlijk haar ontstelt,

De boerenvrouw soms plaagt en boot’ren laat,

En buiten adem karnen, zonder baat;

Nù ’t bier niet gisten laat, dàn in de nacht

Den zwerver dolen doet, zijn leed belacht?

Maar die u vleiend noemen “lieve Puck”,

Die helpt ge in ’t werk en brengt hun steeds geluk;

Die zijt ge, naar ik denk?

Puck.

Die zijt ge, naar ik denk? Ja, juist gedacht;

Ik ben die snaaksche zwerver van de nacht,

Die Oberon vaak lustig lachen doet,

Als ik een hengst, van boonen wel doorvoed,

Bedrieglijk toebriesch als een merriepaard;

Of op een oudevrijsters-krans, bedaard,

In ’t glas mij houd als een morel, maar nauw

Brengt één mij aan den mond, of ik bedauw

Al spartlend de’ ouden boezem met het nat.

Soms kraamt een oude moei een grooten schat

Van wijsheid uit, houdt voor een driestal mij,

En wil gaan zitten, maar ik spring op zij,

En, plomp! daar ligt ze, hoest, roept moord en brand,

En heel de kring, die eerst nog in de hand

Wou proesten, giert van ’t lachen, en roept uit:

“Dat was daar van de preek een mooi besluit!”—

Maar, elfje, daar komt Oberon! Op zij!

Elf.

En hier mijn meesteres!—O waar’ ’t voorbij! 59

(Van de eene zijde komt Oberon met zijn Gevolg, van de andere Titania met haar Gevolg op.)

Oberon.

Geen vriendlijk maanlicht, trotsche koningin!

Titania.

Wat, ijverzuchtige Oberon!—Wij gaan;

Komt, elfen, vlug; ik zwoer zijn omgang af.

Oberon.

Toef, kreegle vrouw! Ben ik niet uw gemaal?

Titania.

Ja, dan ben ik uw vrouw toch!—Maar ik weet,

Hoe gij eens wegsloopt uit het elfenland,

En dagen lang, als Corydon vermomd,

Voor Phyllida, dat minziek kind, op ’t riet

Uw minnewijsjes speeldet. Waarom ijlt

Gij van ’t gebergt van Indië hierheen,

Zoo niet, omdat die klossende Amazoon,

Uw hooggelaarsde schoone, uw strijdbaar lief,

Met Theseus in den echt treedt, en gij thans

Hun sponde heil en voorspoed schenken wilt?

Oberon.

Hoe kunt gij zonder blos, Titania,

Mij heeklen met Hippolyta, bewust,

Dat ik wel weet, hoezeer gij Theseus mint?

Waart gij zijn gids niet, toen hij in de nacht

Van de eerst geschaakte Periguna vlood?

Om wien verbrak hij de’ eed van trouw aan Aegle,

Aan Ariadne en Antiopa?

Titania.

Dat zijn verdichtsels van uw ijverzucht;

Reeds sinds verleden zomer troft ge mij

Nooit meer op berg, in dal, in weide of bosch,

Aan ’t kiezlig beekje of aan ’t rietrijk meer,

Of aan het strand der zee meer aan, als wij

Een reidans hielden bij het windgefluit,

Of uw getwist heeft ons genot verstoord.

Dies zoog de wind, die nutloos voor ons floot,

Al waar’ ’t uit wraaklust, uit de zee een heer

Van booze dampen, dat, op ’t land verbreid,

Elk nietig stroompje zwellen deed van trots,

Zoodat het bruisend uit zijn bedding brak;

Dies droeg ook de os zijn juk nu te vergeefs,

De ploeger zwoegde om niet, en ’t groene graan

Verrotte, aleer zijn jeugd een baard bekwam;

Leêg staat de schaapskooi op ’t verdronken land,

En kraaien smullen aan ’t bezweken vee;

De kegelbaan is opgevuld met slijk;

De kronkelpaadjes zijn in ’t weeldrig groen

Onkenbaar, omdat niemand ze betreedt;

Dies derft het menschdom thans des winters lust,

En maken lied noch koorzang de’ avond kort;

Dies heeft de maan, die ’t waatrenrijk gebiedt,

Van toren bleek, de lucht van damp vervuld,

Zoodat de kilheid tal van ziekten kweekt;—

Ziet, ons verstoord zijn heeft den loop verstoord

Der jaargetijden; wit berijpte vorst

Valt in den schoot der teedre lenteroos;

Den ouden winter wordt op ’t gladde hoofd

Als waar’ ’t voor spot, een geur’ge krans gedrukt

Van frissche zomerknoppen; lente, zomer,

De gulle herfst, de stuursche winter ruilden

Van kleed; de wereld, gansch verbijsterd, kent

Hen, zelfs aan bloem en vrucht, niet uit elkaâr; 114

En heel die sleep van plagen komt alleen

Van onze oneenigheid, van onzen twist;

Wij hebben dien verwekt, dien voortgebracht.

Oberon.

Breng gij dan hulp; het ligt aan u; waarom

Weerstreeft Titania haar Oberon?

Ik vraag alleen een kind, dat gij bezit,

Mij tot een edelknaap.

Titania.

Mij tot een edelknaap. Vermoei u niet,

Heel ’t elfenland koopt dat kind mij niet af.

Zijn moeder had zich aan mijn dienst gewijd,

En zat in Indië’s zoet doorgeurde lucht

Vaak gansche nachten keuvlend aan mijn zij

Op ’t blanke strand der zee; wij sloegen dan

De handelsschepen, die er zeilden, gâ;

Hoe lachten wij, bij ’t bollen van het zeil

En ’t spannen van den schoot door dartlen wind,

Als zij dan aardig met haar dobbergang,—

Zij droeg mijn kleinen knaap toen in den schoot,—

Een schip geleek, dat voortzeilde op het land,

Mij snuisterijen haalde en, rijk belaân,

Als van een zeereis, tot mij wederkwam.

Zij was een stervling; ’t jongske was haar dood;

Om harentwil breng ik haar jongske groot;

Om harentwille scheide ik niet van hem.

Oberon.

Hoe lang vertoeft gij denklijk in dit woud?

Titania.

Waarschijnlijk, totdat Theseus is getrouwd.—

Neemt gij weer rustig deel aan onzen dans,

En ziet ge ons maanlichtfeest weer aan, zoo kom;

Zoo niet, mijd mij, en ik mijd uw verblijf.

Oberon.

Geef mij dien knaap en ’k ben niet meer verstoord.

Titania.

Zelfs niet voor heel uw rijk. Komt, elfen, voort!

Dit wierd een twist, vertoefde ik in dit oord.

(Titania en haar Gevolg af.)

Oberon.

Nu ga, maar ’k laat u uit dit bosch niet vrij,

Voor ik u boeten deed voor uw vergrijp.—

Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel,

Dat ik eens op een voorgebergte zat,

En een meermin er zag op een dolfijn,

Die zulke schoone melodieën zong,

Dat haar gezang de woeste zee bedwong,

En meen’ge ster wild uit haar baan verschoot,

Om ’t lied der maagd te hooren.

Puck.

Om ’t lied der maagd te hooren. Ja, ik weet het.

Oberon.

Terzelfder tijd zag ik,—gij kondt het niet,— 155

Cupido vliegen tusschen aarde en maan,

Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang,

Op een Vestale, tronend in het west,

En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem,

Alsof ’t wel honderdduizend harten gold;

Maar ’k zag de vuur’ge schicht des jongen gods

In ’t kuische licht der vochte maan gebluscht;

De hooge priesteresse ging haar weg,

In maagdlijke overdenking, ongedeerd.

Ik speurde, waar Cupido’s pijlschot viel,

De schicht viel op een kleine bloem van ’t west,

Voorheen melkwit, nu purper door zijn schot,

Door meisjes “Liefde uit oogelust” genoemd.

Haal mij die bloem; ik wees u eens het kruid;

Haar sap, gedrukt op oogleên in den slaap,

Maakt man of vrouw, ja ieder, dol verzot

Op ’t eerste levend wezen, dat hij ziet.

Haal mij dat kruid; maar wees terug, aleer

Een mijl de Leviathan zwemmen kan.

Puck.

Een veertigtal minuten, en ik ben

Den aardbol driemaal om.

(Puck af.)

Oberon.

Heb ik dit sap,

Dan let ik op Titania, en drup,

Zoodra zij slaapt, het vocht haar in het oog;

En ’t eerste, wat zij bij ’t ontwaken ziet,—

Het zij een leeuw, een beer, een wolf of stier,

Een valsche baviaan of drollige aap,—

Dat hang’ zij aan met alle kracht der min.

En eer haar oog door mij onttooverd word’,—

Ik kàn ’t onttoovren door een ander kruid,—

Staat ze op mijn eisch haar edelknaap mij af.—

Doch wie komt daar? Ik wil onzichtbaar zijn,

En luister eens wat hier verhandeld wordt.

(Demetrius komt op en Helena volgt hem.)

Demetrius.

Ik min u niet, vervolg mij dus niet meer,

Maar wijs Lysander mij en Hermia.

Ik vel den een, en de andere velt mij neer.

Gij hebt gezegd, zij vluchtten naar dit woud,

En nu zwerf ik verwoed hier om in ’t woud,

Omdat ik Hermia vergeefs er zoek.

Van hier, ga heen, en volg mij verder niet.

Helena.

Gij trekt mij aan, gij zeilsteen, hard van hart;

Niet ijzer trekt gij aan: voorwaar, mijn hart

Is deugdlijk staal; leg af de kracht, die trekt;

Dan is de kracht, waarmeê ik volg, voorbij.

Demetrius.

Lok ik u uit? en maak ik u het hof?

En zeg ik niet veeleer in ronde taal,

Dat ik u niet bemin, noch minnen kan?

Helena.

En juist daarom bemin ik u te meer.

Ik ben uw hondje; ja, Demetrius,

Kastijdt ge mij, te slaafscher vlei ik u; 204

Behandel me als uw hond; sla, stoot mij weg,

Verwaarloos mij, vergeet mij,—maar vergun,

Dat ik, al ben ik dit niet waard, u volg’.

Wat minder plaats kan ’k beedlen in uw hart,—

En toch een plaats door mij zoo hooggeschat,—

Dan dat ge mij behandelt als uw hond?

Demetrius.

Wek niet te zeer den afschuw mijner ziel,

Want zie ik u slechts aan, dan ben ik ziek.

Helena.

En ik ben ziek, als ik u niet mag zien.

Demetrius.

Gij zet te zeer uw goeden naam op ’t spel,

Als gij de stad verlaat en aan een man,

Die u niet lijden mag, u toevertrouwt,

Aan de verleiding van de donkre nacht,

De influistring van een afgelegen plaats,

Uw kostlijke eerbaarheid te hoeden geeft.

Helena.

Wat dat betreft, is mij uw eer een borg;

Het is geen nacht, als ik uw aanschijn zie,

En daarom denk ik, ’t is ook nu geen nacht;

Een wereld menschen is met mij in ’t woud,

Want gij zijt heel de wereld in mijn oog;

Wie kan dan zeggen, dat ik eenzaam ben,

Waar heel de wereld is en mij aanschouwt?

Demetrius.

Ik vlied van u en schuil in ’t kreupelbosch,

En ’t wild gedierte moge u goedig zijn.

Helena.

Het wildste dier heeft zachter hart dan gij;

Vlied, als ge wilt, en zie een ommekeer:

Apollo vlucht en Daphne jaagt hem na;

De duif vervolgt den valk; de zachte hinde

IJlt op den tijger los; o ijdle ren,

Als lafheid jaagt en moed de hielen toont!

Demetrius.

Ik wil niets verder hooren; laat mij gaan,

Of loopt gij nog mij na, geloof dan vrij,

Dat u in ’t bosch nog leed van mij weervaart.

Helena.

Steeds, in den tempel, in de stad, in ’t veld,

Doet gij mij leed aan. Foei, Demetrius!

Uw smaadlijk doen werpt op mijn kunne een smet;

De man voer’ strijd om liefde, niet de maagd;

Die verg’ geen min, om min zij haar gevraagd.

Toch volg ik, en tot hemel wordt mijn hel,

Mag ’t zijn, dat uw geliefde hand mij vell’!

(Demetrius en Helena af.)

Oberon.

Wees, nimf, gerust; eer hij dit woud verlaat,

Zoekt hij uw min en wordt door u versmaad.

(Puck komt weder op.)

Hebt gij de bloem daar? Welkom vleugelvoet!

Puck.

Daar is zij, Heer. 248

Oberon.

Daar is zij, Heer. Geef hier dan; zoo is ’t goed.

Ik weet een plekje, waar de thym nu bloeit,

De sleutelbloem en ’t zacht viooltje groeit,

Waar ’t roosje met jasmijn zijn geur verbreidt,

Door zoete kamperfoelie overspreid;

Daar zoekt des nachts Titania soms rust,

In ’t groen door dans en zang in slaap gesust;

Daar werpt de slang vaak af haar glinsterhuid,

Dat kleed, dat nog met ruimte een elf omsluit;

Ik raak haar de oogen met dit bloemsap aan,

En vul haar ’t brein met ijd’len, dollen waan.

Neem gij er ook iets van en zoek hier rond;

Een lieve Atheensche is dwars door ’t hart gewond

En wordt versmaad door wien zij mint. Bestrijk

Zijn oogen, maar draag zorg, dat te gelijk,

Als hij ze ontsluit, de jonkvrouw voor hem staat;

Gij kent den man aan zijn Atheensch gewaad.

Volbreng dit wel; hij blake in fellen gloed,

Voor haar, veel meer dan zij voor hem nu doet;

En wees terug voor ’t eerste morgenlicht!

Puck.

Gerust, mijn vorst; uw dienaar kent zijn plicht.

(Beiden af.)

Tweede Tooneel.

Een ander gedeelte van het woud.

Titania komt op met haar Gevolg van Elfen.

Titania.

Komt, nu een ronddans en een elfenzang;

Dan weg voor ’t derde deel van een minuut;

Gij, doodt den worm in knoppen van de roos;

Gij, rooft het vleugelvlies der vledermuis,

Tot rokjes voor mijn elfjes; gij, verdrijft

Den uil, die krijschend zijn verbazing uit,

Als hij ons doen bespiedt. Zingt nu me in slaap;

Gaat dan uw diensten doen en laat me in rust.

(Elfenzang.)

Eerste Elf.

Booze slangen, schuifelt niet!

Weg, gij egels, scherp van pin!

Hagedissen, padden, vliedt!

Wijkt van de Elfenkoningin!

Koor.

Nachtegaal, stem met ons in,

Zing hier: suja, slaap nu in!

Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin!

Booze macht,

Noch tooverkracht

Naadre de Elfenkoningin!

Suja, suja, slaap nu in!

Tweede Elf.

Langgebeende spinnen, vlucht!

Hommels, motten, muggen, voort!

Zwarte torren, geen gerucht!

Worm en slak, haar niet gestoord!

Koor.

Nachtegaal, stem met ons in,

Zing hier: suja, slaap nu in!

Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin!

Booze macht,

Noch tooverkracht

Naadre de Elfenkoningin!

Suja, suja, slaap nu in!

Eerste Elf.

Nu van hier; ’t is goed gedaan;

Ééne blijve op schildwacht staan. 26

(De Elfen verdwijnen. Titania is in slaap.)

(Oberon komt op en drukt het bloemsap op Titania’s oogleden.)

Oberon.

Wat gij ziet, als gij ontwaakt,

Zij hiermeê uw lief gemaakt,

’t Liefje, waar uw ziel om blaakt;

Zij het panter, beer of rat,

Borstlige ever, aap of kat,

Wat het eerst voor ’t oog u trad

Bij ’t ontwaken, worde uw schat!

Zij ’t afzichtlijk als een pad!

(Oberon af.)

(Lysander en Hermia komen op.)

Lysander.

Mijn lief, dit dwalen heeft u afgemat;

En ik erken, ik ben den weg hier kwijt;

Vindt gij het goed, dan rusten wij, mijn schat,

En wachten tot de daagraad ons verblijdt.

Hermia.

Goed; zoek, Lysander, u een rustplaats uit,

En laat deez’ heuvel over aan uw bruid.

Lysander.

Één zode steune ’t hoofd van man en vrouw;

Één hart, één bed, twee boezems en één trouw!

Hermia.

Neen, mijn Lysander, doe zooals ik zeg;

Neen, neen, niet hier bij mij; lig verder weg.

Lysander.

Ik zei ’t in onschuld, lieve, neem dit aan;

Wat liefde spreekt, moet liefde goed verstaan.

Zóó boeide uw hart het mijn, dat, naar ik meen,

Het mijne met het uwe telt voor één;

Een eed heeft onze boezems saamgesmeed

Twee boezems en één trouw, ziedaar onze eed.

Vertrouwt ge uzelf, duld, dat ik me aan uw zij,—

Want mij kunt gij vertrouwen,—nedervlij.

Hermia.

Gij haalt er dat “vertrouwen” aardig bij;—

Geloof toch, ’t was geen wantrouwen of vrees,

Dat ik u maar wat verder ginds verwees.

Maar hoor, mijn beste vriend, ronduit gezeid:

Lig verder weg uit liefde en voegzaamheid,

Zóó ver, dat op dien afstand van een man

Een eerbre maagd zich passend vlijen kan;

Goê nacht! ik slaap met dit gebed steeds in:

Standvastig zij tot ’s levens end uw min!

Lysander.

Ik zeg er “amen” op; ja, wat verkeer’,

Mijn liefde blijft dezelfde.—’k Vlij mij neêr;

Dat alle rust des slaaps nu bij u woon’! 64

Hermia.

Dat half die wensch uw schoonen wensch beloon’!

(Zij slapen in, op eenigen afstand van elkander.)

(Puck komt op.)

Puck.

Door het woud ben ik gegaan,

Geen Athener trof ik aan,

Door wiens oog mij worde ontdekt,

Hoe dit bloempje liefde wekt.—

Wie ligt daar? O, stille nacht!

’t Is de Atheensche kleederdracht.

Meester, ja, dit is de maat,

Die de Atheensche maagd versmaadt;

En ook ’t meisje slaapt gezond

Op den vochten, killen grond.

’t Lieve kind, zelfs in den slaap

Vliedt zij de’ ongelikten knaap.

Op uw oogen, barre beer,

Stroom’ dit krachtig bloemsap neer;

(Hij drukt het sap op Lysanders oogen.)

Als ge ontwaakt, de liefde moog’

Sluimring weren van uw oog.

Wordt nu wakker, ’k laat u vrij;

Oberon verlangt naar mij.

(Puck af.)

(Demetrius en Helena, in snellen loop, komen op.)

Helena.

Toef, toef, Demetrius, dood mij veeleer.

Demetrius.

Ga, zeg ik u, en kwel mij zoo niet meer.

Helena.

Laat gij me in ’t duister hier? o, ga niet heen!

Demetrius.

’t Is u geraden, blijf! ik ga alleen.

(Demetrius af.)

Helena.

O ademloos maakt mij deze ijdle jacht!

Hoe meer ik smeek, hoe meer hij mij veracht,

’t Geluk is een trawant van Hermia,

Haar oog trekt aan, waar ze ook haar blik op sla.

Hoe kreeg haar oog dien glans? Door tranen niet,

Daar ik er eindloos meer dan zij vergiet.

Neen, neen, afzichtlijk ben ik als een beer;

Wat dier me ook zag, ’t vlood angstig iedren keer;

Geen wonder, dat Demetrius mij ducht,

En mij, of ik een monster ware, ontvlucht.

Wat leugenspiegel blies mij in, dat ik

Mij meten kon met haren fonkelblik?—

Maar wie is daar?—Lysander! op den grond!

Dood, of in slaap?—Ik zie noch bloed, noch wond.— 101

Lysander, vriend! ontwaak, indien gij leeft.

Lysander

(ontwakend). En ’k loop door vuur, als dit u vreugde geeft.

O Helena, doorluchtig wonderwezen!

’k Zou door uw borst in ’t hart u kunnen lezen!

Waar is Demetrius? o, dubbel waard

Om zijn verraad te sneven door mijn zwaard!

Helena.

O spreek zoo niet, Lysander! spreek zoo niet;

Schoon hij aan Hermia zijn liefde bied’,

’t Is niets, want zìj mint ù. Wees dus tevreên.

Lysander.

Tevreên met Hermia? Neen, ik beween

Elk uur, met haar verspild; ik min alleen

U, Helena, en Hermia verdwijnt.

Wie kiest een kraai, als hem een duif verschijnt?

De rede sture steeds den wil des mans;

De rede zegt mij: u behoort de krans.

Wat groeit, bereikt zijn rijpheid schreê voor schrede,

Mijn jeugd eerst nù de rijpheid van de rede;

En heb ik ’t oordeel nu van onderscheid,

Dan zij ’t de rede, die mijn keus geleid’;

Die laat mij nu der liefde doen en wezen

In gouden lett’ren uit uw oogen lezen.

Helena.

Waarom verdiende ik zulk een hoon van ’t lot,

Wanneer van u, Lysander, zulk een spot?

Is ’t niet genoeg, is ’t niet genoeg, jong man,

Dat ik noch nu, noch ooit verwerven kan,

Dat hij, dien ’k min, een zoeten blik mij schenkt?

Is ’t recht, dat ge om die onmacht zoo mij krenkt?

Voorwaar, ’t is onrecht, ja, ’t is godgeklaagd,

Dat gij, vol bittren spot, me om liefde vraagt!

En nu vaarwel, maar dit zij u gemeld,

Ik had bij u meer adel ondersteld.

O, dat een vrouw, door éénen man versmaad,

Dies van een andren krenking ondergaat!

(Helena af.)

Lysander.

Haar blik viel niet op Hermia.—Slaap gij,

En kom Lysander nimmermeer nabij! 136

Want evenals een overmaat van zoet

Steeds weerzin wekt, ja meer, zelfs walgen doet,

En hij een ketterij op ’t felste haat,

Die haar bedrog erkent en haar verlaat;

Zoo gij, mijn overmaat, mijn ketterij,

Wek ieders haat, maar allermeest van mij!

Mijn hulde zij, met jonglingsvuur en kracht,

Voortaan alleen aan Helena gebracht!

(Lysander af.)

Hermia

(ontwakend). O help, Lysander, help toch! mij is bang!

Een beest kruipt op mijn boezem; ’t is een slang!

Wee mij! erbarm u!—Welk een droom was dat?

O zie, ik bibber nog van vrees, mijn schat!

Ik droomde, een booze slang knaagde aan mijn hart,

En gij keekt lachend naar mijn wreede smart!—

Lysander!—Wat!—Lysander!—Ongehoord!

Waar zijt ge? Weg? ver weg? geen enkel woord?—

Helaas! waar zijt ge? spreek! ik roep u, ik!

Bij al wat heilig is, ik zwijm van schrik.

Nog niets? waar zijt ge?—wee, dat gij ontvloodt!

Geen andre keus: u vind ik of den dood!

(Hermia af.)