WeRead Powered by ReaderPub
Een Midzomernachtdroom cover

Een Midzomernachtdroom

Chapter 7: Derde Bedrijf.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De handeling verweeft vier verhaallijnen: de politieke voorbereiding van een beoogd huwelijk van een hertog en zijn bruid; twee jonge paren wiens verliefdheden en gezagsconflicten hen in het nabije woud brengen; een groep dorpsambachtslieden die een toneelstuk repeteren; en de strijd tussen de elfenkoning en -koningin waarbij een ondeugende geest met een liefdesdrank verwarring zaait. Nachtelijke betovering, komische misverstanden en identiteitswisselingen laten de grenzen tussen droom en werkelijkheid vervagen en onderzoeken thema's als liefde als willekeur, transformatie en de spelende natuur van verbeelding.

Derde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Het woud bij Athene. De Elfenkoningin in slaap.

Dissel, Schaaf, Spoel, Wind, Tuit en Slokker komen op.

Spoel.

Zijn wij er allen?

Dissel.

Op een prik; en dit is een almachtig goede plaats voor onze rippetitie; deze groene plek moet ons tooneel zijn, deze doornhaag onze kleedkamer; en wij willen er alles bij doen, zooals wij het zullen opsnijen voor den hertog.

Spoel.

Pieter Dissel,—

Dissel.

Wat wil je, ijzervreter Spoel?

Spoel.

Er zijn dingen in deze comedie van “Pyramus en Thisby,” die nooit zullen bevallen. Vooreerst, Pyramus moet een zwaard trekken om zijn eigen te dooden; en dat kunnen de dames niet verdragen. Hoe zul je dat verantwoorden?

Tuit.

Sapperment, dat is een kwaad ding!

Slokker.

Ik geloof, dat wij, alles wel beschouwd, dat doodsteken er maar uit moesten laten. 16

Spoel.

Neen, geen zier er uitlaten; ik heb een inval om alles in den haak te brengen. Schrijf maar een voorafspraak, of proloog; en in die voorafspraak moet zooveel als gezegd worden, dat we geen kwaad zullen doen met onze zwaarden, en dat Pyramus niet wezenlijk doodgestoken wordt; en om er nog meer gerust te stellen, zeg haar, dat ik, Pyramus, niet Pyramus ben, maar Spoel de wever; dat zal er heelemaal op haar gemak zetten.

Dissel.

Goed, we willen zoo’n voorafspraak hebben; en die moet dan geschreven worden in verzen zoo van vier en drie voet, om en om.

Spoel.

Neen, neen, neem er nog wat meer voeten bij, dan staat het beter op pooten.

Tuit.

Zouden de dames ook niet angstig zijn voor den leeuw?

Spoel.

Mannen, je moogt het bij jezelf wel bedenken: een leeuw, God beter ’t, zoo onder dames te brengen, dat is iets heel eiselijks, want er is geen schrikachtiger roofvogel dan zoo’n leeuw, als hij levendig is; en daar mogen wij wel voorzichtig meê zijn.

Tuit.

En daarom moet nog een andere voorafspraak zeggen, dat hij geen leeuw is. 36

Spoel.

Ja, je moet zijn naam noemen, en zijn halve gezicht moet te zien wezen door den leeuw zijn hals, en daar moet hijzelf door heen spreken, en zich, om zoo te zeggen, aldus spectoreeren: Dames of schoone dames, ik wou vragen, of ik wou verzoeken, of ik wou aandringen, dat gij niet bang zijt en niet siddert: mijn leven voor het uwe. Als ge dacht, dat ik een leeuw was, die hier kwam, dan speet het mij bij mijn ziel; neen, ik ben zoo iets volstrekt niet; ik ben een man precies als andere mannen;—en laat hij dan wezenlijk zijn naam noemen, en haar ronduit zeggen, dat hij Schaaf de schrijnwerker is.

Dissel.

Goed, dat zal gebeuren. Maar er zijn nog twee kwade dingen; en dat is, het maanlicht in een kamer te brengen; want je weet, Pyramus en Thisbe ontmoeten elkaâr bij maanlicht.

Schaaf.

Schijnt de maan, den avond dat wij spelen?

Spoel.

Een almanak, een almanak! kijk in den almanak! zoek naar den maneschijn, zoek naar den maneschijn.

Dissel.

Ja wel, ze schijnt dien avond. 56

Spoel.

Wel, dan kun je een luik van het groote kamervenster open laten, als we spelen, en de maan zal door het luik naar binnen schijnen.

Dissel.

Ja, of anders moet er een komen met een takkenbos en een lantaarn, en zeggen, dat hij komt om te verfigureeren of te presenteeren den persoon van den Maneschijn. Maar dan is er nog een ander ding; wij moeten een muur hebben in de groote kamer, want Pyramus en Thisby, zegt de geschiedenis, praatten samen door de spleet van een muur.

Schaaf.

Je kunt nooit een muur daar binnen brengen.—Wat zeg jij, Spoel?

Spoel.

De een of ander moet den muur verpresenteeren; laat hem wat pleister, of wat kalk, of wat mortel bij zich hebben, om den muur uit te duiden; en laat hem zijn vingers zoo uit elkaar houden, en door die spleet moeten Pyramus en Thisby fluisteren.

Dissel.

Als dat kan, is alles klaar. Komt, gaat zitten, zooals je daar bent, en gaat de rollen rippeteeren. Pyramus, jij begint; als jij je rede gesproken hebt, ga dan achter die heg, en zoo doet iedereen naar gelang van zijn wachtwoord.

(Puck verschijnt op den achtergrond.)

Puck.

Wat boerenezels balken hier zoo luid

Vlak bij de koets der Elfenkoningin?

Wat! een vertooning? Nu die zie ik aan,

En speel nog mee, als ik er lust in krijg.

Dissel.

Spreek, Pyramus! Jij, Thisby, kom vooruit.

Pyramus.

Thisby, zooals een roosje lieflijk scheurt,—

Dissel.

Geurt, geurt!

Pyramus.

Geurt, geurt! O ja! een roosje lieflijk geurt,

Zoo geurt uw adem, beste Thisby mijn;—

Maar zie, een stem! Wacht maar eens effen hier

Een korte poos, tot ik op nieuw verschijn.

(Pyramus af.)

Puck

(ter zijde). Een Pyramus, zooals er weinig zijn!

(Puck af.)

Thisbe.

Is nu de beurt aan mij?

Dissel.

Ja zeker is het; want je moet begrijpen, hij is maar effen heengegaan, om naar een geluid te kijken, dat hij gehoord heeft, en hij komt zoo dadelijk weerom. 94

Thisbe.

O straallicht Pyramus, hoogst leliewit van kleur,

Zoo blozend als de roos van de’ eedlen eglantier,

Gij pronkjuweel, o gij, der jongre mannen keur,

Trouw als het trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier,

’k Ontmoet u, Pyramus, aan Ninny’s graf.

Dissel.

“Ninus’ graf,” mensch. Maar dat moet je nu nog niet zeggen; dat is je antwoord aan Pyramus; je zegt zoo je heele rol achter mekaâr op, wachtwoorden en alles.—Pyramus, kom toch; je wachtwoord is er al geweest; het is: “vermoeid en wier.”

(Puck komt terug, en Spoel, van een ezelskop voorzien.)

Thisbe.

O! trouw als ’t trouwste paard, dat nooit vermoeid en wier.

Pyramus.

Ware ik, o Thipsy, schoon, dan minde ik u alleen.

Dissel.

O, wat een monster! wonderlijk! wonderlijk! een spook! een spook! vlucht, mannen, vlucht! help! help!

(De Handwerkslieden loopen weg.)

Puck.

Nu volg ik u en voer u om en rond,

Door bosch, moeras, struik, dorens, heen en weer;

nu zal ik ever zijn en dan weer hond,

Nu dwalend vuur, dan paard en dan een beer;

En knor en blaf en vlam en briesch en brom,

Als ever, hond, vuur, paard, beer, om en om.

(Puck af.)

Spoel.

Waarom loopen ze weg? Dat is een schelmsche streek van hen, om me bang te maken.

(Tuit komt weer op.)

Tuit.

O Spoel! wat ben je veranderd! wat zie ik daar voor een kop!

(Tuit af.)

Spoel.

Wat je ziet? Je ziet je eigen ezelskop? Is het zoo niet?

(Dissel komt weer op.)

Dissel.

God bewaar je, Spoel! je bent verfigureerd!

(Dissel af.)

Spoel.

Ik ruik hun schelmerij; ze zouden een ezel van me willen maken; me schrik willen aanjagen, als ze maar konden. Maar ik ga hier niet van daan, laten ze doen wat ze willen; ik wil hier op en neer wandelen en een liedje zingen; dan kunnen ze hooren, dat ik niet bang ben.

(Hij zingt.)

“De merel, met zijn zoet gefluit,

Met bek als eierstruif,

De lijster met zijn fraai geluid,

’t Goudhaantje met zijn kuif;” 131

(Titania ontwaakt.)

Titania.

Welke engel roept mij van mijn bloembed op?

Spoel.

“De leeuwrik, vink en wielewaal,

De koekoek, met dat woord,

Dien roep, die meer dan één gemaal

Wel minder gaarne hoort;—

want niemand is wel zoo gek, een vogel te willen tegenspreken, al roept hij het nog zoo dikwijls achtereen, maar het is toch niet pleizierig zoo aangeroepen te worden.

Titania.

O, zing nog eens, beminn’lijk sterveling;

Uw zang drong door mijn oor in mijne ziel,

Zooals uw schoon mijn oog in boeien sloeg;

En zoo nam uw waardij het hart mij in,

Dat ik na de’ eersten blik u zweer; “ik min.”

Spoel.

Mij dunkt, jonkvrouw, dat ge daar toch wel eenige reden voor zoudt mogen hebben; maar toch, om de waarheid te zeggen, rede en liefde gaan tegenwoordig al heel weinig samen om; het is daarom wel jammer, dat eenige brave buren de moeite niet willen doen om ze bijeen te brengen.—Niet waar, ik kan ook wel geestig zijn, als het zoo te pas komt?

Titania.

Ge zijt zoo wijs, als gij bekoorlijk zijt.

Spoel.

Och neen, dat ook al niet. Maar als ik nu maar wijsheid genoeg had om uit dit woud te komen, dan had ik genoeg om het er mee te stellen.

Titania.

Neen, neen, geen vlucht; ziedaar wat ik verbied;

Gij moet hier blijven, of gij wilt of niet.

Ik ben een geest van ongemeenen stand;

’t Is eeuwig zomer in mijn elfenland,

En ik bemin u; daarom, gaat met mij,

Ik geef tot dienaars u een elfenrij,

Die op den zeegrond parels voor u raapt,

En voor u zingt, terwijl ge op bloemen slaapt;

En ’k louter zoo de logheid van uw leest,

Dat gij zult zweven, luchtig als een geest.

Mot! Erwtebloesem! Spinrag! Mosterdzaad!

(Vier Elfen treden naar voren.)

1ste Elf.

Gereed.

2de Elf.

Gereed. En ik!

3de Elf.

Gereed. En ik! En ik!

4de Elf.

Gereed. En ik! En ik! Wat is te doen?

Titania.

Bedient deze’ edelman, vliegt op zijn wenk; 167

Omzweeft zijn schreên, springt hupp’lend om hem heen;

Zoekt bramen, druiven, zoet en frisch meteen,

Vijg, abrikoos en moerbei, ’t eêlste alleen;

Rooft ’t honigblaasje aan de bij; haar scheen,

Met was beladen, zij zijn kaars, en leen’

Van ’s glimworms oog het vuur; verlicht zijn schreên

Met zorg, als hij ter ruste wenscht te treên;

En ’t bonte wiekje, vlinders afgesneên,

Weer’ ’t maanlicht van zijn slapende oogeleên;

Buigt voor hem, Elfen, viert hem ongemeen!

1ste Elf.

Heil, sterv’ling!

2de Elf.

Heil, sterv’ling! Heil!

3de Elf.

Heil, sterv’ling! Heil! Heil!

4de Elf.

Heil, sterv’ling! Heil! Heil! Heil!

Spoel.

Ik bedank uw edelheden recht hartelijk.—Mag ik u verzoeken, uw edelheids naam?

Spinrag.

Spinrag.

Spoel.

Ik hoop nog wel eens nader met u kennis te maken, beste heer Spinrag; als ik mij in den vinger gesneden heb, zal ik zoo vrij zijn aan te kloppen.—Uw naam, edel heer?

Erwtebloesem.

Erwtebloesem.

Spoel.

Ik bid u, mijn eerbiedige groete te doen aan mejuffrouw Erwteschil, uw moeder en aan mijnheer Dopper, uw vader. Beste heer Erwtebloesem, ik hoop ook met u nader kennis te maken.—Uw naam, heer, als ik vragen mag?

Mosterdzaad.

Mosterdzaad.

Spoel.

Beste heer Mosterdzaad, ik ben met uw lijdzaamheid wel bekend; dat flauwhartige, lompzware ossenvleesch heeft al menigen edelman van uw familie verslonden; ik kan u verzekeren, menigeen van uw geslacht heeft mij al heel wat tranen uit de oogen geperst. Ik hoop nog nadere kennis te maken, beste sinjeur Mosterdzaad.

Titania.

Komt, voert hem naar mijn bloemengrot nu heen;

Ziet, ’t is alsof de maan weemoedig blikt;

En als die weent, weent iedre bloem, hoe kleen,

Wijl ruw een maagdebloemke wordt geknikt.—

Stil, boeit mijn lief de tong, dat hij niet kikt.

(Allen af.)

Tweede Tooneel.

Een ander gedeelte van het woud.

Oberon komt op.

Oberon.

Ik ben benieuwd, of reeds Titania

Ontwaakte en wat het eerst in ’t oog haar viel,

Waar ze op verlieven moest met hart en ziel.

(Puck verschijnt.)

Daar komt mijn bode.—Zeg, mij, dolle geest,

Wat is er in dit spookbosch aan de hand?

Puck.

Voor een gedrocht is mijn meestres ontbrand.

Zij lag in zoete sluim’ring op haar koets,

Door heilig groen omhuld, toen onverhoeds

Een troepje handwerkslui daar komt, gewend

Aan ’t werken voor den kost, een narrenbent

En in haar buurt een schouwspel repeteert,

Voor Theseus’ huwlijksfeest door hen geleerd.

Den dwaasten bott’rik van dien dollen kring,

Die Pyramus bespotlijk speelde, ging,

Zooals zijn rol dit eischte, wat ter zij,

Tot Thisbe roepen zou; ik gauw er bij,

En zet hem op het hoofd een ezelskop.

En fluks moet hij verschijnen en treedt op,

Als ware er niets gebeurd; en allen vliên;

Als ganzen, die den voog’laar sluipen zien,

Of kraaien, die bij ’t knallen van ’t geweer

Opschrikken, krijschen, vliegen, op en neer,

En raadloos zich verspreiden, ver uiteen,—

Zoo spat hun troep naar alle kanten heen;

Elk rolt omver, zoodra ik even stamp,

Roept “moord!” en “brand!” en “hulp!” en “o, wat ramp!”

Hun ziel, onthutst, verbijsterd, zwak, gaf toen

Zielloozen dingen kracht hun leed te doen;

Deez’ neemt een struik de mouw, aan dien den hoed;

Zij vlieden door, half naakt, met dubb’len spoed;

En met dien angst dreef ik geheel de schaar;

Den lieven Pyramus slechts liet ik daar;

En nauwlijks is Titania ontwaakt,

Of de ezel is het lief waar zij voor blaakt.

Oberon.

Dat valt nog beter uit, dan ik wel dacht.

Maar hebt gij verder mijn bevel volbracht

En den Athener ’t sap op ’t oog gedrukt?

Puck.

Ik vond hem slapend,—ja, dat is gelukt,—

Met het Atheensche meisje aan zijn zij;

Ontwaakt hij, haar ziet hij dan niet voorbij.

(Demetrius en Hermia komen op.)

Oberon.

Daar is de man. Zorg dat hij ons niet ziet.

Puck.

Dat is het meisje, maar de man is ’t niet.

Demetrius.

Wat kwetst ge een minnaar met zoo bittren smaad?

Kwel zoo den vijand, die u ’t bitterst haat.

Hermia.

Ik hoon nog slechts, wijl ik ’t bewijs nog zoek,

Maar vrees, er waar wel reden voor mijn vloek.

Hebt gij Lysander in den slaap gedood?

Zoo baad in bloed, nu ge eenmaal bloed vergoot,

En dood ook mij. 49

De zon was aan den dag wis nooit zoo trouw,

Als hij aan mij. En hij zou vluchten, zou

Mij slapend achterlaten? Neen, ik waan

Veeleer, dat de aard doorboord wordt en de maan

Door ’t boorgat kruipt en zoo de zon verstoort,

Als die bij de antipoden ’s middags gloort.

Ja, gij hebt hem vermoord! Erken ’t en bloos!

Zoo blikt een moord’naar, ja, zoo strak, zoo boos!

Demetrius.

Neen, zoo blikt een, die door u werd vermoord;

Door uwe wreedheid is mij ’t hart doorboord;

Maar gij, de moord’nares, blikt met een gloed,

Die Venus aan den hemel tanen doet.

Hermia.

Maar waar is dan Lysander? Vriend, ik smeek,

Demetrius! geef hem mij weer! o spreek!

Demetrius.

Veeleer wierp ik zijn lijk mijn honden voor.

Hermia.

Gij hond, gij wolf! Gij brengt mij uit het spoor

Van ’t vrouwlijk doen! Hebt gij hem dus geveld?

Word nimmer onder menschen dan geteld!

O, spreek, voor eens, om mijnentwille, waar!

Zeg, hadt gij, zoo hij waakte, hem een haar

Gekrenkt? en moorddet gij den slaap? Wat moed!

Is ’t niet een slang, een adder, die zoo doet?

Een adder deed het, ja; een valscher beet

Deed nooit een slang, dan dien gij, adder, deedt.

Demetrius.

Wat ijdle waan! ’t is nutteloos gewoed!

Ik ben niet schuldig aan Lysanders bloed;

Ook stierf hij niet, zoover ik zeggen kan.

Hermia.

En is hij wel? O zeg, wat weet ge er van?

Demetrius.

En wist ik iets, wat gunst wilt gij mij biên?

Hermia.

Het voorrecht van mij nimmer weer te zien.—

Gehaat is mij uw bijzijn, ik ontvlied:

Zie nooit mij weer, hetzij hij leve of niet.

(Hermia af.)

Demetrius.

’t Is dwaasheid haar te volgen; ze is te boos;

’t Is beter, dat ik hier mij nu verpoos.

Steeds zwaarder drukt de zwaarte van het leed,

Als slaap, zijn schuldnaar, van geen afdoen weet;

Misschien ontvang ik thans een deel der schuld,

Verwacht ik hier zijn kwijting met geduld.

(Hij vlijt zich neder en slaapt in.)

Oberon.

Wat deedt ge? Op ’t oog,—zoozeer hebt gij gefaald,—

Van trouwe min is ’t minnesap verdwaald;

En door die feil is echte min gedeerd,

Niet valsche min tot echte min bekeerd. 91

Puck.

Ja, één zij trouw; miljoenen, in ’t gemeen,

Doen eed op eed, maar houden er niet een.

Oberon.

Nu vlug door ’t woud, nog vlugger dan de wind,

Of gij de Atheensche Helena er vindt;

Ze is bleek van wang en krank door liefdegloed,

Want minnezuchten drinken ’t hartebloed.

Geleid haar hier door uw begoochlingsmacht;

Intusschen proev’ zijn oog mijn tooverkracht.

Puck.

Ik ijl, ik ijl, zie hoe ik ijl:

Sneller dan ooit van Parthers boog een pijl.

(Puck af.)

Oberon.

Bloem, die Liefdes pijl zoo goed

Spelend trof, uw purpren bloed

Dringe in ’t oog hem en gemoed!

Als zijn lief zich tot hem spoedt,

Straal’ ze in even heldren gloed,

Als de Morgenster het doet!—

Als ge ontwaakt en zij u groet,

Smeek dan, dat ze uw leed verzoet’!

(Hij drupt het sap in Demetriusoogen.)

(Puck komt weder op.)

Puck.

Koning van der Elfen rij,

Helena is hier nabij;

Hij, in wien ’k mij heb verzien,

Wil nu haar zijn liefde biên;

Wilt ge deze klucht bespiên?

God! hoe dwaas zijn toch die liên!

Oberon.

Kom ter zij! Hun schett’ren maakt

Dat Demetrius ontwaakt.

Puck.

Dan zijn twee op een verliefd!

Of dat grapje mij gerieft!

Want dat is mijn grootste pret,

Dat ik ’t onderst boven zet.

(Lysander en Helena komen op.)

Lysander.

Geldt u mijn liefde als hoon? wat vreemde waan!

Geen hoon en spot, die zich in tranen meldt;

’k Zweer weenend, zie! van eeden, zoo ontstaan,

Blijkt, dat zij uit het hart zijn opgeweld.

Kan ’t zijn, dat gij als bitt’ren hoon verklaagt,

Wat zóó van trouwe min den stempel draagt?

Helena.

Uw dubbelhartigheid wordt zonneklaar;

Doodt trouwe trouwe, o booze heil’genstrijd!

Uw eed heeft Hermia; verzaakt gij haar?

’t Weegt niets, die eeden, haar en mij gewijd;

Leg de’ eed aan haar, aan mij, elk in een schaal,

Beide even licht, licht als een droomverhaal!

Lysander.

Ik was waanzinnig, toen ’k mijn woord haar gaf! 134

Helena.

En zinneloos, zweert gij haar weder af!

Lysander.

Demetrius mint haar; u mint hij niet.

Demetrius

(ontwakend). O Helena, volschoone, nimf, godin!

Wat glans straalt u uit de oogen, hartsvriendin!

Kristal is dof!—Wat kersenlippenpaar,

Zoet zwellend, of ’t ten kus geschapen waar’!

De sneeuw op Taunus’ kruin, zoo menig jaar

Door wind gebuild, wordt raafzwart, als gij daar

Uw blanke hand verheft; o reik ze mij,

En dat een kus mijn heilbezeeg’ling zij!

Helena.

O hel! Ik zie, u allen is ’t genot,

Als gij mij overladen kunt met spot!

Wist gij, wat edel en wat passend is,

Gij zocht geen vreugd in mijne droefenis.

Moet gij, nog niet tevreden met uw haat,

Ook nog vereend mij krenken door uw smaad?

O, hadt gij van den man meer dan den schijn,

Nooit zoudt ge voor een vrouw zoo kwetsend zijn,

Mij grieven met uw lof en liefdesmart,

Terwijl ik weet, gij haat mij in uw hart.

Wedijvrend maakt gij ’t hof aan Hermia,

Wedijvrend ook verguist gij Helena;

Een manlijk stuk, een ware heldendaad,

Een weerloos meisje tranen door uw smaad

Te ontlokken! maar geen edel man, niet één,

Die zoo een maagd zou hoonen, haar zoo treên

Op ’t hart,—en dat voor uw vermaak alleen!

Lysander.

Demetrius, houd op; gij doet haar leed;

Want gij mint Hermia, weet wel, dat ik ’t weet.

Hier schenk ik u,—van heeler harte, ja!—

Mijn aandeel in de gunst van Hermia;

Sta gij nu die van Helena mij af,

Die ik bemin, zal minnen tot aan ’t graf.

Helena.

Nooit was een spotternij zoo laag, zoo laf!

Demetrius.

Lysander, houd uw Hermia; ik dank;

Minde ik haar ooit, thans gloeit in mij geen sprank;

Mijn hart had eens bij haar als gast een kluis,

Maar kwam voor goed bij Helena weer t’huis;

Daar blijft het nu.

Lysander.

Daar blijft het nu. Geloof ’t niet, Helena.

Demetrius.

Spreek niet een trouw, die gij niet kent, te na,

Als gij niet wilt, dat gij er duur voor boet!—

Daar komt uw liefste; zie, zij wacht uw groet.

(Hermia komt weder op.)

Hermia.

De nacht ontneem’ zijn werking aan ’t gezicht, 177

Wel dubbel goed vervult het oor zijn plicht;

En wat het zintuig van ’t gezicht verloor,

Hergeeft de nacht verdubbeld aan ’t gehoor;—

’t Was niet mijn oog, Lysander, dat u vond,

Mijn oor heeft vriendlijk mij uw stem verkond.

Maar wat dreef tot die wreede vlucht u aan?

Lysander.

Wie bleef wel ooit, als liefde drong tot gaan?

Hermia.

Wat liefde was het, die u van mij dreef?

Lysander.

Lysanders min verbood hem, dat hij bleef:

Deez’ schoone Helena, die in de nacht

Meer licht verspreidt dan gindsche sterrenpracht.

Wat zoekt ge mij? begreept gij dus nog niet,

Dat haat tot u de grond is, dat ik vlied?

Hermia.

Dat kan niet zijn; gij spreekt uit spotternij.

Helena.

Helaas! ik zie het, zij kiest hun partij!

Zij drieën spannen samen tegen mij,

En ik ben ’t offer van hun mart’larij.

O wreede deerne, ondankbre Hermia!

Verstondt ge u en verbondt ge u met deez’ twee

Om mij te sarren met zoo valschen spot?

Zijn die geheimen, eens elkaâr vertrouwd,

Die eed van zusterschap, zoo menig uur,

Dat ons den snellen tijd, die scheiding bracht,

Verwenschen deed,—o! alles nu vergeten?

Die schoolvriendschap, die onschuld onzer jeugd?

Wij schiepen, als een kunstrijk godenpaar,

Met onze naalden samen ééne bloem,

Naar één patroon, en op éénzelfden stoel,

En kweelden één gezang, uit éénen toon,

Als was ons beider hart en stem en ziel

Tot één versmolten. Samen groeiden we op,

Een dubbelkers gelijkend, schijnbaar twee,

Maar bij die tweeheid innig toch vereend;

Twee bessen, minnend op één steel gegroeid;

Twee lichamen, naar ’t scheen, maar met één hart;

Twee schilden, met geheel gelijk blazoen,

Aaneengevoegd, met éénen helm gekroond.

En rijt gij onzen ouden band van een

En hoont gij, saam met mannen, uw vriendin?

Dit is geen vriendschap, en dit past geen maagd;

Heel onze kunne laakt u zooals ik,

Schoon ik alleen deez’ krenking ondervind.

Hermia.

Ik sta verbaasd van uw verstoorde taal,

Ik hoon u niet; maar gij hoont, schijnt het, mij.

Helena.

Dreeft gij Lysander niet, dat hij mij hoon’,

Mij volg’, mijn oogen roeme en mijn gelaat?

En ook uw ander lief, Demetrius,— 224

Die nog zoo even met den voet mij stiet,—

Dat hij volschoon mij noeme, nimf, godin,

Onschatbaar, hemelsch? Waarom spreekt hij zoo,

Tot wie hij haat? En wat ontkent Lysander

Die min voor u, die heel zijn ziel vervult,

En biedt aan mij, als meende hij ’t, zijn hart,

Dan opgestookt door u, door uwen wil?

Ben ik niet zoo in gunst als gij, niet zoo

Door liefde omringd, hebt gij geluk, maar ik

De ellend van onbemind te minnen, ’t moest

Veeleer uw meêlij wekken, niet uw smaad.

Hermia.

Ik weet, begrijp niet, wat gij hiermee meent.

Helena.

Ja goed, houd vol, bewaar uw huichel-ernst,

En barst dan uit, als ik den rug u keer;

Ja, wenkt elkander, zet deez’ fijne scherts

Toch netjes voort, men zingt ze ras op straat!

Wist gij wat goed, wat zacht is, wat betaamt,

Dan hadt ge zulk een schande mij bespaard.

Vaartwel! Gedeelt’lijk is ’t mijn eigen schuld,

Die ’k weldra boet door ballingschap of dood.

Lysander.

Blijf, lieve Helena, en hoor mij aan;

Mijn hart, mijn ziel, mijn schoone Helena!

Helena.

O, prachtig!

Hermia.

O, prachtig! Lieve, hoon haar toch niet zoo!

Demetrius.

Beweegt haar bede u niet, dan zal ’t mijn dwang.

Lysander.

Uw dwang verkrijgt niet meer dan hare beê;

Wat dreigt ge? ’t Is zoo krachtloos als haar smeeken;

Ik min u, Helena, zoo waar ik leef;

En ’k zweer, ik waag dat leven, kwam er een,

Die last’ren dorst, dat ik u niet bemin.

Demetrius.

Ik zeg, ik min u meer, dan hij het kan.

Lysander.

Beweert ge dat, kom meê en staaf het dan.

Demetrius.

Terstond!

Hermia.

Terstond! Lysander, wat beteekent dit?

Lysander.

Laat los, gij zwarte heks!

Demetrius.

Laat los, gij zwarte heks! Ei zoo!—Gij wringt

In schijn u los, doet of gij volgen woudt,

En komt toch niet! Loop, mak zijt gij genoeg!

Lysander.

Weg, tang! weg, kat! weg, haatlijk schepsel, los!

Of ik schud als een slang u van mij af!

Hermia.

Hoe zijt ge zoo veranderd? hoe zoo woest,

Mijn lief? 263

Lysander.

Uw lief? weg, weg, gij taanhuid, weg!

Weg, leelijk drankje, bitt’re pil, laat los!

Hermia.

Dus schertst gij niet?

Helena.

Dus schertst gij niet? Ja zeker, juist als gij.

Lysander.

Demetrius, voorwaar, ik houd u woord.

Demetrius.

Uw woord! Wat fraais! Haar hand houdt u terug!

Een zwakke hand! Uw woord, noch hand, zijn iets!

Lysander.

Gij wilt, dat ik haar sla, haar wond, haar dood?

Al haat ik haar, ik doe haar toch geen leed.

Hermia.

Kan grooter leed mij treffen, dan uw haat?

Gij haat mij! En waarom? Waarom, mijn lief?

Ben ik niet Hermia? Gij niet Lysander?

’k Ben even schoon nog als ik gistren was;

Gij mindet mij, ontvloodt mij de eigen nacht;

Hoe is ’t? Moet ik gelooven, gij ontvloodt

Me in vollen ernst?

Lysander.

Me in vollen ernst? Ja, ja; zoo waar ik leef;

En met den wensch u nimmer weer te zien.

Daarom, geen hoop, geen vrees, geen twijfling meer;

Geloof mij, niets is warer; ’t is geen scherts,

Dat ik u haat en Helena bemin.

Hermia.

Wee mij, gij tooverkol, gij bloesemworm!

Gij liefderoofster! wat! kwaamt gij bij nacht,

Het hart mijns liefsten stelen?

Helena.

Het hart mijns liefsten stelen? Mooi, voorwaar!

Hebt gij geen zedigheid, geen maagdeblos,

Geen spoor van schroom? Is dit uw doel, dat gij

Mijn teedren lippen schampre taal ontlokt?

Foei! veinzend, huichlend, vinnig nufje, gij!

Hermia.

Ben ik een nufje?—Zoo! was dat uw spel?

Nu zie ik, dat zij mijne en hare leest

Hem vergelijken deed; zij liet hem zien,

Hoe lang, hoe rank, hoe schraal zij was, en wist

Hem in te pakken met haar lang figuur!—

En zijt gij groot geworden in zijn gunst,

Omdat ik zulk een dwerg ben, nietig klein?

Hoe klein ben ik, gij bonte boonenstaak?

Hoe klein ben ik? zoo klein toch niet, dat ik

Uw oogen met mijn nagels niet bereik!

Helena.

O, houdt gij beiden, hoe gij mij ook hoont,

Nu haar toch tegen! Twistziek was ik nooit;

’k Heb geen talent voor kijven, maar ik ben

Echt meisjesachtig schuchter, bloode en laf.

Ach! laat ze mij niet slaan! Ge denkt wellicht,

Omdat ze een weinig kleiner is dan ik,

Dat ik haar aan kan. 305

Hermia.

Dat ik haar aan kan. Kleiner! hoor, alweer!

Helena.

Wees, goede Hermia, zoo bitter niet!

’k Hield altijd veel van u; ’k heb nooit verklapt,

Wat gij mij hadt vertrouwd, u nooit gekrenkt!

Slechts dreef mijn liefde tot Demetrius

Mij aan, dat ik hem uwe vlucht verried.

U volgde hij; uit liefde volgde ik hem.

Hij dreef mij weg met schimp, en dreigde mij

Met stoot en slag, ja erger, met den dood.

En nu,—laat gij mij vreedzaam gaan, dan ijl

Ik met mijn dwaasheid naar Athene weer

En volg u verder niet. Ach, laat mij gaan,

Gij ziet, hoe dom en dwaas en bloode ik ben.

Hermia.

Wel nu dan, ga; wie houdt u hier terug?

Helena.

Een arm dwaas hart, dat ik hier achterlaat!

Hermia.

Wat, bij Lysander?

Helena.

Wat, bij Lysander? Bij Demetrius.

Lysander.

Geen angst; mijn Helena, zij doet u niets.

Demetrius.

Neen, zeker niet, al staat ge uw lief ook bij.

Helena.

O, in haar toorn is zij zoo valsch en fel!

Reeds toen ze school ging, was zij al een feeks,

En ze is een echte draak, zoo min als ze is.

Hermia.

Nu weder min? Dus niets dan min en klein?—

Wat duldt ge toch, dat zij me zoo beschimpt?

Ik vlieg haar aan.

Lysander.

Kom, kom! van hier, gij dwerg!

Gij peuzel, gij onuitgegroeide kriel,

Gij bruine noot!

Demetrius.

Gij bruine noot! Gij zijt wat heel beleefd

Voor haar, die uwe diensten toch versmaadt.

Laat haar met rust; spreek niet van Helena;

Neem geen partij voor haar; want zoo ge ’t waagt,

Dat gij haar ’t minste blijk van liefde geeft,

Dan boet ge er voor.

Lysander.

Dan boet ge er voor. Nu houdt ze mij niet vast;

Volg me als ge durft, en ’t blijke, wie van ons

Het meeste recht op Helena bezit.

Demetrius.

U volgen? juist; ik wijk van u geen duim.

(Lysander en Demetrius af.)

Hermia.

’t Is alles uwe schuld; neen, loop niet heen!

Helena.

Neen, neen, ’k vertrouw u niet, gij zijt te fel;

Ik heb genoeg van uw verfoeid gekwel.

Gelukkig, dat, zijt ge ook een handjesnel,

Mijn beenen langer zijn, ’k ontloop u wel.

(Helena loopt heen.)

Hermia.

Ik sta verstomd; wat is hier toch in ’t spel? 344

(Zij ijlt Helena achterna.)

Oberon.

Hoe onbedachtzaam! gij vergist u steeds,

Of voert moedwillig schelmsche streken uit.

Puck.

Geloof mij, ’t was vergissing, schimmenvorst.

Hebt gij mij niet gezegd, dat ik den man

Aan zijn Atheensche dracht herkennen zou?

En verre dwaalde ik niet, want ik bestreek

Een jonkman de oogen, die Athener bleek,

En in zooverre ben ik puik geslaagd,

Dat heel die twist mij kostlijk heeft behaagd.

Oberon.

Gij ziet wel, hoe dit paar te vechten tracht;

Dus haast u, Puck, en hul ze in donkre nacht;

Bedek met nevels ’t lichte firmament,

Zoo zwart als enkel de onderwereld kent;

En leid die mededingers zoo rondom,

Dat de een niet in ’t bereik des andren kom.

Nu borgt gij van Lysander stem en spraak

En steekt gij met Demetrius den draak;

Dan scheldt gij, als Demetrius, Lysander;

Zoo leidt gij ze om en altijd van elkander;

Tot loodzwaar slaap met vledermuizenvlerk

Hun oogleên drukke en doodsche rust bewerk’.

Druk op Lysanders oogen dan het sap

Van dezen knop; zijn kostlijke eigenschap

Is, dat van de oogen iedre waan verdwijnt,

En ’t eens beminde weder minlijk schijnt.

Hoe hoog nu ook hun hoon, hun woede klimm’,

’t Is hun, ontwaakt, een droom, een hersenschim;

En zijn ze naar Athene weêrgekeerd,

Hun trouw blijft tot den dood dan ongedeerd.

Terwijl ge deze taak voor mij verricht,

Vraag ik mijn koningin haar Indisch wicht;

Dan drijf ik ’t monster uit haar oog; gezond

Zij zin en ziel, en vrede heersche in ’t rond.

Puck.

Mijn Elfenvorst, dit moet met spoed volbracht;

Reeds ijlt naar ’t west het drakenspan der Nacht;

En zie, hoe ginds Aurora’s bode gloort,

Wiens glans de geesten, die nog waren, stoort,

En grafwaarts drijft; ’t verdoemde geestenheer,

Dat aan een kruisweg of in ’t kille meer

Een graf vond, zocht alreeds zijn wormenbed;

Beducht, dat soms de dag hun vloekbre smet

Ontwaren mocht, verbannen ze uit de pracht

Van ’t licht zich bij de zwartgebrauwde nacht.

Oberon.

Maar wij zijn geesten van een andren kring;

Vaak jaagde ik met Aurora’s lieveling,

En bleef in ’t dichte bosch zijn jachtgenoot

Zelfs tot de poort van ’t oosten, vlammend rood,

Zijn zegen stralend op Neptunus’ zout,

Den groenen stroom verandren deed in goud.

Maar toch, maak haast, bedien u van de nacht,

Deez’ taak zij voor den morgen nog volbracht.

(Oberon af.)

Puck.

Op en neer, heen en weer; 396

Beiden voer ik heen en weer;

Burger, boer, elk ducht mij zeer,

Kom, Puck, voer hen heen en weer.

Daar komt er een.

(Lysander komt op.)

Lysander.

Demetrius, spreek op! waar zijt ge nu?

Puck.

Hier schurk! het zwaard ontbloot, verwacht ik u.

Lysander.

Ik kom en ’k heb getrokken.

Puck.

Ik kom en ’k heb getrokken. Volg mij dan

Naar effen grond!

(Lysander vertrekt, de stem volgende.)

(Demetrius komt op.)

Demetrius.

Lysander! zijt ge een man?

Spreek, lafaard, vluchtling! ’k zoek u; spreek een woord!

Waar schuilt ge in ’t woud, of vlucht gij altijd voort?

Puck.

Gij bloodaard! snoeft gij tegen ’t zwerk en pocht

Gij tegen ’t bosch, dat ge, o zoo gaarne! vocht,

En komt gij niet? Knaap, kom! kom, laffe kwant,

Een roede zij uw straf; ’t waar zonde en schand,

Het zwaard op u te trekken.

Demetrius.

Het zwaard op u te trekken. Zoo! gij daar?

Puck.

Ja, hier is niet te vechten; volg mij maar.

(Puck en Demetrius af.)

(Lysander komt weder op.)

Lysander.

Hij loopt mij voor en daagt mij uit meteen;

Maar kom ik waar hij roept, dan vlood hij heen.

Zijn voet doet vleuglen aan, nu hij mij ducht;

Ik volgde snel, maar sneller is zijn vlucht.

Wat donker, hobb’lig pad! niet te begaan!

Ik vlij mij neer. O, lieve dag, breek aan!

(Hij legt zich neder.)

Want ja, hoe flauw en grauw uw licht zich toon’,

Ik vind Demetrius en wreek zijn hoon.

(Hij slaapt in.)

(Puck en Demetrius komen weder op.)

Puck.

Komaan! komaan! hei, lafaard! komt gij niet?

Demetrius.

Kom hier dan, als gij durft; maar ’k weet, gij biedt

Mij geen gelegenheid, wacht mij niet af,

Maar loopt nu hier, dan daar, en ducht uw straf.

Waar zijt ge? 425

Puck.

Waar zijt ge? Hier; ik ga u voor; kom na!

Demetrius.

Gij spot met mij, maar boet het duur, zoodra

Ik uw gehaat gezicht bij dag ontdek.

Thans laat ik u; ’k ben afgemat en strek

Mijn leden uit hier op den kouden grond,

Maar vind u wel, vroeg in den morgenstond.

(Hij legt zich neder en slaapt in.)

(Helena komt weder op.)

Helena.

O lange, trage nacht, versnel uw gang;

O dag, breng uit het oost mij troost; ik smacht,

Dat gij mij huiswaarts leidt; mij is recht bang,

Want ik ben hier zoo eenzaam en veracht;

Gij slaap, die somtijds de oogen sluit van ’t leed,

Kom, troost me een wijl, dat ik mijzelf vergeet!

(Zij legt zich neder en slaapt in.)

Puck.

Drie? nog een verwacht ik hier;

Twee van iedre soort is vier;

Daar komt ze aan, van weedom vol;

Guitig is Cupido’s rol,

Arme meisjes maakt hij dol.

(Hermia komt op.)

Hermia.

O wat vermoeiing, welk een leed! ik ril;

Door dorens fel geschramd, door dauw bespat;

Zelfs kruipen gaat niet meer; drijve ook mijn wil

Mij immer voort, ik ben te moe, te mat;

Ik vlij mij neer. Weest, goden, aan mijn zij,

En staat toch, komt er strijd, Lysander bij.

(Zij legt zich neder en slaapt in.)

Puck.

Slaap gezond

Op den grond;

Minnaar, ’k bied

In ’t verdriet

Heulsap, dat op ’t oog u vliet.

(Hij drupt het sap op Lysanders oogen.)

Als ge ontwaakt,

O dan smaakt

Gij weer heil

Boven peil,

Als ge uw vroeger liefje ziet.

Wat de boerenspreuk beweert,

“Elk het zijne” is niet verkeerd;

’t wordt met voorbeeld hier geleerd,

Als ge ontwaakt, want, ziet!

Hans krijgt zijn Griet,

De man die krijgt zijn merrie weer, en twist en twijfel vliedt.

(Puck af.Demetrius, Lysander Helena en Hermia blijven slapen.)