Met volkomen nauwkeurigheid kon hij Suze verzekeren, dat hij de meeste avonden eenzaam in zijne „appartementen” doorbracht. Somtijds moest hij „visites” maken, want hij had er niets tegen bij familiën, die hem met beleefdheden te gemoet kwamen, aan huis te verschijnen. Hij zorgde er evenwel voor, dat zijne „visites” zoo stipt en zoo kort mogelijk werden gemaakt. Somtijds vertoonde hij zich in het publiek, en dat kostte hem een avond. Hij zorgde er voor, dat men hem niet voor een ongezellig schepsel mocht verslijten. Bij de Woensdagsche muziekuitvoeringen vertoonde hij zich een half uur in de Tent; nu en dan wandelde hij naar Scheveningen, om een oogenblik op Zeerust uit te blazen. Zonder er eene gewoonte van te maken, toefde hij soms onder zijne kennissen der „Place Royale”, kwam hij een enkelen maal in de „Besogne-kamer”, maar bijna nooit op de „Witte”.
Suze had al deze mededeelingen met instemming gehoord. Zij moedigde Van Reelant nogmaals aan voort te gaan op den goed gekozen weg. Daarna kwam zij met echt vrouwelijken tact op het practische doel van haar gesprek terug:
„Ik beloof je, Arnold! dat ik door geen enkel teeken verraden zal, hoe gaarne ik je zou groeten, als ik je in het publiek ontmoet. Misschien zal de Haagsche nieuwsgierigheid gauw genoeg ontdekken, dat ik de verstooten vrouw van Onno de Huibert ben, en niemand hoeft te weten, dat we elkaar in Osterwolde hebben gekend....”
„En als een toeval ons te zaam brengt?”
„Dan kunnen wij er van profiteeren, en ons veroorloven de gewone burgerlijke beleefdheid in acht te nemen!”
„Natuurlijk!”
„Het is verder mijn plan je alleen des avonds, als je thuis bent, een oogenblik te komen zien....”
„Kom zoo dikwijls, als je kunt, Suze! Wacht even....”
Van Reelant stond van den divan op, liep naar het buffet, opende eene lade, en kwam terug met een blinkend miniatuur-sleuteltje.
„Ik heb twee sleutels van de huisdeur beneden!”—zei hij.—„Neem dezen, en....”
„En wat, Arnold?”
„Ik dacht over het geval, als er bij uitzondering eens iemand bij me mocht zijn....”
„Niets eenvoudiger! Boven aan de trap is een ruim portaal, daar zet je een kaars, een lamp, een nachtlichtje, wat je wilt, als een signaal. Branden er twee lichten, dan is er iemand. Ben je vrij, dan blijft alleen het licht van de glazen hanglantaarn aangestoken!”
„Maar, lieve Suze! zul je dan weer heengaan, als er twee lichten branden?”
Een glimlachje speelde om den mond der jonge vrouw. Zij was opgestaan van den divan. Van Reelant stond naast haar, en had den linkerarm om hare leest geslagen. Zij ziet hem uitdagend aan en fluistert, of zij een staatsgeheim verried:
„Als er twee lichten branden, Arnold! dan ga ik heel bedaard naar de achterkamer, en wacht tot de visite is afgeloopen!”
Van Reelant lachte van ganscher harte.
Plotseling vraagt hij:
„Suze, ken je de geschiedenis van den Romeinschen koning Numa Pompilius?”
„Ik geloof, dat ik ze alweer vergeten ben!”
„Men zei, dat die koning in het geheim raadpleegde met de nymf Egeria, en dat hij daarom zoo uitstekend regeerde! Lieve Egeria! ik weet, dat je me zult inspireeren.... wat kan ik doen, om me dankbaar te toonen?”
Suzes glimlach verstierf. Zij antwoordde ernstig.
„Naar mij luisteren, net als die Romeinsche koning. En later in de jaren, die komen zullen, als jij gekroond wordt, Arnold! dan zal ik je zeggen, wat je voor mij doen kunt!”
DERDE HOOFDSTUK.
Drukke werkzaamheden.
Maandag. Halftien. Omstreeks het midden der kleine, nette straat, die de schoonmaaksters het „Zefrientje” noemen, maar die op den legger der gemeente als Juffrouw-Ida-straat is ingeschreven, staat een flink huis van drie verdiepingen, gehuurd en „geëxploiteerd” tot velerlei doeleinden door de eerbare juffrouw Barbara Bont. Zij heeft de bovenkamers der tweede verdieping afgestaan aan een tweeden luitenant der grenadiers en jagers, die bijna nooit thuis is. Zij verhuurde twee kamers op de eerste aan Mr. André de Witt, die er somtijds des avonds komt studeeren. Voor het overige vindt juffrouw Barbara Bont een voortreffelijk middel van bestaan in het zenden van eten bij talrijke klanten uit de buurt, welke laatste vooral tot haar komen, gelokt door den matigen prijs harer diners.
Maandag. Halftien. Op het portaal der eerste verdieping wacht eene oude vrouw in het weinig dichterlijke kostuum van schoonmaakster, een lang strookje wit papier tusschen duim en vinger. Zij klopt vrij luid aan eene kamerdeur. Van binnen vermaant eene stem geduld te oefenen. Na een vijf minuten wachtens gaat de deur open. De jonge De Witt treedt haastig uit zijne slaapkamer. Met beide handen strijkt hij het krullende, donkerbruine hair achter de ooren en stapt de schoonmaakster voorbij naar zijne studeerkamer. De gedienstige volgt. Zonder te spreken stopt zij hem het lange strookje wit papier in de hand. André maakt een driftig gebaar, hij loopt de kamer op en neer. Hij mompelt onverstaanbare woorden. Eindelijk bedenkt hij zich. Hij wenkt de schoonmaakster, dat zij wachten moet. Snel vliegt hij naar het portaal, en daarna stormt hij de trap der tweede verdieping op. Hij klopt. Niemand antwoordt. Daar de deur half open staat, dringt hij naar binnen. Er heerscht groote verwarring in de karig gemeubelde kamer. Een nauwelijks aangeroerd ontbijt op eene ronde tafel; een zonderlinge voorraad van half uitgerookte sigaren en asch van sigaren overal in 't rond verspreid; voorts op den grond zwervende schoenen en aan den wand degens, sabels en pistolen—dit was alles, wat hem bij het binnentreden welkom kon heeten. De bewoner van het kwartier moest al vroeg zijn vertrokken. André had op hem gerekend. Hij wilde zijn contubernaal broederlijk aanmanen, om hem eene kleine som in contanten terug te geven, vroeger even broederlijk voorgeschoten.
Haastig ijlt hij weer naar beneden, schrijft even haastig een paar woorden op het strookje papier, en zendt de schoonmaakster weg. André had buitengewoon weinig slag van huishouden, en worstelde op dat oogenblik tegen eene kleine geldverlegenheid. Hij had zijn vriend en contubernaal, den luitenant Van Houweningen, die aan hetzelfde euvel leed, gaarne geholpen—„a titre de revanche,” gelijk de beide heeren elkaar lachend verzekerden. Sedert zijne komst in de residentie had André zijn best gedaan van zijn zeer matig inkomen als adjunct-commies te leven, zonder zijn vader te Leiden ooit om hulp te vragen. André meende, dat zijn goede vader nu niet meer voor hem te zorgen had. Van het oogenblik, dat hij promoveerde, en in Den Haag tot adjunct-commies benoemd werd, had hij zich met grooten trots voorgenomen de steun zijner familie te worden.... maar er was tot nog toe niet veel van gekomen.
Het scheen, dat deze gedachte hem nu in stilte kwelde, want hij liep zijne kamer met groote schreden op en neer, terwijl hij met de handen door zijn krullend hair woelde. Van tijd tot tijd stond hij stil, en bleef voor een portret aan den wand toeven. Die dame met ouderwetsche muts en breede keellinten was zijne overleden moeder. Toen hij negentien jaar oud was, had hij haar verloren. Zij was zeer goed voor hem geweest, maar streng, het huiselijk bewind voerend naar vaste onwrikbare beginselen. Volkomen contrast van zijn goedhartigen vader, had zij zijne jeugd naijverig bewaakt, had zij gezorgd, dat hare kinderen in eerbiedige vrees voor hunne ouders leefden; had zij alle opwellingen van jolige uitgelatenheid en speelsche dartelheid met vaste hand onderdrukt; had zij de herinnering nagelaten van haar krachtig karakter en hare onbestreden opperheerschappij in den huiselijken kring.
Mijmerend over zijne jeugd en de dagen van zijn burgerschap in het Leidsch Atheen, bleef hij even bij het venster staan. Plotseling maakt hij eene beweging van verrassing. Aanstonds wendt hij zich om, en haast zich naar de deur. Toen hij die opende, naderde een tred op de trap, en weldra trad uit de duisternis van het portaal een deftig heer met zwarten rok, zwarten hoed en zwarte handschoenen te voorschijn.
André drukt hem hartelijk de hand.
„Bonjour, vader! Ik was net met mijn gedachten bij u in Leiden en, alsof u het wist, komt u mij verrassen! Hoe gaat het met Letje en de anderen?”
Dominé De Witt nam zijn hoed af, drukte een witten zakdoek tegen het voorhoofd, en liet zich op de ouderwetsche sofa vallen. Het loopen in den zonnegloed van een warmen Augustusmorgen had hem verhit. Hij wachtte nog een oogenblik, voordat hij sprak, en knikte allervriendelijkst. Zijn gelaat drukte goedheid en berusting uit, om de dunne lippen speelde somtijds bij het spreken een geestige lach.
Intusschen herhaalt André zijne vraag naar de huisgenooten. Een smartelijke trek vertoont zich op het wezen van den Leidschen predikant. Hij antwoordt met zachte, onvaste stem:
„Met Letje mocht het wel beter gaan! Zij hoest altijd, en is meestal zwaar vermoeid .... zij klaagt nooit, maar ziet er slecht uit.... Ik heb er dokter al over geraadpleegd. Tot nog toe geen dreigend gevaar, zegt hij. Toch is haar toestand bedenkelijk, vooral tegen den winter. De aanleg tot borsttering bestaat.... misschien zou alles nog terecht komen, als zij voor langen tijd in een ander klimaat kon leven .... het zuiden van Frankrijk .... maar, hoe zullen wij dat doen, André, dat gaat onze krachten te boven!”
André staat bij de sofa naast zijn vader. Hij schudt langzaam het hoofd, en windt den krullenden, bruinen knevel om den wijsvinger van zijne rechterhand.
„Arme Letje! Wat heeft ze, nadat we mama verloren, ijverig voor de huishouding gezorgd! Wat was ze lief voor u .... arm kind!”
„O, maar we zullen haar behouden, André!”—gaat de predikant op forschen toon voort.—„Ik heb vele vrienden en aanzienlijke kennissen te Leiden en te Amsterdam .... men zal mij niet in den steek laten....”
André wendt het hoofd om, en begint het vertrek op en neer te loopen. Zijn vader in de rede vallend, zegt hij snel:
„Neen, papa! Probeer dat, als 't u belieft, niet! De menschen zouden u of teleurstellen, of u uwe armoede voor de voeten werpen! Eergisteren heb ik er nog aan gedacht. Ik zou er wel wat anders op weten.... In den laatsten tijd krijg ik onophoudelijk brieven van allerlei redacteurs, die artikelen willen hebben voor hunne kranten of tijdschriften. Dat komt door mijne dissertatie! Het schijnt, dat mijn werk wat nieuws gaf. Ze bieden me nogal aardig geld. Uit luiheid heb ik er tot nog toe niet aan gedacht! Maar nu ga ik aan het werk, en al wat ik verdien is voor Letje!”
Dominé De Witt glimlacht onmerkbaar.
„Dank je, André!”—zegt hij bedaard.—„Dat is een goed plan. Zoolang de zomer duurt, kunnen we vooreerst geduld oefenen en op beterschap hopen!”
André ziet heimelijk op zijn uurwerk, maar roept luide:
„Over tienen! Al zoo laat! Ik mag me wel haasten!”
En de predikant:
„Ik was al half en half bang, dat je naar 't ministerie waart.... Ik moet vandaag eene vergadering van 't Haagsch Genootschap bijwonen!”
„Ik ga dadelijk met u mee! En hoe gaat het met Christien en met Willem?”
„Christien .... springlevend en druk! Elken dag de deur uit en met allerlei vriendinnen in de weer! Ze kost heel wat aan laarsjes en handschoenen. En Willem wil naar Utrecht. Hij kan het met zijne professoren in Leiden niet langer vinden! Ze bederven de leer der Nederlandsche hervormde kerk.... Ja, André! dat is nu het nieuwste idee van je jongsten broer!”
De adjunct-commies hield zich met zijne kleeding bezig, en dronk een glas melk leeg, dat op de ontbijttafel gereed stond. Bij de laatste woorden zijns vaders keerde hij zich van den spiegel af, en riep:
„Maar daar komt immers niets van dat plan?”
„We zullen zien! Hij houdt staande, dat hij zich in Utrecht zelf wel redden zal! Zijne geestverwanten, de orthodoxe professoren, zullen hem steunen, zegt hij. Hij dwingt mij brieven te schrijven aan Utrechtsche collega's, en is er den heelen dag vol van!”
„Wees voorzichtig, papa! Dat zal niet goed afloopen!”
Dominé De Witt schudde zacht het hoofd.
André had zijn grijzen hoed met breede randen gegrepen. Hij droeg het smaakvol kostuum van den vorigen dag, met uitzondering van de lichte das, die nu door eene zwarte vervangen was.
„Gaat u mee, papa?”—vroeg André.—„Het wordt mijn tijd! En blijft u van middag bij mij eten, dan zal ik juffrouw Bont waarschuwen!”
„Dank je, jongen! Ik ga voor den eten weer naar Leiden terug! Maar kom jij nu aanstaanden Zondag?”
„Stellig! Ik moet Letje spreken!”
Vader en zoon verlieten het huis, en wandelden saam naar het Noord-Einde, waar de eerste een hartelijk afscheid nam van André.
Daar het bij halfelf was, liep deze laatste eenigszins haastig door het Hartogstraatje naar den Kneuterdijk. André was een groot bewonderaar van de schilderachtige plekken in de residentie. De Vijverberg met zijne frissche, groene boomen, het eilandje in den Vijver als voor anker dobberend in den vollen zonnegloed; de daken en schoorsteenen van het vroegere stadhouderlijke kwartier; het klokkehuisje der oude grafelijke kapel; de statige woningen aan den Korten Vijverberg, wegschuilend achter den dichten bladerendos der hooge kastanjes en soms hier of daar helder verlicht door een gulden zonnestraal—dit alles boeide hem telkens opnieuw. Terwijl hij naar de Gevangenpoort streefde, prees hij in stilte de schoonheid van het stadsgezicht, en dacht hij half zuchtend aan eene donkere kamer, waar hij het grootste deel zijner middaguren zou gaan slijten! En toch vertraagde hij zijn tred niet, toen hij onder de grijze, vervallen Gevangenpoort doorgaande het ministerie van Buitenlandsche Zaken gewaarwerd.
Hij moest dankbaar zijn, dat hij zoo spoedig na zijne promotie eene eervolle betrekking gevonden had. De geschiedenis zijner plaatsing aan het ministerie was zeer eenvoudig. André telde vijf jaren, toen zijn vader predikant te Leiden werd. Hij was in de academiestad groot geworden, en had zonder vast plan het gymnasium bezocht. Het bleek binnenkort, dat André een veelbelovend leerling werd. De roep van zijne merkwaardige vlugheid vergezelde hem naar de academie, en deed hem eerlang in 't oog vallen. Hoogleeraren van grooten naam moedigden hem aan. Daar hij de Rechten als zijn lievelingsvak gekozen had, ondanks den tegenzin zijner ouders, poogde hij al in het begin zijner studiën eene practische oplossing der ouderlijke bezwaren te ontdekken.
Zijne moeder stierf, toen hij zijn tweede studiejaar begon. Het bezwaar tegen zijne keus was enkel financiëel. Hoe zou hij in zijn onderhoud voorzien na zijne promotie, hadden vader en moeder gevraagd. André had altijd geantwoord: als advocaat! Hij zou inzonderheid burgerlijk recht en handelsrecht studeeren, hij zou pogen een goeden naam aan de academie te maken. Dominé De Witt liet André rustig zijn gang gaan na den dood zijner vrouw. Hij had er later nimmer berouw van. In zijn derde jaar beantwoordde André in stilte eene prijsvraag der Utrechtsche hoogeschool. Men vroeg eene „Critiek der bevolkingsleer van Malthus”, en bekroonde met goud een antwoord van een Leidsch student, wiens naam bleek te zijn André de Witt.
Door deze gelukkige uitkomst aangemoedigd, wijdde de jonkman zich nu geheel aan staats- en handelswetenschappen, en promoveerde hij in 1852 met eene dissertatie, inhoudende eene „Geschiedenis der theorie van den vrijen handel sedert Adam Smith.” De buitengewone lof, tijdens zijne bevordering tot doctor in de rechten gewonnen, verhinderde André niet duidelijk in te zien, dat de vrees zijner ouders bij den aanvang zijner academische loopbaan min of meer gewettigd werd. Hij verlangde dadelijk werkzaam te zijn, onmiddellijk in zijn onderhoud te voorzien. Hij raadpleegde zijne professoren, die hem met buitengewone achting bejegenden. Zijne dissertatie was door de heeren van het vak bijzonder geprezen. Men koesterde groote verwachtingen van André. Men ried hem aan geduld te oefenen, en zijne studiën voort te zetten, maar hij antwoordde telkens beslist: „Ik kan niet, ik mag niet!”
André wilde aan zijn vader toonen, dat zijne schitterend voltooide studiën tot eene practische uitkomst hadden geleid. Eén der Leidsche hoogleeraren, die den jongen doctor met vaderlijke vriendschap steunde, wist door zijn invloed voor hem eene betrekking van adjunct-commies aan Buitenlandsche Zaken te verkrijgen. Later zou zich de gelegenheid voordoen, om bevordering in den staatsdienst te erlangen. André zou zijne wetenschappelijke loopbaan voortzetten, niemand twijfelde in Leiden aan zijne toekomst.
Opgeruimd als meestal verscheen André omstreeks halfelf in het ministerie. Vlug wipte hij eene trap op, vlug bereikte hij, na eene lange reeks van gangen en kleinere trappen achter zich te hebben gelaten, de kille kamer, waar hij met een lotgenoot dagelijks arbeidde. Hij vond er niemand, zijn collega was nog niet verschenen. André zette zich voor zijn lessenaar en opende de laden waaruit hij stukken in groot folio-formaat te voorschijn bracht. Daarna rangschikte hij stapels papieren, en sloeg hij verschillende groote portefeuilles open, die in goede orde naast hem klaar lagen. Hij begon daarna zich in de lezing van geschreven rapporten te verdiepen, en arbeidde in stilte een uur.
Toen klonken er zware schreden in de gang, die naar zijne kamer leidde. Het gedruisch hield voor zijne deur stil, en onmiddellijk daarop vertoonde zich, in eene vale zwarte jas, met een verschoten zwart fluweelen kalotje, eene schrale figuur, die op plechtigen toon zeide:
„Meneer De Witt! De secretaris-generaal vraagt naar u!”
André sprong snel op. Een blos kleurde zijne wangen. In vliegende haast greep hij eenige papieren. De bode had zich langzaam met luide schreden verwijderd. André snelt hem na door eene reeks van nauwe gangen, klimt trappen op en af, en bevindt zich eindelijk in een smal vertrek, een soort van wachtkamer voor hen, die den secretaris-generaal wenschen te spreken. De bode opent de buitendeur en daarna de binnendeur, die toegang geeft tot de kamer van den secretaris-generaal.
André treedt binnen. Ook dit vertrek is klein, maar maakt een deftigen indruk door een groot schrijfbureel en eene hooge boekenkast met gesloten deuren aan den muur. Voor het schrijfbureel met den rug naar de deur zit baron Van Berenvelt, secretaris-generaal. Hij wendt het hoofd om, en keert zich tot André.
Baron Van Berenvelt is een grijsaard met een innemend, open gelaat. Voorhoofd en schedel zijn geheel kaal. Eenige dunne, zilveren krullen aan beide slapen verhoogen den indruk van statigheid en eerbiedwaardigheid, die van zijn persoon uitgaat. In het knoopsgat zijner zwarte jas schemert flauw een gekleurd lintje, doch zoo bescheiden, dat het nauwelijks mogelijk is te ontdekken van welke binnen- of buitenlandsche orde hij ridder is.
Zoodra hij André heeft zien binnenkomen, schuift hij zijn zetel wat om, en beantwoordt hij den eerbiedigen groet van den adjunct-commies. Eene kleine hoffelijke beweging met de rechterhand vergunt André te gaan zitten op een stoel bij het schrijfbureel. Daarna grijpt het volgende gesprek plaats:
„Meneer De Witt! Ik wenschte u even te spreken! Binnen een paar dagen behooren de rapporten van onze consuls in de Portugeesche en Spaansche zeehavens gereed te zijn, om ze in onze „Verzameling van consulaire en andere Bescheiden” te kunnen plaatsen! Ook moet er een excerpt voor de dagbladen van gemaakt worden. Mag ik vragen, of u er mee klaar is?”
„Ik ben bijna klaar! Er was vrij wat aan te doen! Mag ik u beleefd om nog één dag uitstel vragen? Morgen zal ik u de stukken komen brengen!”
„Ik heb geen bezwaar tegen één dag uitstel. Maar ik reken dan morgen stellig op de stukken, meneer De Witt!”
„Ik zal niet mankeeren, meneer Van Berenvelt!”
„Uitstekend! Vergun mij u te zeggen, dat u mij bijzonder zou verplichten dergelijk werk zoo snel mogelijk af te doen! Er is nog het een en ander, dat op u wacht!”
Een lastige blos trok over André's wangen en voorhoofd. De uitnemend beleefde toon van den secretaris-generaal deed hem te levendiger gevoelen, dat hij meer ijver en spoed bij de hem opgedragen taak had kunnen aan den dag leggen, maar hij herstelde zich, en het onderhoud werd voortgezet:
„Het spijt mij zeer, dat ik u heb laten wachten!.... In het vervolg zal dat niet meer gebeuren! Ik heb misschien wat te veel tijd besteed aan het uitvoerig rapport van onzen consul te Lissabon.....”
„Dat kan ik u niet kwalijk nemen! Goed werk kost tijd, maar overdrijving schaadt! Tot nog toe heb ik uw arbeid met plezier gevolgd! Een ziertje meer vlugheid .... dat is het alleen!”
„Ik zal uw wenk met den meesten ernst ter hart nemen, meneer Van Berenvelt!”
„Daar twijfel ik niet aan! Professor Van Dam heeft u zeer dringend bij mij aanbevolen! Uwe loopbaan aan de universiteit was zeer eervol, meneer De Witt! Ik ben vast overtuigd, dat het u niet minder goed zal gaan in uwe carrière als ambtenaar!”
Op dit oogenblik kwam de bode geheimzinnig om den hoek gluren, en murmelde iets binnensmonds. De secretaris-generaal knikte.
André stond op.
„Meneer De Witt!”—ging baron Van Berenvelt voort.—„Het is al vrij lang geleden, dat u zich de moeite getroostte mij eene visite te maken, om me den brief van professor Van Dam te overhandigen. Aanstaanden Donderdagavond verwacht ik eenige vrienden. Zal ik dan het genoegen hebben u bij mij te zien?”
André stamelt verrast een toestemmend antwoord, en haast zich afscheid te nemen. Baron Van Berenvelt reikte den jonkman met de vriendelijkste voorkomendheid de hand. André was diep getroffen. Toen hij nu bijna een jaar geleden naar Den Haag kwam met aanbevelingsbrieven van professor Van Dam, had hij ze persoonlijk den minister en den secretaris-generaal ter hand gesteld. Hij herinnerde zich hoe minzaam de heer Van Berenvelt toen eene poos met hem sprak, maar hij had er nimmer aan gedacht, dat hem de eer eener uitnoodiging bij den secretaris-generaal zou ten deel vallen.
Terwijl hij de deur nadert, wordt deze geopend.
Een hoofdambtenaar, aan wien André eenige weken geleden vluchtig was voorgesteld, treedt binnen. Deze heer wierp hem in het voorbijgaan een scherpen, uitdagenden blik toe. Hij beantwoordde dien blik onversaagd, terwijl het hem plotseling te binnen schoot, dat die heer Van Reelant heette, en voor een paar maanden tot referendaris bij het ministerie benoemd was.
Zoodra André vertrokken was, stond de secretaris-generaal van zijn stoel op, om Van Reelant met bijzondere hoffelijkheid te ontvangen. Deze laatste had eene lijvige portefeuille met stukken onder den arm, en nam zwijgend plaats. Hij dacht een oogenblik na, en zeide toen op beleefden, half gemeenzamen toon:
„Nu kan ik mij den naam niet meer herinneren van dat jonge mensch, dat daar juist heenging .... hij is adjunct-commies, niet waar?”
„Zijn naam is De Witt! Een jong en veelbelovend ambtenaar!”
„Dat zou men aan zijn uiterlijk niet zeggen!”
„Waarom niet?”
„Hij ziet er uit als een schilder, die zijne aquarellen niet aan den man kan brengen, of als een tooneelspeler uit een provinciaal stadje van den tweeden rang!”
Naar waarheid moet bekend worden, dat Van Reelant zich altijd in het statigste zwart had gekleed, sinds hij den drempel van het ministerie had overschreden, en dat hij omtrent de waardigheid en het „decorum” dergenen, die de eer hadden den staat te dienen, zeer strenge begrippen koesterde.
Baron Van Berenvelt glimlachte vergoelijkend, en antwoordde:
„De jonge De Witt komt uit Leiden, en is van zeer fatsoenlijke familie. Hij werd mij bijzonder aanbevolen door de Leidsche professoren der rechtsgeleerde faculteit!”
„O, ik twijfel niet aan zijne capaciteiten, als u het mij verzekert, meneer Van Berenvelt! Maar op het eerste gezicht vond ik dat jonge mensch met zijne krullende hairen en grijze slobkousen wat vreemd.”
„Mijn waarde Van Reelant .... dat is een vooroordeel! Die kleine eigenaardigheden zullen u niet meer hinderen, als u weet, hoe uitstekend datzelfde jonge mensch heeft gestudeerd. Zijne dissertatie heeft époque gemaakt. Hij is een zeer degelijk econoom. Voor eenige dagen kreeg ik een brief van Van Dam. U heeft ook te Leiden gestudeerd en weet, dat Van Dam niet licht overdrijft, als hij iemand prijst. Hij beveelt mij den jongen De Witt bij herhaling aan, en wenscht, dat hem de gelegenheid worde geboden iets degelijks te doen!”
Van Reelant buigt zeer wellevend, en opent zijne portefeuille.
„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen!”—herneemt hij ernstig.—„Als men vreemdeling is, en pas begint zooals ik, kan men niet voorzichtig genoeg zijn. In dit opzicht ben ik u al zooveel verplicht, meneer Van Berenvelt!”
„Juist, en daarom overstelpt u mij weer met macht van stukken!”
De secretaris-generaal neemt glimlachend een bundel schrifturen aan, en zet zijn gouden lorgnet op, om den inhoud er van te doorloopen.
VIERDE HOOFDSTUK.
Noodzakelijke verklaringen.
Maandag. Halftien. De lange, zonnige straat, bij de ingezetenen der residentie als het lage Westeinde bekend, onderscheidt zich aan de zuidoostzijde door eene reeks van deftige burgerhuizen, die met hare drie verdiepingen en somtijds met hare fraaie tuinen den bewoners eene benijdenswaardige ruimte aanbieden. Op een der deurposten van dergelijk woonhuis stond met groote, zwarte letters de naam De Milde. Binnentredende strekte zich eene lange gang voor den bezoeker uit. In den regel wees men dezen de tuinkamer, de laatste deur links. Daar vereenigden zich de dames De Milde meestal na de koffie, en ontvingen zij vele bezoeken van familiare vrienden en kennissen.
De tuinkamer was een ouderwetsch, maar aangenaam vertrek. De muren pronkten met een geschilderd behang, dat uit het laatst der vorige eeuw dagteekende, en een ideaal landschap vol prachtige villa's en lustig kronkelende stroomen voorstelde, terwijl ettelijke ruiters, rijtuigen en voetgangers de wegen stoffeerden. De heeren op den muur waren meest voorzien van witgepoeierde staartpruiken en vermiljoenkleurige „houppelandes”, de dames van lichtgele zijden „sakken” en zwarte „mitaines.” De beide vensters zagen op een mooien tuin van oud model met meer vruchtboomen dan bloembedden en eenige zwaar belommerde priëeltjes, waar de familie des namiddags placht thee te drinken. Nu stonden de beide ramen wijd open en werd de kille atmosfeer der tuinkamer getemperd door de warme luchtstroomen, die naar binnen drongen. De drie oudste gezusters, Kee, Jans en Willemien hadden nog geen toilet willen maken, daar ze de wasch moesten doen. De twee jongsten, Rosa en Louise, genoten van de groote vacantie en waren uit logeeren bij eene tante in Gelderland. Mama De Milde was gekleed, 't geen in het onderhavige geval zeggen wilde, dat de kleine, bedrijvige huismoeder eene donkerbruine japon vol vetvlakken en een vervaarlijke muts met splinternieuw stroogeel lint droeg.
De dames waren in druk gesprek.
„Ze is na de koffie uitgegaan, en heeft tegen Aaltje gezegd, dat ze om drie uren zou terugkomen!”—roept Willemien.
„Ze had een anderen hoed op, dan gisteren!”—zegt Jans.
„Die zat zeker in een van de drie groote koffers, die van morgen gekomen zijn!”—meende Kee.
„Heel beleefd vind ik ze niet!”—zegt mevrouw De Milde met eene schorre, maar toch zeer luide stem.—„Ze heeft papa van morgen laten roepen, en wat zou je denken, dat ze vroeg....”
„Een spionnetje voor het middelste raam boven!”—giste Jans.
„'t Lijkt er niet naar!”—antwoordt mama nog luider.—„Ze wou een huissleutel!”
Algemeene ontsteltenis. Velerlei uitroepingen volgen.
Mevrouw De Milde herneemt:
„Ze heeft een huissleutel gevraagd! Ze zei, dat ze ons niet graag wou hinderen, en zelf niet graag op de stoep wou blijven wachten, als ze thuis kwam. Papa heeft haar dadelijk den kleinste van onze beide huissleutels gegeven!”
„Net een man!”—riep Willemien.
„En trotsch ook!”—zei Jans.—„Gistermiddag, toen Aaltje haar voor het eerst bediende, heeft ze geen woord met de meid gesproken, en uit een boek, dat naast haar bord lag, gelezen!”
„Ik zou wel eens willen weten, wie ze hier kent!”—meende Kee.—„Laatst zei ze, dat ze heel vreemd was in Den Haag, en gisteren reed ze door het bosch langs de tent. Dat vind ik geheimzinnig!”
Al de dames schudden het hoofd, en zwegen eene poos, omdat ze moesten nadenken over zoovele gewichtige feiten, als zich sedert de laatste dagen in haar kleinen kring hadden voorgedaan. De nieuwe huisgenoote, mevrouw De Huibert, was het groote onderwerp van haar gesprek. Ze stelden elkaar eene menigte vragen, die ze geen van allen konden beantwoorden. Waar kwam mevrouw De Huibert eigenlijk vandaan? Had ze altijd te Rijswijk gewoond? Zij was natuurlijk weduwe, want ze kleedde zich in den rouw. Ze sprak niet veel—zou ze iets hebben te verbergen? Gisteren had ze den geheelen Zondagnamiddag stil zitten te lezen en thee te drinken; daarna had ze een poosje loopen wandelen door hare kamers en was vroeg naar bed gegaan—dit alles hadden de jonge dames duidelijk kunnen merken.
„Ja, maar met al dat praten komt de wasch niet klaar!”—waarschuwde mama.—„Me dunkt, ze had van morgen, voor ze uitging, ons wel even kunnen goeiendag zeggen! We zijn fatsoenlijke menschen, en verhuren onze kamers niet aan Jan en alleman!”
In de gang had de huisbel zeer luid geklonken. Aaltje, de gedienstige geest van den huize, die de belangrijke „functiën” van keuken-, kamer- en loopmeid op voortreffelijke wijze „cumuleerde”, als de heer De Milde gewoon was te zeggen, trad haastig binnen, en riep met van nieuwsgierigheid tintelende oogen:
„Daar is mevrouw en de juffrouw Muller! Ze vragen naar mevrouw boven. Ik heb gezegd, alsdat mevrouw om drie uur thuis komt....”
De vier dames De Milde steken de hoofden bijeen. Zij branden van verlangen moeder en zuster van hare nieuwe huisgenoote nader te leeren kennen. Maar de meisjes zijn ongekleed, ze zien er al te huiselijk uit met hare verschoten katoenen japonnen. „Mama is gekleed, mama zal gaan....”
In een paar seconden heeft mevrouw De Milde de donkere suite, die op de tuinkamer volgt, achter den rug en opent zij de deur van een ruim voorvertrek, waar men plechtige visites ontvangt. Mevrouw Muller Belmonte en Betsy zitten er zwijgend te wachten. Mama De Milde plooit hare alledaagsche trekken tot den minnelijksten glimlach, en buigt hare onwelluidende stem tot den vriendelijksten klank, terwijl zij zegt:
„Het spijt me zeer, dames! Mevrouw De Huibert is uitgegaan, maar komt tegen drie uren thuis. Misschien zullen de dames wel een oogenblik geduld hebben....”
Mevrouw Muller Belmonte staat van haar stoel op. Haar bleek gelaat heeft eene wasachtig gele tint aangenomen; de groeven rondom neus en mond zijn dieper geworden: het dunne hair aan de slapen vertoont eene onoogelijke mengeling van grijs en geel. Zij spreekt zacht en bescheiden:
„Als u het ons permitteert, mevrouw! dan zullen we boven op Suze's kamer wachten!”
„Met het meeste plezier! De dames komen zeker wandelen van Rijswijk? Kan ik u met iets dienen? Wat zullen de dames gebruiken?”
„Dank u zeer, Mevrouw?”
„Een glaasje madera met water en suiker, niet waar?”
„Neen, dank u, heusch!”
De beide wandelaarsters uit Rijswijk hadden veel van de zon geleden, en zouden gaarne iets koels gedronken hebben, maar fatsoen en overleg beide deden haar het gulle aanbod afslaan. Zij wilden de kennismaking met de vrouw des huizes niet terstond voortzetten, en waren recht tevreden, toen deze spraakzame dame haar den weg naar Suze's bovenkamer gewezen, en eindelijk alleen gelaten had.
Het ruime vertrek zag met twee ramen op het Westeinde uit, en was door de familie De Milde van de fraaiste meubelen uit de benedenverdieping voorzien. Er lag een nieuw donkerbruin kleed op den vloer en de trekgordijnen voor de vensters waren gloednieuw.
Betsy legde hoed en mantille ter zijde. Hadden kennissen uit Osterwolde haar hier ontmoet, zij zouden eene merkwaardige verandering in haar voorkomen hebben ontdekt. Haar oogopslag was zachter en vriendelijker geworden, zoodat hare mooie blauwe oogen beter uitkwamen. Zij had het donkerblonde hair evenals Suze in lange krullen opgemaakt, en misschien ook daardoor aan haar knap kopje een tintje van gemoedelijkheid gegeven, volkomen in tegenspraak met het trotsch en ontevreden voorkomen van voorheen. Mevrouw Muller Belmonte was zuchtend ineengezonken op haar stoel. Haar gelaat drukte vermoeidheid, zorg, bittere teleurstelling uit. Betsy liep de kamer op en neer, en stond stil voor een paar staalgravuren, die de Dom te Keulen en de Nôtre-Dame te Parijs voorstelden. Eindelijk wordt zij getroffen door de lijdende gestalte van hare moeder. Zij komt langzaam terug van den wand, en zegt vriendelijk:
„Mama! mag ik uw hoed wegleggen? U heeft het te warm! Geneer u toch niet .... wij zijn bij Suze!”
„Bij Suze! Nu ja .... maar als ze straks thuis komt, is ze misschien heel ontevreden.... Ik verwacht niets van haar....”
„Geef de hoop niet op, mama! Ze is bij de hand, ze weet raad! Het voornaamste is, dat ze ons plan goedkeurt!”
„Goedkeuren is niet genoeg! Ze moet ons helpen!”
„En dat zal ze ook!”
„Och, Betsy! Heb jij nog illusies over je zuster? Ze is net als papa was, want ze zorgt alleen voor zich zelve! Suze is handig genoeg, dat is waar.... Och kom, stel je maar voor, dat we een vergeefsche reis gemaakt hebben!”
Mevrouw Muller Belmonte zuchtte diep. De uitdrukking van troostelooze ellende op haar gelaat, de diepe plooien om hare kleurlooze lippen, de doffe oogen .... alles sprak van eene knagende smart, deels zelfverwijt, deels ergernis over haar ongeluk.
Betsy had zwijgend haar den hoed afgenomen. Uit een reistaschje nam zij eene eenvoudige muts met donkerblauw lint, Mevrouw Muller Belmonte stond op, en liet zich door hare dochter helpen.
„Kom, mama! We zullen het hoofd omhoog en moed houden, niet waar? Reken op mij, ik zal voor u werken....”
Betsy's stem klonk zachter en vriendelijker dan vroeger. De tegenspoed droeg ééne goede vrucht althans—hij neigde het hart van het jonge meisje tot ootmoedig medelijden met hare zwaar beproefde moeder.
Mevrouw Muller Belmonte drukte Betsy zwijgend de hand. Zij voegde er met bevende stem bij:
„Ja, kindlief! Ik weet het wel! Jij bent heel lief voor me geweest .... sedert dien verschrikkelijken nacht. Ik heb op de wereld niemand anders dan jou.... Wij moeten ons best doen, nu we doodarm zijn, een klein stukje brood te verdienen.... Maar hard te werken en afhankelijk te zijn van Suze, die!.... die.... O God! dat vind ik ondragelijk!”
„Niet overdrijven, mama! We kunnen Suze misschien wel missen, als we maar saam dapper de handen uit de mouw steken!”
Mevrouw Muller Belmonte boog het hoofd. Het denkbeeld, dat ze tegen onverdiende armoede zou moeten worstelen op hare jaren, maakte haar diep ongelukkig. Zwijgend ging zij weer naar haar stoel. Hare oogen waren vochtig geworden. Zij wilde naar Betsy's vriendelijken raad hooren, en toch kon zij niet geheel met de verstandige plannen van haar jongste kind instemmen.
Een haastige tred klonk bij de deur.
Suze trad binnen. Of de Haagsche zomerlucht haar een blos op de wangen tooverde, of het smaakvol toilet, lichte rouw, haar buitengewoon goed stond, dit althans was zeker, dat ze er ongemeen bevallig uitzag. Toen ze haar moeder en zuster zag, fronste ze even de wenkbrauwen. Kalm begon ze:
„Jelui hier?”
„Ja, Suze! We moeten je het een en ander vertellen, en over een paar punten met je overleggen!”
Mevrouw Muller Belmonte had gepoogd vriendelijk en voorkomend te spreken. Ze had niemand bekend, welk een heimelijke toorn er voortdurend woedde in haar binnenste. Den dood van haar man, het schandelijk bankroet, de verachting van heel Osterwolde, had zij kunnen trotseeren, wanneer hare dochter, mevrouw De Huibert van Vliethuysen, zich niet als eene gemeene deern had laten wegjagen uit de echtelijke woning.
Suze vermoedde niet in 't minst, wat er bij hare moeder omging. Ze antwoordde uit de hoogte:
„We hadden immers afgesproken, dat jelui Zondagsmorgens bij mij zoudt komen koffiedrinken! Is er nu zoo'n haast?”
„Ik begrijp, dat je ons heel best kunt missen, Suze! Schikt het je niet ons te hooren, dan zullen we onmiddellijk weer heengaan!”
„Zooals u verkiest! Ik heb geen lust, om dadelijk weer te kijven....”
Maar Betsy treedt snel naar Suze toe. Zij fluistert haar iets in 't oor. Mevrouw Muller Belmonte heeft met vonkenschietende oogen zich opgericht.
„Kijven! Het past je niet tegenover mij dat woord te gebruiken! Kom, Betsy! Laat ons gaan!”
Maar Betsy, die sedert den noodlottigen nacht, toen haar vader stierf, reeds menig moeielijk oogenblik met hare moeder en oudste zuster had doorgebracht, Betsy wendt zich tot de eerste, en zegt:
„Neen, mama! We moeten geduld hebben, omdat we ongelukkig en arm zijn! Suze zal naar ons luisteren! Onaangenaamheden zijn er toch al genoeg!”
Mevrouw De Huibert hield zich zwijgend met haar eleganten zomerhoed bezig, en wachtte tot Betsy mama zou hebben doen bedaren. Mevrouw Muller Belmonte ging bevende weer zitten, en zei dof:
„Zeg jij het, Betsy!”
„Goed, mama!”
Suze trad zonder de minste ontroering nader, en plaatste zich bij het venster. Zij keek verstrooid naar buiten.
„Suze!”—begon Betsy,—„gisteren was je nog geen uur weg, toen we een brief kregen uit Amsterdam van oom Muller. Hij schrijft mama, dat hij in de eerste plaats de zaak van Bram en Karel in orde heeft gebracht. Beide jongens zijn gezond en sterk: als ze goed willen oppassen bij het instructiebataljon te Kampen, zal hij ze zooveel mogelijk helpen. Ze zijn heel wel tevreden, en hebben beloofd hun best te doen!”
„Dat is ten minste goed nieuws!”—merkte Suze op.
Mevrouw Muller Belmonte bleef beweegloos in elkaar gedoken zitten. Haar zwager, de Amsterdamsche kolonel, kende den omvang der familierampen ten volle. Hij had besloten de beide jongens tot onderofficier te doen opleiden, en ze verder te steunen, zoolang er aan hun gedrag niets mankeerde.
Betsy wachtte eene poos en ging toen na eene korte aarzeling voort:
„Oom schrijft verder over ons beiden, over mama en mij.... Hij vindt het vreemd, dat wij te Rijswijk blijven, en dat jij, Suze, naar Den Haag gaat. Hij had het verstandiger gevonden, als wij al te zaam te Rijswijk waren gebleven, in de eerste plaats om de kosten....”
Het was nu Suze's beurt het hoofd toornig op te heffen. Snel viel ze hare zuster in de rede:
„Dat is mijn zaak! Laat hij er buiten blijven! Ik weet wel, dat hij juist niet met mij dweept .... de brave man heeft principes.... Heel goed! Maar ik heb hoegenaamd geene verplichting aan hem! Ik verlang, dat hij mij met rust laat.”
„Maar Suze! denk toch, dat mama en ik alleen van zijne mildheid afhangen! Hij meent het best! Hij zal ons helpen .... hij dacht, dat jij bij ons zoudt blijven wonen, dan konden we zeer fatsoenlijk leven!”
„Oom Muller mag denken wat hij wil! Daar kan niets van komen! Mijn plaats is in Den Haag! Ik heb een vast plan, ik wijk er niet van af.”
Mevrouw Muller Belmonte had met klimmende verontwaardiging en bittere gramschap de woorden harer dochters gevolgd. Telkens wilde zij spreken, telkens bedwong zij met inspanning haar toorn.
Betsy zag Suze met een bedroefden blik aan, en ging voort:
„Oom Muller schreef verder, dat hij hartelijk deelnam in ons ongeluk, dat hij als toeziende voogd voor Bram en Karel zal zorgen, maar, dat hij voor mama en mij niet meer dan vijfhonderd gulden in 't jaar kan afstaan. Hij bekent, dat het heel weinig is, maar hij verwijst naar....”
„Naar mij!”—valt Suze schamper glimlachend in.—„Dat spreekt van zelf! Ik ben schatrijk! Het moet van mij komen....”
„Neen, niet alleen van jou! Ook van mij!”—zegt Betsy snel.—„Oom Muller heeft mij nog een goeden raad gegeven. Hij hoorde mij te Amsterdam piano spelen, en denkt, dat ik buitengewoon vlug en vaardig ben op dat instrument. En ook omdat ik zeer goed onderwijs heb gehad, voel ik mij in staat les te geven. Als je me helpen wilt, Suze! dan krijg ik misschien hier in Den Haag wel lessen, en dan konden wij, als jij ook wat deedt, mama een gerusten ouden dag bezorgen!”
Betsy bleef een oogenblik op antwoord wachten.
„Dat idee is niet kwaad, Betsy! Reken op mij, ik zal zorgen, dat je lessen krijgt! Binnen een paar dagen zal ik er werk van maken. Dat kan heel goed! Maar ik zie geen kans je verder te helpen. Ik kom maar even rond met wat ik heb. Vaste ondersteuning beloof ik niet! Bij buitengewone omstandigheden, als je in groote verlegenheid waart, dat spreekt van zelf, dan....”
Mevrouw Muller Belmonte stond schielijk op. Het gele gelaat was grauwbleek geworden. Heesch van gramschap viel ze plotseling uit:
„Dank je, Suze! Ik wil geen cent van je aannemen! Ik wist vooraf, dat het zoo zou gaan! Eens en vooral zweer ik je, dat je geen last meer van mij hebben zult. Ik heb veel geleden, en zal het wel niet lang meer maken! Maar zoolang als ik in deze ellendige wereld leven moet, zoolang zul-je uit mijne oogen blijven! Koud, hebzuchtig, zonder een greintje gevoel, net als je knappe vader, laat je mij eenvoudig aan mijn lot over! Heel goed! Geloof niet, dat ik laaghartig genoeg zal zijn, je ooit weer om hulp te vragen.... Kom, Betsy! Geef me mijn hoed!”
Betsy vatte de van woede sidderende vrouw bij de hand, en vermaande zacht tot kalmte en vrede.
Maar de verontwaardiging harer moeder was te sterk. Mevrouw Muller Belmonte ging voort:
„'t Grootste deel van mijn leven heb ik geleden onder een despoot van een man, die mij iederen dag door zijne opvliegendheid deed beven. Hoe dikwijls heeft mij dat ongelukkig huwelijk berouwd. Ik leefde heel gelukkig te Deventer bij mijne ouders. Mijn papa was een braaf dokter. We hadden het niet ruim, maar we konden toch bestaan. Toen kwam je vader, een doodarm candidaat-notaris. Hij vroeg me .... uit liefde, zei hij. Papa was overal geacht en bemind, hij had aan alle kanten van het land vrienden en relatiën. Mijn handige aanstaande begon dadelijk te intrigeeren, om door hulp van mijn vader tot notaris benoemd te worden. Eindelijk gelukte het te Osterwolde. Je vader, die geen cent, maar vrij wat schulden had, gedroeg zich of hij millionair was. Hij kocht huis, erve en stalling van zijn voorganger, hij kocht paarden en rijtuigen en wist op een wonderlijke manier bij iedereen crediet te krijgen. Kostbare meubels werden aangeschaft, onze huishouding op hoogen voet ingericht. Als ik me angstig maakte over den last der schulden, lachte je vader me uit. Hoe hij er zich uit redde, weet ik niet. Zijn uitgaven voor allerlei onnoodige weelde hebben jaarlijks duizenden en duizenden verslonden. Zei ik een woord, dan snoerde hij me de mond. Nooit heb ik iets geweten van den stand zijner zaken. Eens heeft hij in een hevigen aanval van woede zich verraden, en mij doen merken, dat hij in effecten speculeerde. Hij had een groot verlies geleden, en deed een zwaren eed, dat men hem nooit weer zou verschalken.... Of hij zijn woord gehouden heeft, weet ik niet, maar dit weet ik, dat ik meer dan vijf en twintig jaren in vrees en onrust en daarbij in weelde en overdaad heb geleefd, om nu eindelijk tot armoede en schande te komen .... om nu uit de hoogte behandeld te worden door een dochter, .... die iedereen den rug zou toekeeren, als de wereld maar wist, wie zij was!”
Mevrouw Muller Belmonte had, sidderend van klimmende ontroering, dan eens zacht en haperend, dan weer luider en hartstochtelijker gesproken. Telkens op het punt in tranen los te barsten, beheerschte ze evenwel hare smart, om bij de laatste woorden met volle kracht van stem en uitgestrekten rechterarm tegen Suze uit te vallen.
Deze had zeer oplettend naar de voorbijgangers in het Westeinde getuurd. Een schamper glimlachje krulde hare lippen. Zij keerde zich om, en zei zeer bedaard:
„De familie beneden zit achter en kan ons gelukkig niet hooren. Anders zou ik vriendelijk verzoeken wat minder hard te schreeuwen!”
Mevrouw Muller Belmonte antwoordde niet. Met bevende vingeren gaf ze Betsy hare muts, en repte zich haar hoed op te zetten. Langs de gerimpelde wang liep een traan, dien ze haastig afwischte. De hoekige, magere gestalte der oude vrouw kwam scherper uit, naarmate zij zich driftiger bewoog, voortdurend het hoofd schuddende, terwijl Betsy haar smeekend iets in 't oor fluisterde.
„Kom, kind!”—sprak ze halfluid, telkens nieuwe tranen afwisschend.—„Geen minuut langer hier! Kom!”
Er wordt vrij luid op de deur geklopt.
Schoon in de verwarring niemand „binnen!” riep, werd de deur toch geopend, om toegang te verleenen aan de buigende en glimlachende mevrouw De Milde.
De waardige dame scheen eenigszins verlegen met hare houding, en stapte onder groote drukte binnen, zoodat de breede stroogele linten van haar hoofddeksel in golvende slingering hare bewegingen volgden.
„Neemt het me asjeblieft niet kwalijk, dames!”—sprak ze.—„Ik ben zoo vrij u even te storen! De dames zullen ons, hoop ik, de eer aandoen hier te blijven eten?”
Betsy toonde het meest tegenwoordigheid van geest, en antwoordde oogenblikkelijk:
„Wij zijn u zeer verplicht, mevrouw! Voor van middag hebben we ons woord al gegeven!”
„Dat spijt me! Het zou ons hoogst aangenaam geweest....”
Suze keerde zich met een beleefden glimlach tot de goedhartige oude dame, en viel haar in de rede:
„En mij ook, mevrouw! Maar de dames kunnen vandaag onmogelijk. Later zullen we, hoop ik, van uwe vriendelijke invitatie gebruik maken!”
De drie dames Muller Belmonte bogen zeer deftig. Mevrouw De Milde begreep, dat het niet fatsoenlijk was langer aan te dringen of te blijven. Zij voegde hare buigingen bij die van het drietal, en trok zich onder een vloed van woorden terug. Toen zij de deur der bovenkamer achter zich sloot, bekroop haar de groote verzoeking even te luisteren, wat er gezegd zou worden, maar zij durfde niet .... de oude mevrouw stond op het punt te vertrekken. Daarom wipte mevrouw De Milde vlug naar beneden, en verscheen zij met een raadselachtig gezicht in de tuinkamer, waar de drie gezusters nog altijd ijverig aan de wasch bezig waren.
Vragend staarden zij hare moeder aan. Deze zweeg, en ging op hare gewone plaats zitten. Werktuigelijk grepen de dames ieder een servet of sloop. Toen bogen de vier hoofden zich tot elkander en begon mama te fluisteren. 't Scheen of de heeren met de vermiljoenkleurige „houppelandes” en de dames met de gele zijden „sakken” van het behangsel nieuwsgierig naar het viertal omzagen, maar men lette er niet op, en de fluisterende stem werd langzaam luider:
„Ze hadden woorden.... Er werd hard geschreeuwd! 't Was over geld, denk ik! De oude mevrouw sprak tegen mevrouw De Huibert. Eén ding kon ik duidelijk verstaan. De oude mevrouw Muller riep: „Als de wereld maar eens wist, wie je bent!” of zoo iets. Ik klopte aan, omdat ik er niet meer van hooren wilde, en ik merkte duidelijk, dat er wat aan haperde .... enfin, dat er hier iets heel geheimzinnigs is. Wat moeten we daar nu aan doen?”
De drie dames zwegen eene poos.
Willemien was het eerst met een antwoord gereed:
„We moeten het aan den ouden heer vertellen, en die zal beslissen!”
Kee gaf het tweede advies:
„Laat papa er buiten! Hij is in staat er op de sociëteit over te praten, en dan krijgen we er naderhand last van!”
Jans besloot het debat:
„Jelui begrijpt er niets van. De particuliere zaken van mevrouw De Huibert gaan ons niet aan! We hebben het bovenkwartier voor een jaar verhuurd, en dat is de hoofdzaak!”
Niemand antwoordde, en het viertal wijdde zich met dubbelen ijver aan de wasch.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Bij den Secretaris-generaal.
Donderdag, negen uur des avonds. De duisternis is gevallen over de residentie. Des namiddags was de hemel door akelige, donkere wolken verduisterd geworden, alsof een brekebeen in de waterverfschilderkunst het zwerk met sepia en Oost-Indischen inkt had bemorst. Een onweer, bliksem en hevige donderslagen volgden. Regenstroomen hadden de smachtende bladerkronen van den korten Vijverberg overvloedig gedrenkt; het eilandje ontwaakte uit de doffe dommeling door de felle zonnestralen van Augustus' laatste dagen over den Vijver als uitgegoten; het droppelde onder de lindenlaan op het schelpenpad langs het water; de gaslantaarns werden ontstoken. Nadat de storm had uitgewoed, blies een koele westenwind over Voorhout en Vijverberg; de starren gluurden langs de aftrekkende wolkgevaarten; een schoone zomernacht brak aan.
Op den Vijverberg staat een vorstelijk gebouw van drie verdiepingen, sinds lange jaren eigendom en woonhuis der familie Van Berenvelt. Even na negen uur klonk de bel herhaaldelijk in de ruime marmeren vestibule. Vier knechts in galalivrei stonden boven aan eene marmeren trap van vijf treden, langs de beide zijden van welke schilderachtige heesters en bloemen prijkten. De lakeien haastten zich de gasten binnen te laten, en openden de glazen deur boven aan de marmeren trap. Eene helder verlichte gang, met een dik Turksch tapijt bedekt, en wederom door hoog opgaande heesters en bloemen getooid, bracht naar het salon, waar de Baron Van Berenvelt zijn gasten wachtte. Toeval en plicht hadden den gastheer genoopt midden in den zomer een diner en soirée te geven. De Belgische regeering had eene commissie van hoofdofficieren der artillerie afgevaardigd naar Den Haag, Hannover en Kopenhagen, ten einde wetenschappelijke studiën te maken over eene nieuwe manier van vuurmonden te gieten. De minister van Oorlog was door ongesteldheid aan zijne kamer geboeid, de minister van Buitenlandsche Zaken was voor veertien dagen naar Ems vertrokken. De secretaris-generaal had dus de „honneurs” van Den Haag tegenover de Belgische heeren op te houden, en aarzelde geen oogenblik ook in het weinig eigenaardig seizoen eene vriendenbijeenkomst ten zijnent te noodigen.
Kwartier na negen stond André de Witt op de stoep van Baron Van Berenvelt. Als adjunct-commies had hij misschien zekeren schroom behooren te gevoelen, maar inderdaad was hij zoo opgeruimd en kalm, dat zelfs het grootsche schouwspel der vier galalakeien en de betoovering der smaakvolle bloemen in de gang hem niets van zijne gewone geestestegenwoordigheid roofden. André vergat zijne nederige betrekking, en stapte onverschrokken door, totdat een der dienende grootheden eene deur opende, en luide galmde.
„De heer De Witt!”
André ontwaarde een zeer ruim vertrek, badende in licht, 't welk stroomde van twee kristallen lichtkronen en tallooze waskaarsen aan den wand en bij den marmeren schoorsteenmantel. Hij bemerkte, dat nog twee salons, evenzoo blakend van licht, zich bij deze zaal aansloten, en dat eene tamelijk groote menigte dames en heeren—de laatsten verreweg in de meerderheid—over dit terrein was verspreid. Bij den schoorsteen stond de gastheer, Baron Van Berenvelt, in ernstig gesprek met twee der Belgische gasten, beiden in gala-uniform, beiden overdekt met kruisjes en gulden starren.
André had eigenlijk zeer verlegen moeten zijn, maar met de hem eigen vrijmoedigheid en opgeruimdheid begaf hij zich zonder aarzelen naar den heer des huizes. Ongedwongen buigend sprak hij een paar beleefde woorden, en wilde oogenblikkelijk ter zijde heengaan. Doch de Baron voorkwam hem en reikte hem even ongedwongen de hand. De gastheer wendde zich daarop tot eene jonge dame, die achter de kolossale gestalten der artilleristen als verborgen was, en zei:
„Meneer De Witt! mijne dochter Adèle!”
De Baron vervolgde zijn gesprek met de Belgische gasten, en André richtte zich tot eene rijzige dame, die zijne buiging rustig beantwoordde.
Freule Adèle van Berenvelt, de oudste dochter van den secretaris-generaal, trad als gastvrouw op. De Baron had zijne echtgenoote vroeg verloren, en sinds dit smartelijk verlies steun en troost gevonden bij zijne oudste dochter. Adèle was de twintig jaren voorbij, en niet alleen hoffelijkheid verbood te bepalen, hoe dicht zij de dertig naderde. Een waas van jeugd en frischheid sierde het ernstige gelaat, 't welk eer streng dan bevallig zou kunnen genoemd worden, had niet een paar donkere kijkers, donker en vol schitterend licht tevens, dien indruk getemperd. Hare slanke figuur was in een eenvoudig kleedje van bleekblauw neteldoek gehuld. Zij droeg geene sieraden; een breed zwart fluweelen lint met een diamanten kruis om den blanken hals vormde eene smaakvolle uitzondering.
Freule Adèle had waarschijnlijk den naam van André nog nooit gehoord, maar toonde zich zonder den geringsten tegenzin terstond bereid, om het jonge mensch, door haar vader met een vriendelijken wenk aan haar voorgesteld, zoo beleefd mogelijk te woord te staan. Misschien—de veronderstelling is echter gewaagd—stemde André's blijgeestig en vrijmoedig voorkomen haar tot toegevendheid. André had tijdens zijne studiejaren te Leiden geleerd menschen te zien. Zijne houding was kalm, al verried ze soms onbewust eene bescheiden mate van zelfvertrouwen. Hij sprak niet te luid, maar zorgde toch, dat men hem verstaan kon. Zwarte rok en witte das stonden hem uitmuntend bij het glanzige hair en den donkerbruinen krullenden knevel. De eerste de beste schilder zou hem een „pittoresken” kop hebben toegekend.
Het gesprek was op uiterst heuschen toon begonnen.
De storm van dien middag, het zomerseizoen, de residentie, buitenlandsche uitstapjes, gaven aanvankelijk stof tot enkele vragen en antwoorden.
„Men moest eigenlijk niet op reis gaan!”—vervolgde Adèle.—„Den Haag wordt miskend. Heeft u hier al lang gewoond, meneer De Witt?”
„Een jaar, freule!”
„Tijd genoeg om van Den Haag te houden!”
„Mag ik er nog iets bijvoegen?”
„Zeker, maar geen kwaad van onze lieve stad zeggen!”
„In 't minst niet. Den Haag is een heerlijke stad, maar met een beetje moeite zou men er een lustoord van kunnen maken. Er is nog lang niet genoeg partij getrokken van al het mooie, dat men hier voor het grijpen heeft. De pleinen zijn te kaal....”
„De Zwijger....”
„Pardon.... Mag ik nog even voortgaan? De Zwijger staat op het Plein, maar wat zou men niet met dat Plein kunnen doen! Men moest de steenen opbreken, het terrein verhoogen en er een heerlijken bloementuin aanleggen! Twee springenden fonteinen aan beide zijden van het standbeeld, kleine marmeren of bronzen statuën te midden van net onderhouden bloemperken—iets in den geest van het Palais-Royal te Parijs!”
„'n Charmant idee, maar....”
„Ik zou nog meer willen! Is er poëtischer plekje dan het eilandje in den Vijver? Een groot Nederlandsch dichter heeft voor ongeveer tien jaren al gezegd, dat het wit marmeren standbeeld van Constantin Huygens midden uit het groen van het eilandje moest oprijzen!”
„Allerliefst! Vooral voor menschen, die gezonde en krachtige oogen hebben, zou Huygens wel voldoen op het eilandje .... maar, dan zou ik nog een amendement op uw voorstel hebben. Er is nog zooveel plaats op de Plaats! Zouden wij daar geen ruiterstandbeeld voor den stadhouder Willem III, Koning van Engeland, kunnen oprichten?”
„Juist! En tegelijk het standbeeld van koning Willem II van het Buitenhof wegnemen! De held van Quatre-Bras heeft aanspraak op iets beters!”
„Maar, meneer De Witt! waar zouden we een gemeenteraad vinden, die zooveel geld zou willen geven, om Den Haag mooier te maken? Ik vrees, dat we luchtkasteelen bouwen!”
„Luchtkasteelen! Als u daar maar een geschikt architect voor vinden kan, freule!”
Deze laatste woorden werden uitgesproken door iemand, die een fragment van het gesprek scheen verstaan te hebben, en nu diep buigend voor freule Van Berenvelt standhield.
André zag onthutst op. De nieuwe spreker was Jhr. Mr. Van Reelant, de referendaris aan het departement. In zijn zwarten rok zag deze er zoo volmaakt deftig en achtenswaardig uit, dat André in zijne verbeelding het eigenaardig geluid van een kapperschaar meende te hooren en onwillekeurig de rechterhand aan zijn achterhoofd bracht. Freule Van Berenvelt antwoordde Van Reelant glimlachend op den toon van goede bekenden. De referendaris had inderdaad al menig bezoek op den Vijverberg afgelegd, hij had dien middag bij den Baron „gedineerd”, en zelfs aan de rechterhand van freule Adèle gezeten. Dit alles wist André niet, evenmin, dat de heer Van Reelant in blakende gunst stond bij den minister van Buitenlandsche Zaken, en dat Adèle van Berenvelt eenmaal een vorstelijk vermogen van haar vader zou erven.
Toen Van Reelant zich tot Adèle wendde, had hij in een ondeelbaar oogenblik André met een minachtenden blik gemeten, en zich behendig zoo geplaatst, dat hij schijnbaar zonder opzet den jonkman ter zijde drong. André deed of hij niets bemerkte, en ging glimlachend uit den weg. Hij kreeg nu gelegenheid de salons van den secretaris-generaal uiterst bedaard te doorloopen, en een oog te wijden aan de talrijke gasten.
Al de heeren waren in rokken of uniformen: de meesten schenen op zeer bijzondere verdiensten voor Nederland of andere rijken te kunnen bogen, daar zij kleine verzamelingen van ridderkruisjes in het knoopsgat droegen. Een kaal heer met een blozend gezicht droeg een purperrood commandeurslint om den hals. Hij zat bij een drietal bedaagde dames in groot toilet, en luisterde naar een buitengewoon lang heer zonder „decoratiën”, maar met een forschen militairen knevel, die vrij luid in het Fransch eene mededeeling deed, waarover het viertal zich vergunde zeer piano te lachen. Twee jongere Belgische officieren, secretarissen der commissie, hadden zich doen voorstellen aan enkele Nederlandsche jongedames, en vormden eene groep bij een klavier, waarop eene der jeugdige schoonen verondersteld werd later iets te zullen spelen.
André wandelde door de drie salons te midden der hoffelijk sprekende gasten, en zag, dat het laatste vertrek uitkwam in eene luchtige serre, die met twee wijdopenstaande deuren naar een „geïllumineerden” tuin leidde. De koele luchtstroomen van buiten door de serre naar de gezelschapszalen zich een weg banend, hadden veelszins bijgedragen tot tempering der Augustus-warmte. De adem van den nachtwind lokte zoo verkwikkend, dat André zich haastte enkele trappen, uit de serre naar den tuin leidend, af te dalen. Een klein clubje van gasten scheen hetzelfde denkbeeld met hem te deelen. 't Waren eenige jongelui uit „de wereld”, die zich even welstaanshalve op de soirée van Baron Van Berenvelt vertoonden, die even in 't voorbijgaan een glas wijn aanvaarden van de buigende lakeien, en naar eene gelegenheid omzagen, om even ongemerkt eene sigarette te rooken.
André kende niemand onder hen. Hij keerde aanstonds terug. Sommige blikken waren met eene mengeling van spot en nieuwsgierigheid op hem gevestigd. De „gedoreerde” jongelingschap maakte zich vroolijk over de „crinière de lion” van dien onbekende. Zij hielden hem voor een attaché bij een Duitsch gezantschap, en schaterden daarom niet zoo luid, als ze stellig zouden gedaan hebben, indien ze op de hoogte van André's „positie” geweest waren.
Toen André in de serre terugkwam, vond hij eene tweede groep jongelieden, eveneens „jeunesse dorée”, rondom den kalen heer met het blozend gelaat en het commandeurslint geschaard. Een lakei bood bekers „gefrappeerde” champagne aan, en de jongelui oordeelden het geschikt met den commandeur een glaasje te drinken. Onder het gezelschap bevond zich Jonkheer van Bergen Ockenburgh, een aspirant-attaché, die als volontair aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken arbeidde, en door den loop van den dienst een en ander maal met André had kennis gemaakt. Zoodra hij André gewaarwerd, sprak hij hem vriendelijk aan, en trok hem in den kring.
De jongelieden luisterden naar den heer met het commandeurslint, die eene zeer deftige manier van redeneeren in practijk bracht, en overigens op de meest beslissende wijze allerlei vraagstukken van ingewikkelden aard aanroerde. André betrapte zich weldra op eene onweerstaanbare aanvechting, om de duffe algemeenheden des commandeurs tegen te spreken, maar wijl hij nog niet aan dien hoogachtbare was voorgesteld, zweeg hij. Nadat hij zijn verlangen aan Van Berghen Ockenburgh had meegedeeld, trad deze met André naar den kaalhoofdige, en hoorde men hem zeggen:
„Meneer Gronovius! Mag ik u voorstellen meneer André de Witt, ambtenaar aan Buitenlandsche Zaken: Meneer Gronovius....”
„Lid van de Tweede Kamer, en overigens genoeg bekend. Laat dat maar blijven, Van Berghen!”
Met groote jovialiteit had de aangesprokene aldus zich zelven bekend gemaakt. Oogenblikkelijk daarop zich tot André wendend, gaat hij voort:
„Mag ik eens vragen .... is u die meneer De Witt, die een dissertatie over het Vrijhandelsstelsel heeft geschreven?”
„Juist, meneer!”
„Een heel knappe dissertatie! Ik maak je m'n compliment!”
„Ik had niet durven hopen, dat mijne dissertatie buiten Leiden gelezen zou worden!”
„Zoo zie je, meneer De Witt! dat er nog wel op den arbeid van onze studeerende jongelui gelet wordt. Maar dat is altijd m'n systeem geweest. Wij hebben gebrek aan knappe lui in de liberale partij. Wij hebben de meerderheid in getal, we moeten ze ook in talent hebben! En daarom ga ik na, wie er alzoo promoveeren te Leiden en te Utrecht!”
De heer Gronovius sprak met zooveel gezag en tegelijk met zooveel eerbied voor zijne eigen woorden, dat het een zeer eigenaardig schouwspel was hem daar te zien „oreeren”, terwijl André bedaard naar zijne mededeelingen luisterde. De overige jongelieden hadden zich deels uit beleefdheid, deels uit verveling, naar eene andere zijde der serre teruggetrokken, waar zij zich bezighielden met „gefrappeerden” champagne en Haagschen kout.
André had nu overvloedig gelegenheid den heer Gronovius, lid van Tweede Kamer der Staten-Generaal, ridder, officier, commandeur van onderscheiden binnen- en buitenlandsche orden, enz., enz., nauwkeuriger te beschouwen. Zijn kaal voorhoofd en zijne blozende kleur gaven hem iets eerwaardigs, 't welk niet voldoende werd ondersteund door zijne kleine, flikkerende, grijze oogen en de beweeglijke plooien om zijn breeden mond. Behalve het commandeurskruis aan het roode lint, vertoonde een knoopsgat in zijn rok op de linkerborst ene zeldzame „collectie” miniatuurkruisjes van allerlei slag.
Hij sprak intusschen steeds door:
„Het doet mij veel plezier, dat ik u heb leeren kennen, meneer De Witt! Uwe dissertatie belooft iets! Blijf nu niet halverwege staan, maar studeer ijverig verder! De liberale partij heeft behoefte aan knappe lui. Met talent en wetenschap komt men, waar men wezen wil .... dat zie je aan mij! Ik ben nu zes jaar lid van de Tweede Kamer, en ik heb het dagelijks ondervonden. Waarom halen sommige menschen hun schouders op over de leden der liberale partij, meneer de Witt?”
„Doen ze dat wezenlijk?”
„Hoe lang ben je nu in Den Haag?”
„Een jaar....”
„Dan hadt je kunnen weten, dat sommige lui hun schouders ophalen over de leden der liberale partij! En waarom doen ze dat? Ik zal het je zeggen, meneer De Witt! Van '48 heb ik alles meegemaakt. Toen de grondwet er door was, begon de strijd van de partijen. Eene groote aristocratisch-conservatieve partij begon met ons personeel belachelijk te maken. Vooreerst werd er gelachen om de burgerlijke eenvoudigheid van Thorbecke, maar dat duurde niet lang, toen Thorbecke aan het werk ging in 1849. Een Romeinsch keizer, meneer De Witt! placht te zeggen: „Oderint dum metuant!”1) en dat mocht Thorbecke met volle recht van zijne staatkundige tegenstanders zeggen!”
De plechtigheid, waarmee de heer Gronovius dit alles voordroeg, legde André onwillekeurig het zwijgen op. Hij had gedurende den woordenstroom van het kamerlid, zijn best gedaan zich te herinneren wie de heer Gronovius eigenlijk mocht zijn, daar zijn naam hem niet onbekend was. Na eenig peinzen, viel het hem te binnen, dat de provinciale staten van Overijsel in 1847 een deftig notaris uit Zwolle, den heer Gronovius, naar de Tweede Kamer afvaardigden, en dat de kiezers van het hoofdkiesdistrict Zwolle die keuze in 1848 en 1851 hadden bevestigd. Hij meende tevens iets te weten van den invloed door den heer Gronovius in de Tweede Kamer geoefend, maar de juiste toedracht van zaken ontsnapte hem nog.
De groote heer noodigde André uit eenige stappen verder te gaan, om buiten het gehoor der heen en weer loopenden het onderhoud rustiger voort te zetten.
„U kan nu gemakkelijk berekenen, meneer De Witt! waarom men de schouders ophaalde voor sommige leden der liberale partij! Moest men Thorbecke met rust laten, zijne vrienden hadden het harder te verantwoorden. Enkele leden der liberale partij uit de noordelijke provinciën maakten een zonderling figuur, dat is waar, en daarom hadden de aristocraten en conservatieven eene schoone gelegenheid de nieuwe grondwet en de directe verkiezingen belachelijk te maken!”