WeRead Powered by ReaderPub
Goede Vaêr Tromp / of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden cover

Goede Vaêr Tromp / of hoe de Vereenigde Provinciën eene zeemogendheid werden

Chapter 15: Daar werd gestreden.
Open in WeRead

About This Book

The narrative recounts the life and career of Maarten Harpertsz. Tromp while tracing how the United Provinces developed into a naval power. It blends biographical episodes, sea‑faring scenes, and battle descriptions with explanations of fleet organization and national maritime policy, written in an accessible, didactic tone for younger readers. Vivid port and shipboard vignettes, sailor dialogues, and contemporary songs illustrate naval life, while analyses of engagements, tactics, and leadership show the strategic growth of Dutch seapower. The work alternates storytelling with historical commentary to situate an individual career within broader political and military developments.

1 Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog een gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant.

Daar werd gestreden.

Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht.

Deze vloot had gerust de “Onoverwinlijke” mogen heeten, als ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf Admiraliteits-collegiën, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver de leden dier Collegiën aansporen zou om door daden met de andere te wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen viel dit in het oog.

Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal bladzijde 140Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht Pieter Floriszoon toe.

De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen.

Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar de vaderlandsche kusten weder te keeren.

Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te Dover aan en den 10den kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake.

Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee groote schepen De Bonaventura en De Rozenkrans aangevallen. Hevig was het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat de twee Engelsche kapiteins gezworen hadden, dat ze den Hollandschen Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar, kon onze Marten de kogels, die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren, dat een man als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon.

“Marten, berg-je!” riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal musketten op hem gericht waren.

Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen hij geleund had.

“Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!” sprak hij tot de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: “Zijt gij niet mijn oude speelmakker Huib Maerland?”

“Jawel, Ammiraal!” was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt en Marten bij zijnen naam had genoemd. bladzijde 141

“Zoo gaat het goed, Huib!” zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich terstond om elders nieuwe bevelen te brengen.

“Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeië Marten!” fluisterde Huib en pinkte een traan van blijdschap weg.

Daar lag De Rozenkrans tegen het Admiraalschip aan. Het want liep in elkander.

“Huib, Huib, dat gaat er van langs!” riep Jonge Kees. “Als er nu niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw met mijn eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je dol? Huib, Huib dan!”

’T was te laat; Huib hoorde niet meer!

Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten mast van De Rozenkrans en....

“Hoezee! Hoezee!” klinkt het uit de hoogte.

Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt er opgezet, en na nog twee keer “Hoezee! Hoezee!” geroepen te hebben, daalt hij zoo vlug als eene kat naar beneden en komt ongedeerd aan boord van zijn schip terug.

“Huib Maerland, je bent een held!” roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: “Huib, wat ben ik blij dat jij mijn vrind bent!”

“Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?”

“’T is Adriaan, ik zie het! ’T is Adriaan! Ik ga hem even troosten!” roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld, want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort. bladzijde 142

Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de bemanning zich moeten doodvechten of... zich gevangen geven!—Neen, niet gevangen geven, dat deed een man als Tromp niet, dat wilden mannen als Huib Maerlant en Gerrit Leinsz. niet.

De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog buskruit!

“Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer ’elpen! toe mer joengers, saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!” roept Gerrit, maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden vuurmonden geheel verloren.

Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De groote mast van De Bonaventura stort krakend over boord en in de blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt weer: “Aoist! aoist!”—

De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven.

“Houd moed, kinderkens, houd moed! ’T is nog om een kwaad half uur te doen!” klinkt de stem van Tromp.

En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber werkt ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: “Kinderkens!” doet nog veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide zijne krachten teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog het wapen doet hanteeren.

’T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, —de Hollanders hadden overwonnen. bladzijde 143

Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor.

Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen.

“Zoo Huib,” dus begon hij en stak hem de hand toe, “wat ben ik blij, dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?”

“Ja, Ammiraal!”

“Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou ’t je niet graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan en ik zal zorgen, dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens, heeft Jonge Kees nog eene zuster?”—

“Ik en weet niet, Ammiraal!”—

“Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?”

“Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!”

“Je sprak wel eens met hem, is ’t niet?”

“Jawel, Ammiraal!”

“En nooit iets opgemerkt?”

“Nee, Ammiraal, en—ja, toch wel wat!”

“Nu, wat dan?”

“Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!”

“Ei-ei!”

“Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: “Jaantje” of “Adriana”!”

“Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?” bladzijde 144

“Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar, ... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig matroos, ja, menig kapitein heeft ze ’t in moed, dapperheid en trouw aan den Lande afgewonnen!”—

“Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw, de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft:


“Een vrou is duizent mannen t’ ergh.
“o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!”

Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: “De matroos Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning achter komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons niet verdiend!”—

Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat hij het zelfs voor Jonge Kees verzweeg.—1

Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch Blake was naar Duins geweken en bracht zich in veiligheid op de Theems.

Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins aan boord seinen.

De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De Ruyter.

“Kijk eens, Huib. wat een patertje Goedleven!” zeî Jonge Kees.

“Een echte zeerob! Maar heb ik je ’t niet gezegd, dat die De Ruyter nog eens een man worden zou, die bladzijde 145de lust van ons kleine Landje zal zijn? Hij is al mooi op weg!” sprak Huib.

“En dat is noe een lans van mien!” zei Gerrit. “Wat ’n patente kerel, é? ’T is een veint as’n beer!”2

Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid op de bolle wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen, was op dit oogenblik vijfenveertig jaar oud.

“Dag, De Ruyter, hoe maak-je ’t?” zeî Tromp en stak de hand uit.

De hand van “Vlissinger Michiel” scheen intusschen wel een soort van bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins pijnlijk gezicht toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde.

“Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje gegeven, hé? ’—

“Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!”

“Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan ’t wandelen gegaan zijn; maar als een mensch gekwetst is dan....

“Zoo, is Blake gekwetst?”—

“Hoezee! Hoezee! Hoezee!” klonk het thans daverend uit den mond van een paar honderd matrozen.

Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam.

“Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!” riep het volk.

Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich.

“Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij den hunnen!” bladzijde 146

“Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, De Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de Rammekenspoort kunt! Sinds lang niet in Vlissingen geweest?”—

“Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te Amsterdam mijne huisgoden:


“Zeven kind’ren en een wijf
Zijn een aardig tijdverdrijf!”

“Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?” vroeg Tromp.

“Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!”—

Thans kwam Pieter Florisz. aan boord.

“Nou maar, als er een schip met dikke luî vaart dan gaat onze goede vriend Pieter Florisz. ook meê, hoor!”

“Vindt ge ’t, De Ruyter?” zeî Florisz. tot den man wien hij die opmerking lachende hoorde maken.—“Ik wil je anders wel zeggen, dat een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, wat ging dat er van langs! ’K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!”—

“Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!” sprak Tromp.

Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee mannen, die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. Verburgh, Jan Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook bladzijde 147al binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel Foort.

De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op.

“Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen kan! En, voor ’t heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid gesteld op de Theems. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?”

“Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!” riep De Ruyter.

“Dat is eene gevaarlijke onderneming!” sprak Evertsen.

“Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!” merkte Jan Van Hoesen aan.

Wij zijn de vloot niet, kapitein!” antwoordde Evertsen kalm. “Al wil ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat ik er het welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen gevoelen is dat we de Theems zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn plicht doen!”

“Ik houd het er voor dat het wel kan,” zeide De Ruyter, “edoch, daar komt een groote maar bij!”

“En dat is?” vroeg Tromp.

“Wij en hebben geene geschikte loodsen!” was het antwoord.

“En aan een Rôorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je ’t ooit gezien hebt!” meende Pieter Floriszoon. bladzijde 148

Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan ten uitvoer te leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest aangelegd worden, kwam het er op uit, dat men eerst maar geschikte loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien.

Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang.

Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen, en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd koopvaarders door Het Kanaal heen in den Oceaan, waar ze tamelijk veilig hunne reis konden voortzetten.

Hij zelf liet te Sint Martin, eene stad op het eiland , de schade, die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging niet eer in zee, voor alles weer zoo goed mogelijk in orde was.

Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde Tromp uit met het voornemen den schat van Oost en West in behouden haven te brengen.

Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene verbazende snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, zoo werd het bevel voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd met het opperbevel belast bleef.

De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de grootste soort. bladzijde 149

Op de hoogte van Portland stieten de vloten op elkander en dadelijk besloot Tromp den vijand aan te tasten.

Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde, viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord en daarna van stuurboord de volle laag te geven.

“Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!” zeide Adriaan, die van zijne wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. De Ammiraal had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland zouden aangekomen zijn.

“Ja, Adriaan, dat zal het net!” zeî Jonge Kees.

“Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult worden?” vroeg Adriaan weer.

“Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp zich weert, dan zeg ik tot mij zelven: “Flauwerd, denk-je weer om je moeders pappot? Pak ân, anders gaan ze nog aan ’t schijfschieten op je luie lichaam!”

“Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar, jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, of....”

“Ik ga al, stuurman, ik ga al!” antwoordde Jonge Kees. “Maar zeg, zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?”

“Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?”

“Het schip, ik en ken hem niet!”

“Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien; ik denk voor ’t naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een schot onder water gegeven heeft!”

Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna bladzijde 150onmiddellijk daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit:

“Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z’n buukje! Kiek ’m is gek doen!”

Wend het roer!” kommandeerde thans Tromp.

De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder De Struis, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick geeft leer om leer.

“Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan zullen wij het doen!” zeide Tromp. “Kan je geschut het halen, Gerrit?”

“Jawel, Ammiraal, ’eel best!”

“Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder zoo fel bestoken, eens hun bekomst!”

“Ze zullen ze ’ebben, Ammiraal!” antwoordde Gerrit, en deed zooals hij zeî.

Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote overmacht.

Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen.

“Ze krijgen me niet levend!” roept hij en verdedigt zich aan alle kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, als niet de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was.

“Daar komen ze, daar komen ze!” juicht hij en smijt zijnen hoed van het hoofd. “Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!”

Bom!—Bom!— bladzijde 151

De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste schot en zinkt in de diepte.

“Kapitein, kapitein! wij zinken ook!” roept de stuurman.

“Dat zie ik wel!” geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept hij: “Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!”

Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk gebeurt.—Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt zijn eigen bodem achter hem.

Keeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het Zeeuwsche schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd, dat de beide aanvallers op de vlucht slaan.

Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en koken, wordt thans gehoord!

“Wat is dat?” vraagt Jonge Kees verschrikt.

“Wat gebeurt er?” vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet.

Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde ’t voor het eerst in de Baai van Gibraltar en ofschoon dat reeds zesenveertig jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren gebeurd was. Naderhand heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte het op hem zulk een indruk als toen.

“Er vliegt een schip in de lucht!” antwoordt hij kalm.

“Vreeselijk!” zegt Jonge Kees. bladzijde 152

Adriaan zucht en fluistert: ,Heere, wees de zielen van zoovele arme menschen genadig!”—

“Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?” vraagt Gerrit Leinsz.

“Neen, weet jij het?”

“Jawel, ’t is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het nauw gebracht!”

“Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken,” zegt Huib. “Hij heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen zou! God hebbe zijne ziel!”

“En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!” murmelde Adriaan.

“Amen!’ fluisterde Jonge Kees.

Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam alles tot rust.

Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de geleden schade eenigszins te herstellen.

Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te overleggen wat er nu diende gedaan te worden.

“Vochten we alleen voor de eer,” zeide Evertsen, “dan zou mijn raad zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot beschermen, en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu ons hoofddoel zijn!”

“Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer,” merkte De Ruyter aan.

“Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand naar de Maas of Schelde terugweken?” vroeg Tromp. bladzijde 153

De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals men meende, beslist.

Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind, en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken, dat ze Nederlanders waren en eenen eervollen naam droegen.

Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien zoo maar te laten glippen.

Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de koopvaarders te liggen.

Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig ontvangen, dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde.

De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten; maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten van geen wijken!

Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die nog in zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten.

Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich had, liet hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het, dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre na niet genoeg was.

En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet prijs zou geven.

De derde dag kwam. bladzijde 154

Men bevond zich op de hoogte van Bevesier.

Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen minder hachelijk dan nu!—

De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel.

“Veertien jaren geleden reeds,” mompelde hij. “Wat de vloot toen gebrekkig samengesteld was!—Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.— De Engelsche vloot is één, en wij?—“Eendraght maeckt maght,” wanneer zal dat daar ginds begrepen worden?”

Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk ontwaakte het oude heldenvuur.

“De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand,” bromde hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze uitdrukking gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: “Heer Ammiraal, er staat geschreven: “En sijt nyet besorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen zijnszelfs quaed ”—

“Ge hebt gelijk,” antwoordde Tromp. “Dat de manschap op het dek kome en bidden wij!”

Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe, alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen was.

Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan.

Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen, die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren en met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot de vluchtelingen in. bladzijde 155

Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten zich zoo wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de vijand het vervolgen staakte en afhield.

’T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met geen moed laden! En kruit was er niet meer.

Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor zich verschijnen zag.

“En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!” sprak hij.

“De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen, dominé,” zeide Tromp. “Een halfuur langer en...”

“De Heere kent zijnen tijd!” sprak de ander.

Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding het dankgebed na te prevelen, dat de dominé uitsprak.

En aan wien was nu de eer der overwinning?

Aan de Engelschen.

Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij zich niet te dicht bij de Vlaamsche kusten waarheen Tromp vechtende geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield.

Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en zelfs een Engelsch schrijver zegt: “De overwinnaar Blake heeft geen grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!”

Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam, spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield en vier werden door den vijand genomen. bladzijde 156De koopvaardijvloot werd van vier en twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven.

Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan hadden wat zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen, De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen met eerepenningen, en de mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De moedige opperstuurman van de De Gorcum Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot luitenant bevorderd. En onze Huib ontving op zekeren dag namens de Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor zijn manmoedig gedrag bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten der Nederlandsche vlag. bladzijde 157


1 Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen, als matroos, bewijst het oude liedeke: “Daar was laatst een meisje loos.”—Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook nog van eene Anna Jans van Tessel.

2 Een lans beteekent hier landsman.

Van Maassluis naar Livorno.

De Bloeimaand was in ’t land en strooide geur en kleur langs veld en wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar hier en daar een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond.

Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht hunne voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen nog weinig bewoonden weg van Schiedam naar Maassluis liep.

Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken.

“Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant; Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee doen moest!— bladzijde 158

Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch! Waarom ga ik naar Maassluis?”—


“Wat zongh het vrolyck vogheleyn
Dat in den boomgaert zat?
Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn
Van ryckdom en van schat!”

klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit.

Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort.


“Hoe ruischt de koelte in ’t eickenhout,
En versch gesproten lof!
Hoe straelt de boterbloem als gout!
Wat heeft de wiltzangh stof!

Huib hoorde wat van “eickenhout, boterbloem en gout,” en begon het een met het ander in verband te brengen; maar het gezang hoorde hij echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam.


“Wat is een dier zyn vryheid waert!
Wat mist het aan zyn wensch;
Terwyl de vreck zyn potgelt spaert!
O slaef! O, arme mensch!”

“Nu nog mooier! Nu ik “potgelt” heb,zou ik een “vreck” zijn. Neen, ik en ben geen “vreck”, ik en wil geen “vreck” zijn ook!”

Het gezang klonk nu heel dichtbij.


“Waar groeien eicken ’t Amsterdam?
O kommerziecke Beurs,
Daar noit genoeghen binnen quam!
Wat mist die plaets al geurs!
Wy voghels vlieghen warm gedost
Gerust van tack tot tack.
De hemel schaft ons dranck en kost,
De hemel is ons dack.


Wy zaeien noch.....” bladzijde 159

Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: “Huib, Huib, waar jij heen?”

Huib kijkt op en ... “Bijlo, kwâjongen, je laat me schrikken. Waar kom-je vandaan, Jonge Kees?”

“Wel, ik ben eens even naar Vlieland geweest en op zee ben ik overgestapt op eene visschersschuit van Maassluis! En waar gaat gij heen?”

“Ik ga naar Maassluis!”

“Naar Maassluis? En dan?”

“Naar Rotterdam!”

“En dan?”

“Aan boord!”

“Dan ga ik met je meê! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk schoon gezelschap hebben zou!”

“Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?”

“Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap maakt korte mijlen, Huib!”

“Nou, ga dan maar meê! Je mag ook wel weten wat ik doe!”

“Je maakt me nieuwsgierig, Huib!”

“Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds ga uitvoeren!”

“Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!”

Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen en in de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost Van den Vondels keurigen Wilt-zangh voort.


“Wy zaeien noch wy maeien niet:
Wy teeren op den boer.bladzijde 160
Als ’t koren in zijn airen schiet
Bestelt al ’t land ons voêr.
Wy minnen zonder haet of nyt.
En danssen om de bruit:
Ons bruiloft bint zich aan geen tydt,
Zy duurt ons leven uit!”

“Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?” vraagt Huib eensklaps.

Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg.

“Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!”

“Ik wel,” zeî Jonge Kees, “ik wel! Ik ben pas drie weken van boord en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?”

“’T is waar ook, Jonge Kees, ’t is waar ook.—Maar zeg, weet-je wat ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het neerhalen van de Engelsche vlag?”

“Neen! Een toebacks-doos?”

“Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!”

“Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal je er meê doen?”

“Die breng ik naar Maassluis bij eene goede vriendin van me om ze voor me te bewaren!”

“Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd was? Zoo’n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin onder de hand ontfutselen zal! Huib! Huib!”

Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te Maassluis kwamen en daar een eenvoudig huisje binnentraden. bladzijde 161

“Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?”

“Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar..”

De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn.

“Dag Huib! dag Jonge Kees!” zeî ze.

“Dag Adriana!” sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, zoover hij wist, nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken hem wel bekend voor, maar ...

“Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie gezet!”

Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die Adriana gehoord of gezien hebben?

“Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog te Rotterdam zijn, zie-je!”

“Kom, kom, één bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw zou komen opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?”

“Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van de Engelsche vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of ik het jou geven mag. Ik en heb het niet noodig!”

“Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?”

“Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous of in die oude pulle daar op het kabinet!” bladzijde 162

“Bewaren?” roept Huib, “neen, dat meen ik niet! Ik geef het jeluî om het te gebruiken!”

“Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen hadt?”

Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo eensklaps verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: “Oude makker, nou ken ik je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, je dochter is eene heldin!”

“Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal die pampieren ereis!”

“Welke brieven zijn dat?” vroeg Huib.

“Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!”

“Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven driemaal per dag! Toe dan, kind, haal ze eens!”

Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven schrift met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen.

Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen maaltijd, en na de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen.

De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze in eene kous en in de ledige pulle geborgen.

“En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd bladzijde 163bent, ja ofte neen!” zeî Huib toen Maassluis achter hem lag.

“Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?”

“Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! En laat me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even.


“Wat zongh het vrolyck voghelkyn,
Dat in den boomgaert zat?”

Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en ze waren te Vlaardingen eer ze er aan dachten.

“We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje Lanoy, het matroosje! Vind-je ’t goed, Jonge Kees?”

Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg bij het hoofd binnen.

Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers ook, zoodat er heel wat drokte en beweging heerschten.

“Stilte!” klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg.

“Wat er onlangs in de Noordzee gebeurd is, dat weet gij allen! Wij waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in de buurt hebben we ’t met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de Middellandsche zee en brengen nieuws mede!”

“Vertel, vertel!” klonk het van alle kanten.

“Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!” fluisterde Huib. “Ik ken hem wel!” bladzijde 164

“Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?” dus begon de verteller.

“Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de Roôrokken ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is.

Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de Middellandsche zee tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten Tromp. Reeds vóór het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in de Middellandsche zee. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten, werd het noodzakelijk dat wij het ook deden.

Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij zelf trok, om er gauw te zijn, over land naar Livorno en was er dus wel wat eer dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken.

Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen Van Galen te Livorno aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo netjes op te sluiten als je ’t ooit gezien hadt.

Als jeluî ’t niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat Livorno eene handelsstad is in het groothertogdom Toscane, bladzijde 165en nu was de Groothertog volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar vóór de haven bleef liggen; want daardoor stond de handel geheel en al stil.

Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit De Levant kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den Kommandeur Bodley te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij Elba en viel hem zoo krachtig aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar Elba. Hier hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat verveelde hem en daarom zette hij koers naar Livorno in de hoop dat de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen twee vuren te brengen.

Dit had Appleton gezien en verliet de haven van Livorno, maar Van Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met verlies van twee schepen op de vlucht ging. Thans wendden wij den steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een fellen tegenstand voorbereid en ontving ons met de volle laag.

“Vooruit ligt de weg der victorie!” riep Van Galen en sloeg zich door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde De Luipaard, het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had.

“Houdt je goed, mannen, houdt je goed!” klonk de stem van den Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of hij kreeg eene wond aan den voet. Wij bladzijde 166dachten, dat het erger was en schaarden ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep: “Wat sammelt gij om eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor het Vaderland te sterven te midden der overwinning!”

De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar hem het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van Vlaardingen, dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen, geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de pijnlijke bewerking geëindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het glas op den grond smijtende riep hij: “De Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!” Eenige dagen later stierf hij aan eene wondkoorts in de haven van Livorno waar de Groothertog hem met vele bewijzen van hoogachting ontvangen had!—Hé, wat zeg-je? Heeft de Kommandeur zich wél gekweten ja, ofte neen!”

Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte.

“Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er eens aan wat Van Galen gezegd heeft: “De Engelsche koningsmoorders moeten toch alles betalen!”— En weet je wat wij hen nog niet betaald gezet hebben? Zijn dood! Mannen van Vlaardingen, nog is de oorlog met Engeland niet geëindigd, toont dan dat ge den heldendood van een moedig man te wreken hebt!”

Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en begaven zich verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te Rotterdam aan. bladzijde 167