1 Portugal was van 1580 tot 1640 met Spanje vereenigd geweest. In 1640 echter werd Portugal onder Johan IV, Hertog van Bragança, weer een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen tegen de Spanjaarden te helpen.

2 Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote oorlogsschepen bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid van bewegingen, uitnemende diensten.—Een jacht was mede een zeer snelzeilend vaartuig dat, òf tot den oorlog uitgerust werd en dan oorlogsjacht heette, of mede genomen werd om brieven of boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van adviesjachten.—Galjoenen waren vaartuigen, die vooral door de Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.—Koningsschepen waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan om oorlog te voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer als koopvaarders in dienst werden gesteld.

3 Sint Maartensdijk een dorp op het eiland Tolen heet in de wandeling steeds Smeerdiek.

4 Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte Nederlandsche naam van tante.

5 Aoist! is vooral op Walcheren een uitroep van buitengewone blijdschap.

6 Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een ledig vat.

7 Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.

8 De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.—Nicolaas De Witte een Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren in Nederlandschen dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van Zweden had reeds twintig jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd bij hem in dienst te treden.

9 Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.

10 De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode mutsen.—Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi en beteekent eigenlijk goede trouw. Zooals wij het gebruiken beteekent het op goed geluk af.

11 Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.

12 Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij onze knapen niet en dat is wel jammer; want er is veel van waar als onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: “Zout water geeft het zoetste brood!”

Houw en Trouw.

Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.

Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een zekere Olivier Cromwell stond.

Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man—Engeland heeft veel aan hem te danken—en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg was veel te verregaand.—Toen hij het doodvonnis van den Koning onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: “De beurt is aan u!”

Een mensch, die rechtschapen is, kan zóó al vast geene doodvonnissen onderteekenen.

Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde, na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan daar. Zoo bladzijde 114kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden gastvrijheid.

Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om zich met Groot-Brittannië tot één gemeenebest te vereenigen. Maar hoe genegen sommigen Cromwell nu ook waren, dáárin hadden ze volstrekt geen lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.—Dit hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit dat aanzien en die eer te fnuiken.—Stoutweg verklaarde de Engelsche regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken.

Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten. bladzijde 115

Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden, daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen, en althans dien niet beginnen.

De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt had.—Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.

Maar, ’t was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan voorafgaat.—

’T was nacht!

Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en zoo nu en dan een licht. bladzijde 116

Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen, die de wacht houden.

De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.

De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij voor het eerst in het vuur moest.

De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij heet Adriaan.

“Wel, ’Uib, zie je nog niks niemendalle?” vraagt de lange.1

“Jawel, ’k zie onze vloot, maar anders niet!”

“En jie, zie jie niks?” klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.

“Een vraagal en wat schepen!” is het zachte antwoord.

“Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij m’n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud ben-je al?” vraagt Huib.

“Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!” klinkt het even bits.

“Brrrr, wat ’n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!”

“Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?”

“Neen, weet jij dat?” bladzijde 117

“Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort er wat aan?”

“Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!”

“Zoo,” zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, “zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen!”2

“Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je ’t mis, hoor!”

“Maar wat schort er dan aan?” vroeg Adriaan.

“Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette “Jonge Kees.” Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en sedert hij van boord is, ben ’k als iemand, die iets verloren heeft!”

“En waarom ging hij van boord?” vroeg Adriaan verder.

“Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!”—

“Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib,” zeide Adriaan, “dan heb ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar niemendal, daar om de zuidwest?”— bladzijde 118

“Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!” viel Gerrit in.3 “Ik zien ik niks as....”

“’N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!” riep Adriaan.

Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crèvecoeur, kapitein Joris Van der Zaen, was.

De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.

“Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen,” zeide Tromp en beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.

Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot, die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den dapperen Robert Blake was.

Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provinciën voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had, die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk eenen geest wist te brengen, die één man zooveel waard deed zijn als twee,—hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was.4 bladzijde 119

Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man bij de vlag om dezen te strijken.

Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren, dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.

Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne oogen als vuurkolen.

Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit Leinsz. de konstabel, stond gereed.

Tromp ging naar dezen toe en zeî: “Geen bloed, Leinsz! De eerste kogel zij voor de kabeljauwen!”

De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.

Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen, dat onze vlag geen schande werd aangedaan.

Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de nacht inviel.

In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht bladzijde 120met een verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog begonnen.—Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp zeî: “Blake heeft het eerst geschoten,” en Blake zeî: “Tromp heeft zijne vlag niet gestreken!”

Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland, maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog was onvermijdelijk, men moest vechten of men wilde of niet, en vele leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand hadden kunnen vinden.

Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.—

Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins, Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en gewapend is.

Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke, stevige vischschuit, van ’t voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.—Neeltje, zoo heet zijne moeder.

De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met zijne schuit meê kon.5 bladzijde 121

Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zeî ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan: “Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is niet zoo heel ver af!”

“Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,—was ’t niet met Drie Koningen?—zestien jaar! Wel wat jong, moeder, wel wat jong!”

Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en zijn’ zoon, voor ééne reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde.

Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.

“Nog één uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het Schagerrif ook wat te halen is!” zegt de jonge stuurman.

“Daar ginder komt een Roôrok, Jonge Kees!” zegt een der matrozen.

“Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat we aan den haal gingen!”—

Men gaat voort met visschen.—

De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leêg ophaalt.

“Hij lacht ons uit!” zegt een matroos.

“Laat ze maar lachen! ’T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om ons huilen!”— bladzijde 122

Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op.

Een hevig gelach klinkt er thans van De vrouw Neeltje. Ieder zijne beurt.

Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in zijne boosheid neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar den brutalen Vlielander.

“Leer om leer kan ik je niet geven!” roept Jonge Kees, “maar smijt jij met steenen dan doe ik het met talhouten!”—

Zjst—daar vloog er al een.

Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met talhouten.—Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van allen raak gooide.

Jonge Kees houdt op met smijten en roept: “Legt neer dat hout!”—

“Moeten we ons dan maar dood laten gooien?” vraagt er een.

“Wel neen,” zegt Jonge Kees, “maar als je niet bang zijt, dan weet ik wel wat!”

“Bang? ’ Ik en weet niet wat bang is!”

“Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we ’t gedaan kunnen krijgen, dan zullen we die luî aan hun eigen boord een pak rammel geven!”—

“Dat ’s goed! Dat doen we!” roepen ze allen en in een oogenblik ligt De vrouw Neeltje tegen The Seal.

Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.

“Spijkert het dicht, spijkert het dicht!” roept Jonge bladzijde 123Kees en houdt, onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te halen, met vier man bij het luik de wacht.

De ander is spoedig terug, en daar gaat het,— klop-klop-klop, de eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.—’T is of het nooit meer open moet.

“En nu naar huis,” zegt Jonge Kees.

Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo’n flinken prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen.

De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers werden gevangen gehouden.—

Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman te spreken.

Jonge Kees verscheen.

“Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman hebben!” zeide Bicker.

De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd, had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.

Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was erg verlegen. bladzijde 124

Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen; maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan.

“Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees,” zeide deze, “dat ge uw Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!”—en dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een rood-wit-blauw lint om den hals.

“Hoezee!” juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele aanzienlijke personages te letten. “Hoezee! Als Huib en de Ammiraal me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja, dat zullen ze! Hoezee!”

En ’t was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij den knaap de hand en zeî: “Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het u wèlgaan!”

Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaêr Tromp wel willen kussen.

Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren: “Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!”

Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was bladzijde 125Jonge Kees onder de matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.

De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten rond.

“Wien zoek-je, maat?” vroeg Adriaan.

Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke, baardelooze gelaat en zeî: “Ik zoek Huib, Huib Maerlant!”—

“Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij gelooven, dat hij het heimwee heeft,” zeide Adriaan.

“Dan zal ik hem wel beter maken,” was het snel gegeven antwoord en in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.

“Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!” riep de knaap.


“Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
’t Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!”

zeide Huib, zonder zich om te keeren.

“Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom, vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe mooi ik ben!”—

Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne drukte: “Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?”

“Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!” bladzijde 126

“Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?”—

De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: “Er uit, ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!”—

Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.

“Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede God zegen je, jongen!” riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke wang een kus.

De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: “Ja, Jaantje, een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal het weer gaan als een lier op een’ Zondag! Dit is nou Jonge Kees, daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst slingeren? Nou die....”

“Neen, ik en wil niet dat je ’t vertelt, Huib!” riep Jonge Kees.

“Ja, ja, vertellen, vertellen!” klonk het in koor.

Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren.

“’Ier ei-je m’n knuuste, joengen!” zeî de lange Gerrit Leinsz. “Pak an, je bint mien kameraad ok!”

“En de mijne, en de mijne!” riepen de anderen.

Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen held vroegen.

Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen was, kwam hij naar hem toe en hem bladzijde 127de hand biedende zeide hij blozende: “Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je voorbeeld volgen!”—

“Welja,” zeî Huib, “dat kunnen we wel doen! De handen in elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en dood!—En wat zeg jij, jonge Kees?”

“Houw en trouw in nood en dood!” klonk het ferm.

“En jij, Jaantje,—neen, ik en wil je niet meer voor den gek houden; want je hebt verleden met die Rôorokken gevochten als een leeuw;—Adriaan dus, wat zeg-je?”

“Houw en trouw in nood en dood!”

De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: “Houw en trouw in nood en dood!”— bladzijde 128


1 Niks is niets.

2Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen,” beteekent: “zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam!”

3as de derdendaegsche koose” beteekent: dan de derdendaagsche koorts.

4 Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op de vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals George Monk en Richard Deane.—Cromwell, die zeer goed begreep, dat een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog, stelde ook nog andere bevelhebbers aan, die volkomen met de zeezaken bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William Penn en John lawson.—Blake was niet te trotsch om gedurig met deze laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te schrijven, dat hij als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.— Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in hunne brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.—Cornelis Tromp kan hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.— De beroemste onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef in 1641 aan de Admiraliteit van Zeeland: “Ick sal mij als een heerlijck (eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt het werck daer wij om uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere) van ons lieve Vaderlandt.”

Machgyl Adriaense De Ruyter.

5 Een tros is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is.

Miskend en Erkend.

Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar Blake te vinden.

“Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?” vroeg Jonge Kees.

“Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?”—

“Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter verdienen. ’K heb met die Roôrokken meer dan één appeltje te schillen, hoor!”

“Daar ligt Duins,” zeide Adriaan, “en ik zie de masten van groote schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!”

Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet; want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.—Tromp besloot al vast te kunnen beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen verhinderd. bladzijde 129

Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp bevel Blake op te zoeken. Eilacie, ’t was te laat om een groot verlies te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen, niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja, dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet, dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.

Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.

Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland terug te keeren.

Nu was Leiden in nood en Holland in last.

Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad, en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.

“’T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen,” zeî de een.

“De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een wonder mooie valk is!” sprak een tweede.

“Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal was!” schreeuwde een derde. bladzijde 130

“Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!” meende een vierde.

“Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel al lang zijne schaapjes op het droge hebben!” liet een handelaar in koloniale waren zich hooren.

De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegiën verhieven hunne stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter verantwoording geroepen werd.

Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor een keer toch wel eens met een ander beproeven.

Maar wien zou men nemen?

De Ruyter? Ja, als dát kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat kon niet, en men moest een ander zoeken.

Douwe Aukes dan?

Douwe Aukes? Wie was dat?

Wel, hij was op het oogenblik in ’t Vaderland om zijn schip, dat zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue, niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en de bemanning geworden zijn, als hij,—toen hij van alle zijden door den vijand werd aangetast en het volk den bladzijde 131moed verloor,—niet met eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had: “Houdt moed jongens, houdt moed! Als we ’t niet meer houden kunnen, dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten om niet schandelijk gevangen genomen te worden!”—

Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo onervaren!

De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom hem niet?

Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen en de Turken te beschermen.

Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze geen moed had! Was er één op de vloot, die durfde wat hij waagde te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een weinig bedaarder zijn!

Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....

Nu maar?

De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!

Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeeluî zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel eens beproeven!— bladzijde 132

Het werd beproefd en ’t Kregelige Mennonietje, de man, die geene vrees kende, die goed en bloed voor ’t Vaderland veil had, die, al had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld: hij was bevelhebber eener vloot!

“Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?” zeide op zekeren dag Adriaan tegen Huib.

“Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd hebben!”

“Hoe bedoel-je dat?”

“Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!”

Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene mededeeling te doen.

“Laat alle man op het dek komen!” beval de kapitein met een gelaat, dat op eene noordsche bui geleek. “Ik heb u allen wat te zeggen!”—

In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide de kapitein: “Mannen, de Vereenigde Provinciën worden thans door oude vrouwen geregeerd, of een booze geest is in ’s Lands Raadzaal gevaren!”

Doodsche stilte.

“Onze Goede Vaêr Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan den onvergetelijken bladzijde 133Piet Hein, die milioenen thuis bracht,—die man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening geschoven, en,—als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen lachen,—men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder aan te vallen! Maar, al is Goede Vaêr in ongenade bij de regeering, toch niet bij ons! Leve Goede Vaêr Tromp!”—

Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen der zee: “Leve Goede Vaer Tromp!”—

Weer was er een oogenblik van stilte.

“Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!”

“Geen vloekbeest hier aan boord!” klonk het uit den hoop.

“Wij jagen hem een kogel door den kop!” riep een ander.

“Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!” bromde Gerrit Leinsz. “Ik en wil onder zoo’n ruw stuk vleesch niet dienen!”—

“Weg met het Kregelige Mennonietje!” schreeuwde Huib.

Daar klinken riemslagen.

De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.

“Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier een handspaak! Leve Goede Vaêr Tromp! Weg met Witte!” zoo klonk het van alle kanten.

Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige schip zonder een voet op het dek gezet te bladzijde 134hebben. Het kost hem eene ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat Tromp verkorven had. En dát wilde, dát wenschte hij! Hij zou eerst zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.

In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was dan een held, die steden verovert.

Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet, die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne ondernemingen is.

Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum, kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van “Boer Jaap” had.

Zoo kwam de achtste van Wijnmaand. bladzijde 135

Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den slag te vereenigen.

Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake, wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.

Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De haat tegen dien man ging zóó ver, dat ze de belangen van het Vaderland er aan opofferden.

Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast, fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.

“We zijn verloren! Een ieder redde zich!” roept Boer Jaap en springt met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.

De Engelschen naderen om het schip te nemen.

“Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten nemen!” riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.

“Staat, lafhartige kerels!” dondert thans de stem van den opperstuurman Willem Adriaense Warmont. “Niet bladzijde 136voor De With vechten wij, maar voor de eer van ’s Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!”—

“Ik zal ik je ’n andje ’elpen,” roept Gerrit Leinsz, en zich met eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij: “Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, ’oor!”—

De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen wat hij niet meende.

Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen: “Dood aan de Roôrokken! Leve Goede Vaer Tromp!”

Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zóó op, dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den vijand verdreven.

De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar binnen op veilige reede.1

De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins, die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten ze zich nog de woorden hooren toeduwen: “Voor lafaards is nog hout genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!”

Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend terug te trekken.

Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen, bestond daarin, dat hij bij de Algemeene bladzijde 137Staten eene aanklacht tegen de weggeloopen kapiteins inzond.

Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.

Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning was geweest; maar ... “wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!—

De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.

De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!

Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: “Want met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!” bladzijde 138

Goede Vaêr Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn eigenbelang.—

Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.

“Heb ik het niet gedacht?” riep Huib. “Ze kunnen Goede Vaer niet missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?”

“Houw en trouw!” was beider antwoord. bladzijde 139