WeRead Powered by ReaderPub
Gouden Daden cover

Gouden Daden

Chapter 7: Groote daden.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of adventure-focused episodes that celebrate courageous deeds and self-sacrifice. Scenes portray armed sorties and village fighting, a small company seizing a settlement and later sheltering in a tower while besiegers employ artillery and scaling ladders, and a separate narrative about an unassuming young woman whose actions avert national catastrophe. Writing emphasizes vivid action, the strain of siege, decisions under pressure, and themes of loyalty, courage, and communal peril.

Hoe Frankrijk door een eenvoudig meisje van den ondergang werd gered.

Karel VI, de koning van Frankrijk, verkeerde gedurende de laatste jaren van zijn leven meestal in een staat van krankzinnigheid, die hem voor zijne taak ongeschikt maakte. Zijne vrouw, koningin Isabeau, hield de teugels van het bewind in handen, maar maakte van hare macht een schandelijk misbruik. Zij verried namelijk haar koninkrijk aan Hendrik V, den koning van Engeland, die met hare dochter in het huwelijk trad, en van haar het recht verkreeg, Karel VI bij diens dood als koning van Frankrijk op te volgen.

Frankrijk was toen namelijk in oorlog met Engeland en Bourgondië, die zich gezamenlijk van het grootste en voornaamste deel van Frankrijk meester gemaakt en zelfs Parijs veroverd hadden.

Door deze schandelijke daad ontroofde zij de koninklijke waardigheid aan haar eigen zoon, den dauphin, die met een legertje van 20000 man den strijd tegen de Engelschen en Bourgondiërs volhield.

En wat deed het Fransche volk? Koos het de partij van den jeugdigen kroonprins, en schaarde het zich onder diens vaandel, om onder zijn bevel de Engelschen van den Franschen bodem te verjagen?

Geenszins. Reeds lange, lange jaren zuchtte Frankrijk onder de zware belastingen, die de half of geheel krankzinnige koning Karel VI noodig had gehad, om aan zijn zucht naar schitterende feesten te kunnen voldoen. Bovendien was het van ganscher harte de onophoudelijke oorlogen moede, die nu al sinds jaar en dag op den vaderlandschen grond werden gevoerd.

Geheel het noordelijk deel van Frankrijk koos de Engelsche zijde in de hoop, dat er eindelijk wat rust zou komen en dat aan den ondraaglijken belastingdruk een einde zou worden gemaakt. Het parlement ging nog verder. Het verklaarde den dauphin onwaardig de Fransche koningskroon te dragen en verbande hem ten eeuwigen dage uit Frankrijk.

Slechts een klein gedeelte van zijn vaderland bleef hem getrouw, waardoor hij in staat werd gesteld met een klein legertje den strijd tegen de Engelschen en Bourgondiërs, en dus ook tegen zijn eigen moeder, vol te houden. Maar zijne vijanden behaalden overwinning op overwinning en dreven hem niet weinig in het nauw. Reeds hadden zij geheel Frankrijk ten noorden van de Loire veroverd. Toen trof hun echter een zware slag door het overlijden van den Engelschen koning. Hendrik V stierf den 31 Augustus 1422, en slechts enkele weken later, den 22en October, stierf ook de krankzinnige koning Karel VI.

Door het kleine gedeelte van Frankrijk, dat den Engelschen nog niet onderworpen was, werd de dauphin thans onder den naam van Karel VII als koning erkend. Hij liet zich te Poitiers de koninklijke kroon op het hoofd plaatsen. Van oudsher was het gewoonte, dat deze plechtigheid te Rheims geschiedde, en men achtte eene kroning op eene andere plaats dan deze eigenlijk dien naam niet waardig, maar ’t was thans eene onmogelijkheid, daar Rheims zich in de macht der vijanden bevond.

Toch was de toestand voor den jongen koning thans betrekkelijk niet ongunstig, want in Engeland werd Hendrik V opgevolgd door een kindje, dat nog slechts enkele maanden oud was, zoodat er een regentschap moest worden ingesteld, wat een verlammenden invloed uitoefende op de ondernemingen der Engelschen in Frankrijk. Bovendien hadden de Franschen gedurende de korte regeering van den Engelschen koning reeds voldoende ondervonden, wat het zeggen wilde, door een vreemden vorst te worden bestuurd. De belastingen waren vermeerderd inplaats van verminderd, en zij werden met onverbiddelijke strengheid ingevorderd. Eindelijk nog was Filips van Bourgondië ontevreden op zijne Engelsche bondgenooten en trok zich uit den strijd terug.

Had Karel VII thans den oorlog met kracht voortgezet, ongetwijfeld zouden de Engelschen het dan kwaad te verantwoorden gekregen hebben, want het geheele Fransche volk zou hem daarbij hebben gesteund.

Helaas, Karel VII miste daartoe de noodige veerkracht. Hij was niet gemakkelijk tot het nemen van een krachtig besluit over te halen en bracht zijn tijd meestal in ledigheid door. Hoewel de Engelschen den oorlog maar slap voortzetten, behaalden zij toch nog twee overwinningen op hem, namelijk bij Crevans en Verneuil.

Eerst in 1428 werd de oorlog door de Engelschen met kracht hervat. De bevelhebber Salisbury veroverde aan het hoofd van een leger van 15000 man verscheidene steden en sloeg eindelijk het beleg voor de sterke stad Orleans. Ging ook deze plaats voor de Franschen verloren, dan lag geheel Frankrijk bezuiden de Loire voor de Engelschen open, dan was Karel VII niet langer in staat tegenweer te bieden, en bevond Frankrijk zich geheel in de macht der vijanden.

De burgers van Orleans verdedigden zich met waren heldenmoed. Zoo dikwijls waagden de Engelschen geen bestorming van de muren, of even dikwijls werden zij afgeslagen. Maar eindelijk waren de levensmiddelen in de stad zoo goed als verbruikt, en zou de dappere burgerij door den honger gedwongen worden de schoone stad te moeten overgeven. En wat deed intusschen koning Karel VII? Was hij ijverig in de weer, om de vijanden het beleg moeilijk te maken, en trachtte hij met al de middelen, waarover hij beschikken kon, de benarde vesting te ontzetten?

Neen, de zwakke koning hield zich bezig met allerlei beuzelarijen en vermaken, en bleef werkeloos toezien, dat het laatste bolwerk van zijn koninklijke macht op hem veroverd werd.

Eindelijk gelukte het zijne vrienden en bevelhebbers hem over te halen, om de stad van nieuwe levensmiddelen te voorzien. En hij slaagde daarin volkomen, zoodat de burgers van Orleans met nieuwen moed den strijd konden voortzetten. Bij een tweede poging van Karel, den 12en Februari 1429, om nogmaals levensmiddelen in de stad te brengen, werden zijne troepen verslagen. Toen gaf hij den moed geheel op. Hij begreep, dat Orleans thans verloren was, en hijzelf evenzeer. Hij besloot dan ook, Frankrijk te verlaten en zich elders in veiligheid te brengen. Maar besluiten en doen was bij den zwakken koning niet hetzelfde. Ook nu weer stelde hij zijn vertrek van den eenen dag naar den anderen uit, en dat werd ditmaal zijn geluk. Want hoe hopeloos zijne zaak er ook uitzag, hoe nabij hij was aan zijn algeheelen ondergang, toch zou hij gered worden, ondanks zichzelven.

In Lotharingen, in het dorp Dom-Remy, woonde een jong landmeisje, dat Jeanne d’Arc heette. Zij kon lezen noch schrijven, en bracht den dag door met de eenvoudige bezigheden, die in eene boerenhoeve gewoonlijk te doen zijn. Reeds als kind bezat zij de eigenaardigheid visioenen te zien, die voor anderen geheel onzichtbaar bleven. Zij had eene streng godsdienstige opvoeding ontvangen, die bij haar goede vruchten gedragen had. Zij dacht veel na over hetgeen zij in de kerk en van hare ouders had geleerd, en werd een innig vroom meisje. Toen zij nog maar twaalf à dertien jaar was, verklaarde zij reeds meermalen, dat haar in de eenzaamheid bovennatuurlijke wezens verschenen waren, die haar vriendelijk hadden toegesproken. Zij leefde dan ook in de stellige overtuiging, dat God en zijne heiligen zich meermalen aan de kinderen dezer aarde vertoonden, om dezen hun wil te openbaren. Zoo waren haar reeds de aartsengel Michaël en de heilige Margaretha en Catharina verschenen, en nog na hunne verdwijning was het haar, of zij de stemmen dezer heiligen in hare ooren hoorde weerklinken.

Jeanne d’Arc was, toen zij ouder werd, een trouw aanhangster van Karel VII, den eenigen man, dien zij waardig keurde den Franschen troon te bestijgen en te Rheims tot koning te worden gekroond. De kroning te Poitiers had ook voor haar geen waarde. En zij droeg een diepen haat toe aan de Engelschen en Bourgondiërs, die haar schoon vaderland overweldigden en onderdrukten.

Met diepe smart volgde zij de gebeurtenissen, die in haar vaderland plaats vonden, en zij stortte tranen bij het vernemen van het beleg van Orleans en van den tegenspoed van Karel VII, haar beminden en vereerden koning.

Zeker, zij was het volkomen eens met hare dorpsgenooten, die meenden, dat alleen een wonder haar vaderland zou kunnen redden. Eindelijk bereikte haar de mare, dat volgens eene voorspelling, die door de lagere volksklassen algemeen geloofd werd, Frankrijk door een vrome jonkvrouw zou worden gered.

Van dit oogenblik af vatte de gedachte post in hare ziel, dat zij zelve de uitverkoren maagd was, die Frankrijk voor een algeheelen ondergang zou behoeden, en die gedachte liet haar niet meer los.

Eindelijk, in de eenzaamheid, terwijl zij dacht aan haar arm vaderland en aan haar koning, kreeg zij weer een visioen. Zij hoorde wederom de stemmen van heiligen, die haar toeriepen, dat zij de uitverkorene was, die Frankrijk zou redden, dat zij geroepen was om Orleans te ontzetten en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te worden.

Het dappere meisje, dat geen oogenblik aan de waarachtigheid van die stemmen twijfelde, besloot de haar gegeven bevelen op te volgen. Zonder er hare ouders over te spreken, begaf zij zich naar haar oom, Durant Laxart, die in een naburig dorp woonde, en deelde hem mede, dat zij zich naar den dauphin wilde begeven. Zij noemde hem nog dauphin in plaats van koning, omdat hij nog niet te Rheims gekroond was. Zij moest zich door het met vijanden bezette land begeven om den koning te bereiken, en daarom verzocht zij haar oom, voor haar aan den bevelhebber van Vaucolours, Robert van Baudricourt, een vrijgeleide te vragen.

Haar oom had er niet veel lust in, maar zij bleef zoo dringend aanhouden, dat hij eindelijk toegaf en zich naar den bevelhebber begaf. Deze lachte hem echter uit, en zei:

“Geef haar een pak slaag, dan zullen die hersenschimmen wel uit haar hoofd verdwijnen.”

Jeanne d’Arc liet zich door deze weigering niet afschrikken, maar begaf zich in persoon naar den bevelhebber. Zij verhaalde hem van de verschijningen, die zij gezien, had en smeekte hem, haar een vrijgeleide te geven.

De bevelhebber bleef weigeren, maar Jeanne hield vol. Zij richtte zich nogmaals en nogmaals tot Heer Robert, tot hij eindelijk voor hare smeekingen bezweek en haar het gevraagde vrijgeleide verschafte.

Eindelijk dus had zij haar doel bereikt en vol vreugde maakte zij zich gereed, om zich naar den koning te begeven. ’t Was echter een gevaarlijke tocht, inzonderheid voor een jong meisje, want hij voerde door streken, welke door tallooze ruwe vijanden bezet waren, die zeker met hare visioenen den spot zouden drijven en haar smadelijk zouden behandelen.

Daarom vermomde zij zich in mansgevvaad, en aanvaardde zoo in gezelschap van haar broeder, twee edelen en nog twee andere personen, den gevaarvollen tocht.

Den 24en Februari kwam zij ongedeerd te Chinon aan, waar Karel VII verblijf hield.

Dadelijk stelde Jeanne zich in verbinding met hofbeambten. Zij verhaalde hen van de verschijningen, die zij gezien had, van de stemmen der heiligen, die haar geboden hadden zich naar den koning te begeven en van hare roeping om hem en het vaderland te redden.

Het eenige gevolg was, dat zij geducht werd uitgelachen, en het ontbrak niet aan wreeden spot. Maar het dappere, vrome meisje liet zich niet ontmoedigen. Zij hield vol met hare smeekingen, om tot den koning te worden toegelaten, totdat deze eindelijk van hare komst vernam. Maar ook hij dreef niet weinig den spot met haar.

Toch gelukte het haar eindelijk, toegang tot hem te verkrijgen.

Onverschrokken naderde zij den koning, die haar ontving in een hel verlichte burchtzaal, te midden van een schitterenden stoet van hovelingen. Hijzelf zag er eenvoudig uit, maar Jeanne vergiste zich geen oogenblik in zijn persoon. Zij groette hem met den diepsten eerbied, en verhaalde hem, dat God haar uitverkoren had, om Orleans te ontzetten en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te worden. En zij smeekte den vorst, dat hij haar aan het hoofd van zijn leger zou plaatsen, want zij wist, dat God en Zijne heiligen haar de overwinning zouden geven.

’t Was intusschen ruchtbaar geworden, dat een eenvoudig boerenmeisje verklaarde door God gezonden te zijn, om Frankrijk en den koning te redden. En zie, meer en meer begon men geloof aan hare goddelijke roeping te slaan, en met eerbied zagen de krijgslieden tot haar op. Ha, zou dan eindelijk God zelf met hen strijden en hun de overwinning geven? Zou dan aan de veelvuldige nederlagen een einde komen?

Een geest van groote blijdschap vervulde het kleine leger, dat den koning nog trouw gebleven was. Een nieuw vuur doorstroomde hunne aderen en zij hunkerden weldra naar den strijd. Vanwaar zou dit eenvoudige meisje den moed hebben, om het leger tegen den machtigen vijand aan te voeren, als zij niet van God gezonden was? O zeker, zij twijfelden niet, of Gods heiligen waren haar verschenen, en dit meisje handelde op Gods bevel. Vol geestdrift grepen zij naar de wapenen, om onder haar leiding ten strijde te trekken. Zij wachtten slechts op het bevel des konings.

En dat bevel werd eindelijk gegeven, echter niet, dan nadat Jeanne aan een langdurige proef onderworpen en als een braaf en eerlijk meisje erkend was.

De koning verklaarde aan hare goddelijke zending te gelooven en vertrouwde haar het opperbevel toe over eene krijgsbende, die bestemd was om eene bezending levensmiddelen en oorlogsbehoeften naar Orleans te brengen.

Jeanne ontving eene wapenrusting, wapens en paarden. Bovendien gaf de koning haar, zooals aan andere bevelhebbers, schildknapen, jagers, herauten en een veldkapelaan. Zij voerde een prachtige banier, geheel wit, met een gouden lelie bestikt. Op die banier was de Heiland voorgesteld, gezeten tusschen heiligen, en zij droeg de woorden: “Jezus, Maria.”

Toen zij door de straten der stad reed op haar witte paard, het schitterende kuras om de slanke leden, haar gelaat door donkere lokken omringd, de oogen tintelende van het vuur der geestdrift, het zwaard in de tengere vuist, toen zij daar reed omringd door hare fakkeldragers, maakte zij op allen, die haar zagen, een overweldigenden indruk, en twijfelden er maar weinigen meer aan hare goddelijke roeping.

Allen werden met den diepsten eerbied voor haar vervuld, en de krijgslieden, wier gelederen zij langs reed, waren er heilig van overtuigd, dat dit schoone, vrome meisje hen ter overwinning zou voeren.

Den 27en April 1429 stelde zij zich aan het hoofd van haar leger, dat 6000 à 7000 man telde, en rukte naar Orleans op. Tot dusver was het leger steeds vergezeld geweest van allerlei gespuis, dat op kosten der soldaten teerde, maar Jeanne had hen allen uit haar leger doen verwijderen. Zij verbood op strenge straffen het spelen en vloeken en handhaafde een zeer strenge tucht. Niemand mocht zonder toestemming de gelederen verlaten om zooals vroeger te rooven en te plunderen. Als dienaren Gods moesten zij strijden en bidden; zij moesten het vaderland verlossen, boeren en burgers beschermen, en mochten niemand overlast aandoen.

Al deze maatregelen bezielden de Fransche krijgslieden met een nieuwen geest. Zij voelden zich strijders voor een heilige zaak en kregen het zelfvertrouwen, dat zij reeds sedert lang verloren hadden, terug.

Zoo bereikte Jeanne de bedreigde stad, waar zij onder eene onbeschrijfelijke geestdrift haar intocht deed. De burgers van Orleans zagen in Jeanne d’Arc eene heilige, en volgden hare bevelen met de meeste stiptheid op.

Maar de Engelschen, die van haar komst vernamen, beschouwden haar als eene heks, die zoo spoedig mogelijk op den brandstapel gebracht moest worden.

Onder de leiding van het dappere meisje werden thans dagelijks uitvallen gedaan, en hare volgelingen streden dan met weergaloozen moed. Zij wisten immers, dat God mèt hen streed, dat zij de overwinning mòèsten behalen? Hunne aanvallen waren onweerstaanbaar, en telkens werden de Engelschen tot wijken gedwongen. Dezen waren woedend op het schoone meisje, en beweerden, dat zij een verbond met den duivel had gesloten en door dien boozen geest in den strijd geholpen werd. En toen de Engelschen eenmaal tot wijken gedwongen waren, werden de Franschen onoverwinnelijk. Jeanne d’Arc was steeds de voorste in het gevecht, de laatste bij den terugtocht. Het zwaard, dat volgens haar gewijd was, omdat het achter een altaar gevonden was, had zij gedurende het gevecht opgeheven, maar nooit streed zij er mede. Alleen als zij persoonlijk aangevallen werd, gebruikte zij het ter zelfverdediging.

Al spoedig waren de Engelschen zoo ontmoedigd, dat zij besloten het beleg op te breken, wat reeds den 3en Mei geschiedde. Groote vreugde heerschte er toen in de bevrijde veste en men koesterde den diepsten eerbied voor het dappere boerenmeisje, dat verricht had, wat niemand verrichten kon. Sedert dien tijd noemde men haar de Maagd van Orleans.

Het eerste gedeelte van hare taak had Jeanne thans ten uitvoer gebracht. Nu was de kroning te Rheims aan de beurt, maar de weg naar deze plaats voerde door een landstreek, welker steden en kasteelen door de Bourgondiërs bezet waren.

Toen Jeanne met haar leger van Orleans te Tours terug kwam, waar de koning verblijf hield, werd zij met groote eerbewijzen ontvangen. Het volk zag in haar eene heilige en de menschen verdrongen elkander, om haar kleed of hare wapenen te kussen. Men bracht zelfs de zieken tot haar, en smeekte haar dezen te genezen.

Jeanne d’Arc zeide echter tot allen, die haar naderden, dat zij slechts een eenvoudig landmeisje was en geen wonderen kon doen. Maar men geloofde haar niet.

Zij drong er bij den koning op aan, dat deze thans den tocht naar Rheims zou ondernemen, maar Karel VII voelde zich daartoe nog niet machtig genoeg, hoewel zijn aanhangers bij den dag vermeerderden en men zich vol geestdrift onder de vanen der Maagd van Orleans schaarde.

Jeanne zette den strijd tegen de Engelschen met kracht voort, bleef overwinnaar in verscheidene gevechten en veroverde tal van steden en burchten. Eindelijk gelukte het haar zelfs, in een treffen bij Patay, het Engelsche leger te verslaan en den beroemden veldheer Talbot krijgsgevangen te maken.

Door zooveel succes aangemoedigd, besloot Karel VII eindelijk den tocht naar Rheims te aanvaarden. Tegen het einde van Mei brak hij met zijn leger van 12000 man op, en zie, de Engelschen waren door de laatste nederlagen zoo ontmoedigd, en zij koesterden zooveel vrees voor de booze heks, die het leger van den koning aanvoerde, dat zij bijna geen tegenstand boden en op de vlucht sloegen. De steden openden vrijwillig hunne poorten en lieten den koning binnen. Tegen de wonderbaarlijke kracht van Jeanne d’Arc durfde men den strijd niet aanbinden.

Den 7en Juli deed Karel VII zijn intocht in Rheims, waar nu de plechtigheid der kroning volgens de aloude gebruiken plaats vond. Toen Karel voor het altaar knielde, om de kroon op het hoofd te ontvangen, stond Jeanne in volle wapenrusting en met haar banier in de hand, in zijne nabijheid. En haar lippen prevelden een dankgebed tot God, die haar het voorrecht geschonken had, hare taak tot het einde toe te kunnen volbrengen.

Zij had zich op eene schitterende wijze van hare opdracht gekweten en smeekte den koning thans, haar naar haar dorpje te laten terugkeeren. Maar daarvan wilde Karel niet hooren. Nòg bevonden de Engelschen zich op den Franschen bodem en hij wilde haar niet ontslaan, voordat Frankrijk geheel van hen verlaten was.

Jeanne bleef dus en zette den strijd voort. En het gelukte haar een tal van steden tot de overgave te dwingen. Overal, waar zij verscheen, leken de vijanden wel krachteloos. Alleen Parijs hield de poorten voor haar gesloten. De Parijzenaars waren niet zoo overtuigd van hare goddelijke zending als het overige Frankrijk en verdedigden zich dapper. Jeanne waagde eene bestorming van de muren, maar deze werd afgeslagen en zij zelve gewond. Tevergeefs riep zij de hulp in van den koning, die met zijn leger op korten afstand vertoefde, n.l. te St. Denis, maar de zwakke vorst was het oorlogvoeren al lang moede en gaf zich liever aan zijne vermaken over. Hij liet Jeanne aan haar lot over, zoodat zij zich gedwongen zag het beleg op te breken.

Alle pogingen, die zij deed, om den koning tot eene krachtige voortzetting van den strijd te bewegen, leden schipbreuk. Hij betrok zijn winterverblijf te Chinon, en verviel daar in zijn gewonen toestand van trage rust.

Ook Jeanne was gedwongen daarin te deelen, en langzamerhand begon zij haar grooten invloed op het leger en hare omgeving te verliezen. De hofdames keken met minachting op het eenvoudige landmeisje neer, en in het leger verslapte de krijgstucht. Bovendien meenden de jaloersche bevelhebbers van het leger de hulp van Jeanne nu wel te kunnen missen.

Eerst in de lente van het jaar 1429 kon zij den strijd hervatten. Het gelukte haar de bezetting van de stad Compiègne, welke belegerd werd, te versterken met de troepen, aan wier hoofd ze stond. Dit was het laatste voordeel, dat zij op den vijand behaalde. Korten tijd later waagde zij een uitval, maar het bleek al spoedig, dat zij tegen eene groote overmacht te strijden had. Volgens hare gewoonte bevond zij zich steeds in het heetst van het gevecht. Zij werd tot den terugtocht gedwongen, maar bleef nu in de achterste gelederen. Toen zij eindelijk voor de poort van de stad genaderd was, vond zij deze reeds gesloten, naar men zegt, tengevolge van verraad. Van alle kanten kwamen de vijanden op haar aan, en zij verdedigde zich dapper, maar eindelijk gelukte het een Picardier haar aan te grijpen en van het paard te rukken. Zij werd krijgsgevangen gemaakt en geraakte in de macht der Bourgondiërs, die zich opnieuw met de Engelschen verbonden hadden.

Zij werd door de Bourgondiërs met de meeste onderscheiding behandeld, want dezen haatten haar lang niet zoo als de Engelschen, die haar voor een heks hielden in dienst van den Satan.

Karel VII had haar ongetwijfeld voor een flink losgeld in vrijheid kunnen doen stellen, maar hij getroostte zich daar in het geheel geen moeite toe. Niet alzoo de Engelschen. Zij eischten dat Jeanne d’Arc niet als krijgsgevangene, doch als tooveres behandeld zou worden. Jeanne vreesde hun haat en deed eene poging om te ontvluchten, welke echter mislukte. Eindelijk leverden de Bourgondiërs haar voor een groot losgeld aan de Engelschen uit. Zij werd nu naar Rouaan gebracht, waar het vonnis over haar geveld zou worden.

Men wierp haar in een ellendigen kerker, waar zij bewaakt werd door ruwe krijgslieden, die haar op allerlei wijzen beschimpten en beleedigden. En er werd een rechtsgeding tegen haar geopend, waarbij men van de schandelijkste middelen gebruik maakte, om haar de bekentenis te ontlokken, dat zij eene tooveres was en in dienst van den duivel stond. Als loon daarvoor zou de Booze haar geholpen hebben in den strijd tegen de Engelschen, die het maar niet verkroppen konden, dat een eenvoudig boerenmeisje hen overwonnen had.

Op de meest verraderlijke wijze werd het geheele proces gevoerd. De griffier teekende alleen de antwoorden op, die haar bezwaren konden, doch hare woorden van vroomheid en godsvrucht liet hij onvermeld. Zij gedroeg zich bij elk verhoor ernstig en waardig, en verklaarde, dat men haar het geloof aan hare verschijningen niet ontnemen kon, en dat zelfs nu nog in den kerker de heiligen haar nabij waren, om haar te troosten en te bemoedigen.

Eindelijk werden er 12 artikelen opgesteld, die voor de bekentenissen van Jeanne moesten doorgaan, doch die schandelijk waren vervalscht. Daarin werd verklaard, dat Jeanne’s openbaringen door booze geesten ingegeven waren, dat zij God gelasterd en zich aan de goddelijke wet vergrepen had; dat zij eene bedriegster was, die schaamteloos manskleeren gedragen had, en dat zij zich schuldig gemaakt had aan ongehoorzaamheid jegens hare ouders en aan bloedvergieten.

Ten slotte raakte de moed van het ongelukkige meisje aan het wankelen, vooral toen men haar bedreigde met den beul, die gereed stond, haar op zijne kar naar den brandstapel te brengen. Daarom verklaarde zij, dat zij bereid was de rechters te gehoorzamen en dat zij dus niet meer aan hare gezichten en openbaringen zou gelooven.

Van deze verklaring werd een geschrift opgemaakt, maar men voegde er aan toe, dat Jeanne bekend had aan een aantal verschrikkelijke misdaden schuldig te zijn.

Men gebood Jeanne dit stuk met een kruisje te onderteekenen, en daar zij niet lezen kon en dus ook niet wist, welk een afschuwelijk bedrog er plaats had, voldeed zij aan het bevel. Zij werd toen veroordeeld, om levenslang hare zonden te beweenen en in den kerker het brood der smarte en het water der benauwdheid te nuttigen.

Men gaf haar vrouwenkleederen en gebood haar, nooit meer hare manskleeren aan te trekken, welke echter in een zak gepakt in hare gevangenis bleven liggen.

Deze veroordeeling van de Maagd van Orleans was niet naar den zin der Engelschen, die niet rustten, eer zij op den brandstapel gestorven was. Kon men haar bewegen tegen het vonnis te handelen, dan was zij des doods schuldig, dat wisten zij.

De soldaten, die haar bewaken moesten, werden overgehaald, terwijl zij sliep, haar vrouwenkleederen weg te halen. Toen Jeanne nu ontwaakte en zag, dat haar kleederen verdwenen waren, trok zij de manskleeren aan, om niet door de soldaten bespot te worden. En daar was het juist om te doen geweest.

De rechters ontvingen dadelijk bericht van het gebeurde, en reeds den volgenden dag werd zij veroordeeld tot den dood door de vlammen.

Den 30en Mei 1431, ’s morgens om 9 uur, werd Jeanne d’Arc naar de oude markt te Rouaan, de gewone gerechtsplaats, gevoerd.

Enkele oogenblikken later stierf zij den marteldood op den brandstapel. Het laatste woord, dat over hare lippen kwam, was de naam Jezus.

Haar dood was een onuitwischbare schande voor hare rechters, maar niet minder voor den ondankbaren Karel VII, die kroon en scepter aan haar verschuldigd was, en ongeveer niets deed om haar te redden.

Groote daden.

’t Is in den morgen van Donderdag 21 Februari 1907, ’s morgens om vijf uur. Geen schemering kondigt nog den naderenden dag aan. Er woedt een hevige orkaan uit het noordwesten, die de huizenhooge golven der zee landwaarts jaagt. Met donderend geraas beuken zij de pieren aan den Hoek van Holland, waar zij vruchteloos trachten de zware bazaltsteenen uit hunne voegen te rukken. Het havenlicht, een baken voor de zeelieden, beschijnt het kokende en bruisende element, dat zich tegen de glooiïng te pletter loopt en zich in dolle woede met zware gulpen over de pieren stort. ’t Is of alle booze geesten samenspannen, om schrik en ontsteltenis onder de menschenkinderen te verspreiden. Hoor het loeien van den storm en het angstwekkend gebruis van de branding, zie, hoe de zee woelt en kookt, en merk op, hoe de sneeuwjacht u in het gelaat striemt en u de pijnlijke oogen doet sluiten. ’t Is koud, bitter koud.

Ginds, ver in zee, wordt een licht zichtbaar. ’t Moet van een groot stoomschip zijn, want het houdt koers naar de kust, midden voor den waterweg. Een klein schip zou het niet wagen, thans in dit noodweer binnen te komen. Immers, het zou als een notedop opgenomen en tegen de zware steenen te pletter geslagen worden! ’t Schip nadert, ongetwijfeld bestuurd door bekwame handen. ’t Bereikt den ingang tusschen de beschermende pieren.

Opeens, o hemel,—’t zwenkt, ’t verandert van koers! Dreigt er gevaar, zelfs voor de reuzen onder de schepen? Schrikt het bij deze woeste zee terug voor den nauwen doortocht tusschen de beide pieren, die slechts 350 Meter van elkander liggen, en wil het weer terugkeeren naar de open zee, waar immers groote schepen bijna volkomen veilig zijn?

Zie, het drijft noordwaarts af en nadert het lichttorentje tot op korten afstand,—en nu—neen, die beweging kan niet vrijwillig zijn,—nu wordt het door een hooge golf opgenomen en op den bazaltmuur van de pier gekwakt.....

’t Schip is gestrand in de onmiddellijke nabijheid van de kust. Nog enkele minuten, en ’t ware in veiligheid geweest. De trein aan den Hoek van Holland stond reeds gereed om de passagiers op te nemen en in ijlende vaart naar de plaatsen hunner bestemming te voeren.

’t Heeft niet zoo mogen zijn.

’t Prachtige vaartuig, de trotsche Harwich-boot “Berlin”, niet minder dan 302 Engelsche voeten lang, 36 breed en 16 diep, is een prooi geworden van het woedende element. De orkaan blijft voortwoeden en werpt de vernielende golven op het schip, dat kraakt en knerpt en langzaam maar zeker uit zijn verband wordt gerukt en vaneen scheurt. Niet minder dan 160 menschen verkeeren in doodsgevaar. De vreeselijke schok heeft hen uit den slaap gewekt. Half gekleed ontvluchten zij hunne hutten en ijlen naar het dek. Radeloos van angst wringen zij de handen en hun noodgeschrei stijgt ten hemel. Nog is het donker, nog loeit de storm en jaagt hun de natte sneeuw in het gelaat, nog woelt en kookt de zee, die hare golven over het dek werpt en menig en schipbreukeling wegspoelt en meesleurt in de diepte.

De kapitein Precious bevindt zich op de brug, de loods Bronder, die reeds zoo menig schip behouden binnenbracht, staat naast hem. Een groote golf nadert, bonst tegen het schip en gulpt over het dek. Als het water weggestroomd is, is de brug ledig. En de kapitein, èn de loods zijn verdwenen.

’t Schip kreunt onder den woesten aanval. Een onheilspellend gekraak doemt van uit de diepte op; ’t schip splijt steeds verder vaneen.

Jammerend, in radeloozen angst, ijlen de schipbreukelingen dooreen. Krampachtig grijpen zij zich aan elkander vast, om niet van het dek te worden gespoeld. Zij trachten zwemgordels te bemachtigen, en binden zich die om het lichaam.

Er worden vuurpijlen afgeschoten, om te verkondigen, dat er een schip in nood is. De noodkreten der ongelukkigen vermengen zich met het loeien van den storm. De koude doet zich snerpend gevoelen en de sneeuw- en hageljachten geeselen de half-gekleede ongelukkigen.

De bleeke zon beschijnt, als zij boven de kim verrijst, een waar jammertooneel.

Maar Goddank,—aan de kust heeft men gezien, wat er gebeurd is, en ginds nadert de hulp!

Ja, aan de kust had men de stranding gezien, maar men stond machteloos. De zee was te woest. Toch waagde men een poging.

De stoomreddingboot “de President van Heel” nadert onder bevel van den wakkeren kapitein Jansen het noodlijdende schip tot op korten afstand. Zij zien, hoe het soms bijna onzichtbaar wordt van de zeeën, die zich over het dek storten, en zij begrijpen, dat de grootste voorzichtigheid in acht moet worden genomen, willen zij niet zelf tegen de “Berlin” te pletter slaan.

’t Bleek een onmogelijkheid, het schip te naderen. Daarom werd besloten het anker te laten vallen en te trachten lijnen naar het schip te schieten, ten einde zoo verbinding te krijgen.

Daar vliegt de eerste lijn,—maar treft geen doel. De tweede volgt, alweer zonder succes, tot eindelijk de derde dwars over de “Berlin” wordt geschoten. De verbinding is tot stand gekomen....

Maar op ’t zelfde oogenblik nadert een vreeselijke zee, die “de President van Heel” met onweerstaanbare kracht opneemt en achteruit werpt. De zware ankertros is tegen die reuzenkracht niet bestand en knapt af als een draadje, en de verbinding met het gestrande schip, met zooveel moeite en gevaren tot stand gebracht, is weer verbroken. De woedende zee verdedigt haar prooi, die haar dreigde te ontglippen!

De reddingboot is gedwongen naar de kust terug te keeren om een nieuwen ankertros en schietlijnen te halen. En nog was zij niet vandaar teruggekeerd, toen er iets ontzettends gebeurde.

De “Berlin” scheurde dwars doormidden en het voorschip, waarop zich wel honderd menschen bevonden, zonk snel weg in de diepte. Een ijselijke kreet ging op van het wrak, maar ook aan de kust heerschte de diepste ontsteltenis.

Honderd menschen worstelden met den dood. Hunne lichamen werden door de huizenhooge golven op- en neergeworpen, tegen wrakhout gesleurd, langs de bazaltsteenen van de pieren geslingerd,—tot zij verminkt, met gebroken ledematen aan wal spoelden.

IJlings spoedde zich de reddingboot naar de plaats des onheils,—maar kon geen hulp bieden. Alleen lijken werden in ijlende vaart langs hunne boorden gesleurd!

Doch hoor,—was dat geen menschelijke stem? Klonk daar geen noodkreet boven het loeien van den storm uit?

Waarlijk, ginds, aan dat wrakhout, klemt zich een mensch vast. Voort, voort, te hulp! Weldra heeft men hem bereikt, men pikt hem op,—is hij dood? Of slechts bewusteloos? Neen, hij leeft! Behouden brengt men hem aan land, waar honderd armen worden uitgestoken en een liefderijke verpleging hem wacht. De geredde is Patrick Parkinson, een kapitein die zijn schip “de Myrmidon” uit Amsterdam moest halen om het naar Engeland te brengen.

Weldra spoelden de lijken aan strand, de meeste zwaar gewond. Dokter Diamant en eenige anderen deden al het mogelijke, om de levensgeesten weer op te wekken, maar hunne pogingen waren vergeefsch. De lijken werden in de groote loods van de Holland-Amerika-lijn ondergebracht, waar zij, in witte katoen gespeld, op britsen werden neergelegd. Ook dat van een lief jongetje van een jaar of vijf.

Het achterschip zat intusschen nog op de pier vast, slechts een twintig Meter van het lichttorentje verwijderd. Zouden zich ook daar nog menschen op bevinden?

De bange Donderdag ging langzaam voorbij onder sneeuwjacht, hagelslag en stormgeloei. De zee kookte en woelde zonder ophouden voort en maakte het onmogelijk het wrak te naderen. De “President van Heel” had den geheelen dag om het wrak gezworven, zonder het te kunnen bereiken.

Zoo kwam de nacht. Enkele schepen waren binnengekomen en hadden bericht, dat zij nog menschen op het wrak hadden gezien. Zouden dezen de zon nog weer zien opkomen? Zouden zij niet weggesleurd worden door de zeeën, die over het wrak spoelden, of omkomen van koude en ellende? Immers, de aangespoelde lijken waren slechts half of bijna geheel niet gekleed, wel een bewijs, dat de schipbreuk de opvarenden in den slaap had overvallen. Men kon dus aannemen, dat ook de achtergeblevenen slechts zeer onvoldoende gekleed en derhalve niet tegen de felle koude bestand zouden zijn.

’s Avonds om elf uur voer de reddingboot nog eenmaal uit, om nogmaals te trachten het wrak te bereiken. Maar onverrichterzake moest zij na middernacht terugkeeren.

’t Werd Vrijdag. Al vroeg brachten de treinen honderden menschen aan, die weldra tot duizenden groeiden, om de plaats des onheils in oogenschouw te nemen. ’t Zag aan het strand al spoedig zwart van de menschen.

Maar redding kon niemand brengen. De reddingboot was den geheelen nacht in de weer geweest, en ook ’s morgens vroeg al weer uitgevaren, doch de zee was nog hol. ’t Was nog onmogelijk, het wrak te bereiken. Wel woedde de storm zoo fel niet meer als den vorigen dag, maar toch was het nog noodweer.

Opeens verbreidde zich het gerucht onder de menigte:

“De Prins is gekomen! Prins Hendrik is hier!”

’t Was zoo. Prins Hendrik der Nederlanden had aan de stem van zijn hart geen weerstand kunnen bieden en was in gezelschap van zijn adjudant per auto naar den Hoek van Holland gesneld.

Dadelijk bezocht hij den geredden kapitein Parkinson, die zich vrij wel bevond, om hem geluk te wenschen met zijn redding. En toen spoedde hij zich naar de haven, om zich onmiddellijk aan boord te begeven van den stoom-loodsboot de “Hellevoetsluis”. Deze stond onder bevel van kapitein Berkhout. Met spanning werd het geschiktste oogenblik afgewacht, om nogmaals een poging tot redding te doen.

Om 1 uur ging men van wal. Voorop voer de reddingboot de “President van Heel”, daarachter volgde de “Hellevoetsluis” met den Prins aan boord, en dan nog enkele sleepbooten. Hoe meer men de open zee naderde, hoe woester het water werd. Onverschrokken stond de Prins op het dek, het oog gericht op het wrak, dat nog kostbare menschenlevens bevatte, die gered moesten worden. O, welk een diepe eerbied maakte zich van onze zeerobben meester voor den dapperen Prins der Nederlanden, die metterdaad toonde, dat hij zijn leven in de waagschaal durfde stellen om dat van zijn evenmensch te redden.

En waar de Prins zijn leven durfde geven, daar zouden onze zeelieden niet achterblijven. Zijn moed deed de geestdrift der eenvoudige mannen oplaaien, en zoo er gered kòn worden, zou dit thans ook gebeuren.

De reddingboot had een sloep op sleeptouw, die vier jonge mannen bevatte. Deze vier helden waren besloten alles op het spel te zetten, om ditmaal te slagen.

Aan het einde van den waterweg gekomen, werden de vaartuigen op eene rij zoo dicht mogelijk bij de pier gebracht en de ankers uitgeworpen. Tusschen de rij vaartuigen en de pier was nu een betrekkelijk stil water. De jol werd van de reddingboot losgemaakt en zoo dicht mogelijk tot bij de pier gebracht. ’t Was een angstig oogenblik, want ook dat zoogenaamde stille water was nog angstwekkend wild en woest, zoodat de jol elk oogenblik kon omslaan. En de pier was niet zichtbaar. Men zag alleen een heuvel van water en schuim, want zonder ophouden gulpten de golven over de pier.

’t Heldenstuk werd gelukkig volbracht, en Klaas Ree was de eerste, die overboord sprong en zich naar de pier begaf. Tot aan zijn hals toe ging hij in het water, maar daaraan stoorde hij zich niet. Hij kwam op de plaats, waar hij wezen wilde, en klauterde tegen de steenen op. Toen volgden zijne kameraden: Van Duyn, Jansen en Schoonbeek. Met hun vieren klommen zij voort over de pier. Stevig hielden zij elkander vast, om krachtiger weerstand te kunnen bieden aan de golven. Zoo bereikten zij den lichtopstand, waaraan zij de lijn bevestigden, die hen met de sloep verbond.

Een allerakeligst jammergeschrei, dat hun met ontzetting vervulde, drong van het wrak tot hen door. Maar van de kleine vloot werd een luid gejuich hoorbaar over den moed, door het dappere viertal betoond.

Van de “Hellevoetsluis” stak een tweede jol af, bemand met de Gorter, van der Meulen, Braam en de Geus. ’t Waren vrijwilligers, die zich op de eerste uitnoodiging aanboden zich ook naar de pier te begeven, om de vier wakkere matrozen bij te staan in de zware taak, die zij op zich genomen hadden. En ook hun mocht het gelukken de pier te bereiken, waar zij zich bij de anderen voegden. Met hun achten konden zij zich beter tegen de woedende elementen verdedigen. Zij bevonden zich thans aan het uiteinde van het hoofd, vlak bij het wrak. De arme schipbreukelingen, schier krankzinnig van angst en ellende, maar thans ook van blijdschap over de naderende redding, strekten de armen naar hen uit en smeekten om hulp.

De acht redders, die zich niet dan met de grootste moeite staande konden houden en telkens weer door het ijskoude water overstroomd werden, draalden geen oogenblik.

Zij grepen een touw, dat van het wrak neerhing, en bonden er eene lijn aan vast, waarvan zij het andere einde bevestigden aan een paal op de pier. Zoo was de verbinding tusschen het wrak en de pier tot stand gebracht.

De schipbreukelingen begrepen de bedoeling hunner redders. Met een lijn om het middel gebonden, gleden zij met de handen langs het touw naar beneden, waar de acht redders hen zoover mogelijk in de branding tegemoet liepen, om hen op te vangen. Eerst waagde een stoker den tocht, daarna nog een stoker, toen de hofmeester, daarna twee vrouwen, in het geheel tien menschen. Een voor een werden zij zoover mogelijk op de pier gebracht, waar zij aan den lichtopstand vastgesjord moesten worden, omdat zij te uitgeput waren, om zich staande te houden. De arme ongelukkigen waren meer dood dan levend.

Eindelijk nam weer een schipbreukelinge op den rand van het wrak plaats, om langs de lijn naar beneden te glijden. Doch de moed, of misschien wel de kracht ontbrak haar, om zich te laten gaan. Meermalen greep zij het ijskoude touw met de verkleumde vingers aan, maar even dikwijls liet zij het weer los. Zij dùrfde niet, of kòn niet. De redders riepen haar woorden van moed toe, maar het baatte niet. Tot opeens de arme vrouw zich liet vallen en in de golven terecht kwam. De matrozen sprongen toe en, wat wel een wonder mag heeten,—een golf spoelde de ongelukkige tot dicht in hunne nabijheid, zoodat zij gelegenheid kregen haar te grijpen en op de pier te brengen.

Nu waren er nog drie vrouwen op het wrak over, maar dezen waren onmachtig om zich op te richten. Haar angstgeschrei en smeekbeden drongen de dappere matrozen tot diep in de ziel,—maar zij konden haar niet helpen. Ze moesten terugkeeren, om de geredden naar de stoombooten te brengen. Eerst werden zij naar de jol overgebracht en toen naar de reddingboot gevoerd. Maar in dat open vaartuig konden zij geen voldoende beschutting vinden, zoodat zij op voorstel van den Prins naar de “Hellevoetsluis” werden overgebracht. Daar wachtten hun de teederste zorgen. De Prins hielp zelf mee om hun van de druipnatte kleêren te ontdoen en droge aan te trekken. Daarna werden zij met warme kruiken in de kooien gelegd.

’t Is niet doenlijk, de dankbaarheid der geredden te beschrijven. Tranen liepen hun langs de wangen en zij kusten de handen der wakkere mannen, die hen van den dood hadden gered.

Zoo snel mogelijk werd thans koers gezet naar de kust, waar reeds automobielen gereed stonden, om de geredden naar het hôtel “Américain” te brengen. En dáár wachtte hun de meest liefderijke behandeling.

Met donderend gejuich werden de matrozen door de duizenden menschen aan het strand begroet, en de koninklijke Prins, de gemaal onzer Koningin, deelde die eer met deze eenvoudige helden der zee. Als met een tooverslag had bij de liefde van zijn volk gewonnen.

Maar nog was het reddingswerk niet volbracht, nòg bevonden zich drie vrouwen op het wrak, die te zwak waren om zich op te richten. In den verschrikkelijksten toestand gingen zij den tweeden nacht vol dreigend doodsgevaar tegemoet. Haar gehuil ging in den loeien den wind verloren, en werd slechts gehoord door de zeelieden, die het wrak voorbijvoeren en onmachtig waren iets ter redding te ondernemen. Daar lagen zij op het dek te midden van de lijken van hen, die van koude en ontzetting reeds omgekomen waren. Haar gezwollen voeten weigerden allen dienst, de verkleumde handen konden niets meer vasthouden.

Maar ook voor deze ongelukkigen zou het uur der redding aanbreken. ’t Was in het hartje van den nacht, toen de “Wodan”, eene groote sleepboot van de firma L. Smit & Co., onder stoom ging, onder leiding van kapitein J. van Rees uit Maassluis. De bemanning bestond uit kloeke mannen, die het uiterste wilden wagen, om de vrouwen van het wrak te halen. De nacht was stormachtig en er ging eene wilde sneeuwjacht. De zee stond hol. De sterke boot schommelde zoo hevig, dat de opvarenden moeite hadden om staande te blijven. Eindelijk zagen zij op eenigen afstand het zwarte wrak omhoog steken en klonk hun het aangrijpend gehuil der vrouwen in de ooren. De bemanning schreeuwde zoo luid mogelijk terug, om het loeien van den storm en het bruisen van de zee te overstemmen, zoodat hun geluid tot de vrouwen kon doordringen.

De “Wodan” naderde behoedzaam tot op 50 Meter afstand den lichttoren. De vlet, die de boot volgde, werd opzij gehaald, en binnen enkele seconden zitten vijf dappere mannen op de riemen. Zij zijn van zwemgordels voorzien, want zij weten, dat de vlet elk oogenblik kan omslaan. Maar zij aarzelen niet. Zij roeien naar de pier, de kabel wordt vastgelegd aan een der palen, en de vlet keert terug, om nog meer mannen te halen. Zeven mannen bevinden zich weldra op de pier, en twee van hen, Marten Sparling en zijn neef Cornelis Sparling, beiden uit Dordrecht, wagen zich voetje voor voetje verder, tot zij eindelijk, trots de bijna onoverkomelijke gevaren, het lichttorentje bereikt hebben. Daar aangekomen wierp Marten Sparling een touw naar boven, naar het wrak, waar het door een der vrouwen aan een bank werd bevestigd. Het andere einde werd door zijn neef stevig vastgehouden, terwijl deze zich krampachtig aan den lichttoren klemde. Toch werd hij er tot driemaal toe bijna door de woeste golven afgeslagen. Marten Sparling klom, wat nog niemand anders had kunnen doen, langs het touw naar boven, en bereikte de vrouwen, die hem met hare zwakke krachten voorttrokken naar de plaats der verschrikking, waar zij zulke ontzettend bange uren hadden doorgebracht. De ongelukkige schepsels leefden daar te midden van de dooden....

Haar jammergeschrei sneed hem door de ziel, en het kostte hem moeite, zich van haar los te maken. Hij moest daartoe zelfs geweld gebruiken, want er mocht geen minuut ongebruikt verloren gaan. Hij greep een van de vrouwen aan, om haar langs het touw naar beneden te laten glijden, maar het dappere meisje, Mina Ripler geheeten, weigerde het wrak te verlaten vóór haar meesteres gered was. Welk een bewonderenswaardige trouw bij een zestienjarig meisje.

Het gelukte den kranigen Sparling de vrouwen alle drie langs de lijn te laten afglijden, de brave Mina Ripler op haar uitdrukkelijk verlangen het laatst. En zijn even kranige neef ving ze in zijne armen op. Daarna werden zij over een afstand van 30 Meter over de pier gedragen, waarbij de anderen dapper medehielpen, tot de vlet bereikt was. En toen was het grootste gevaar voorbij.

Een kwartier later waren allen aan boord van de “Wodan” in veiligheid, en deed iedereen zijn best om de smarten der geredden te lenigen. Men trok haar droge kleeren aan en verkwikte haar met opwekkende dranken.

Het wrak bevatte thans nog alleen dooden.

Om vier uur ’s nachts was men aan de kust teruggekeerd en werden ook deze geredden per automobiel naar het Américain-hotel gebracht, waar dokter Diamant en zijne helpers de zorg voor de ongelukkigen overnamen.

De redding was volbracht! Eere den dapperen helden der Hollandsche kust, eere den dapperen Prins Hendrik der Nederlanden!