The Project Gutenberg eBook of Gulliver's Reis Naar Liliput
Title: Gulliver's Reis Naar Liliput
Author: Otto Ernst Schmidt
Jonathan Swift
Editor: Stella Mare
Release date: May 18, 2009 [eBook #28866]
Most recently updated: January 5, 2021
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen van Luin, whirl and the Online
Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
GULLIVER'S REIS NAAR LILIPUT
DOOR
OTTO ERNST
BEWERKT DOOR
STELLA MARE
MET FRAAIE PLATEN
AMSTERDAM—MEULENHOFF & Co.—MCMXII
Boek- Courant- en Steendrukkerij
G. J. Thieme, Nijmegen
INHOUD.
I. Gulliver wordt scheepsdokter, lijdt
schipbreuk en wordt op een vreemd
eiland gevangen genomen 1
II. Gulliver krijgt te eten, en wordt
onder sterke bewaking naar de residentie
gebracht en daar tentoongesteld 11
III. Beschrijving van het land der
Liliputters en van zijn vorst. Groote
opwinding waarna men weder eenigszins
tot rust komt 23
IV. De zakken van den held van ons
verhaal worden grondig doorzocht 35
V. Wij worden langzamerhand vertrouwelijk
en wij betoonen elkaar vriendelijkheden 46
VI. Een plechtige triomftocht en een
plechtige overeenkomst 57
VII. Van een stad van een half millioen
inwoners; van keizerlijke vertrekken;
van eene keuken; en van tal van
zonderlinge zeden der Liliputters 66
VIII. In Liliput is niet alles zoo mooi als
het schijnt 76
IX. Gulliver's schitterende overwinning
ter zee 86
X. Onze held verricht wederom een goede
daad, maar oogst snooden ondank 95
XI. De vijanden van onzen held zijn in
de weer 104
XII. Aanklacht voor het gerechtshof en
vonnis 111
XIII. Gulliver wordt te Blefusku met
groot eerbetoon ontvangen 121
XIV. Onze held verlangd huiswaarts te
keeren, maar de Liliputters zenden
een bevel tot inhechtenisneming 129
XV. Gulliver vertrekt met eerbewijzen;
brengt den Liliputters uit de verte
een afscheidsbezoek en keert naar
zijn vaderland terug 139
HOOFDSTUK I.
GULLIVER WORDT SCHEEPSDOKTER, LIJDT SCHIPBREUK EN WORDT OP EEN VREEMD EILAND GEVANGEN GENOMEN.
Ik ben in Engeland op een klein landgoed te Nottinghamshire geboren.
Toen ik 14 jaar was, stuurde mijn vader mij naar de Hoogeschool te Cambridge.
Zoo kreeg ik dus al heel vroeg den smaak van het reizen te pakken.
Maar mijn vader had geen geld genoeg om mij te laten afstudeeren, en daarom deed hij mij drie jaren later bij een Londenschen chirurgijn in de leer.
Vier jaren bleef ik bij hem en leerde alles wat een gewone chirurgijn moet weten.
In mijn vrijen tijd hield ik mij met mijn liefhebberij-studiën bezig.
Ik had mij allerlei boeken over Wiskunde en over Zeevaartkunde aangeschaft en elk oogenblikje, dat ik maar voor mij zelf had, studeerde ik er vlijtig in, want ik had mij al lang voorgenomen dat ik later als ik ooit mijn eigen baas zou zijn, de heele wereld zou doorreizen, en juist Zeevaartkunde en Wiskunde komen zoo goed bij een reis om de wereld te pas.
Nadat ik dus vier jaren bij dien Londenschen dokter was geweest, had ik zooveel geld opgespaard, dat ik nog twee en een half jaar naar de Hoogeschool te Leiden kon gaan om daar in de medicijnen te studeeren. Ik vond het heerlijk, dat ik dat kon doen want ik begreep wel, dat ik dit alles, wat ik daar leerde later heel goed op mijne reis zou kunnen gebruiken.
Nadat ik daarna nog drie en een half jaar lang als scheepsdokter op menig schip had meegevaren leerde ik een allerliefst meisje kennen, waarmeê ik trouwde.
Het sprak van zelf, dat het nu voorloopig uit met reizen was en ik vestigde mij in Londen als dokter.
Veel verdienen deed ik helaas nog niet en daarom leek het mij het beste weer te gaan varen.
Zes jaren lang doorkruiste ik als scheepsdokter allerlei vreemde zeeën.
Gedurende die jaren had ik ruimschoots tijd genoeg voor mijzelf.
Ik las veel goede boeken, leerde vele vreemde talen, niet alleen uit boeken, maar ook door den omgang met vreemde volkeren.
Van kind af aan had ik een buitengewonen aanleg voor vreemde talen, en waarvoor je aanleg hebt, daar houdt je ook gewoonlijk van. Ik hoefde maar een paar weken onder eene vreemde bevolking te zijn of ik begreep de menschen al erg goed en kon ze in hunne taal zeggen, wat ik wilde.
Wij zeilden de heele wereld om, en daar ik niet alleen een groote, maar ook een sterke en gezonde man was, doorstond ik alle vermoeienissen uitmuntend.
Maar eindelijk verlangde ik toch weer naar vrouw en kinderen; ik ging naar huis terug en werkte weer drie jaren lang in Londen als dokter.
Maar ik verdiende niet al te veel en daarom begon ik den vierden Mei 1699 met de "Antilope" mijne onvergetelijke reis door de Zuidzee.
Wij voeren van Bristol weg en hadden in het begin, dat wil zeggen bijna een half jaar lang, eenen volmaakt-voorspoedigen tocht.
Maar toen wij niet ver meer van Oost-Indië waren, brak er een storm los, die ons zonder genade altijd verder en verder naar het Zuid-Oosten dreef, totdat we ons (volgens onze schatting) ten Noord-Westen van Van Diemensland bevonden.
Door den mist liep hier ons schip tegen eenen rots, en sloeg te pletter. Tot ons geluk hadden wij al van te voren de reddingsboot uitgezet; ik ging er met zes anderen in en wij roeiden op goed geluk door.
Wij konden zoowat drie mijlen afgelegd hebben, toen een stortzee onze boot deed kantelen en wij allen in zee vielen. Wat er van de anderen werd weet ik niet; ik begon maar dadelijk te zwemmen. Daarbij liet ik dikwijls mijne beenen zakken om te onderzoeken of er nog geen grond te voelen was; maar telkens te vergeefs. Eindelijk had ik vasten grond te pakken en ik was dol blij over mijne redding, maar nog lang moest ik door het water waden voor ik eindelijk op het droge was. Het zal zoowat 's avonds acht uur geweest zijn toen ik den vasten wal betrad; ik liep wel een half uur landwaarts en vond noch menschen noch iets wat aan menschen deed denken, misschien omdat ik te moe en te uitgeput was om ook maar iets te kunnen opmerken. Toen liet ik mij in het zachte gras neervallen, viel dadelijk vast in slaap en ontwaakte eerst pas toen het al klaarlichte dag was.
Ik wilde opspringen—en schrok niet weinig: ik kon mij niet verroeren, dus nog veel minder opspringen. Ik was aan den grond gekluisterd. Met handen en voeten was ik vastgebonden en ook mijne lange haren waren op de een of andere manier aan den grond bevestigd. Ik voelde, dat ook over mijn lichaam en mijne beenen koorden of draden liepen, die mij iedere beweging onmogelijk maakten. Ik kon alleen maar naar boven kijken, maar ik moest spoedig mijne oogen sluiten voor het verblindende zonnelicht. Daarbij hoorde ik een verward geroesemoes om mij heen, en plotseling voelde ik op mijn linkerbeen iets levends kriebelen dat ik voor eenen kever of zoo iets hield; ik wilde het vangen—maar, ho maar! Mijne handen waren immers vastgebonden. Nu kroop het levende wezen hooger; nu eens voelde ik het op mijne borst dan weer in mijn nek en toen stond het op mijn kin, en nu kon ik als ik erg naar beneden keek herkennen, dat het een menschelijk wezen was niet veel langer dan mijn middelvinger. Het was met pijl en boog gewapend.
"O!" riep ik onwillekeurig uit. Van schrik tuimelde de kleine man van mijn kin af en viel tusschen mijn nek en mijn boord. Met veel moeite krabbelde het weer naar boven en nu bemerkte ik, dat er nog wel veertig van zulke mannetjes over mijn borst en mijne armen marcheerden. Een bizonder klein kereltje was zoo brutaal zich met zijn zwaard een weg door mijn zwaren knevel te banen en het wilde juist met een lichtje, dat het te voorschijn haalde mijn linkerneusgat onderzoeken, toen ik door het kriebelen hard begon te niezen. Het gevolg hiervan was, dat de arme drommel en verscheidene van zijne vriendjes een grooten smak op den grond deden zoodat velen, zooals ik later vernam, bij het vallen armen, beenen en ribben braken. Nu probeerden zij mijn hoofd van achteren te beklimmen door langs mijn haar naar boven te klauteren. Ik had grooten lust mijn zakkam te voorschijn te halen om mij van dat gespuis te ontdoen; maar hoe bij mijn zak te komen? Er stond er al een op mijn voorhoofd en riep: "Hekinah Degul!" en allen die hem volgden herhaalden dien uitroep, die, zooals ik later hoorde, zooveel als "wat een monster!" beteekende. Ik moet zeggen, dat mij dit gezelschap niet erg beviel en toen nu een van hen zelfs in mijn linkeroor wilde kruipen, maakte ik met mijnen linkerarm eene zòo krachtige beweging dat het mij gelukte dien te bevrijden. Toen begonnen ze vreeselijk te gillen en dat leek veel op het gekrijsch van een opgejaagden zwerm vogels. Nu kon ik ook met mijn vrij-gemaakte hand mijn haar aan den linkerkant losmaken, zoodat nu nog maar alleen de rechterkant aan den grond bevestigd bleef. Maar toen begon er een "Tolgo phonac!" te roepen en meer dan honderd pijlen verwondden mijn hand als waren het muggenbeeten. Toen schoten zij in de lucht zoodat de pijlen mij in mijn gezicht vielen en door de wonden, die daardoor ontstonden kreeg ik zoo'n vreeselijken jeuk, dat ik het uitschreeuwde. Zij probeerden ook mij met hunne speren te doorboren, maar daar ik een leeren wambuis droeg, gelukte hun dit niet. Ten slotte dacht ik bij mijzelf: "het verstandigste is maar, dat ik mij voorloopig kalm houd en den nacht afwacht, dan komt alles wel terecht!"
HOOFDSTUK II.
GULLIVER KRIJGT TE ETEN, EN WORDT ONDER STERKE BEWAKING NAAR DE RESIDENTIE GEBRACHT EN DAAR TENTOONGESTELD.
Ondertusschen verzamelden zich hoe langer hoe meer van deze menschjes om mij heen, en het was mij aanhoudend alsof er een gegons als van een zwerm bijen in mijne ooren klonk. Na een poosje hoorde ik aan mijn rechterkant een geklop. Zoo ver ik maar kon, draaide ik mijn hoofd die richting uit en ik zag, dat men eene tribune timmerde, die iets boven mijn neus uitstak. Toen maakte men de touwen aan den linkerkant van mijn hoofd heelemaal los en nu kon ik gadeslaan hoe een mannetje, dat wel van heel hoogen afkomst moest zijn,—want een page niet grooter dan mijn duim droeg zijn sleep—de tribune opklauterde en zich tot mij wendde.
Hij hield eene lange redevoering tegen mij met een stem als een kanarievogel. Ik snapte er natuurlijk geen stom woord van, maar uit den klank van zijn stem, en uit zijne verschillende gebaren begreep ik toch wel, dat hij mij met iets ergs dreigde in geval ik weerstand zou bieden en hij mij veel goeds beloofde als ik mij naar den wil van de kleine menschjes zou voegen. Ik wilde antwoorden, maar al bij het eerste woord, dat ik zei waggelde de heele tribune, zoodat de deftige redenaar wankelde en alle aanwezigen de vingers in de ooren stopten. Ik sprak daarom heel zacht en onderdanig eenige woorden, stak, om er kracht bij te zetten mijn linkerhand in de hoogte en keek op naar de zon alsof ik deze tot getuige aanriep.
En toen bracht ik den kleinen menschjes, door dat ik telkens mijn vinger naar den mond bracht en de beweging van kauwen maakte, aan het verstand, dat ik vreeselijken honger had. Dadelijk werden er laddertjes tegen mijn lichaam gezet en meer dan honderd man, klommen, met eetwaren beladen, naar boven. Ze brachten mij talrijke hammen, halve schapen en ossen. Alles was lekker klaargemaakt en smaakte mij uitstekend; een halve os stond gelijk aan vier lekkere hapjes; van de hammen stak ik er dadelijk een stuk of wat tegelijk in mijn mond. Ook van de brooden, die de grootte hadden van kleine kersen, at ik er verscheidene tegelijk op. De menschjes stonden om mij heen en schreeuwden en staken de armen in de lucht van verbazing over mijn eetlust of ze lachten hard, of zij sperden sprakeloos mond en oogen open, wanneer weer een half schaap achter mijne kiezen verdween. Nu toonde ik door gebaren, dat ik drinken wilde en zij brachten mij een reuzenbeker van de grootte van een vingerhoed, waarvan de sage vermeldde, dat een muzikant dien eens tweehonderd jaar geleden in één teug geledigd had. Maar zij begrepen, dat mij die paar droppeltjes niet tegen den dorst konden helpen en zij rolden een groot vat naar mij toe waarvan zij het deksel afsloegen. Er zat zooveel in als een, niet heel groot theekopje, kan bevatten en ik dronk het in één teug leeg.
Toen dronk ik nog een tweede vat leeg; maar toen ik om een derde vroeg hadden zij er geen meer. Nadat nu mijn middagmaal was afgeloopen, stroomden zij weer van alle kanten toe en voerden op mijn lichaam een waren vreugde-dans uit. Dit kriebelde mij en daardoor werd ik herhaaldelijk in verzoeking gebracht om een hand vol van dit gespuis op te nemen en tegen den grond te kwakken, maar ik bedacht toch iets beters. Zij hadden immers om zoo te zeggen mijn eerewoord, dat ik mij naar hunnen wil zou schikken en dan hadden zij mij toch ook groote gastvrijheid bewezen, die hun nogal wat kostte en die moest mij toch heilig zijn en dan, waren zij wel klein, maar toch heelemaal zoo ongevaarlijk niet, want dat hadden zij mij wel door hunne pijlen doen voelen. Door hun groot aantal, vormden zij een macht, die mij misschien nog iets veel ergers kon doen dan ze tot nog toe hadden gedaan.
Terwijl ik zoo het een en ander overdacht, kwam een hooge ambtenaar met gevolg naar mij toe; hij hield een groote rol in zijn hand. Hij stapte op mijn scheenbeen, schreed op tot mijn borst, ontrolde zijn keizerlijk manifest en liet het mij zien. Toen sprak hij ongeveer tien minuten lang en wees daarbij herhaaldelijk naar een richting in de verte, waar, zooals ik later vernam de hoofd- en residentiestad van het land lag. Ik gaf hem te verstaan, dat ik weer graag vrij zou willen zijn, maar dat weigerde hij door zeer beslist met zijn hoofd te schudden.
Nu gaf hij bevel, dat men de wonden, door de pijlen veroorzaakt, met zalf zou insmeren, waardoor pijn en jeuk al heel gauw overgingen en daarna sliep ik in. Ik sliep, zooals men mij later vertelde, acht uren lang en dat kwam daardoor, dat men in den wijn, dien men mij had gegeven, een slaapmiddel had gedaan.
Terwijl ik sliep maakten de bewoners van dit zonderlinge land de noodige toebereidselen om mij naar hunne hoofdstad te brengen. Eigenlijk was dit zeer vermetel van hen om eenen, zoo grooten man naar de hoofd- en residentiestad te voeren, maar zij durfden dit omdat zij met zoovelen waren en zij dachten bepaald dat zij het met mij wel konden klaar spelen.
Vijf honderd timmerlieden en wagenmakers hadden intusschen een wagen in elkaar gezet, die zoo lang was als ik, en op twee en twintig wielen liep. Nadat er tachtig palen ingeheid waren wond men mij even zoovele koorden om mijn hals, mijn buik, mijn borst, en mijn beenen en toen heschen zij mij op. Negen honderd arbeiders spuwden eerst in hunne handen en trokken toen uit alle macht, en zij hadden nog niet eens drie uur er voor noodig om mij op de wagen te krijgen. Ik sliep zoo vast, dat ik van den heelen boel niets merkte; eerst later vertelden zij het mij. Toen ik op den wagen was vastgebonden, werden er 1500 van de grootste, sterkst-gespierde werkpaarden voorgespannen; deze dieren waren zòo groot, dat er maar twee van hen op mijne hand konden staan. Het kwam mij voor, dat ik een klein uur noodig zou hebben om naar de hoofdstad te loopen: wij reden dus een heelen dag door, hielden 's nachts in een bosch halt, en waren den volgenden middag nog maar honderd vijftig gewone menschenpassen van de stad verwijderd.
Hier kwam keizer Bimbul XVII met zijne gemalin Zimpilla en zijn heelen hofstoet ons te gemoet. De dappere vorst wilde mij dadelijk beklimmen maar de keizerin en het heele hof, bezworen hem vurig zijn kostbaar leven toch niet in gevaar te brengen en toen liet hij het maar. Op de plaats waar we stopten, stond een reusachtige oude tempel, die niet meer voor de godsdienstoefening gebruikt werd. De poort ervan was zoò hoog, dat ik er door kon kruipen en de binnenruimte was juist voldoende om mij er uit te strekken. Bij den ingang van dezen tempel werd ik aan mijn linkerbeen vastgeklonken. Ze hadden daartoe 91 kettingen noodig, die zoo sterk waren als bij ons dameshorlogekettingen, en zij gebruikten behalve dien nog 36 sloten.
Tegenover den tempel stond een soort Babylonische toren, die bijna zoo groot was als ik.
De keizer besteeg met zijn gevolg dezen toren om mij te kunnen overzien. Het aantal menschen, dat uit de stad kwam toestroomen om mij te bekijken werd op meer dan 100.000 geschat en het gebeurde menigmaal, dat er wel 10.000 tegelijkertijd op mijn lichaam rondliepen. Tienduizend menschen hadden te zamen een gewicht van ongeveer 30 pond; ieder van hen woog zooveel als bij ons een gewone brief; vier wogen zooveel als één kippenei. Een pasgeborene woog zooveel als een kleine kruisbes. De druk van deze menschenmassa zou dus wel te verdragen zijn geweest, wanneer zij zich maar wat behoorlijker hadden gedragen. De meesten maakten niet eens hunne schoenen schoon voor zij mij beklommen, maar beklopten en bepikten mij heel ongegeneerd met hunne wandelstokken; sommigen gingen zoover, dat zij mijn voorhoofd met den knop van hun wandelstok beklopten; anderen kropen in al mijne zakken; weer anderen bestegen mijn neus om van daaruit een vergezicht over de stad te kunnen genieten. Een brutale rakker stond op mijn onderlip en kibbelde met een ander, die op mijn bovenlip stond over de breedte van mijn mond, totdat ik van verveling moest gapen. Toen vielen zij er met een ontzettend gegil af.
Daar mijn borst en mijn buik bij het ademhalen voortdurend op en neer gingen werden verscheidene van mijne bezoekers zeeziek, en toen zelfs een dame in het knoopsgat van mijn vest een been brak, vaardigde de keizer een verbod uit, dat mij voortaan niemand meer op straffe des doods zonder bizonder verlof mocht beklimmen.
Toen ik dus met zoo buitengewoon veel voorzorg was vastgeklonken, sneden ze eindelijk de touwen los, waarmee zij mij op den wagen hadden vastgebonden, en voor de eerste maal sedert ik dit land had betreden, richtte ik mij op.
Eèn luide, doordringende gil klonk van uit de menigte, daarna volgde een diepe stilte en toen een stemmengegons als van honderdduizend musschen. Dat ik een reuzenmonster was, dat hadden ze wel gezien, maar zòo groot hadden zij zich den vondeling toch niet voorgesteld. Het duurde lang voor zij eenigszins tot kalmte kwamen over mijne grootte. Aangezien mijne kettingen mij veroorloofden, mij in eenen halven cirkel van ongeveer twee el te bewegen, of mij in den tempel juist heelemaal uit te strekken, leek mijne woning op een tamelijk groot hondenhok.
HOOFDSTUK III.
BESCHRIJVING VAN HET LAND DER LILIPUTTERS EN VAN ZIJN VORST. GROOTE OPWINDING WAARNA MEN WEDER EENIGSZINS TOT RUST KOMT.
Toen ik voor het eerst rechtop stond, overzag ik een buitengewoon groot stuk van het land en dit bracht mij in mijne gedachten naar mijn jeugd terug, toen ik in onze groote woonkamer op den grond gezeten met mijne bouwdoos zulke steden had gebouwd, als deze hoofdstad van het land. Het heele land leek op een groot grasveld. Er waren akkers en weiden van de groote van een schaakbord af, tot aan zulke, die de grootte hadden van het allergrootste tafellaken van mijne moeder en daartusschen bosschen die men met vier twee-persoons beddelakens niet zou kunnen bedekken. In een bosch dicht bij mij, zag ik reuzenboomen, die wel vele eeuwen oud moesten zijn, en die zoo hoog waren als bij ons thuis een jongetje van een jaar of acht.
De dieren waren natuurlijk in verhouding daarvan even klein. Paarden en runderen waren zoo wat van de grootte van een eekhoorntje zonder staart, de ganzen niet grooter dan bij ons een roodborstje; de vliegen waren nauwelijks zichtbare stippen en de vlooien, zooals ik later bemerkte, waren geheel onzichtbaar, maar voelen kon je ze wèl. Voor de bewoners van Liliput waren zij natuurlijk wèl zichtbaar; deze menschjes kunnen namelijk zeer scherp maar niet ver zien. Ze zien wanneer hunne vliegen hun slurfjes schoonmaken, ze zien natuurlijk ook de zon en de maan; van de sterren zien zij alleen de dicht-bijzijnde als zij erg schitteren; maar een heel overzicht van het uitspansel hebben ze niet.
Terwijl ik nog in den aanblik van dit landschap was verzonken, reed de keizer met zijn gevolg naar mij toe, maar dat zou hem bijna duur te staan zijn gekomen. Zijn paard werd schichtig toen het mij zag en begon te steigeren. Maar de keizer was een schitterend ruiter en wist zich in den zadel te houden. Hij gaf nu last mij eten en drinken te brengen en dadelijk kwamen twintig wagens met eetwaren en tien met dranken aanrollen.
Ik nam den eenen wagen na den anderen op en ledigde hem in mijnen mond. Allen waren wederom verbaasd over dit wonderwerk; de keizerin en eenige prinsessen en hofdames die eveneens bij dit schouwspel tegenwoordig waren, trokken haar neusjes op over mijnen eetlust, wat ik best zag al waren hare neusjes niet langer dan een kleine mier. Toen ik mijn eten op had naderde de keizer mij tot op drie Meter afstand, zoodat ik hem heel goed kon zien, maar om hem nog beter te kunnen bekijken ging ik op mijn zij liggen en daar ik hem bovendien later dikwijls genoeg in mijne hand heb gehouden, kan ik hem heel nauwkeurig beschrijven. Hij was een zeer forsche eerbied-inboezemende verschijning want hij stak wel de breedte van den nagel van mijn pink boven zijn omgeving uit; zijn optreden was voornaam en waardig. Hij was geen jonge man meer, want hij was acht en twintig jaar en de menschen in dit land leven korter dan wij. Reeds op hun tweede jaar gaan de kinderen naar school; als zij twaalf zijn trouwen de meisjes en de jongens als zij vijftien zijn.
De gelaatstrekken van den keizer waren flink en mannelijk; hij had een beetje hangende onderlip en een adelaarsneus. Zijne stem was wel zacht maar toch helder en duidelijk. Zijne kleeding was eenvoudig en voornaam; een gouden met juweelen versierde helm waaraan een deftige pluim wapperde, tooide zijn hoofd. Zijn sabel, waarvan het handvat en de scheede eveneens rijk met goud en diamanten waren bezet, had de lengte van een tamelijk groote naald en hij hield haar steeds getrokken om zich dadelijk te kunnen verdedigen wanneer ik hem misschien zou willen aanvallen. Zijn hofstoet was zoo kostbaar en bont gekleed, dat het wel leek, alsof men de rijk-geborduurde baljapon van eene dame op den grond had uitgespreid. Zijne majesteit sprak zeer lang en zeer minzaam tot mij en ik antwoordde eerbiedig en bescheiden maar wij verstonden er beiden geen woord van. Eindelijk riep de keizer een groot aantal geleerden bij elkaar—ik kon aan hunne kleeding zien, dat het geleerden waren—en ik sprak ze in verscheidene talen aan: in het Engelsch, Fransch, Italiaansch, Latijn, Grieksch, hoog-en-plat-Duitsch, maar niemand verstond mij.
Twee uur later trok de hofstoet zich terug en ik bleef achter onder een sterke bewaking, die mij tegen de nieuwsgierigheid, ruwheid en baldadigheid van het gepeupel moest beschermen. Het duurde dan ook inderdaad niet lang, of eerst enkele en daarna steeds meer menschjes begonnen mij met steenen te gooien; ja enkele schoten zelfs pijlen op mij af en het zou best kunnen zijn, dat ik door een van die pijlen een oog kon verliezen. Toen liet de commandant van de wacht zes van de boosdoeners gevangen nemen en ze boeien. Daarna leverde hij ze aan mij over. Ik pakte ze beet en stak eerst vijf van hen in mijn rechterjaszak; den zesden nam ik in mijn linkerhand alsof ik hem wilde opeten. Het manneke piepte van angst, als een jong konijn wanneer de vos hem te pakken heeft. En toen ik nu ook mijn zakmes trok dat tweemaal zoo lang was als de heele misdadiger, verstijfden allen van schrik. Ik sneed echter alleen maar de boeien van den gevangene los, zette hem op den grond, gaf hem met mijn wijsvinger een zacht duwtje tegen zijn achterste en liet hem loopen. Hetzelfde deed ik met de anderen en ik merkte, dat deze handelwijze op het volk en op de soldaten een uitstekenden indruk maakte en dat ik daardoor bij hen in de gunst kwam.
Veertien dagen lang, woonde ik in en bij mijnen tempel, en gedurende dien tijd werd er een bed voor mij klaargemaakt. Honderdvijftig matrassen werden aan elkaar genaaid. Deze hadden voldoende lengte en breedte voor mijne grootte en aangezien vier van zulke matrassen op elkaar moesten gestapeld worden, gebruikte ik zeshonderd van hunne matrassen.
Op dezelfde manier werden lakens, dekens en hoofdkussens gereed gemaakt en niettegenstaande dit alles lag ik nog tamelijk hard. Intusschen kwamen nog dagelijks uit alle deelen des lands de menschen in dichte drommen toestroomen om mij te bekijken. Men liet de zaken rusten; het bedrijf lag stil: de schoenmakers leverden geen schoenen meer af, de kleermakers maakten geen kleeren, de bakkers bakten geen brood meer en de boeren melkten hunne koeien niet; de jongens bleven uit school weg en de vrouwen lieten haar potjes en pannetjes in den steek. Allen lieten den arbeid liggen om het vreemde monster te gaan bekijken. Toen liet de keizer het bevel uitvaardigen dat allen, die mij eenmaal gezien hadden weer naar huis terug moesten keeren en het niet moesten wagen voor de tweede maal te komen. Maar dat hielp niet veel, want de staatsambtenaren waren omkoopbaar en wie hun een flinke fooi gaf lieten zij door.
Dadelijk na zijnen terugkeer in de residentie, had de keizer den Raad van Staten om zich vereenigd en ik bereidde aan deze hooge vergadering geweldig veel hoofdbreken. Men schilderde in schelle kleuren de vreeselijke gevaren af waaraan ik het land zou kunnen blootstellen.
Sommige der raadslieden zeiden: "als hij zich nu eens los zou rukken! Als hij maar even zijne hand uitsteekt kan hij heele steden verwoesten. Op eene wandeling door het land kan hij ons den heelen oogst vernietigen, en de heele bevolking vertrappen!"
"Dàt zouden wij in ieder geval wel kunnen verhinderen," riepen anderen uit, "want wij zijn immers niet weerloos, maar, wij moeten hem voeden en als hij zoo doorgaat met vreten—want eten is dat niet meer—, duurt het niet lang meer of wij krijgen hongersnood."
Nu gaf een ander den raad, dat men mij maar eenvoudig zou laten verhongeren, en weer een ander van de heeren vonden het 't beste mij door vergiftige pijlen te dooden.
"En wat moeten we dan met zoo'n dooden reus doen?" riep een derde.
Terwijl men nog bezig was over mijn lot te beraadslagen, kwamen twee officieren, die mij mede bewaakt hadden in de raadzaal en gaven den keizer verslag van de zachtmoedigheid, die ik tegenover de zes misdadigers had betoond. Deze mededeeling bracht een volkomen ommekeer in de gevoelens teweeg, en de keizer beval nu,—en de Raad van Staten was het daarmeê eens,—dat alle burgers van iedere negen honderd Meter in het vierkant, mij dagelijks zes runderen, veertig schapen en ander vleesch, en eveneens drie honderd brooden, tien vaten wijn enzoovoorts, enzoovoorts, moesten leveren. De kosten daarvan zou hun uit de schatkist des keizers worden betaald. Er werden ook zes honderd man aangesteld om mij te bedienen. Zij kregen een onderkomen in de verschillende tenten naast mijn tempel. Dit groote aantal behoeft geen verwondering te wekken wanneer men bedenkt, dat voor het poetsen van een van mijne laarzen vijftien man noodig waren en voor het stoppen van een, niet zoo heel erg groot gat in mijne kous, twaalf touwslagers onder leiding van eenen baas aan het werk werden gezet. Het noodige waschwater moest natuurlijk door paarden worden aangevoerd. Voor waschkom had men mij het zwembassin van eene badinrichting gegeven en mijn scheerzeep roerde ik in een reuzenketel aan, die anders voor het bierbrouwen werd gebruikt. Het was zeer potsierlijk wanneer zij mijne jas terwijl ik ze aan had van achteren afborstelden. Dan werden boven aan de kraag wel twaalf touwen bevestigd, en de borstelaars klommen er op en af, zooals bij ons ververs doen wanneer zij een huis verven.
Voor het overige viel mijn kleeding niet in den smaak bij de bewoners van dit land; ze vonden het niet prettig, dat ik mij niet volgens de mode van hun land kleedde. Ook merkte ik op, dat zij het onfatsoenlijk van mij vonden, dat mijn hemd mijn heelen hals bloot liet, en dat mijne mouwen zoo kort waren, dat mijne polsen te zien waren. Daarom werd aan drie honderd kleermakers de opdracht gegeven mij een nieuwe jas te maken en twee honderd naaisters moesten ondergoed, tafellakens en beddegoed voor mij naaien. De kleermakers waren zoo slank als libellen. Zeven van hen konden op een kippenei staan en ze huppelden op en neer als jonge veulens. Het grofste linnen van de naaisters was niet dikker dan het dunste vliesje, dat men op een ei ziet als men den kop er af slaat, maar het fijnste was als nevel, en wanneer ik er zachtjes tegenaan blies, viel het uit elkaar. Het prachtigste kantwerk werd er uit vervaardigd. Voor mij moesten natuurlijk vele lagen van het grofste laken op elkaar worden gestapeld, om een doelmatig hemd of beddelaken te maken. Ik vond het bizonder prettig te kijken, hoe de naaisters een onzichtbaren draad in een onzichtbare naald staken, in den draad een nog altijd onzichtbaren knoop maakten en telkens wanneer er een naad klaar was, ze den draad met hare tandjes afbeten.
HOOFDSTUK IV.
DE ZAKKEN VAN DEN HELD VAN ONS VERHAAL WORDEN GRONDIG DOORZOCHT.
De keizer gaf mij zes beroemde taalgeleerden tot leeraren opdat ik de taal van het land zou leeren. Verder gelastte hij, dat de paarden van het land dikwijls in mijne tegenwoordigheid moesten worden afgereden, om zoodoende gewend te raken aan den griezeligen aanblik van den wandelenden mensch-toren.
Daar mij het leeren van vreemde talen altijd gemakkelijk gevallen was, maakte ik ook nu goede vorderingen. De keizer kwam dikwijls en hielp de leeraren bij het les geven en heel gauw kon ik al tamelijk vloeiend met hem praten. Ik hoorde onder andere van hem, dat dit land een eiland was en Liliput heette.
Natuurlijk smeekte ik hem telkens weer, en ik vroeg er hem op de knieën om, mij toch mijne vrijheid terug te geven. Hij zei, dat dit pas later kon gebeuren en dat het er heelemaal van afhing hoe ik mij gedroeg. Ook moest hij dit met den Raad van Staten overleggen. In ieder geval zou ik eerst een vredes- en vriendschapsverdrag met de Liliputters moeten sluiten. Ik moest maar geduldig zijn, zei hij, en in de eerste plaats mij onderwerpen aan een grondig doorzoeken van mijne zakken. "Ik weet wel heel goed," zei de keizer, "dat we uwe zakken niet kunnen nakijken wanneer u dat niet wilt hebben, maar ik verwacht van uw grootmoedigheid en van uw rechtvaardigheidszin, dat u dit zult toelaten. Wat wij u, terwille van onze veiligheid afnemen, zal u bij het verlaten van ons land teruggegeven of vergoed worden."
Natuurlijk bleef mij niets anders over dan die nakijkerij maar goed te vinden, en zoo ontving ik de beide ambtenaren, die voor dit doel gestuurd waren heel beleefd en stopte ze in mijn zak. Ze doorsnuffelden achtereenvolgens al mijne kleedingstukken, en deelde den keizer over hun onderzoek eene verklaring mee, waarvan ik het volgende mededeel: Na de meest nauwkeurige, grondige en nauwgezette doorzoeking vonden wij in de zakken van den menschberg (zoo vertaal ik de, in de verklaring staande woorden, "Quimbus Flestrin") als volgend genoemde en beschreven voorwerpen:
- Een stuk grof doek, van dat soort, dat wij voor de sterkste en grootste zeilen gebruiken en zoo groot als het tapijt in uwer Majesteits salon, (dat was mijn zakdoek).
- Een zilveren doos waarvan wij het deksel, zelfs niet met vereende krachten, konden oplichten. Wij gelastten den menschberg de doos te openen en klommen als plichtsgetrouwe beambten erin. Dadelijk zonken wij tot aan de knieën in een zwartachtige stof waaruit een zoo verschrikkelijke reuk opsteeg, dat wij er zoo spoedig mogelijk weer uitklommen en ons onderzoek een half uur moesten schorsen, aangezien we onophoudelijk moesten niezen. Wij houden deze stof voor een verschrikkelijk wapen van den menschberg. Wanneer hij deze stof in uwer Majesteits Residentie zou rondstrooien, zouden alle zaken moeten gesloten worden en kon er door het niezen niet verder geregeerd worden,—(dat was mijne snuifdoos).
- Een dikke bundel van aan elkander gehechtte witte stof van de grootte van drie menschen en met zwarte figuren (misschien letterteekens bedekt) dat was mijn dagboek.
- Een soort lijst in harde stof vervaardigd ter grootte van zoowat anderhalf mensch. Aan den eenen kant zijn twintig kolossale palen. Het geheel gelijkt op een stuk rasterwerk, zooals dit bij Uwe Majesteit den tuin van den publieken weg afscheidt. Het komt ons voor, dat het den eigenaar dient om zijn haar te kammen, (hier hadden zij het eindelijk bij het rechte eind).
- Twee holle ijzeren buizen van meer dan manshoogte. Beide zijn aan een geweldig groot stuk hout bevestigd. Aan iedere buis zitten aan den eenen kant reusachtige stukken ijzer van zeer eigenaardigen vorm. Wij vroegen den eigenaar naar het doel van deze machines, maar wij konden hem niet verstaan daar hij onze taal niet volkomen machtig is. (Het waren mijne pistolen).
- Verscheidene ronde en platte stukken wit en rood metaal; de witte zouden wel zilver kunnen zijn en waren gedeeltelijk zoo groot als molensteenen en waren zóó zwaar, dat wij ze met ons beiden niet konden tillen. Men kan zich eene voorstelling maken van de zwaarte van deze stukken als men hoort, dat een van uwe onderdanigste dienaren op de tanden knarste toen een van die stukken op zijne teenen viel. (Dat was geld).
- Twee zwarte buizen, die zoo groot zijn, dat wij onder in zijn zak staande, hunne uiteinden nauwelijks konden bereiken. In ieder van die buizen was een zeer groote reep staal bevestigd. Wij gaven den menschberg last ons deze, naar het ons voorkwam, zeer verdachte en gevaarlijke machines nauwkeurig te verklaren en wij begrepen uit zijne verklaring, dat hij de eene noodig had om zijn baard te scheren en de andere om vleesch, brood en dergelijke dingen in stukken te hakken. (Dat hadden zij goed begrepen).
- Een zeer wonderlijke machine, die voor de
eene helft uit zilver en voor de andere helft uit
eene, in den beginne onzichtbare massa bestaat,
en den vorm heeft van eene reusachtige kaas.
Op den eenen kant van deze machine zagen wij
vreemde letterteekens en twee lansen. Een van
deze lanzen scheen van zelf te bewegen, alsof
hij leefde. Wij wilden deze lansen aanraken maar
wij stootten onze vingers aan de massa, die wij
niet hadden gezien, hoewel ze niet onzichtbaar,
maar alleen maar doorzichtig en heel hard was.
Al dadelijk toen we in dien zak waren gekropen
waarin die machine zich bevond, vernamen wij
een oorverdoovend leven als in eene smederij of
bij een watermolen. Op onze vraag om inlichtingen
verklaarde de menschberg ons, dat dit lawaai van
binnen uit de machine kwam. De menschberg
zei vervolgens nog, dat hij die machine bijna bij
alles wat hij deed, raadpleegde. Het zou kunnen
zijn, dat men hier te doen heeft met een, in onze
landstreken onbekend dier. Wij denken dit omdat
de eigenaar het aan een ketting, zoo dik als een
arm, gevangen houdt. Hij noemt dit wonder in zijn
doffe, loeiende taal "een horloge". (Dat klopt).
Hij noemt deze wonderlijke machine een horloge.
- Een groot net, zooals onze visschers dat
gebruiken, maar er zaten geen visschen in maar
verscheidene stukken geel metaal. Wanneer deze
van echt goud zijn, dan moeten zij van onberekenbare
waarde wezen. (Mijn beurs).
Behalve den inhoud van de zakken, vonden wij nog bij den vreemdeling:
- Een zwaard ter lengte van zeven of acht man, en:
- Een buidel met twee vakken. In ieder vak zouden zoowat drie onderdanen van Uwe Majesteit kunnen zitten. In het eene vak bevond zich een aantal zware metalen kogels ter grootte van ruim een hoofd, zooals onze kunstenmakers ze bij hunne voorstellingen plegen te gebruiken. In het andere vak bevonden zich een groote menigte zwarte korrels. (Dat was mijn zak met schietvoorraad).
Nadat de keizer dit alles had gelezen, naderde hij mij aan het hoofd van 3000 soldaten en verzocht mij in vriendelijke woorden de genoemde voorwerpen af te geven. Ik gespte mijn sabel los en trok deze uit de scheede. Dit had een algemeene ontsteltenis ten gevolge. Ik zwaaide zoo'n beetje met mijn zwaard door de lucht en ofschoon het een beetje verroest was, schitterde het toch nog in het zonlicht. De Liliputters durfden niet in de schittering van mijn zwaard te kijken en sloegen angstig de handen voor het gezicht. Zoo ongeveer zal het de leeuwerik en hare jongen te moede zijn wanneer de zeis des maaiers over hunne hoofden zwaait.
Alleen de Keizer behield, ofschoon het hem moeite kostte, zijn kalmte; met eenigszins bleeke lippen vroeg hij mij het wapen op een afstand van zes voet ver van mij op den grond te werpen. Dit deed ik, maar door het schudden van den grond, sprongen de dichtstbijstaanden als ballen in de hoogte, en de paarden der ruiterij werden onrustig en steigerden. Nu verlangde Zijne Majesteit de werking der "holle ijzeren buizen" te leeren kennen.
Ik haalde mijne pistolen te voorschijn, liet zien hoe zij in elkander zaten, en nadat ik den vorst gewaarschuwd had, dat hij niet moest schrikken, laadde ik een der pistolen met los kruit, (dat in den waterdichten zak volkomen droog was gebleven) en schoot in de lucht.
Het had eene uitwerking alsof ik met bommen onder de menigte had geschoten. Honderden en honderden vielen als dood op den grond, de vrouwen vielen allen in zwijm; de keizer bleef wel op zijne voeten staan, maar wankelde toch even. Hij hield zijne oogen gesloten, zijn gezicht was doodsbleek en het zweet parelde hem op het voorhoofd. Met een stom gebaar gaf hij mij te kennen, dat ik deze wapens moest uitleveren. Ik gaf mijne pistolen en mijn schietvoorraad af en ik maakte hem erop merkzaam dat men het kruit niet met vuur in aanraking mocht brengen. Ik leverde eveneens alle andere genoemde voorwerpen uit.
Mijn horloge, waarover de geleerden, die aanwezig waren elf verschillende meeningen hadden, die door ieder hunner fel werd verdedigd, werd door twee sterke arbeiders weggebracht. Zij schoven een zwaren balk door den ring en namen hem over de schouders. De ambtenaren hadden noch mijn bril, noch mijn zakverrekijker en mijn kompas gevonden, want die voorwerpen droeg ik in een geheimen zak, en daar die dingen voor de menschen in Liliput geen waarde hadden, behield ik ze.
HOOFDSTUK V.
WIJ WORDEN LANGZAMERHAND VERTROUWELIJK EN WIJ BETOONEN ELKAAR VRIENDELIJKHEDEN.
Van dag tot dag werden de keizer, het leger en het volk van Liliput mij gunstiger gezind, zoodat ik de hoop begon te koesteren, weldra mijne vrijheid terug te krijgen.
Hoe meer de inwoners hun vrees voor mij verloren, des te ongedwongener gedroegen zij zich ook tegenover mij, en ten slotte beschouwden zij mij ongeveer als ware ik een buiten de stad gelegen wandelpark.
Voor alle mogelijke pretjes moest ik dienst doen; onder leiding van de betaalde gidsen kwamen mij nog steeds, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, ontelbare menschenscharen bezichtigen; mijn voorhoofd en het bovenvlak van mijn hand werden als dansvloer gebruikt, waarop tal van vroolijke paartjes zich heen en weer bewogen; maar de grootste aantrekking had ik wel voor bergbestijgers. Hun plezier bestond daarin, mij zonder ladder te bestijgen; wanneer ik lag, de punten van mijne schoenen als bizonder steile en gevaarlijke bergtoppen te bestijgen, of wel, in de verschrikkelijke nauwe afgronden van mijn vestjeszakje te dalen, waar ze gevaar liepen door mijn buik doodgedrukt te worden. Dikwijls moest ik, wanneer ik lag, een van mijne beenen optrekken zoodat mijn knie dan in de lucht stak. Dat verschafte hun dan een druk bezochten toren, van waaruit zij het heele eiland konden overzien. Bizonder moedige bergbestijgers beklommen mij terwijl ik rechtop stond. Dat was natuurlijk een uitstapje dat verscheidene dagen duurde en de toeristen overnachtten dan in een van mijne zakken. Maar de allergrootste waaghalzen verlangden dat ik, wanneer zij eenmaal het hooggebergte van mijn hoofd hadden bereikt mijn arm nog in de hoogte zou steken, dan klauterden zij ook nog daarop en gingen dan op mijne vingertoppen staan. De ijle en ijzige lucht van deze verschrikkelijke hoogte verdroegen zij echter niet lang, zij werden bergziek, dat wil zeggen, zij werden misselijk, benauwd en kregen hartkloppingen en verlangden weer naar beneden te komen.
De kinderen behandelden mij natuurlijk het ongegeneerdst. Zij speelden verstoppertje in mijn haar en mijn knevel, gebruikten den rug van mijn neus als glijbaan, en ik had hard werk om te zorgen, dat zij mijne oogappels niet als eene ijsbaan gebruikten.
In mijne mouwen en zakken, in mijne oorschelpen en neusgaten speelden zij roovertje en soldaatje en elk oogenblik was er eentje verdwaald. Dan hoorde ik plotseling uit mijn rechteroksel een klagelijk geschrei omdat een jongetje niet wist of het rechts of links moest gaan om door mijn armsgat op mijn vest te komen. Eindelijk stookten zelfs eenige jongens een vuurtje in mijn haar om daarin appelen te braden, maar toen werd het mij toch wat al te kras en dergelijke dingen verbood ik.
Toen ik den keizer met klachten aankwam dat ik al te veel last van het volk had, gelastte hij dat men daarmede dadelijk zou ophouden en hij wilde mij als vergoeding nu ook eens een pleizier aandoen. Hij hield er dol veel van om koorddansers te zien, en liet nu op de verschrikkelijke hoogte van twaalf voet boven den grond een touw spannen, dat niet dikker was dan bij ons een dun draadje. Daarop moesten nu allen dansen, die van den keizer een ambt of eene andere gunst wilden hebben en wie het beste danste en het hoogste sprong kreeg het ambt. Maar ook de ministers en de andere raadsheeren, die dus al een ambt hadden moesten hunne kunsten toonen, en de schatmeester van het rijk was zoo knap er in, dat wanneer men een plank op het touw legde, hij van af deze plank den zoogenaamden "doodssprong" maakte, dat wil zeggen hij sprong in de hoogte, duikelde in de lucht rond en stond dan weer op de plank. Natuurlijk gebeurde het dikwijls, dat iemand daarbij naar beneden viel, verscheiden ministers waren reeds meer dan eens gevallen en soms brak er ook wel eens een zijn nek.
Een ander amusement van den keizer bestond daarin, dat hij een stok voor zich uit hield en zijne raadslieden en zijn Hof daarover heen liet springen of daaronder door liet kruipen. Wanneer zij springen moesten, hield hij den stok zoo hoog mogelijk, wanneer zij kruipen moesten bijna tot aan den grond. Wie dan het beste en het langste gesprongen of gekropen had, kreeg een blauwen draad. De tweede prijs was een roode draad, en de derde een groene. Deze draden wonden de overwinnaars twee maal om hun gordel. Er waren maar weinig personen, die niet minstens één zoo'n draad droegen, en toch schenen zij zeer trotsch daarop te zijn.