Een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet. Een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet.

Evenals de menschen, overwonnen ook langzamerhand de paarden iederen angst bij mijn aanblik. Zij sprongen met hunne berijders over mijne hand heen. Ja een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet en dat was inderdaad een fabelachtige toer.

Ik kwam nu op het idee Zijne Majesteit tot dank voor de vertooning der koorddansers, die ik mocht bijwonen, ook een schouwspel te bereiden en ik verzocht om eenige staven van twee voet lengte en zoo dik als mijn wijsvinger. De keizer beval zijn opperhoutvester de noodige boomen te laten vellen en reeds den volgenden morgen waren zes houthakkers met even zoovele wagens ieder door acht paarden getrokken, ter plaatse. Ik zette nu eenige van deze staven zoo in den grond dat zij een vierkant vormden; iedere zij van het vierkant was ongeveer zoo lang als mijn arm.

Toen spande ik een zakdoek zoo strak als een trommelvel over de punten van deze staven en zette daar bovenop wederom eene, uit staven vervaardigde, borstwering, ter hoogte van mijn pink. Zoo kreeg ik een prachtige exerceerplaats. Ik verzocht den keizer nu om een bataljon van zijne beste ruiters. Toen ik ze gekregen had, zette ik ze met hun vier-en-twintigen met paard en wapenrusting, en ook de officieren op het parade-veld. Daar verdeelden zij zich in twee partijen en volbrachten nu met groote behendigheid en stiptheid alle mogelijke oefeningen, schijngevechten en tornooien.

Ik moest aan de looden soldaten denken, waarmede ik als kind had gespeeld en die zich helaas niet van zelf voortbewogen en ik dacht bij mijzelf: "Wanneer het je gelukt weer naar huis te komen, dan moet je toch probeeren je kinderen een regiment van deze troepen mede te brengen!" De keizer had zeer veel plezier in deze manoeuvres en was zeer trotsch op de dapperheid van zijn leger. Ja, hij was op zekeren dag zoo genadig, zich zelf op het slagveld te laten tillen en het opperbevel op zich te nemen. Nog sterker. Hare Majesteit de keizerin in eigen persoon liet zich met haar gevolg zoo hoog door mij optillen, dat zij over het strijdperk kon heenzien.

Op zekeren dag geraakte helaas een paard met zijn hoef in een uitgerafelde plaats van mijn zakdoek verward, het dier viel en verrekte een pees. Toen gaf ik het gevaarlijke spel op.

Dit schouwspel had den keizer zoozeer bevallen, dat hij het mij door een zeer bizonder spel wilde vergelden, en hij wilde mij ook eens door iets buitengewoon groots bewondering afdwingen. Hij liet uit zijnen dierentuin een olifant halen en keek nu met de grootste aandacht naar mij om te zien wat ik nu wel van dien kolossus zou zeggen. Het was inderdaad een buitengewoon prachtexemplaar ter grootte van een flinken dashond, en de keizer vroeg me met trotschen glimlach, of ik zoò iets nu wel eens in mijn leven had gezien.

"Neen," zei ik, "zulk eenen grooten olifant heb ik nog nooit gezien!" Ik bedankte hem vriendelijk, nam het dier op mijn arm en streelde het, waarover Zijne Majesteit toch wel een beetje het land scheen te hebben.

Een paar dagen daarna deelde een ijlbode den keizer mede, dat men aan het strand in de buurt waar ik was geland, een groot zwart voorwerp had gevonden, een soort van kleinen circus met een rand er om heen; het geheel zou ongeveer zoo groot zijn, dat men de gehoorzaal der universiteit ermee zou kunnen bedekken en het had de hoogte van een man. Het voorwerp leefde niet. Nadat men het voorzichtig had genaderd, was men er eindelijk opgeklommen en had men door erop te kloppen vastgesteld, dat het hol was, maar dat er klaarblijkelijk niemand in woonde. Waarschijnlijk had men hier te doen met een voorwerp, dat bij den menschberg behoorde, en wanneer Zijne Majesteit het goed vond, zou men het halen; vijf paarden zouden daarvoor wel voldoende zijn. Toen ik dit hoorde begreep ik dadelijk, dat er hier sprake van mijnen hoed was, dien ik weliswaar op de boot om den storm had vastgebonden, maar gedurende het zwemmen of kort na mijne landing, toch had verloren. Ik verzocht, hem mij te brengen en den volgenden dag hoorde en zag ik dan ook, hoe vijf flinke werkpaarden hinnekend en snuivend, terwijl de voerlieden ze aanzetten met "hallo" geroep en zweepgeknal, kwamen aanstappen. Het hinneken van deze paarden leek op het getjilp van onze leeuwerikken, hun snuiven en proesten op het gezang van onze krekels, en het zweepgeknal leek op het barsten van een erwtenschil. Zij waren werkelijk niet al te zachtzinnig met mijnen hoed omgegaan; ze hadden er gewoonweg twee gaten ingeboord, daarin haken gestoken en deze door middel van touwen met de leidsels der paarden verbonden en zoo hadden zij mijn hoofddeksel meer dan een halve mijl door de straten gesleurd.


HOOFDSTUK VI.

EEN PLECHTIGE TRIOMFTOCHT EN EEN PLECHTIGE OVEREENKOMST.

De keizer was reeds verscheidene malen als overwinnaar uit den strijd gekomen en hij was dan steeds na het beëindigen van den oorlog door een prachtige eerepoort, die dan voor hem was opgericht, naar zijne hoofdstad teruggekeerd. Hij hield dol veel van dergelijke vertooningen en nu was de gedachte bij hem opgekomen, dat ik maar eens als eerepoort moest dienst doen, en een eerepoort moest vormen, zòo verheven en zòo buitengewoon als er nog nooit een voor hem was opgericht. Ik moest rechtop gaan staan en daarbij de beenen zoo ver van elkaar spreiden als maar eenigszins mogelijk was. Dan wilde hij aan het hoofd van zijne troepen voor de oogen van Hare Majesteit de keizerin als overwinnaar tusschen mijne beenen doorrijden. Ik willigde zijn verzoek natuurlijk in en de keizer gaf den veldmaarschalk daartoe de noodige bevelen. Deze opperbevelhebber, een oude, brave ijzervreter, met groote, grijze snorren zoo dik als een worm en met een vervaarlijke bas als van een kikvorsch, was bovendien mijn beschermer en hield heel veel van mij. Hij stelde nu de infanterie op, en plaatste vier-en-twintig man in eene rij, en ook de cavallerie, waarvan hij zestien in eene rij plaatste. Toen trokken met muziek, met wapperende vaandels, en getrokken sabels drie duizend man infanterie en duizend man cavallerie onder mij door! Daar mijn broek erg versleten was, had ik hem van te voren versteld, en had ik mij, daar ik geen naald en draad bezat door een cavallerist een degen en door een touwslager wat sterk touw laten geven.

Voor den keizer en de keizerin was deze triomftocht klaarblijkelijk een verheven schouwspel, maar voor mij minder, want de optocht duurde meer dan anderhalf uur. Meer dan eenmaal voelde ik de verzoeking bij mij opkomen mijne beenen samen te trekken maar daarmede zou ik zeker de gunst van den vorst hebben verspeeld, en die had ik toch zoo zeer voor mijne bevrijding noodig.

Ik drong steeds op nieuw met verzoeken en smeekschriften op mijn bevrijding aan, totdat de keizer ze eindelijk eerst door de ministers liet behandelen, en ze daarna naar den Raad van Staten ter inzage zond.

Niemand was tegen mijne bevrijding behalve de "Galbet", de admiraal van het rijk, genaamd Skyresch Balgolam. Deze, wel bekwame, maar sombere en nurksche man, had mij van af het eerste oogenblik niet mogen lijden, waarom wist ik niet. Na veel heen en weer gepraat verklaarde hij eindelijk, dat hij het goed vond wanneer hij de voorwaarden voor mijne vrijheid mocht vaststellen. Dat werd hem toegestaan en zoo verscheen hij dan door verscheiden staatsambtenaren begeleid, om mij de keizerlijke oorkonde in betrekking tot mijne bevrijding voor te lezen. Ik deel daaruit het volgende vertaald mee:

"Bimbul Galbasto Mamarem Evlame Gurdelo Chefin Mully Ully Gue, de allergrootmachtigste keizer van Liliput, de vreugde en de schrik van het heelal, wiens bezittingen zich over vijfduizend Blustrugs[1] tot aan de uiterste grenzen van den aardbol uitstrekken, de alleenheerscher van alle alleenheerschers, die grooter is dan de zonen der menschen, wier voeten wortelden in het middelpunt der aarde, en wiens hoofd tegen de zon stoot, op wiens wenken de knieën der vorsten der aarde knikken; die vroolijk is gelijk de lente, mild gelijk de zomer, vruchtbaar gelijk de herfst en verschrikkelijk gelijk de winter. Zijn Allerverhevenste Majesteit doet den menschberg, die kort geleden in ons Hemelsche Rijk zijn intrede heeft gedaan, de volgende artikelen kennen die hij met een plechtigen eed moet bezweren en waaraan hij onvoorwaardelijk zich zal moeten houden."

[1] Een gebied, dat ik in twee en een half uur gemakkelijk kon doorloopen.

Dit was de inleiding. Van de artikelen deel ik hierbij de volgende mede:

  1. "De menschberg mag ons rijk niet verlaten zonder onze keizerlijke, verzegelde goedkeuring.
  2. Hij mag slechts op hoofdwegen, echter niet op weiden of akkers gaan liggen of zitten, en wanneer hij wandelt moet hij zich ten zeerste in acht nemen, noch onze getrouwe onderdanen, noch hunne paarden, wagens, huizen of hun huisraad te vertrappen.
  3. Wanneer Zijne Majesteit eene bizonder dringende zending te verrichtten heeft, neemt de menschberg op zich den ijlbode en zijn paard in zijn zak naar de plaats van bestemming te brengen en zoo noodig hem met het antwoord weer terug te brengen.
  4. De menschberg moet in zijne vrije uren onze houthakkers bij het vellen der boomen, en onze handwerkslieden bij het bouwen van huizen en schepen helpen en zich ook op alle andere wijzen zoo nuttig mogelijk maken.
  5. Hij moet binnen twee maanden de heele kust van ons rijk afgewandeld hebben om op die manier de uitgestrektheid van ons gebied zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen."

Het laatste artikel luidde ten slotte aldus:

"Nadat genoemde menschberg dit alles plechtig zal hebben bezworen, zal hem dagelijks aan spijs en drank zooveel gegeven worden als 4913 van onze gewone onderdanen per dag gebruiken. Ook zal hij vrijen toegang hebben tot onzen Allerhoogsteigen Persoon en kan hij zich ook verder in onze gunst en in onze genade verheugen.

Aldus gedaan op ons slot Belsabarak den 12den dag van de 91ste maand van onze regeering."

De admiraal had dus in zijn minder goede gezindheid jegens mij verscheidene bepalingen uit gedacht, die nu niet juist aangenaam en eervol voor me waren, maar ik dacht bij mijzelf: "Als er in mijn land een in verhouding, even groote man zou komen, zou men hem niet anders behandelen." Daar ik bovendien zeer naar mijne vrijheid verlangde, bezwoer ik de artikelen eerst op de wijze van mijn land, door twee vingers van mijne rechterhand in de hoogte te steken, en vervolgens op de Liliputter wijze.

Deze plechtige handeling bestond daarin, door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den schedel te leggen... Deze plechtige handeling bestond daarin, door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en de rechterhand tegen den schedel te leggen...

Dit doet men door den rechtervoet in de linkerhand te nemen en den middelvinger van de rechterhand tegen den schedel te leggen en den duim tegen het rechter oorlelletje. Nadat deze plechtige behandeling voltrokken was werden mijne ketenen dadelijk losgemaakt en ik viel den keizer te voet om hem mijne dankbaarheid te betuigen. De drukking van de lucht, die daardoor veroorzaakt werd, deed Zijne Majesteit wankelen en veroorzaakte een oogenblik gebrek aan adem, maar hij herstelde zich weer spoedig en sprak de hoop uit, dat ik een nuttige dienaar zou blijken en zijne talrijke reeds ontvangene, en misschien nog te ontvangen gunstbewijzen waardig zou blijken.

Toen ik aan eenen ambtenaar vroeg waarom men mij juist 4913 maal zooveel te eten gaf als eenen Liliputter, zeide hij mij, dat men vastgesteld had, dat ik 17 maal zoo dik en daarom ook wel 17 maal zoo breed en 17 maal zoo groot zou zijn als een Liliputter, en dat 17 × 17 × 17 = 4913. Mij bleek uit deze berekening den hoogen stand der wetenschap in het land van Liliput.


HOOFDSTUK VII.

VAN EEN STAD VAN EEN HALF MILLIOEN INWONERS; VAN KEIZERLIJKE VERTREKKEN; VAN EENE KEUKEN; EN VAN TAL VAN ZONDERLINGE ZEDEN DER LILIPUTTERS.

Den eersten wensch, dien ik den keizer te kennen gaf, was, zijne hoofdstad te mogen bezichtigen. Hij willigde dit verzoek gaarne in en liet in de geheele residentie bekend maken, dat alle hoofdstraten twee uren vóór mijn bezoek ontruimd moesten zijn. Wie zich daarna nog op straat ophield, deed dit op eigene verantwoordelijkheid.

De muur, die deze stad omringt, reikte mij tot midden aan mijn kuit en was zoo dik, dat twee rijtuigen daar bovenop langs elkaar voorbij konden rijden. Die muur was door torens versterkt, die op vijf voet afstands van elkaar stonden. Ik klom over de groote poort aan de westzijde heen en ging zeer voorzichtig door de hoofdstraten. Ik had mijn jas, voordat ik de stad bezocht uitgetrokken, omdat de lange panden anders de pannen van de daken en de kerktorens meegesleept zouden hebben. Natuurlijk waren alle daken zwart van toeschouwers. De halve bevolking bevond zich op de daken om in ademlooze spanning naar mijne wandeling te kijken en natuurlijk lieten een paar onvoorzichtige jongens zich ondanks het verbod het genoegen niet benemen, zoo dicht mogelijk voor mijne voeten over straat te loopen; het scheelde geen haar of ik had een van hen vertrapt.

De stad, die 500.000 zielen telt, is precies in een vierkant gebouwd; de beide hoofdstraten kruisen elkander rechthoekig en verdeelen de stad in vier kwartieren. Deze straten zijn ware prachtstraten en ongeveer twee voet breed; de zijstraten en stegen waren niet breeder dan mijn voet lang is; ik kon die dus niet betreden. Een van deze zijstraten voerde naar een marktplein, dat er zeer aardig uitzag met zijn vele vruchten, groenten, visschen, vleesch en andere etenswaren. Meiden en knechts waren bezig inkoopen te doen voor de tafel hunner meesters, en een groote menigte stond in bewondering voor een reusachtig dier, dat de visschers van hun laatste vischvangst hadden mede gebracht, en dat zij hadden tentoongesteld. Het was waarlijk een bewonderenswaardig monster, een haai, zoolang als bij ons een haring, en het strekte zich over de halve breedte van het marktplein uit.

Waar de beide hoofdstraten elkaar kruisen, is het paleis van den keizer gelegen. Het wordt omringd door eenen muur, die twee voet hoog is. Tusschen dezen muur en de gebouwen is een afstand van twintig voet. Met goedvinden van den keizer klom ik over den muur en bekeek ik het slot van alle kanten. Het bestaat uit een paleis waarin van binnen weer twee andere paleizen zijn gelegen. In het binnenste paleis zijn de keizerlijke vertrekken gelegen, die ik o, zoo graag zou willen zien, maar, hoe zou ik daàr nu in kunnen komen? De poorten, die van het buitenste paleis naar het binnenste voerden, waren bij lange na niet zoo hoog als mijn kuit en niet breeder dan mijn dijbeen. Daar kon ik dus niet door. Over het buitenste paleis klimmen? Neen, dat ging ook niet. Het kwam bijna tot aan mijn kin, en bij overklimmen zou het gemakkelijk kunnen gebeuren, dat ik er iets vanaf zou brokkelen. Wat nu te doen? Ik ging naar het park van den keizer en kapte met mijn zakmes eenige der grootste boomen om, en uit het hout vervaardigde ik twee krukken van drie voet hoogte. Met deze krukken klom ik in den tuin van het binnenste paleis, ging op de eene staan, tilde de andere over het dak en zette hem voorzichtig in den tuin van het tweede paleis. Nu kon ik gemakkelijk van de eene kruk op de andere stappen, en daarna de eerste kruk met een haak naar mij toe te trekken. Zoo kwam ik dan in den tuin van het binnenste paleis, waar ik mij dan zóó op mijne zijde legde, dat mijne oogen op gelijke hoogte kwamen met de vensters van het middelste paleis. Daar zag ik nu de heerlijkste pronkkamers, die denkbaar waren en in de allerschoonste bevond zich de bevallige keizerin, de nog bevalliger prinsen en de allerbevalligste prinsessen.

Ik bekeek het paleis van alle kanten. Ik bekeek het paleis van alle kanten.

Wanneer een klein meisje dit in plaats van mij gezien had, zou het van verrukking in de handen hebben geklapt bij het aanschouwen van deze poppenkamer.

Hare Majesteit de keizerin knikte mij zeer vriendelijk toe maar op haar schoot zat, naar het mij toescheen een vlieg, die tegen mij blafte. Maar, het was heelemaal geen vlieg, maar een hondje. De hooge Vrouwe stak mij door het venster hare hand toe opdat ik deze zou kussen. Ik hield met beide handen mijn snor weg om de keizerin niet te verwonden, ik drukte mijne lippen zeèr, zeèr langzaam en voorzichtig op hare vingertoppen en ik kon het met den besten wil van de wereld niet helpen, dat ik haren geheelen onderarm kuste. Zij scheen daarover gebelgd en trok snel hare hand terug.

Toen ik mijn hoofd diep tegen den grond aandrukte, kon ik met mijn linkeroog in het sousterrain zien, waar de keukens waren. Wanneer het kleine meisje in mijn plaats diè zou hebben gezien, dan zou ze van verrukking gedanst hebben. In die keuken wemelde het van allersnoezigste potjes en pannetjes en kannetjes, en mesjes en vorkjes en kokjes en keukenmeisjes. Een van die keukenmeisjes plukte juist een leeuwerik ter grootte van een Onze-Lieve-Heers-beestje, en de kaarsrechte chef-kok, die zoo dik was als een witte pruim en haast niet loopen kon, maakte juist appelbeignets, die zoo groot waren als peperkorrels. Nu kan men nagaan hoe klein die wel waren.

Daar ik mij nu vrijer kon bewegen, leerde ik langzamerhand eenige van de zeden, gebruiken en wetten van dit vreemde land kennen, maar ik wil daarvan slechts die mededeelen, die zich opmerkelijk van de onze onderscheiden. Zoo is het bij voorbeeld merkwaardig, dat de Liliputters niet van links naar rechts schrijven zooals wij, ook niet van rechts naar links, zooals de Arabieren en de Hebreeuwers, ook niet van boven naar beneden als de Chineezen, en ook niet van beneden naar boven zooals de Caskagiërs, maar schuin, van beneden links naar boven rechts, zooals bij ons de dames doen, wanneer zij bij het schrijven aan het dansen denken. Om nu maar eens bij de dames te blijven, worden lafheid, zwakheid en flauw gedoe in Liliput evenzeer afgekeurd bij een vrouw als bij een man. Overigens willen de vrouwen volstrekt niet op de mannen lijken. Ze weten toch wel, dat ze precies evenveel waard zijn als deze.

Wanneer een leugenaar bij het liegen betrapt wordt, en men hem "leugenaar" noemt, dan wordt degene, die gelogen heeft gestraft en niet degene, die hem leugenaar heeft genoemd. Dus precies het omgekeerde als bij ons.

De lasteraar daarentegen, die zijn medemensch met opzet valsch beschuldigt, wordt met den dood gestraft en dengene, die, wanneer gebleken is, dat het laster was toch nog zegt: "Nou, er zal toch wel ièts van waar zijn!" wordt de tong afgesneden.

Ondankbaarheid wordt daar gehouden voor een bewijs van een slecht karakter. Wie zich daaraan schuldig maakt, wordt voor altijd bij iedereen geweerd. Men zegt namelijk: "Wie geen hart toont voor degenen, die hem weldaden bewezen hebben, hoe zal die wel handelen tegenover menschen aan wie hij niets te danken heeft! Die heeft het hart van eenen misdadiger en moet als zoodanig behandeld worden!"

Bedrog, verduistering, kortom misbruik van vertrouwen maken, wordt in dit land veel zwaarder gestraft dan diefstal. Een man was er eens met een som gelds, die hem toevertrouwd was, van door gegaan, maar hij werd gepakt en tot een zeer zware straf veroordeeld. "Waarom?" zoo vroeg ik den rechter, "wordt die man tot zulk een zware straf veroordeeld? Hij heeft toch niet gestolen, hij heeft toch alleen maar misbruik van vertrouwen gemaakt!" "Juist daarom!" antwoordde de rechter. "Den dief heeft men geen vertrouwen geschonken en met eenige voorzichtigheid kan men zich voor hem hoeden, maar tegenover den bedrieger is een fatsoenlijk mensch weerloos, en hoe fatsoenlijker hij is, des te weerloozer is hij. De wereld berust op vertrouwen, daarom steelt degene, die iemand zijn vertrouwen afneemt, duizend maal meer dan wanneer hij goud of edelgesteente zou stelen!" Toen de rechter aldus gesproken had, schaamde ik mij van harte voor mijne vraag.

Bij de verdeeling van betrekkingen wordt meer op braafheid dan op verstand gelet. "Want," zeggen de Liliputters, "het is niet zoo moeielijk een land te regeeren, maar moeielijk is het, daarbij eerlijk te blijven. Ook kan een domheid van een eerlijk man niet zooveel nadeel berokkenen, als een schurkenstreek van een knappen man."

Dit schenen mij allemaal zeer goede stelregels toe, maar men moet nu niet gelooven, dat de menschen zoo goed waren als hunne stelregels. Ontaarding kwam ook hier herhaaldelijk voor. Ik heb al verteld, nietwaar, dat de hoogste staatsbetrekkingen door koorddansen, door springen en kruipen konden verkregen worden, en hoe het hier met de dankbaarheid gesteld was, dat zou ik wel gauw genoeg zelf ondervinden.


HOOFDSTUK VIII.

IN LILIPUT IS NIET ALLES ZOO MOOI ALS HET SCHIJNT.

Zoodra ik mijn vrijheid verkregen had, begon ik ook, mij allerlei gemakken te verschaffen. Zoo maakte ik bij voorbeeld van de dikste boomstammen van het naastbij gelegen woud eenen stoel en eene tafel, waaraan ik mijne maaltijden kon houden. Mijn eten werd door driehonderd koks toebereid, die in hutten om mij heen woonden; iedere kok moest mij twee schotels leveren. Iedere schotel was één hap, ieder vat wijn nog geen slok. Terwijl ik at, stonden twintig bedienden op mijne tafel om mij te bedienen. Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven, die onder de tafel door andere bedienden in een mand werden gezet. Zij dienden mij de volle schotels voor, ruimden de leege weg, enz. Daar het voor mij moeite was de spijzen met een mes te snijden, bediende ik mij voor dit doel van een hooivork.

Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven. Zij heschen met een katrol de spijzen naar boven.

Het konden zoowat veertien dagen geweest zijn, die ik genoegelijk in vrijheid had doorgebracht, toen op zekeren dag mijn vriend en beschermer, minister Neldresal per rijtuig bij mij kwam, het rijtuig met zijnen bediende op eenigen afstand liet stoppen, opdat deze niets van ons gesprek zou kunnen hooren en met een ernstig gelaat op mij toetrad.

Hij verzocht mij hem een uur lang gehoor te willen geven; ik verklaarde mij daartoe gaarne bereid, legde mijne rechterhand op den grond, wat een beleefdheidsvorm in Liliput was en zeide:

"Wilt u maar zoo vriendelijk zijn binnen te komen?" Toen tilde ik hem zoo hoog op, dat hij gemakkelijk en zonder dat hij behoefde te schreeuwen met mij kon spreken.

Hij wenschte mij geluk met mijne vrijlating, waar hij ijverig voor gewerkt had, maar die mij toch niet vergund zou zijn als de omstandigheden dit niet noodzakelijk hadden gemaakt. Hij zeide: "Van buiten af gezien, maakt ons land wel een bloeienden indruk, maar in werkelijkheid is dat alles niet zoo mooi. De waarheid is, dat er uiterlijke en innerlijke ontevredenheid heerscht. Reeds geruimen tijd is ons volk door een diepe kloof in twee partijen verdeeld, die van de "hooggehakten", en die van de "laaggehakten". Ze onderscheiden zich daarin, dat deze schoenen met hooge hakken, gene met lage hakken dragen. Nu zegt men wel dat de goede, oude zede hooge hakken eischt, ja, er bestaat zelfs een oeroude wet, waarin dit staat, maar Zijne Majesteit de keizer behoort tot de laaggehakten en dat geeft den doorslag. Zijne Majesteit duldt slechts lage hakken bij zijne ambtenaren, en het zal u wel niet ontgaan zijn, dat zijne eigen hakken nog een "drurr"[2] lager zijn, dan die der anderen. De haat van de vijandelijke partijen is zoò hevig, dat zij niet met elkaar in dezelfde kamer zouden willen eten of drinken en nooit een woord met elkander praten. Ik geloof wel, dat de hooggehakten in de meerderheid zijn, maar wìj hebben de macht. Nu schijnt het wel of Zijne Keizerlijke Hoogheid de kroonprins een weinig tot de hooggehakten overhelt. U zult ook wel bemerkt hebben dat een van zijne hakken wat hooger is dan de andere, waardoor hij een beetje mank loopt. Dit alles verontrust natuurlijk Zijne Majesteit en om zijne zorgen nog te vergrooten, bedreigen ons de bewoners van het eiland Blefusku met eenen inval in ons land. Blefusku is het andere groote keizerrijk van de wereld en is bijna even groot en machtig als het onze."

[2] Een "drurr" = de dikte van eenen vleugel van een kever.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie, wanneer ik u in de reden val," waagde ik te zeggen, "in de artikelen, die ik voor mijne vrijlating heb bezworen staat immers, dat Zijne Majesteit de Alleenheerscher der Alleenheerschers is, wiens bezittingen tot aan de uiterste grenzen van de wereld reiken en bij wiens wenken de knieën van de vorsten van de aarde knikken. Nu zegt Uwe Excellentie zelf, dat er nog een tweede machtig keizerrijk bestaat en ik kan Uwe Excellentie verzekeren, dat ik oòk uit een machtig rijk kom en dat er op deze aarde nog meer zulke rijken bestaan."

De minister antwoordde hierop: "Wat uwe bewering betreft, dat er nog andere staten bestaan waarin menschen van uwe grootte wonen, moet ik zeggen, dat onze geleerden dit voor hoogstonwaarschijnlijk houden, omdat immers honderd wezens van uwe grootte, voldoende zouden zijn om al het vee en alle vruchten van een land in korten tijd te verdelgen. En, we hebben toch ook eene wereldgeschiedenis, die van zaken van zelfs zes duizend maanden geleden verhaalt en die van zulke staten en van zulke landen niets weet. Onze geleerden zijn veel meer de meening toegedaan, dan u van de maan of van een ster naar beneden gevallen is. Wat het keizerrijk Blefusku betreft, dàt bestaat zeker, maar aangezien de inleidingswoorden tot de artikelen, die u heeft bezworen, reeds van af het begin van de wereld zóó in gebruik zijn, en altijd zoo geluid hebben, mag men niet daarvan afwijken.

Dat keizerrijk Blefusku is onze grimmigste vijand; reeds zes en dertig maanden woedt er een bloedige oorlog tusschen hen en ons. De aanleiding tot dezen oorlog was het volgende: Het is algemeen bekend, dat men oorspronkelijk wanneer men een ei wilde eten het aan het dikste einde openmaakte. Nu bezeerde zich de grootvader van onzen tegenwoordigen keizer in zijn prilsten jeugd, toen hij eens een ei op deze wijze openmaakte, aan zijnen vinger. Ten gevolge daarvan, vaardigde zijn vader, dat is dus de overgrootvader van onzen tegenwoordigen keizer, een bevel uit, waarbij aan alle zijne onderdanen gelast werd hunne eieren slechts aan het dunne einde open te slaan. Deden zij dit niet, dan werden zij streng gestraft. Deze wet bracht groote verbittering onder het volk en had niet minder dan zes revoluties ten gevolge. Een keizer verloor daarbij zijn leven, en een andere zijne kroon. Deze opstanden strekten den keizer van Blefusku tot groote vreugde. Zij deden hun uiterste best om de dik-eiïgen in hunnen lust tot opstand te versterken en toen het ons eindelijk gelukte de opstandelingen te onderdrukken, vluchtten velen van hen naar Blefusku. Meer dan 11000 dik-eiïgen moesten in deze gevechten het leven laten. Zij wilden liever sterven dan hun ei aan den dunnen kant open te slaan. Er verschenen ook honderde dikke boeken over dezen strijd, maar de boeken van de dik-eiïgen zijn streng verboden. Een dik-eiïge mag ook nooit een hooge betrekking bekleeden."

Ik verzocht nu Zijne Excellentie naar mijne linkerhand over te stappen, daar mijn rechterarm sliep.

Hij vervolgde nu: "De naar Blefusku gevluchte dik-eiïgen, hebben nu de menschen daar zóó lang opgestookt en bij hunne partijgenooten hier in het land zóóveel steun gevonden, dat de beide staten sedert 36 maanden een verbitterden oorlog voeren. Dan eens is de overwinning aan onze zijde en dan weer aan de hunne.

Het kostte ons reeds 40 groote schepen en 30.000 dappere zeelieden en soldaten. De verliezen van den vijand schatten wij nog hooger. Nu hebben de Blefuskuneezen echter een reusachtige vloot uitgerust en daarmede denken zij ons bij de eerstvolgende gelegenheid te overrompelen. Zijne Majesteit, onze Allergenadigste keizer en heer heeft mij bevolen u hiervan mededeeling te doen, omdat hij in uw kracht en in uw dapperheid het grootste vertrouwen stelt."

Toen de minister uitgesproken was, boog ik diep en zeide: "Als vreemdeling zou ik mij niet veroorloven mij in den partijstrijd te mengen en een beslissing te nemen in de groote "eiervraag", maar wanneer vijanden het rijk van Zijne Majesteit bedreigen, dan spreekt het wel van zelf, dat mijn kracht en mijn leven geheel tot zijne vervoeging staan!"


HOOFDSTUK IX.

GULLIVER'S SCHITTERENDE OVERWINNING TER ZEE.

Het keizerrijk Blefusku lag ten Noord-Oosten van Liliput en tusschen beide landen was een kanaal ter breedte van 800 el, dat de vorm had van een hemdsmouw. Ik had het nooit gezien, omdat ik nog niet aan de Noord-Oostzijde van Liliput was geweest, en nu liet ik mij met opzet daar niet zien, omdat ik voor de Blefuskuneezen niet wilde weten, dat ik in Liliput was. Of zou mijne aanwezigheid hun misschien al door spionnen verraden zijn? Ik hoopte van niet, want gedurende den oorlog was ieder verkeer tusschen de beide landen op straffe des doods verboden en de kusten van ons eiland werden door de meest betrouwbare dun-eiïgen zoo scherp mogelijk bewaakt.

De vijanden schenen te dien opzichte minder voorzorgen te nemen. Het was ten minste onzen spionnen gelukt hun vloot in oogenschouw te nemen, die in de haven gereed lag om uit te zeilen, en klaarblijkelijk alleen nog maar op gunstigen wind wachtte. Van oude, ervaren zeerotten in ons land hoorde ik, dat het kanaal in het midden bij vloed, zeventig "glumgluffs" diep was, dat is iets meer dan mijne lengte.

Ik ging nu behoedzaam naar de Noord-Oostzijde van ons eiland, stelde mij verdekt achter eenen berg op, en haalde mijnen verrekijker te voorschijn. Met behulp daarvan stelde ik vast, dat de vijandelijke vloot uit vijftig oorlogsschepen en talrijke transportschepen bestond. Daarna keerde ik terug en ik verzocht, mij een groot aantal van de sterkste scheepskabels te geven, die zoo dik waren als bij ons ijzergaren, en dan nog een evenzoo groot aantal ijzeren staven zoo dik als een naald. Ik draaide telkens drie kabels tot een, hetzelfde deed ik met de ijzeren stangen en ieder van deze drie dubbele stangen boog ik aan het uiteinde om tot een haak. Ten slotte bevestigde ik de kabels aan de stangen, waar ik deze niet had omgebogen. Aldus uitgerust deed ik mijn jas, mijne kousen en mijne schoenen uit en stapte een half uur vóór den vloed in het kanaal. Ik liep zoo snel mogelijk door, zwom, waar het water het diepst was, ongeveer 30 el ver en was in een klein half uurtje de vloot genaderd. De schrik der Blefuskuneezen toen zij mij zagen, is niet te beschrijven. Als opgejaagde muizen sprong de geheele bemanning der vloot te water en zwom aan land. Dat spreekt ook eigenlijk vanzelf, want stel je nu eens voor, dat er bij ons plotseling een monster zeventien maal zoo groot als een gewoon mensch aan de kust verscheen.

Wel 30.000 menschen wriemelden als een uit-elkander-gejaagde mierenhoop langs het strand. Ik stak vlug in ieder gat, dat de schepen vooraan den boeg hebben een haak en wond de, aan de haken bevestigde kabels tot een kluwen samen. Intusschen waren de vijanden in zooverre van hunnen schrik bekomen dat zij als razenden op mij begonnen te schieten. Duizenden pijlen, waarvan sommige mij raakten en mij vreeselijke pijn veroorzaakten, snorden door de lucht, en omdat ik, om deze af te weren dikwijls mijn arm voor mijn gezicht moest houden, werd ik bij mijn werk aanmerkelijk gestoord. Het meest bevreesd was ik voor mijne oogen, maar toen viel mij in, dat ik immers mijn bril bij mij had. Die zette ik op, en al kletterden de pijlen soms tegen de glazen als hagel tegen de ruiten, in ieder geval waren mijne oogen ten minste beschut. Toen ik alle vijftig oorlogsschepen aan een touwtje had, begon ik te trekken, maar o, wee! want ik bemerkte toen pas, dat ze alle vast voor anker lagen en dat ik dus het zwaarste werk nog moest doen. Er bleef mij dus niets anders over, dan alle vijftig ankertouwen met mijn zakmes door te snijden en daarbij kreeg ik wel een paar honderd pijlen tegen mijn gezicht en mijne handen. Ik beet van pijn op mijne lippen. Ten slotte had ik echter het laatste touw doorgesneden en trok ik de heele Armada der Blefuskuneezen meê.

Een oogenblik heerschte er eene doodelijke stilte aan de kust, een stilte veroorzaakt door een vreeselijke ontsteltenis, maar toen volgde er een geschreeuw, dat ik mijn leven lang niet zal vergeten. Een dergelijk geschreeuw hoorde ik eens toen ik op een eenzaam strand op vogels schoot, die daar bij honderdduizenden waren genesteld. Ik trok rustig verder met de vloot, die zich als een waaier achter mij uitstrekte. Toen ik buiten schot was bestreek ik mijne wonden met eene geneeskrachtige zalf, nam mijn bril af, wachtte, toen ik in het midden van het kanaal gekomen was, totdat de vloed eenigszins gedaald was, en ging toen naar de haven van Liliput. Het water kwam mij op de diepste plaatsen van het kanaal heelemaal tot aan mijn hals. Daarom zagen de Liliputters mij niet dadelijk en dachten niet anders of de vloot der Blefuskuneezen kwam met eene vijandelijke bedoeling op Liliput aan. De geheele vloot van Liliput en ook het heele leger onder opperbevel van den keizer verzamelde zich dus zoo snel mogelijk in de haven, maar toen zij mij zagen en ik uitriep: "Lang leve keizer Bimbul, de overwinnaar!" kende het gejuich geen grenzen en de Liliputters maakten nu ook juist zoo'n leven als de vogels aan het strand. De keizer raakte niet uitgeput in loftuitingen en benoemde mij onmiddellijk tot "nardak" dat is de hoogste eeretitel in Liliput en beteekent zooveel als "medezon des heerschers". Ik moest nu met hem het heele leger langs loopen, wat verscheidene minuten duurde en toen trok het geheele leger in paradepas aan ons voorbij, wat zeer lang duurde en mij erg moe maakte, niettegenstaande alle muziekkorpsen daarbij speelden. De muziek klonk voor mijn bewustzijn zóó zacht, dat ik alleen maar de Turksche trom hoorde, en dat klonk net alsof bij ons een dikke bromvlieg tegen het venster bonst.

Toen ook dit schitterende schouwspel voorbij was, hield de keizer een lang gesprek met mij, waarin hij den vurigen wensch uitte, verder alle andere schepen der Blefuskuneezen in zijn macht te krijgen en het heele land te veroveren. Hij wilde Blefusku tot eene provincie van Liliput maken onder heerschappij van eenen onderkoning en dan alle dik-eiïgen wijd en zijd uitroeien, of ze dwingen hunne eieren voortaan aan het dunne einde open te maken. Dan eerst zou hij, naar hij meende, in het oog van ieder de eenige monarch der aarde en de alleenheerscher der wereld zijn.

Ik was even ontdaan als verontwaardigd over des keizers eisch en ik trachtte Zijne Majesteit uit te leggen, dat het noch verstandig, noch rechtvaardig was zoò te handelen, en ik zei hem, dat ik mij er nooit toe zou leenen om een dapper en vrij volk onder het juk der slavernij te brengen.

De keizer heeft mij deze vrijmoedige weigering nooit vergeven. Wel had hij mij dikwijls gevraagd, hem altijd onomwonden mijne meening te zeggen, maar toen ik dit deed, was hij diep gekrenkt.

De vorst deelde zijne veroveringsplannen en mijn meening daarover den ministers meê. Onder hen waren er ten minste verscheidene verstandig genoeg om het met mijne weigering eens te zijn, maar toen hij deze zaak in den Raad van Staten ter sprake bracht en eenige verdachtmakingen tegen mij losliet, vielen deze in vruchtbare aarde. Wel waren hier ook verscheidenen, die mij innerlijk gelijk gaven, maar zij dorsten zich niet te verzetten tegen den keizer en tegen de meerderheid en daarom zwegen zij. Des te meer echter praatten en stookten mijne vijanden en daarvan had ik plotseling een groot aantal.

Mijn succes en de onderscheidingen, die ik daardoor had ontvangen, wekten afgunst en haat bij talrijke hof- en staatsambtenaren, het ergste natuurlijk bij mijnen aartsvijand, admiraal Bolgolam. Hij had er weliswaar niet voor gezorgd, om de vloot waarover hij het bevel voerde zóó uit te rusten, dat deze de schepen der vijanden niet behoefde te vreezen,—anders zou men ook mijne hulp niet noodig hebben gehad,—maar nu ik in zijne plaats den vijand had verslagen, was hij buiten zich zelf van afgunst en nijd. Hij liet dit natuurlijk niet merken daar hij een geslepen diplomaat was, maar in stilte bereidde hij met Flimnap, den schatmeester, die zoo prachtig op het slappe koord kon loopen, en met andere partijgenooten een aanslag op mij voor, die mij ten verderve zou voeren.

Spoedig daarop gebeurde er bovendien iets, dat koren op den molen van mijne vijanden was.


HOOFDSTUK X.

ONZE HELD VERRICHT WEDEROM EEN GOEDE DAAD, MAAR OOGST SNOODEN ONDANK.

Er kwamen nu zes gezanten uit Blefusku met groote praal en met een gevolg van vijfhonderd personen om vredesonderhandelingen aan te knoopen. Er werd dan ook inderdaad vrede gesloten en wel onder voorwaarden, die voor onzen keizer en zijn land zeer voordeelig waren, al kon Zijne Majesteit ook niet alles wat hij wilde, doorzetten. Als "Nardak" moest ik tegenwoordig zijn bij de vredesonderhandelingen en het gelukte mij ook vaak mijne voorstellen er door te krijgen waardoor vele voorwaarden verzacht werden, die oorspronkelijk veel te hard, en daardoor onrechtvaardig en onverstandig waren en slechts aanleiding tot een nieuwen oorlog konden geven.

De gezanten van Blefusku hadden ondervonden, dat ik herhaaldelijk te hunner gunste had gesproken en toen nu hunne politieke aangelegenheden geëindigd waren, lieten zij mij vragen of hun bezoek mij aangenaam zou zijn. Ik dacht wel bij mijzelf, dat ik door dit bezoek mijnen vijanden voedsel zou geven voor hun haat tegen mij, maar ik antwoordde toch, dat het mij aangenaam zou zijn.

Ik verzocht den heeren beleefd, in mijn rechterhand te komen en liet ze daar op mijn snuifdoos plaats nemen. Ze bedankten mij vriendelijk voor de diensten, die ik hun had bewezen, put'ten zich uit in complimenten over mijn dapperheid en brachten mij ten slotte een uitnoodiging van hunnen keizer over, die naar zij zeiden, mij zeer waardeerde, en wien het aangenaam zou zijn mij in zijn land te kunnen begroeten. Ik nam ook deze uitnoodiging aan, hoewel ik best wist, dat daaraan wel eenig gevaar was verbonden. Bij het afscheid nemen verzochten mij de heeren hun nog eenige staaltjes van mijn fabelachtige lichaamskracht te toonen. Ik deed dit gaarne, maar ik wil niet stil staan bij de opsomming daarvan, want dat zou net zijn alsof ik zou willen opsnijden en per slot van rekening is het toch geen kunst menschen ter grootte van eenen vinger bewondering af te dwingen.

Het gesprek, dat wij voerden, werd in het Liliputsch gehouden. Natuurlijk zou ik de taal der Blefuskuneezen niet verstaan hebben, maar de gezanten zouden eenen tolk meegenomen kunnen hebben, dit hadden zij echter niet gedaan, omdat zij mij eene bizondere beleefdheid wilden bewijzen.

Des te meer moest ik dit waardeeren, omdat beide volken groote minachting voor elkaars taal hadden. De Liliputters beweerden, dat de Blefuskuneezen kakelden als kippen, wanneer zij eieren leggen, en zij zelf zijn zeer trotsch op de schoonheid van hunne eigen taal.

De Blefuskuneezen daarentegen beweren, dat de Liliputters spraken alsof zij een heete aardappel in hun keel hadden, maar zij dwepen met hunne eigen taal. Aangezien er nu echter in tijden van vrede een levendig verkeer tusschen beide rijken bestaat en het voor zaken-doen en geld-te-verdienen zeer noodig is elkaars taal te kennen, zijn er in beide landen slechts weinig beschaafde menschen, die beide talen niet eenigszins machtig zijn.

Uit hoofde van de artikelen, die ik had bezworen, moest ik den keizer natuurlijk vergunning vragen of ik dit bezoek in Blefusku mocht maken. Hij gaf mij daartoe wel verlof, maar hij deed dit op een zeer koelen toon, en hij behandelde mij trouwens zeer uit de hoogte. Later vernam ik, dat mijne vijanden mij, bij hem naar aanleiding van het bezoek der gezanten, zeer verdacht hadden gemaakt. Zij zeiden, dat het duidelijk bleek, dat ik met den vijand des lands heulde. Ik heb al gezegd, dat de keizer mij niet vergeven kon, dat ik het niet eens was met zijne veroveringsplannen. Daar kwamen nog allerlei kleine onaangenaamheden bij. Zooals men reeds weet, moest ik het geheele rijk omloopen om de grootte ervan vast te stellen. Ik deed dit trouw en niettegenstaande ik mijn best deed niet te groote stappen te nemen, was toch de keizer zichtbaar uit zijn humeur toen ik reeds na twee en een half uur terug kwam en hem berichtte, dat het maar 16.231 passen waren geweest. Uit dit alles begon ik langzamerhand te merken, dat vorsten en ministers ook geen volmaakte menschen zijn.

Volgens de artikelen die ik had bezworen, had ik ook nog op mij genomen, desgevraagd velerlei andere diensten te bewijzen, maar ik moet eerlijkheidshalve van den keizer zeggen, dat hij sinds ik "Nardak" was, daarvan geen misbruik maakte, ja, dat hij ze eigenlijk zelfs niet van mij verlangde, maar spoedig daarop zou zich een omstandigheid voordoen, dat ik hem een dienst zou bewijzen zonder dat ik hem daarom vroeg.

Toen ik op zekeren nacht rustig lag te slapen, ontwaakte ik plotseling door een gevoel alsof een muis mij in mijne neus had gebeten. Ik sprong op, greep naar mijn neus en ik ontdekte eenen Liliputter, die zich aan mijn snor vastklampte.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie," zei hij, "dat ik u in uw neus kneep, maar ik wist geen ander middel om u wakker te maken. Kom gauw mee, en help ons. De vleugel van het paleis van Hare Majesteit staat in brand!"

Binnen drie seconden was ik opgesprongen, en had in alle haast mijn jas over mijn nachtgoed aangetrokken.

Voor mijne woning vond ik eene menigte menschen, die mij smeekten mij toch te haasten om zoo spoedig mogelijk te kunnen helpen. Men vertelde mij onderweg, dat de brand ontstaan was door onachtzaamheid van een hofdame die bij kaarslicht een Blefuskuneesche ridderroman had gelezen en daarbij was ingeslapen.

Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur. Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur.

Daar men mij verwachtte en de straat voor mij had ontruimd en bovendien de maan ook scheen, kwam ik zonder ook maar iemand dood te trappen, op de plaats van den brand aan. Men was natuurlijk bezig den brand met water te blusschen, dat men met reusachtige emmers ter grootte van eenen vingerhoed aanvoerde. Daar echter de plaats waar men het water haalde tamelijk ver weg was, hielp het blusschen niets en de brand breidde zich hoe langer hoe verder uit. Het heele prachtige paleis, een wonderwerk van architectuur, waaraan vele geslachten gebouwd hadden, zou tot op den grond toe zijn afgebrand, wanneer het mij niet plotseling zou zijn ingevallen hoe ik zou kunnen redden. Ik scheurde mijne kleeren van het lijf, wierp ze op de vlammen, en verstikte op deze wijze in eenige seconden het vuur. Het bange zwijgen der menigte loste zich nu in een gejuich van vele duizenden op, maar huiverig kroop ik in mijne kleeren en vloog zonder den dank van den keizer en van de keizerin af te wachten naar huis en kroop weer onder de dekens.

De dank van den keizer en de keizerin was echter zeer zonderling. De keizer liet heelemaal niet van zich hooren, maar ik vernam, dat keizerin Simpilla tot in het diepst van haar ziel was gekrenkt, omdat ik het gewaagd had mij in mijn nachthemd binnen de muren van het paleis voor de oogen van Hare Majesteit en de hofdames te vertoonen.

Ik mocht haar nooit in mijn leven meer onder de oogen komen.

Er heerscht inderdaad in dit land een zeer streng gevoel van fatsoen. Men mocht alleen aan een hofbal slechts in een hemd gekleed verschijnen. In ieder ander geval werd men met den dood gestraft. Wel liet de keizer mij weten, dat hij alles zou probeeren om gratie voor mij bij den Raad van Staten te verkrijgen, maar dag op dag verstreek, zonder dat de gratie kwam. De keizerin bleef onverzoenlijk en in dit geval had zij schijnbaar meer invloed dan de alleenheerscher der allerheerschers.


HOOFDSTUK XI.

DE VIJANDEN VAN ONZEN HELD ZIJN IN DE WEER.

Mijn doodsvijand Bolgolam had in den schatmeester Flimnap een ijverigen bondgenoot gevonden. Ik was "Nardak", dat wil zeggen, "Zon naast den Heerscher" en hij was slechts "Glumdak" dat wil zeggen "Fakkel des Heerschers", en dit alleen was reeds genoeg om mij te haten. Maar, er kwam nog iets veel ergers bij; hij beweerde, dat ik de geldmiddelen van het land uitputte.

Toen ik bij den keizer nog in de gunst stond, had hij zichzelf met zijne gemalin en verscheidene menschen van het Hof, waaronder ook Flimnap zich bevond, ten eten genoodigd. Ik liet natuurlijk een bizonder lekker maal klaar maken onder anderen eene ossenpastei met vet gemeste kalveren opgemaakt. Dien dag at ik bizonder veel.

1e Omdat ik eetlust had.

2e Omdat ik mijn gasten een goed voorbeeld moest geven.

3e Omdat ik hunne bewondering wilde afdwingen.

4e Omdat ik den roem van mijn vaderland had hoog te houden.

Flimnap at echter niets anders dan een leeuwerik-tongetje. Hij leed namelijk al zeven jaar aan een maagkatarrh, omdat hij eens bij zijn ontbijt 25 kievitseieren[3] had gegeten.

Al dadelijk toen hij van het diner terugkwam, had hij, zooals ik later vernam, den keizer uitgelegd, dat ik door mijn eten den Staat bankroet zou maken. Hij zei, dat het geld in de schatkist steeds meer slonk, en dat men reeds een leening had moeten sluiten en dat de menschen al langzamerhand ontevreden begonnen te worden. Tot nu had ik het land reeds 1½ millioen "sprugs"[4] gekost, wanneer dit nog een poosje zou voortgaan, bleef er heelemaal niets over. Ik moest dus afgeschaft worden. Tot overmaat van smart had een schurk den braven Flimnap stilletjes verteld, dat zijne vrouw veel van mij hield, en heel dikwijls naar mij kwam kijken. Zelfs de keizerin was dit ter oore gekomen, en was daar zeer ontstemd over.