Recht en onrecht.
Er was een koning, die twee zoons had; de een was sluw en onrechtvaardig en de andere goed en rechtvaardig. Toen zijn tijd gekomen was, stierf de koning en de onrechtvaardige zoon zei tegen zijn broeder: “Daar gij jonger zijt dan ik, kunt gij niet verwachten, dat ik den troon met u deel; gij deedt daarom beter het paleis te verlaten. Neem deze driehonderd tzechins3 en een paard mee; dat is jou aandeel in de erfenis.”
De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik nagedacht te hebben zei hij: “God zij geprezen! Hoeveel van het geheele koninkrijk is mijn deel geworden!”
Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: “God helpe u, broeder!” En de oudste antwoordde: “Dat God u een ongeluk zende! Waarom roept gij steeds [239]Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht.”
Daarop antwoordde de goede broeder: “Ik wed, dat onrecht niet beter is dan recht!”
Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde; en telkens besliste de Duivel—elken keer verschillend vermomd—voor het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard; maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. “Wel! ik heb al mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en dezen keer zal ik om mijn oogen wedden.” Zoo gingen zij de weddenschap nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer de oogen uit, zeggende: “Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen oogen meer hebt!”
De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: “Ik heb mijn oogen verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!”
De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen.
Het genezende water.
De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een harer tegen haar zusters hoorde zeggen: “Zusters, weet gij, dat de prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de beroemde [240]geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende, zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan zou zij volkomen herstellen.”
Toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden
Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van den koning en zijn staatsraad.
Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het herstel der prinses. “Iemand moet ons bespied hebben,” zei een harer, “toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!” Toen zij onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren.
En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid. [241]