WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 209: Het toovertapijt.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

Dieren als vrienden en als vijanden.7

Eens, heel lang geleden, leefde er in een ver verwijderd land een jong edelman, die zoo buitengewoon arm was, dat zijn geheele bezitting bestond in een oud kasteel, een fraai paard, een trouwen hond en een goed geweer.

Deze edelman besteedde al zijn tijd met jagen en schieten en leefde uitsluitend van de opbrengst van de jacht.

Op zekeren dag besteeg hij zijn welverzorgd paard en reed naar het naburige woud, als gewoonlijk vergezeld van zijn trouwen hond. Toen hij in het bosch kwam, steeg hij af, maakte zijn paard stevig vast aan een jongen boom en ging toen diep het struikgewas in om het wild op te sporen. De hond rende een eind voor zijn meester uit, en het paard bleef geheel alleen rustig staan grazen. Nu gebeurde het, dat een hongerige vos voorbij kwam, en toen hij zag, hoe goed gevoed en verzorgd het paard er uit zag, bleef hij staan om hem te bewonderen. Langzamerhand kwam hij zoo onder de bekoring van het prachtige paard, dat hij zich in het gras neerlegde om het gezelschap te houden.

Eenigen tijd daarna kwam de jongeman uit het bosch terug en droeg een hert, dat hij gedood had. Hij was buitengewoon verbaasd een vos naast zijn paard te zien liggen. Hij hief dus zijn geweer op met het plan hem te dooden; maar de vos rende recht op hem toe en zei: “Dood mij niet! Neem mij mee; ik zal u trouw dienen. Ik zal op uw mooi paard passen, als gij in het bosch zijt.”

De vos zag er zoo deerniswaardig uit, dat de edelman medelijden met hem kreeg en op zijn voorstel inging. Daarop steeg hij te paard, legde het hert, dat hij geschoten had, voor zich en reed naar zijn oude kasteel, op de hielen gevolgd door zijn hond en zijn nieuwen dienstknecht, den vos. [303]

Toen de jonge edelman zijn avondeten gereed maakte vergat hij niet den vos een behoorlijk aandeel te geven en deze wenschte zich zelf geluk, wijl hij waarschijnlijk nooit meer hongerig zou zijn, tenminste niet, zoolang hij zulk een ervaren jager diende.

Den volgenden morgen ging de edelman weer op de jacht; de vos vergezelde hem ook nu. Toen de jongeman afsteeg en als gewoonlijk zijn paard aan een boom vastbond, legde de vos zich dicht bij het paard neer om het gezelschap te houden.

Nu kwam er, terwijl de jager diep het bosch in was om naar wild te zoeken, een hongerige beer naar de plaats, waar het paard was vastgebonden en ziende hoe heerlijk vet het was, rende hij er heen om het te dooden. Daarop sprong de vos op en verzocht den beer het paard geen kwaad te doen. Hij voegde er aan toe, dat hij, als hij honger had, slechts behoefde te wachten, totdat zijn meester terugkwam uit het bosch en dan, hij was er zeker van, zou zijn heer hem ook meenemen naar zijn kasteel en voedsel geven en voor hem zorgen, zooals hij voor zijn paard, zijn hond en voor hemzelf zorgde.

De beer dacht er eenigen tijd over na, heel wijs en diep, en besloot eindelijk den raad van den vos op te volgen. Hij ging daarom rustig naast het paard liggen en wachtte op den terugkeer van den jager. Toen de jonge edelman uit het bosch kwam, was hij ten zeerste verbaasd een grooten beer bij zijn paard te zien en na het hert, dat hij geschoten had, van zijn schouders te hebben laten vallen, hief hij zijn geweer op en was op het punt het beest te schieten. Maar de vos liep hard naar den jager toe en smeekte hem het leven van den beer te sparen en hem ook in zijn dienst te nemen. Daartoe besloot de edelman; en nadat hij zijn paard had bestegen, reed hij terug naar zijn kasteel, gevolgd door den hond, den vos en den beer.

Den volgenden morgen, toen de jongeman weer met [304]zijn hond naar het bosch was gegaan, en de vos en de beer rustig bij het paard lagen, sprong een hongerige wolf, die het paard zag, uit het kreupelhout om het te dooden. Maar de vos en de beer snelden op hem toe en verzochten hem het dier geen kwaad te doen. Zij vertelden hem aan welk een goeden meester het behoorde en dat hij er zeker van kon zijn, als hij maar wilde wachten, dat ook hij in dienst genomen en goed verzorgd zou worden. De wolf, hoe hongerig hij ook was, meende, dat ’t het best was hun raad op te volgen en hij ging bij hen in het gras liggen, totdat hun meester uit het bosch kwam.

Gij kunt u voorstellen, hoe verbaasd de jonge edelman was, toen hij een afschuwelijken, grooten wolf bij zijn paard zag liggen!

Maar toen de vos hem het geval had verklaard, stemde hij er in toe den wolf ook in zijn dienst te nemen. Zoo gebeurde het, dat hij dien dag naar huis reed, gevolgd door den hond, den vos, den beer en den wolf. Daar zij allen hongerig waren, was het hert, dat hij geschoten had, niet te veel voor het avondeten van dien avond en het ontbijt voor den volgenden morgen. Niet veel dagen later voegde zich een muis bij het gezelschap en daarna verzocht een mol zoo nederig om opgenomen te worden, dat de goede edelman het niet over zijn hart kon verkrijgen zijn verzoek af te slaan. Eindelijk kwam ook de groote vogel, de Kumrekusha—een vogel, die zoo sterk is, dat hij in zijn klauwen een paard met zijn ruiter kan dragen! Spoedig daarop voegde een haas zich bij het gezelschap. De edelman droeg groote zorg voor zijn dieren en voedde ze geregeld en goed, zoodat zij allen buitengewoon veel van hem hielden.

De raad der dieren.

Op zekeren dag zei de vos tegen den beer: “Mijn beste Bruintje, ga alsjeblieft naar het bosch en haal mij een mooi groot blok, waarop ik plaats kan nemen, terwijl [305]ik de zeer gewichtige vergadering presideer, die wij zullen houden.

Bruin, die een grooten eerbied koesterde voor het scherpe vernuft en het goede beleid van den vos, ging er dadelijk op uit om een blok te zoeken en kwam spoedig met een heel zwaar terug, waarmede de vos zich zeer ingenomen betoonde. Daarna riep hij al de dieren om zich heen en na op het blok hout te zijn geklommen, sprak hij hen aldus aan:

“Gij allen, mijn vrienden, weet welk een goeden, vriendelijken meester wij hebben. Maar hij is niet alleen heel vriendelijk, hij is ook zeer eenzaam. Ik stel dus voor, dat wij een geschikte vrouw voor hem gaan zoeken.”

De vergadering was blijkbaar zeer ingenomen met dit denkbeeld en antwoordde eenstemmig: “Dit zou werkelijk heel goed zijn, indien wij slechts een meisje kenden, waardig de vrouw van onzen heer te zijn; maar dat is niet het geval.”

Toen sprak de vos: “Ik weet, dat de koning een zeer mooie dochter heeft, en ik vind haar zoo geschikt voor onzen heer, dat ik voorstel haar te nemen. Verder stel ik voor, dat onze vriend de Kumrekusha dadelijk naar het paleis van den koning vliegt, en daarboven blijft zweven, totdat de prinses naar buiten komt om te wandelen. Daar de Kumrekusha blij was iets voor zijn goeden meester te kunnen doen, vloog hij onmiddellijk weg zonder zelfs de beslissing af te wachten, die de vergadering over het voorstel zou nemen.

Juist voordat de avond inviel, kwam de prinses naar buiten om voor het paleis van haar vader te wandelen, waarop de groote vogel haar greep en zacht op zijn groote, uitgespreide vleugels zette en zoo bracht hij haar vlug naar het kasteel van den jongen edelman.

De koning was buitengewoon bedroefd, toen hij hoorde, dat zijn dochter was weggevoerd; hij liet overal proclamaties voorlezen, waarin groote belooningen werden beloofd [306]aan ieder, die haar terug zou brengen of zelfs maar de mededeeling deed, waar men haar zou kunnen vinden. Langen tijd waren al zijn beloften vergeefsch; want niemand in het geheele rijk wist iets van het verblijf van de prinses.

Maar eindelijk, toen de koning er reeds aan wanhoopte, of hij haar ooit terug zou zien, kwam een oude zigeunervrouw naar het paleis en vroeg aan den koning: “Wat zult u mij geven, als ik uw dochter, de prinses, terugbreng?”

De koning antwoordde snel: “Ik zal u graag alles geven, wat gij vraagt, indien gij mijn dochter maar terugbrengt!”

De oude zigeunervrouw ging terug naar haar hut in het bosch en beproefde alle tooverkunsten om uit te vinden, waar de prinses was. Eindelijk ontdekte zij, dat de prinses in een oud kasteel woonde, in een ver afgelegen land, met een jongen edelman, die haar getrouwd had.

Het toovertapijt.

De zigeunervrouw was zeer verheugd, toen zij dit wist en, nadat zij een zweep in haar hand had genomen, ging zij dadelijk midden op een klein tapijt zitten en sloeg er met haar zweep op. Toen verhief het tapijt zich van den grond en droeg haar snel door de lucht naar het verre land, waar de jonge edelman in een eenzaam, oud kasteel met zijn mooie vrouw en zijn trouw gezelschap van dieren leefde.

Toen de zigeuner vrouw bij het kasteel kwam, liet zij het tapijt neerdalen op het gras onder de boomen; zij liet het daar liggen en ging rond om te zien, of zij de prinses op haar wandeling in het park ook zou kunnen ontmoeten.

Weldra kwam de schoone vrouw uit het kasteel en dadelijk liep de oude, leelijke vrouw op haar toe, begon haar te vleien en allerhande vreemde verhalen te doen. Ja, zij was zoo’n goede vertelster, dat de prinses al lang moe van het wandelen was, voordat zij vermoeid was van het luisteren. Toen zij het zachte tapijt dus op het groene gras zag liggen, zette zij er zich op neer om wat te rusten. Zoodra zij plaats had genomen, ging de sluwe, oude zigeunervrouw [307]naast haar zitten: en nadat zij naar zweep had gegrepen, sloeg zij er verwoed mede op het tapijt. Het volgend oogenblik bemerkte de prinses, dat zij op het tapijt werd weggedragen van het kasteel van haar echtgenoot en na korten tijd liet de vrouw haar neerdalen in den tuin van het koninklijk paleis.

Gij kunt u gemakkelijk indenken, hoe blij de koning was, toen hij zijn geliefde dochter terug zag en hoe edelmoedig hij de oude zigeunervrouw behandelde; hij gaf haar zelfs meer dan zij vroeg. Van nu af aan liet de koning de prinses in een afgezonderden toren wonen. Slechts twee kameniers mochten haar gezelschap houden, zoo bevreesd was hij, dat zij hem weer ontstolen zou worden.

Ondertusschen riep de vos, die zag, hoe rampzalig en neerslachtig zijn jonge meester er uitzag, nadat zijn vrouw op onverklaarbare wijze ontvoerd was en nadat hij gehoord had, welke voorzorgsmaatregelen de koning genomen had, om te voorkomen, dat de prinses weer weggevoerd zou worden, nog eens de dieren samen tot een algemeene beraadslaging.

Toen allen vereenigd waren, sprak de vos hen aldus aan: “Gij allen, mijn vrienden, weet, hoe gelukkig onze vriendelijke heer getrouwd was; maar gij weet ook, dat zijn vrouw hem ontstolen is en dat hij er nu veel erger aan toe is, dan hij was, voordat wij de prinses voor hem vonden.

Toen was hij eenzaam; nu is hij meer dan eenzaam—hij voelt zich verlaten! Zoo staat de zaak en daarom is het onze plicht, die van zijn getrouwe dienaren, om haar op de een of andere manier naar hem terug te voeren. Maar gemakkelijk zal dat niet gaan, daar de koning zijn dochter voor alle zekerheid in een sterken toren gevangen houdt. Ik wanhoop echter niet; luistert naar mijn plan; ik zal mij in een mooie kat veranderen en gaan spelen in den tuin van het paleis onder de ramen van den toren, die door de prinses wordt bewoond. Ik durf wedden, dat [308]zij zal verlangen mij te bezitten, zoodra zij mij ziet en zij zal haar kameniers naar beneden zenden om mij te vangen en bij haar te brengen. Maar ik zal er wel voor oppassen, dat de kameniers mij niet vangen, zoodat de prinses eindelijk de bevelen van haar vader om den toren niet te verlaten zal vergeten en zelf in den tuin zal komen, om te zien, of zij zelf niet meer succes heeft. Ik zal doen, of ik mij laat vangen, en op dat oogenblik moet onze vriend de Kumrekusha, die in de omgeving van het paleis blijft zweven, snel naar beneden schieten, de prinses grijpen en evenals den vorigen keer wegvoeren. Op deze wijze hoop ik, beste vrienden, dat wij in staat zullen zijn onzen goeden meester zijn vrouw terug te geven. Keurt gij mijn plan goed?”

De vergadering was natuurlijk maar al te blij zulk een wijs raadgever te hebben, die hen in staat stelde hun dankbaarheid te toonen aan hun heer. De Kumrekusha nam den vos onder zijn vleugels en vloog met hem weg; beiden waren even verlangend het plan uit te voeren en den ouden, opgeruimden trek weer terug te brengen op het gelaat van hun heer.

Toen de Kumrekusha bij den toren kwam, waarin de prinses woonde, zette hij den vos stilletjes neer onder de boomen, waar deze dadelijk in een mooie kat veranderde, die allerhande bevallige sprongen maakte onder het raam, waarvoor de prinses zat. Het vel van de kat was in de meest verschillende tinten gekleurd en het duurde niet lang, of de prinses merkte haar op en zond haar beide vrouwen naar beneden om haar te vangen en bij zich te brengen in den toren.

De twee kameniers kwamen in den tuin en riepen: “poesje, poesje!” met haar liefste stem; zij hielden haar brood en melk voor, maar boden het tevergeefs aan. De kat sprong vroolijk den tuin rond en wilde zich niet laten vangen.

Eindelijk werd de prinses, die er voor haar raam naar had staan kijken, ongeduldig. Zij ging zelf naar beneden [309]den tuin in en zei bestraffend: “Ge maakt de kat bang; laat mij eens beproeven haar te vangen!” Toen zij de kat naderde, die zich nu gewillig scheen te laten pakken, daalde de Kumrekusha snel neer, greep de prinses bij het middel en droeg haar hoog in de lucht.

De verschrikte kameniers liepen naar den koning om hem te vertellen, wat er met de prinses was gebeurd; waarop de koning onmiddellijk al zijn hazewinden losliet om de kat te grijpen, die de oorzaak was geweest, dat de prinses ten tweede male werd weggevoerd. De honden volgden de kat kort op de hielen en waren op het punt haar te vangen, toen zij nog juist bijtijds een hol zag met een heel nauwe opening, dat een goede schuilplaats bood. Wel beproefden de honden haar te volgen en zij verwijdden de opening met hun pooten, maar alles was vergeefsch; na geruimen tijd verwoed te hebben geblaft, werden zij eindelijk moe en slopen beschaamd terug naar de stallen van den koning.

Toen al de hazewinden uit het gezicht waren, veranderde de kat zich weer in een vos, en rende rechtstreeks naar het kasteel, waar hij zijn jongen meester in de gelukkigste stemming aantrof, want de Kumrekusha had zijn mooie vrouw reeds teruggebracht.

De koning verklaart den oorlog aan de dieren.

De koning was buitengewoon boos, toen hij bemerkte, dat hij zijn dochter weer verloren had en wat vooral zijn woede opwekte, dat was het feit, dat zulke armzalige dieren als een vogel en een kat er ondanks al zijn voorzorgen in geslaagd waren haar weg te voeren. In zijn groote woede besloot hij dus een algemeenen oorlog aan de dieren te verklaren en hen geheel uit te roeien. Voor dit doel verzamelde hij een groot leger, en besloot het zelf aan te voeren. De plannen van den koning waren weldra door het geheele koninkrijk bekend. En ’t was naar aanleiding hiervan, dat de vos voor den derden keer [310]al zijn vrienden bijeen riep—den beer, den wolf, den Kumrekusha, de muis, den mol en den haas—voor een groote vergadering.

Toen allen verzameld waren, sprak de vos hen aldus aan: “Mijn vrienden, de koning heeft ons den oorlog verklaard, en is van plan ons geheel uit te roeien. Het is nu onze plicht ons te verdedigen zoo goed als wij kunnen. Laat elk onzer zien, hoeveel dieren hij in staat is aan te monsteren. Hoeveel van uw broeders, beeroom, denkt gij te kunnen aanwerven om ons te helpen?”

De beer ging zoo snel hij kon op zijn achterpooten staan en riep uit: “Ik ben er zeker van er honderd te kunnen verzamelen.”

“En hoeveel van uw vrienden kunt gij bijeenbrengen, mijn goede wolf?” vroeg de vos nieuwsgierig.

“Ik kan op zijn minst vijfhonderd wolven meebrengen,” zei de wolf met een air van gewicht.

De vos knikte zeer voldaan, en vervolgde: “En wat kunt gij voor ons doen, beste meester haas?”

“Wel ik denk er ongeveer achthonderd te kunnen brengen,” zei de haas voorzichtig.

“En wat kunt gij doen, mijn lieve kleine muis?”

“O, ik breng zeker drieduizend muizen mee.”

“Dat is werkelijk heel goed!—En gij mijnheer mol?”

“Ik ben er zeker van er achtduizend te kunnen verzamelen.”

“En hoe groot is het aantal dat gij denkt te kunnen brengen, mijn groote vriend Kumrekusha?”

“Ik vrees niet meer dan twee of driehonderd op zijn hoogst,” zei de Kumrekusha treurig.

“Heel goed; gaat nu allen dadelijk uw vrienden verzamelen; indien gij er zooveel hebt bijeengebracht, als maar mogelijk is, zullen wij kunnen besluiten, hoe wij moeten handelen,” zei de vos; waarna de vergadering werd gesloten en de dieren zich in verschillende richtingen door het woud verspreidden. [311]

Niet lang daarna werden ongewone geluiden gehoord in de nabijheid van het kasteel. De boomen schudden geweldig, en het gebrom der beren, en het korte, scherpe geblaf der wolven verbrak de gewone rust van het bosch. Het leger der dieren trok van alle kanten op de aangegeven plaats samen. Toen allen verzameld waren, gaf de vos in de volgende woorden een uiteenzetting van de plannen: “Als het leger van den koning den eersten nacht na den grooten opmarsch halt houdt om te rusten, dan moet gij, beren en wolven, u gereed houden om de paarden te dooden. Indien het leger desondanks toch verder gaat, dan moet gij, muizen, gereed zijn al de zadelriemen en gordels door te bijten, als de soldaten den tweeden nacht rusten, en gij, hazen, moet de koorden doorknagen waaraan de mannen het kanon voorttrekken. Indien de koning den tocht toch voortzet, moet gij, mollen, gedurende den derden nacht de aarde uitgraven onder den weg, dien zij den volgenden dag zullen nemen—en een greppel maken volle vijftien meter breed en twintig meter diep, rondom het kamp. Als het leger den volgenden morgen over den grond marcheert, die ondergraven is, moet gij, Kumrekusha’s zware steenen neer werpen, terwijl de aarde onder hun voeten bezwijkt.”

Het plan werd goedgekeurd en alle dieren gingen vlug heen, om de hun aangewezen taak uit te voeren.

Toen het leger van den koning ontwaakte na den eersten nacht van rust op den grooten marsch, merkten de soldaten tot hun groote ontsteltenis, dat al de paarden gedood waren. Dit treurige nieuws werd dadelijk aan den koning gemeld; maar hij zond eenvoudig om nieuwe paarden—en toen deze laat op den dag kwamen, vervolgden zij hun weg.

Den tweeden nacht kropen de muizen stilletjes het kamp binnen en knabbelden ijverig aan de zadels en aan de gordels der soldaten, terwijl de hazen even vlijtig knaagden aan de koorden, waaraan de manschappen het kanon voorttrokken. [312]

Den volgenden morgen waren de soldaten hevig verschrikt, toen zij zagen, welk onheil de dieren hadden aangericht. Maar de koning kalmeerde hen en zond een boodschap naar de stad om nieuwe zadels en gordels. Toen die eindelijk gebracht waren, vervolgde hij vastbesloten zijn marsch, bezield met nog meer haat tegen deze aanmatigende en verachtelijke vijanden.

Den derden nacht, terwijl de soldaten sliepen, groeven de mollen onafgebroken door, teneinde een onderaardsche gracht te graven. Omstreeks middernacht liet de vos de beren aanrukken om de mollen te helpen en de ladingen zand weg te dragen.

Den volgenden morgen waren de soldaten opgetogen, toen zij merkten, dat er dien nacht geen nieuwe onheilen gesticht schenen en zij begaven zich met nieuwen moed op reis. Maar aan hun marsch kwam spoedig een einde, want weldra zakten de ruiters en de artillerie door den hollen bodem en toen de koning dit merkte, zei hij: “Laat ons terugkeeren. Ik zie, dat God zelf tegen ons is in dezen oorlog, die wij aan de dieren hebben verklaard. Ik geef alle pogingen op om mij over mijn dochter te wreken.”

Toen keerde het leger terug onder het gejuich der soldaten, maar de manschappen bemerkten tot hun groote verbazing en vrees, dat zij, onverschillig welke richting zij ook insloegen, steeds door den grond zakten. Om hun ontsteltenis nog grooter te maken lieten de kumrekusha’s nu zware steenen op hen neervallen, die hen geheel verpletterden. Op deze manier kwam de koning met zijn heele leger om.

Heel spoedig daarna ging de jonge edelman, die de dochter van den koning had getrouwd, naar de hoofdstad van den vijand, en nam bezit van het paleis van den koning; hij nam al zijn dieren mee; en daar leefden zij allen lang en gelukkig met elkaar. [313]