WeRead Powered by ReaderPub
Heldensagen en Legenden van de Serviërs cover

Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 65: De Moor in Istamboel.
Open in WeRead

About This Book

This collection assembles epic poems, ballads, and folktales drawn from an oral national tradition, opening with historical and cultural background and chapters on beliefs and customs. It presents long heroic narratives about legendary princes and leaders, a set of popular ballads, and numerous shorter folk tales that feature supernatural beings, tests of virtue, marriage motifs, animal helpers, trickery, and moral lessons. The volume also offers explanatory notes, a glossary, anecdotes, and colored illustrations that accompany many selections, providing both storytelling variety and ethnographic context.

[Inhoud]

De Moor in Istamboel.

Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting, de stad binnentrokken.

De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels, die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht de Moor:

“Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten, zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn, anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk wezen ik ben.” De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten voor het paleis door.

Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde, merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn. [82]