[Inhoud]

De Moor in Istamboel.

Op dat zelfde oogenblik, terwijl zij nog spraken, kon Marko het geraas hooren, waarmee de Moorsche hoofdman en zijn zwarte volgelingen, op zijn minst vijfhonderd in aantal en allen in glinsterende wapenrusting, de stad binnentrokken.

De Moor had zijn Bedevia aangezet en deze draafde zoo vurig, dat de steenen, die zij met haar hoeven opwierp, in alle richtingen door de lucht suisden en ramen en deuren verbrijzelden van al de winkels, die zij voorbijging. Toen de cavalcade voor het logement kwam, dacht de Moor:

“Bij Allah! Ik ben getroffen van verbazing en verwondering! De vensters en deuren van alle winkels in de geheele stad Istamboel zijn gesloten, zoo bevreesd is het volk voor mij, maar als ik goed zie, zijn de deuren van dit logement nog open. Er moet stellig niemand in zijn, anders is hij, die er verblijf houdt, een groote dwaas; het kan ook zijn, dat hij een vreemdeling is, en niet weet, welk een vreeselijk wezen ik ben.” De Moor en zijn gevolg brachten dien nacht in tenten voor het paleis door.

Den volgenden dag gaf de Sultan zijn dochter aan den Moorschen hoofdman met al de huwelijksgeschenken, die twaalf tovars wogen. Toen de huwelijksstoet het logement voorbijging, waar Marko vertoefde, merkte de Moor weer de geopende deur op, en dezen keer stuurde hij er Bedevia recht op af, om te zien, wie daar toch kon zijn. [82]