DERDE HOOFDSTUK.
DE DORPEN, GEHUCHTEN EN BUURTSCHAPPEN OP TEXEL.
1. Het Oude Schild of Schil.
Dit dorp ligt aan de Oostkust van het eiland, op ongeveer ¾ uur afstand van de hoofdplaats Den Burg.
De naam wordt op verschillende wijzen geschreven, n. l. Schild of Schil. Welke van deze twee de ware zij, valt niet gemakkelijk te bepalen. Hoogst waarschijnlijk zal het wel dien van Schil zijn, van wege de groote menigte van onderscheidene soorten van kleine schelpvisch, welke de zee in eene hier liggende kreek aanspoelt, en alhier den naam van Schil draagt. De officiëele naam echter is Oude Schild. Deze plaats is zijn ontstaan en bloei verschuldigd aan de, bij den aanvang der 17e eeuw, sterk toenemende scheepvaart. Te dien tijde, kwamen de grootste koopvaardij- en oorlogschepen geregeld voor deze plaats ten anker, voorzagen er zich doorgaans van levensmiddelen en andere behoeften, en verspreidden er langs dien weg veel leven en welvaart. Van daar dan ook, dat het Oude Schild toenmaals de verblijfplaats was van de zoogenaamde slik- of binnenloodsen, welke de schepen van de reede over de Zuiderzee naar Amsterdam moesten loodsen. Die bloei duurde tot het begin dezer eeuw, toen de haven van het Nieuwe-Diep van meerdere beteekenis, en, door den aanleg van groote en zeer doelmatig ingerigte rijkswerven, in korten tijd verbazend uitgebreid werd. Hierbij kwam kort daarna de openstelling van het groot Noord-Hollandsch Kanaal, hetwelk van toen af eene regtstreeksche gemeenschap tusschen Amsterdam en de Noordzee daarstelde. De naar en van de hoofdstad bevrachte zeeschepen, welke zich vroeger hadden moeten vergenoegen met de zeer gevaarlijke legplaats ter reede van Het Oude Schild, verkozen nu de veilige haven van het Nieuwe-Diep. De daarop gevolgde organisatie van het loodswezen, in 1835, bragt mede zeer veel toe tot het verval dezer plaats. Deze toch had ten gevolge, dat een aanzienlijk gedeelte der bevolking naar elders, inzonderheid naar het Nieuwe-Diep, verhuisde, zoodat het Oude Schild op 1 Januarij 1855 slechts 853 inwoners telde, tegen 15 à 1600 in 1828.
De aanzienlijkste woningen zijn gesloopt, terwijl met de zeevaart, de meeste en grootste hulpbronnen van bestaan in het niet zijn geraakt.—
Welligt, dat thans door den even bekwamen als ijvervollen onderwijzer, T. R. Zwaal, welke hier eene school voor de zeevaartkunde heeft opgerigt, den grond wordt gelegd voor hernieuwden bloei. Sedert de oprigting daarvan, hebben 120 personen van dat onderwijs gebruik gemaakt, van welke thans reeds 6 den rang van scheepsgezagvoerder hebben verkregen, en 66 dien van stuurman.
De bloei dezer school neemt jaarlijks toe. Het tegenwoordig getal leerlingen bedraagt 20, waarvan 14 uit de gemeente en 6 van elders.—Het nut dezer school voor deze gemeente is zeer groot, en de pogingen van den Heer Zwaal, hebben alle aanspraak op eene eervolle vermelding en krachtige aanmoediging.
De Hervormde Gemeente telt hier ruim 500 zielen, waar onder ongeveer 300 ledematen. Antonius Dambrugge of Danburg was hier de eerste leeraar. Hij kwam hier in 1650 en overleed den 11 Junij 1681.—De niet groote Hervormde kerk werd omstreeks het midden der 17e eeuw gebouwd. Zij heeft aan de eene zijde een kruiswerk, en prijkt met een’ houten toren. Zij bezit geen orgel.
Volgens eene volksoverlevering werden aan deze kerk twee lichtkroonen vereerd door de Admiralen Tromp en De Ruiter. Men vindt er althans de wapens op van beide genoemde Vlootvoogden, benevens de jaartallen 1677 en 1678.—De bewijzen voor de waarheid dezer overlevering, schijnen te hebben bestaan; doch zijn in de archieven der kerk niet te vinden.
Sedert 1835 bezit Het Oude Schild een eigen R. K. kerk en Pastoor, welke eerste eigenlijk eene uitbreiding is van de reeds voor vele jaren alhier bestaan hebbende kapel. Deze kerk is toegewijd aan Onze Lieve Vrouw en den H. Martinus. De R. K. gemeente telt hier ruim 240 zielen, waaronder 150 communikanten.—
In het logement de Zeven Provinciën, wijst men den vreemdeling nog de zoogenaamde de Ruiters kamer aan, waarin de zeeheld M. A. de Ruiter meermalen overnacht heeft.—Niet ver van daar is het Distributie kantoor der brievenposterij voor het gansche eiland geplaatst.—
De stoomboot, welke een regtstreeks verkeer daarstelt tusschen Texel, het Nieuwe Diep en Harlingen, en tevens belast is met de posterij, waarvoor vroeger twee postschuiten gebezigd werden, heeft in de haven van Het Oude Schild, hare gewone landing- en afvaartplaats.—Deze haven ligt ten Oosten van het Dorp, en werd in 1778, op eene vlakte van ruim twee bunders aangelegd, ten gebruike van het weleer te Oude Schild te huis behoorende aanzienlijk getal loodsbooten en andere vaartuigen, behalve nog voor vele kleine koopvaardijschepen, die hier in hunnen zoogenaamden winterlaag liggen. Als verkenningsteeken brandt op het oostelijkste havenhoofd een lampvuur. In 1836 vorderde deze haven eene nieuwe uitdieping, aangezien deze ligplaats, vooral door de toenmaals meer en meer toenemende panharingvisscherij, en het debiet daarvan, meer van algemeen belang was geworden.—Diensvolgens werd in genoemd jaar eene Rijksen Provinciale subsidie verleend van ongeveer ƒ 8000, waardoor de voorgenomene uitdieping werd tot stand gebragt.—Dan, alles door de groote verplaatsing der loodsen naar het Nieuwe Diep veranderd zijnde, en deze haven, door hare thans overtollige ruimte, een al te kostbaar onderhoud vereischende, heeft men in 1844 de oppervlakte, door het leggen van eenen wierdam, teruggebragt op 1⅕ bunder.
De openbare school, welke onder de leiding van bovengenoemden Heer Zwaal staat, wordt gemiddeld door 120 kinderen bezocht. Op geringen afstand, zuidwestelijk van het Oude Schild, ligt het fort de Oude Schans. Hetzelve werd in 1572 aangelegd, en in 1812, op den last van Napoleon I, in zijnen tegenwoordigen toestand gebragt. Het heeft eene onregelmatige vijfhoekige gedaante, is voorzien van aarden wallen, omringd door eene gracht, en heeft, naar de zijde van het hooge terrein, een ravelijn met gracht, benevens eenen bedekten weg en eene voorgracht, en is voor het overige door kadijken, met voorliggende uitwaterings-slooten, in den zeedijk ingesloten. Dit fort bezit twee toegangen, eene steenen kazerne voor honderd manschappen, met een paviljoen voor officieren, benevens een gemetseld, doch niet bomvrij kruidmagazijn, geschikt tot berging van 3000 ℔ kruid, twee ruime regenbakken en twee zuivere welputten.—Even buiten deze sterkte, vindt men in den zeedijk eene inundatiesluis, zijnde een gemetselde duiker, tot lozing van het water der grachten in de zee, en twee gemetselde duikers, in de Oost- en Westkadijken, tot ontlasting van het landswater in de grachten.—Met dit verdedigingspunt staan in verband eene redoute en eene lunette, beide beneden den zeedijk. De eerste, aangelegd in 1811 en 1812, 900 ellen ten westen van het fort, bestaat uit een gesloten en ongeflankeerden vijfhoek; de lunette ligt ongeveer 700 passen oostwaarts van het fort, is ook ongeflankeerd en open in de keel. Genoemde werken zijn opgeworpen van aarde, zonder gebouwen, en omringd door grachten.—Al deze werken vormen te zamen eene versterkte legerplaats of kamp, oorspronkelijk strekkende, zoowel tot het beletten eener landing,—waartoe ook nog eene batterij heeft bestaan, westwaarts van de redoute op den Hoornschen Zeedijk, het Horntje geheeten,—als ook ter bestrijking van de reede.
Het geheel ondiep worden van het daar langs strekkende vaarwater, heeft nogthans het gewigt dezer positie doen ophouden. Tegenwoordig is er dan ook nog slechts eene kleine barak, welke door een’ oppasser bewaakt wordt.
Tien minuten gaans ten noorden van het Oude Schild, 1000 el regts van het Schilpad, dat den wandelaar naar den Burg leidt, vindt men de zoogenaamde Weezenwaterputten, bestaande uit eene wel, welke aan den voet van eenen uitgestrekten heuvel ligt, en altoos milden voorraad geeft van zeer helder en zoet drinkwater. Sedert 1600 voorzagen zich al onze oorlog- en koopvaardijschepen, voor de uitreize, van dit water, waardoor het Algemeen Weeshuis van Texel, als eigenaar, een ruim inkomen genoot. Sedert de verlegging van de scheepvaart naar het Nieuwe Diep, heeft deze water-proviandering grootendeels opgehouden, en het is te voorzien, dat zulks eerlang geheel zal ophouden.
Links van deze putten, ligt de buitenplaats Brakenstein met een fraai uitzigt. De heerenhuizing is tegenwoordig onbewoond. De hofstede wordt door eenen landman bewoond. Voor eenige jaren stond aan de andere zijde van het Schildpad, het buitengoed Rozenhout, dat in 1740 door den Heer Roozenboom werd aangelegd. Het is thans geamoveerd en vervangen door de hofstede de Weezenplaats, welke tot de bezittingen van het Weeshuis op Texel behoort.
Op nagenoeg ¼ uur ten westen van de voornoemde putten; en aan den tegenoverliggenden voet van denzelfden heuvel, is eene kolk van zoet water, reeds door zekeren Dirk Burger van Schoorl, in de Chronijk van Medemblik vermeld. Het is opmerkelijk, dat deze kolk, zelfs bij de langdurigste droogte, niet vermindert, noch bij de aanhoudendste regen vermeerdert.
De Hooge berg of heuvel, welke men tusschen Het Oude Schild en den Burg vindt, had voor 1481 eene aanzienlijker hoogte. In gemeld jaar werd hij meer gelijk gemaakt en tot een kerkhof aangelegd, waarop, volgens sommigen, eene kapel werd gebouwd, welke den 1sten November des jaars 1482 aan St. Catharina werd toegewijd. Sedert twee en een halve eeuw is die kapel niet meer in wezen.—In het laatste gedeelte der voorgaande eeuw, zijn daar ter plaatse twee koperen kerkkandelaars gevonden, welke in een daarliggend dijkje verscholen waren.—Van den top dezer hoogte, heeft men het fraaiste gezigt over het geheele eiland. Vroeger lagen er op deze hoogte een paar boerengehuchten, waarvan thans echter niet meer dan een paar woningen overig zijn. Ter plaatse waar men in Het Oude Schild, het binnenpad (het Schildpad) inslaat, dat naar den Burg strekt, ligt eene kleine buurt, de Jeneverbuurt geheeten; van waar deze naam zijnen oorsprong ontleent, heb ik niet kunnen gewaar worden. Welligt dat hier eenige herbergen hebben gestaan, waarin de manschappen, welke hier voor de schepen water kwamen halen, zich van verversching hebben voorzien.—
2. De Burg of Burgt.
De Burg of Burgt, de voornaamste plaats op het Eiland Texel, was, blijkens privilegie van 26 Maart 1414, reeds voor eeuwen, de hoofdplaats van het eiland.—
De stichter van dezen Burg was, zoo men wil, de Romeinsche Veldheer Drusus, waarvan het bewijs nog aanwezig is, zoo in den naam der plaats zelven, als in de grafheuvels en andere oudheden, welken, in deze streken gevonden, van het verblijf der Romeinen in dezen omtrek getuigen.
In vroegeren tijd, schijnt de Burg omgeven te zijn geweest met wallen, schansen en poorten, een en ander ingesloten door eene breede gracht, van welke thans nog eene ondiepe, den Binnenburg gedeeltelijk omringende sloot, is overgebleven.1
De kom van het tegenwoordige dorp De Burg, waarbij men twee korenmolens en eene pelmolen, en waarin men twee grutterijen heeft, telt thans 272 huizen, bewoond door 1359 zielen, terwijl daarenboven nog ruim 50 boerenplaatsen met ongeveer 260 bewoners, tot zijn gebied behooren.—
De ligging van dit dorp, ten Noorden op 4, ten Westen op 2 uren, en ten Oosten en Zuiden op 1 uur afstand van de zee verwijderd, is aan alle zijden regt bevallig te noemen, en inzonderheid is het voorkomen van Den Burg, aan den kant van het Schild-pad, allezins fraai, aangezien de smaakvolle woningen bevallig onder het lommer van hoogopgaand geboomte verscholen liggen. Het dorp is regelmatig aangelegd, bijna in den vorm van eenen cirkel, waarvan de kerk der Hervormden het middelpunt uitmaakt. Dit gebouw, op het hoogste gedeelte van Den Burg gelegen, is, ofschoon reeds zeer oud, echter nog zeer hecht en van zwaar metselwerk voorzien. Het heeft een koor waarvan, volgens eene aanteekening, in 1470 de eerste grondslagen gelegd werden, en dat omstreeks 1481 volbouwd werd. In 1539 viel de spits van den toren in, die eerst in 1604 van steen weder werd opgetrokken. Het geheele gebouw is, binnenwerks, lang 34.25 Ned. ellen, en heeft bij eene breedte van 18, eene hoogte van 21 ellen.—Haar inwendig gedeelte prijkt met eenen fraai bewerkten predikstoel en een schoon, welluidend orgel.—Vroeger hingen er vele wapenborden in van het oude geslacht der Neijenburgen, terwijl de daaraangebragte versierselen betrekking hadden op zeeofficieren, die in de zeeslagen van 1666, en daaraanvolgende jaren, gesneuveld, en hier begraven zijn.—Naast den predikstoel hangt een bord, waarop het volgende geschreven staat:
Dit Bort
is aan deese kerk verëerd tot een gedagtenis aan
Lijsbet de Bruijn, vroedvrouw, overleden alhier MICↃCCI.
Hier rust zij die 27 jaar
Haar dienst nam trouwelijk hier waar
En drie jaar buiten, tot God Haar door de dood.
Tot droefheid van mans en vrouwen, weer ’t huis ontboot.
Lijsbeth Jans heeft gehaald 1765 kinderen.
terwijl op eene zerk dit zonderlinge grafschrift staat uitgehouwen:
Wie dat A. H. D. dit graf beschouwt, en denkt op de uitverkooren, wat dat dit voorbeeld is, dat niemand kan ontgaan, de geessel van Gods roe deed ons van D’ dood ontslaan, doen Christus voor ons leed door Dirk van Hagendoorn.
De kerk vroeger zonder zoldering of verwulf, werd in 1851 van een houten plafond voorzien. De toren heeft, met de spits, eene hoogte van ruim 37 ellen. Van den omgang heeft men een zeer schoon gezigt over het geheele eiland.—Volgens een oud handschrift, was de kerk vóór de Hervorming gewijd aan den H. Johannes den Dooper, doch volgens eene andere oorkonde, welke meer met de waarheid schijnt overeen te komen, en afkomstig is van den 60e Bisschop van Utrecht, Georgius van Egmond, wordt gezegd, dat zij op den naam van Paus Sixtus is ingewijd. In later tijd, en bepaaldelijk ten tijde van Filips den Goede, Hertog van Bourgondië, is zij met Onze Lieve Vrouwe Kapittel te ’s Gravenhage vereenigd. Er was een altaar in van St. Anna, en een St. Anna’s Gilde, alsmede een altaar van St. Jacobus, waaraan eene vikarij was verbonden, welke door de Graven van Holland begeven werd.—Gemelde vikarij was belast met twee missen per week, en bragt jaarlijks 16 rijnguldens op.—Deze kerk daarna, ter oorzake van bloedstorting, onder het interdict vervallen zijnde, werd daarvan, door de reeds genoemden Georgius van Egmond, bij eenen openen brief ontheven. In dezen brief gaf hij aan de hoofdlieden van St. Anna’s Gilde en van de kerk aan den Burg, verlof, om in die kerk de misse op eenen gewijden draagsteen te doen lezen.—
De Roomsch-gezinden, welke hier ruim 460 in getal zijn, maken, met die van de Koog en de Waal, eene gemeente uit. Zij bezitten hier eene zeer nette kerk, welke aan den H. Johannes den Dooper is toegewijd; staande aan de westzijde van het dorp. Het orgel is in 1840 vernieuwd.—
Vroeger stond op eenigen afstand van het dorp, op de eigenlijke hoogte van den zoogenoemden Hoogen berg, eene kapel, welke, naar men wil, tot het Klooster der Tempelieren behoord heeft.—Dit gevoelen wordt echter wederlegd door anderen, die de plaats van dat Klooster elders aanwijzen, namelijk in den polder Gerritsland. Deze kapel is later tot een woonhuis of herberg ingerigt, en diende tot een baken in de Zuiderzee. De tand des tijds heeft echter ook op dit gebouw zijnen vernielenden invloed zoo zeer uitgeoefend, dat daarvan in 1800 zelfs geen spoor meer overig was.
De Doopsgezinde gemeente, welke op Texel 450 leden telt, is vereenigd met die van Waal en Oostereind. Zij heeft hier eene ruime kerk; doch zonder orgel of toren.—
Het vroegere Raadhuis aan Den Burg, een ouderwetsch en zeer bekrompen gebouw, welks stichting van het jaar 1611 dagteekent, is in 1841 door een ander gebouw vervangen, dat als Raadhuis allezins doelmatig kan genoemd worden. Inzonderheid trekt de zoogenaamde Raadzaal de aandacht, zoowel door hare ruimte, als door hare smaakvolle versiering.—Men vindt in een der vertrekken twee levensgroote portretten van de Nederlandsche vlootvoogden De Ruiter en Tromp. In de nabijheid van het Raadhuis staat eene, sedert 1836 herbouwde, overdekte vischmarkt.—
In de nabijheid der Hervormde Kerk, in het Zuidoostelijk deel van het dorp, stond vroeger een Nonnenklooster, waarbij een kerkje, toegewijd aan de H. Agnes. Dit klooster, in 1572 door de bewoneressen verlaten zijnde, werd door Prins Willem I aan het eiland Texel afgestaan, om het tot een Algemeen Weeshuis in te rigten; waartoe het nog dient.—In de archieven van dat gesticht bevindt zich nog een geschrift, waarbij de overgifte van meergemeld gebouw beschreven staat, en tevens een naïf verhaal bevat van de rampspoedige reis der twee Texelsche burgemeesteren, in 1573 naar Delft, aan den Prins gecommitteerd, om het St. Agnieten Klooster, gelegen binnen Den Burg, tot een Weeshuis te verzoeken.
De bekwame en ijverige Archivarius Dr. P. Scheltema, maakt ook melding van dat stuk, in de Bijdragen voor Vaderl. Geschiedenis en Oudheidkunde, deel IX, alwaar wij het volgende lezen:
„Het Huis op het Eiland Texel, hetwelk eertijds gebouwd was door de Gravin van Holland, genaamd Vrouw Jacoba, plagt na haren dood bewoond te worden door den Schout van Texel. In het jaar, toen men schreef 1571, is er een groot oproer gerezen in den lande van Holland, te weten, tusschen de twee partijen die genoemd worden, de eene partij, de Papisten, en de andere, de Geuzen. Dit was ter oorzake van de religie.—De Geuzen hebben met vier en dertig oorlogschepen alhier in het Marsdiep gelegen, en zijn met hunne magt aan land gekomen. Zij hebben tegen die van den Burg gevochten, en de burgers moesten de vlugt nemen. Toen werd het voorzegde huis verbrand. Na dien tijd was er een officier, genaamd Jacob de Koning, van Haarlem, die in den Haag, aan de kamer van de rekeningen in Holland verzocht, om zijne woonplaats te mogen hebben, in het klooster aan den Burg, hetgeen hem bij provisie vergund werd. Wanneer de burgemeesteren van Texel dit vernamen, is daarop vergaderd het oude en nieuwe geregt, in den jare toen men schreef 1573. Eendragtelijk is besloten en geordonneerd, dat men de twee burgemeesteren zou committeren, om te trekken naar den Prins van Oranje, als toen zijnde Stadhouder van Holland, bij afwezigheid van den Graaf van Holland, Koning van Spanje, genaamd Philippus, den zoon van den Keizer Carolus Quintus, ten einde het voorzegde klooster te mogen verkrijgen tot een weeshuis, zoo ook de renten daarvan. Derhalve zijn de twee onderschreven mannen daartoe gecommitteerd.
Alstoen was er een groote oorlog in Holland, zoodat de eene stad tegen andere opstond, en het eene dorp tegen het andere, alzoo was in dien tijd de stad Haarlem vijandig tegen het eiland Texel.
De Haarlemmers hadden hunne vrijbuiters liggen bij Zandvoort, voor het duin. Deze voeren met kagen en schuiten op zee, om de schepen te nemen, die uit het Marsdiep naar de Maas voeren. Om deze vrijbuiters te vermijden, zijn de voorschreven mannen met een galjoot zoo verre van het strand afgevaren, dat wij slechts even de duinen boven het water mogten zien toppen.
Wanneer wij omtrent Zandvoort waren, zoo is er een Schip uit zee gekomen, naar ons toehoudende. Bij ons gekomen, bleek het een vrijbuiter te zijn.
„Op het Schip stond de kapitein met een slagzwaard, het zwaaijende met beide handen. Hij riep met luider stemme, dat wij onze zeilen zouden strijken, en liet met bassen en roeren door de zeilen en de schuit schieten, zoodat de laatste lek werd, en het water er door heen liep. Toen dacht hij ons te overzeilen. Een man uit ons schip riep: „Voor wien zullen wij strijken, voor den Prins van Oranje of voor den Duc d’Alba?” De kapitein antwoordde: „Ik weet van Prins, noch van Duc d’Alba, strijk!” In onze schuit was de vrouw des schrijvers van den graaf van der Marck; deze riep uit: „Schipper, strijk, want ik ben geschoten!” Ik, Hendrik Albertsz, zat ter zijde van die vrouw, en het water liep van het schieten tusschen ons beiden door de schuit.
Achter werd bij den man, die aan het roer stond, een stuk uit het boord geschoten. Wanneer de vrijbuiter ons zoo na kwam, riepen wij allen te gelijk: „Schipper, strijk!” en toen streek onze schipper het zeil. Daarop leiden zij bij ons aan boord en overvielen ons met rapieren in de hand en met rondassen voor de borst. Ons slaande, zeiden zij: „Fluks over in ons schip!” Allen moesten wij te gelijk over, niet wetende, in wiens handen wij waren. Ik Hendrik voorschreven, kreeg een’ slag met een rapier op mijn schouder, zoodat ik meende, mijn’ arm kwijt te wezen, doch tot mijn geluk had men mij met het plat geslagen. Toen waren wij al te zamen gevangen. Wij waren vier of vijfentwintig personen sterk, en moesten allen in het vooronder van het oorlogschip. Bij het overklimmen viel er een man over boord, het was een brievendrager van des Prinsen broeder, graaf Lodewijk, die met brieven uit Duitschland van Nassau kwam. Als wij hen gebeden hadden, dat zij hem bergen zouden, kregen zij hem vast aan een touwtje, waarmede hij opgehaald werd, maar zijne brieven wierpen zij in zee. „Daarover moet God zich erbarmen,” zeide de bode, „daar hangen landen en luiden aan!” De voorzegde schrijversvrouw gevraagd zijnde, of zij gekwetst was, antwoordde: „Ik ben geschoten door mijne kleederen, doch niet gekwetst.” Terwijl wij nu als gevangen waren in het donker van het schip, zoo kwam er door een luikje, hetwelk zoo groot was, dat er juist eene hand door kon, eene stem, zeggende: „Is er ook iemand van de gevangenen, die geld heeft, deze geve het aan mij, want ik ben een gevangen man, even als gij zijt; gij zult allen straks geplunderd worden. Ik ben een schipper uit Waterland, zij zijn met mijn schip weggezeild; en als gij mede geplunderd zijt, zal ik met ulieden aan land varen.” Maar niemand van ons gaf hem zijn geld, hem niet betrouwende, en denkende, dat hij een vrijbuiter was. Toen deed hij het luikje weder toe, en ging van ons weg. Kort daarop werd er een groot luik open gedaan, en men zeide tot ons: „Laat een van de gevangenen voorkomen!” doch elk vreesde om de eerste te zijn. Eindelijk ging er een van de voorsten, die geplunderd en doorzocht werd. Daarna moest er weder een ander komen, tot den laatsten toe. Niemand mogt iets behouden, dan de noodigste kleederen. Al wat los was, namen zij ons af, tot mantels, hoeden en linnen toe. Echter behielden wij tot ons geluk onze brieven, daar wij blijde over waren, wegens de zaken beroerende het klooster, hetwelk wij tot een weeshuis wilden verkrijgen, en nog meer andere brieven van ’s lands zaken. Toen wij geplunderd waren, moesten wij weder in de lekke schuit. Wij stopten de lekken zoo goed mogelijk, en maakten de schuit weder zeilreê. Zij lieten ons daarop drijven, zonder dat wij iets behouden hadden. De zeeroover kwam vervolgens nog eens naar ons toe zeilen. Wij hadden eenen man in onze schuit, die de kapitein van het schip kende. Hij zeide, dat het een Engelsche zeeroover was, kapitein Jonge Jan Grijsveld. Alzoo kwam dezelfde zeeroover met zijnen voorsteven naar de zijde van onze schuit zeilen, zoodat wij niet anders dachten, of hij zou ons overzeild hebben. Waarop wij overluid riepen; „Heer! in uwe handen bevelen wij onzen geest.” Toen met den steven bij onze schuit komende, leide hij zijn roer over en schampte van de schuit af, al stootende en rakende. De roovers zwaaiden met de hoeden, tot schimp en spot over hunnen geroofden buit, en wij bedankten hen, dat zij ons nog gegund hadden het leven te behouden. Daarna voeren zij van ons af. Vervolgens kwam er eene krabbeschuit uit de Maas, welke hij straks weder aan boord klampte, deze doende gelijk hij ons gedaan had. Later voer hij uit ons gezigt.
Voortzeilende zagen wij weder een oorlogschip en daarbij komende bevonden wij het een boeijer te zijn. Daarop stond weder een kapitein met een slagzwaard te schermen. Wij voeren naar hem toe, denkende, dat wij nu toch niet meer konden verliezen, dan alleen het leven. Het schip liet een vaandel waaijen, zijnde een prinsenvlag; het was dus van de vrienden. Het kwam uit de Maas. Wij vertelden aan den kapitein ons avontuur en ongeluk, hem verder wijzende den koers, dien de vrijbuiter genomen had.
Het oorlogschip ging terstond derwaarts, doch kreeg hem niet. Wanneer wij voortzeilden, zoo kwam er een zwaar onweder op van donder en bliksem, regen en wind. Daar de duistere nacht op handen was, moesten wij dus het naaste land of strand kiezen. Door en door nat van den zwaren regen en het overslaande zeewater, landden wij op eene onbekende plaats. Echter was er onder de manschappen een bode van Jonkheer Sonoij, die aan de duinen bemerkte, dat men niet verre van Ter Heide was, en zeide, dat aldaar eenige visschers-huisjes stonden, waarin wij den nacht konden doorbrengen. Voortloopende ontmoetten wij eenige visschers, verjaagd door de Spaansche soldaten. Zij waren ook door hen van alles beroofd, en vermogten alzoo niet ons te helpen, daar twee naakten elkander niet kunnen dekken. Wij zochten toen wat helm en rijs, maakten vuur, om ons te droogen en wat te warmen, tot het dag werd, en hielden wacht tegen de Spanjaarden.
’s Morgens gingen wij langs het strand naar Scheveningen. Daar komende, vonden wij er vele wachters, gesteld zijnde tegen de Spanjaarden. Bij onze aankomst werd er over onze manschap alarm in het dorp geroepen, doch wanneer wij naderbij gekomen waren, zonden die van Scheveningen twee mannen naar ons, en wij desgelijks twee naar hen. Zij vernamen toen, dat wij geene vijanden waren, maar vrienden. Wij vertelden hun onze passagie, zoo als die door ons bevorens gemeld is, en gingen toen verder naar den Haag, waar wij aan kennissen, welke wij aantroffen, geld ter leen vroegen; doch het werd ons afgeslagen. Van daar gaande naar Delft, vonden wij de Staten van Holland. Wij gingen bij den Secretaris van deze, Koenraad de Regteren, en verhaalden hem het voorgevallene. Hij heeft ons geleend twaalf guldens. Ook schreef hij ons een request, dat wij overgaven aan den Prins van Oranje, rakende het verzoek van het klooster, om het te hebben tot een weeshuis, hetgeen ons is vergund, blijkens de apostille en het octrooi, daartoe verkregen. Doch vermits de Prins te Dordrecht was, hebben wij hem zoo verre moeten volgen, keerende van daar weder naar Delft terug, tot het werk zijn volle beslag verkreeg. Ziende evenwel dat ons op nieuw geld ontbrak, zijn wij overeengekomen, dat Kemp Albertsz. naar huis zou gaan, om nog eenig geld te halen; terwijl ik nog twee of drie dagen te Delft moest vertoeven, om nader bescheid te bekomen; hetwelk klaar zijnde, zoude ik verder naar den Briel gaan. Later uit mijne herberg op de markt komende, ontmoette ik weder Kemp Albertsz. Als ik hem mijne verwondering daarover te kennen gaf, verklaarde hij mij, niet te kunnen vertrekken, wegens het ongestadige weder. Toen gingen wij te zamen naar den Briel. Als wij daar gekomen waren, was ons geldje verteerd op éénen stuiver na.
Wij gingen daarop de stad in, om, was het mogelijk, nog eenig geld te leenen, maar het werd ons weder geweigerd. Aldus ongetroost naar het Hoofd wandelende door het gladde slijk, moest ik een smal houten bruggetje over, waarvan ik door de gladdigheid afviel.
Naakt en koud, zonder geld of pand, waagde ik het evenwel in de herberg te gaan. Terwijl ik mij daar zat te droogen, kwam er een schip van Rotterdam aan, geladen met turf, waarvan de schipper een Texelaar was, wonende te Oosterend, genaamd St. Anna. Zeer waren wij verblijd, omdat hiermede voor ons ontzet kwam.
Wij voeren toen met hem naar Texel, hebbende in alles onzen wensch verkregen. Nooit zal God de zijnen verlaten, die naar het goede trachten en op Hem vertrouwen.—Zoo is dan het weeshuis verkregen, den 15 September in het jaar 1573, blijkende bij het request en de apostille, gegeven ter ordonnantie van den Prins van Oranje en de raden, neffens hem wezende. In kennisse der waarheid, zoo hebben wij Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz. het stuk beiden onderteekend, den 5 Januarij 1585, nieuwe stijl.”
Het was onderteekend met het merk van Kemp Albertsz. en Hendrik Albertsz, geboren aan Den Burg op Texel.”
De in dat Weeshuis opgenomen kinderen, gingen hier, tot na de Revolutie in 1795, half groen en half zwart gekleed, en van daar nog het oude spreekwoord:
„Groen en zwart
Is Texel in het hart.”
Naar men wil, zou dit gebouw omstreeks het jaar 1203, gedurende eenigen tijd tot gevangenis hebben gestrekt aan de rampspoedige Gravin Ada.2 Nog heden vertoont men er haar portret in olieverw, dat waarschijnlijk reeds vóór twee (?) eeuwen werd vervaardigd. In eenen aan het Weeshuis ten Oosten belendende, en door Regenten van dit gesticht in 1830 aan eenen partikulier verkochten schuur, geleid men den vreemdeling in het Zuidelijke gedeelte daarvan, langs eene, deels vervallen, steenen wenteltrap van zeven treden, door eene zware eikendeur, in een onderaardsch gewelf, dat bij eene lengte van 4.86 ellen, eene hoogte van 2.15 ellen en eene breedte van 4.19 ellen heeft. Dit ongevloerd en van roode moppen stevig gebouwde gewelf, zou de eigenlijke gevangenis van Ada geweest zijn. Meer waarschijnlijk echter is het, dat dit gewelf voormaals tot eene kloostergevangenis heeft gestrekt; althans, eenige in den muur bevestigde, zware ijzeren krammen, pleiten voor deze onderstelling.
Behalve het opgenoemde, heeft men aan Den Burg, achter het Raadhuis, een smaakvol aangelegd plantsoen van jonge boomen, dat, als algemeene wandelplaats, door de bewoners van Den Burg in den zomer veel wordt bezocht. Aan de Westzijde van het dorp staat een ruim gebouw, met het opschrift: Gesticht van Weldadigheid, dat bepaaldelijk ingerigt is tot opneming en verzorging van kranken en behoeftigen, tot geene kerkelijke armbedeeling van het eiland behoorende, of hun domicilie van onderstand elders hebbende, in welk laatste opzigt vooral, deze liefdadige inrigting meermalen van uitstekende dienst is geweest. Ook plagt er een Gasthuis te zijn, waarin reizende landloopers drie dagen verblijf konden houden. Dit is later tot een Oud Mannen- en Vrouwenhuis voor Gereformeerde Ledematen ingerigt, en stond aan het einde van de tegenwoordige Gasthuisstraat.—Nog bestaan hier vier zoogenoemde Afdeelingen Armenkamers, zijnde liefdadige gestichten, met het doel, om daarin een zeker aantal oude lieden van beiderlei kunne, om niet huisvesting, brandstof en andere ondersteuning te verschaffen; welke Armenkamers zeer waarschijnlijk overblijfsels zijn van een vroeger hier bestaand hebbend Heilige Geesthuis.3 Voorts bestaat er eene Afdeeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, in 1822 opgerigt, en thans ongeveer 40 leden tellende,—eene Afdeeling van het Zendeling-genootschap;—eene Subcommissie der Maatschappij van Weldadigheid met 40 leden;—eene Afdeeling van het Nederlandsch Bijbel- en Tractaatgenootschap; een Zanggezelschap; als ook eene Bank van Leening.—
Ten behoeve van het openbaar onderwijs bestaat hier eene zeer goed ingerigte lagere school, welke gemiddeld door 185 leerlingen wordt bezocht, benevens een Fransche school, die thans ruim 30 leerlingen telt.
3. Het Horntje.
Het Horntje was vroeger een gehucht in de nabijheid van het dorp den Hoorn, gelegen op de Z. W. punt van het eiland. Van tijd tot tijd afgespoeld en gesleten, staat er nu nog slechts ééne bouwmanswoning. In het begin dezer eeuw stond hier nog een zoogenaamd Lazaret, of Quarantaine inrigting, doch deze is sedert lang in den Oceaan bedolven. Voor omstreeks 150 jaren waren de hier liggende duinen, de hoogste van Texel.—In de vorige eeuw werd een zanddijk gelegd, welke echter, door den hoogen vloed van den 27sten November 1776, geheel weggeslagen, doch later weder hersteld werd.
Tusschen de voorschreven duinen en de Hors, lag vroeger eene kil of kreek, welke bij noodweer, den schepen tot eene veilige ligplaats verstrekte. De Amsterdamsche kooplieden vooral, stelden in het behoud dier kil het grootste belang, en besteedden jaarlijks aanzienlijke sommen, om de Hors des zomers met rijs en stroo te doen bekrammen, en daardoor de kil diep te houden; doch hunne pogingen waren te vergeefs; want één stormgetijde in het najaar, sleepte menigmaal den geheelen arbeid weg, zoodat men ten laatste van de verdere bekramming heeft afgezien, waardoor die kil nu genoegzaam geheel droog geworden of verzand is.—In de nabijheid van het Horntje stond vroeger eene hut, welke tot woning verstrekte voor die lieden, welke de smelt vingen, een vischje dienende tot aas voor den kabeljaauw.
4. Hoorn of den Hoorn.
Hoorn, Den Hoorn, of In Den Hoorn, een dorp, geheel in de lengte gebouwd en op een uur afstand van den Burg gelegen, stond vroeger onder het aanzienlijke dorp Den Westen, welke combinatie, gelijk sommigen willen, alleen betrekking had op het kerkelijke, naardien Den Hoorn toen slechts eene kapel bezat. Maar sedert Den Westen bijna geheel vervallen, en de kerk, (waarvan men de grondslagen nog aanwijst) geslecht is, heeft men alle kerkelijke goederen aan Den Hoorn getrokken. Tot 1838 mogt dit dorp, na Den Burg, het grootste der Texelsche dorpen heeten. De toen plaats hebbende organisatie van het loodswezen, deed deze plaats zeer in verval geraken, welk verval nog dagelijks toeneemt, zoodat het dorp Den Hoorn, met Den Westen vereenigd, niet meer dan 167 woningen, en 828 inwoners telt, welke zich hoofdzakelijk op landbouw en veeteelt toeleggen.—Tegenwoordig strekt Den Hoorn nog tot verblijfplaats aan de bemanning van vier Buitengewone Loodsschuiten van Texel, welke aldaar, met eenen Onder-Commissaris van het loodswezen, woonachtig zijn.—
De gemeente welke voor het meerendeel uit Hervormden bestaat, waarvan men er hier 560, waaronder 260 ledematen, telt, maken eene gemeente uit, welke tot den Ring Den Burg op Texel behoort.—
Nadat den Hoorn eerst bediend was door den predikant van het geheele eiland, verbleef het bij Den Burg tot aan 1619, toen het een eigen predikant bekwam in Willem Barents, die echter in het volgende jaar reeds overleed. Gedurende de dienst van Aris Goossen, te Burg en Hoorn, welke in 1599 beroepen en in 1624 Emeritus werd, is Den Hoorn derhalve van Den Burg gescheiden.—De Hervormde kerk was vroeger eene kapel, welke later eene parochiekerk werd. Deze kerk is een klein, doch betrekkelijk hoog gebouw zonder orgel, doch versierd met eenen spitsen toren, welke tot baak in zee dient, en daarom door het Departement van Marine onderhouden wordt.
De gemeente der Doopsgezinden alhier, staat geheel op zich zelve, en telt ongeveer 60 ledematen, met een eigen leeraar en een klein bedehuis, dat aan den ingang van het dorp staat.
De Roomschgezinden, die hier bijna evenveel communicanten tellen, zijn kerkelijk vereenigd met die gemeente aan Den Burg.
Het aantal leerlingen der openbare school bedraagt 90 à 100.
In 1744, toen Den Hoorn zich in eene algemeene welvaart mogt verheugen, werd er een gasthuis voor onvermogenden gesticht, terwijl Mejufvrouw Aaltje de Keijzer, weduwe van den Predikant dezer gemeente Hendrik Schutte, in 1839, een huis en tuin vermaakt heeft, om tot predikantswoning te dienen.
Vooral is Den Hoorn bekend als de geboorteplaats van den beroemden dichter en romanschrijver Loosjes, die hier den 15 Mei 1761 het levenslicht aanschouwde.—
In de nabijheid van Den Hoorn plagten vroeger twee bedijkte polders te zijn, de Binnen- en Buitenkuil genoemd, waarvan de eerste nog bestaat; terwijl de laatste reeds lang vernietigd is.—
Zuidwaarts van daar, stond oudtijds nog een dorp, den Ouden Hoorn genoemd; dit dorp is echter reeds in 1398 door de Friezen verbrand.—
5. Het voormalige dorp Den Westen.
Weinige zijn de overblijfsels van dit oudtijds zoo schoone dorp, dat thans vereenigd is met Den Hoorn.
De overgebleven groote en hooge Westertoren, waarvan in 1710 de spits is afgeslagen, en de weinige, hier en daar verspreid staande, huizen, doen ons vooronderstellen, dat Den Westen vroeger een der voornaamste dorpen van het eiland moet geweest zijn.
Men zegt, dat bij eene landing der Watergeuzen, in het begin van Maart 1571, het huis van den schout en de kerk zouden verbrand zijn; ook dat het dorp Den Westen, door de Spanjaarden verbrand zoude zijn, waarvoor echter geen andere grond van waarschijnlijkheid is, dan dat er voorheen, omtrent Den Hors, een inham is geweest, het Spanjaardsgat genoemd. In 1514 was hier zekeren pastoor Willem van Alkmaar, die hier een huis benevens 18 morgen en 22 perceelen lands in eigendom bezat; en ofschoon hij in zijne pastorij niet woonde, trok hij nog 66 Rijnguldens ’s jaars.
Niet verre van den Westertoren ligt het eenige gewijde kerkhof van Texel.
Op den 31 December telde men hier slechts 15 huizen met 84 bewoners.
6. De Koog.
Dit plaatsje, 1¼ ure van Den Burg verwijderd, telt tegenwoordig slechts een 17-tal huizen, bewoond door ruim 70 menschen. Het ligt in eenen lossen zandgrond, is onbestraat, en zonder boom of heester.—Volgens hetgene mij verhaald werd, was dit dorpje weleer eene zeer bloeijende plaats, alwaar zich vele menschen gevestigd hadden, die zich van de toen aldaar uitgebreide visscherij onderhielden. Inzonderheid bloeide dit dorpje, toen de groote visscherij of walvischvangst haren hoogsten top bereikt had, toen een aanzienlijk getal commandeurs van de Groenlandsvaarders hier hun verblijf hielden, en leven en welvaart over dit dorp verspreidden; ja, men zegt, dat de Koog vroeger zelfs de hoofdplaats des eilands moet geweest zijn, ’t geen echter te betwijfelen is, aangezien Den Burg, oudtijds versterkt en met poorten voorzien, meer tot verblijf der regering, en dus tot hoofdplaats, geschikt was.—
Dan, wat daarvan ook zijn moge, het afnemen door de zee, van uitgestrekte buitenlanden of uiterwaarden, ten N. W. van De Koog, het verval of verplaatsen der visscherij en scheepvaart, enz. heeft deze plaats bijna geheel doen verdwijnen; en het is alleen aan de overgeblevene kerk, den rang van dorp nog te danken, daar het, na de zeer belangrijke afneming in de laatste 50 of 60 jaren, naauwelijks op den naam van gehucht aanspraak zoude kunnen maken.
Aan De Koog is zelfs geen spoor meer overig van de visscherij en zeevaart, vroeger zijne mildvloeijende bronnen.
De weinige inwoners, welke zich thans hoofdzakelijk op de veeteelt, en bepaaldelijk op de schapenfokkerij toeleggen, leven zeer eenvoudig. Jammer maar, dat de gesteldheid van den grond in deze streek, zoo schraal en door gebrek aan behoorlijke waterleiding zoo ongezond, of, zoo als men hier zegt ongans, is. Vooral noordwaarts van hier, op het zoogenaamde Koogerveld, vindt men moergronden met pollen en spichtig gras.
Het Kooger kerkje is een vrij net, doch klein steenen gebouw, voorzien van een houten koepeltorentje en uurwerk.
De eerste leeraar welke hier het predikambt bekleedde, was Petrus Serooskerke, die hier in 1632 beroepen werd, en in 1637 overleed.—Na den dood van den predikant Henricus Lambertus Glasvoort, die op den 7 October 1808 overleed, zijn de Hervormden gecombineerd met de Waal. De Roomschgezinden behooren tot de gemeente van Den Burg, terwijl de weinige Doopsgezinden, mede tot die van Den Burg behooren.—Het aantal leerlingen der openbare school aldaar, bedraagt gemiddeld 30 kinderen, zoo van het dorpje zelf, als van het omliggende veld.—
Oude lieden weten, bij overlevering, dat de Koog zich heeft uitgestrekt tot de oude kerk, welke echter, blijkens de afbraak en het kerkhof, slechts klein moet zijn geweest.
De visschers geven den naam van Noord-Koog aan eene plaats in de Zuiderzee, Z. Z. O. van De Koog gelegen, waar men, naar men zegt, nog heden eenen weg van duifsteen vindt. Dezelve ligt ééne mijl van den Texelschen wal af, en is, naar gissing, ¾ mijl lang. Deze plaats wordt ook wel de Straat genoemd.—
7. Oostereind.
Dit dorp, ook wel Oosterend of Oosteinde genoemd, ligt 1½ uur N. N. O. van Den Burg. Het heeft, omgeven door veel houtgewas en net aangelegde tuinen, geen onbevallig voorkomen, en bevatte, op 1 Januarij 1856, ruim 500 inwoners en 160 huizen.
Het is wel bebouwd, heeft de oostelijkste ligging, en is na Den Burg, de grootste plaats des eilands; behoorende daartoe ook het gehucht, Het Nieuwe Schild.
Oestervisscherij, veeteelt, en eenigen landbouw, maken de hoofdmiddelen van het bestaan der inwoners uit. De Hervormden, het grootste gedeelte der bewoners, maken eene gemeente uit, welke tot den ring Burg op Texel, behoort. De eerste predikant, die hier het leeraarsambt bekleedde was Wessel Verruhert, in 1666 daar bevestigd, en in 1702 overleden. Vóór de Reformatie was de kerk toegewijd aan St. Martinus, en werd begeven door de Graven van Holland. Over deze begeving ontstond weleer twist tusschen den Stadhouder der Graven en den onderpastoor van Haarlem, welke laatste beweerde, de pastorij verkregen te hebben van den Heer van IJsselstein, als Stadhouder van Holland, terwijl de aanstelling gehaald moest worden bij den Aartsdiaken der Utrechtsche kerk.—Deze pastorij was toen belast met eene laste van zestig of zeventig Rijnsche guldens, (ƒ 80 à ƒ 90); doch de pastoor die er zijn verblijf hield, genoot daarvan niet meer dan vier pond groot (ƒ 4.).
Ook het kosteraat werd door de Graven begeven en had een half morgen, dat gemiddeld eene som van drie Rijnsche guldens (ƒ 4,20), opbragt. De kerk is een groot kruisgebouw, welks muren meerendeels van duifsteen zijn opgetrokken, en welks ouden zwaren duifsteenen toren, die sedert onheugelijke jaren van zijnen spits beroofd was, afgebroken en van gele steen herbouwd is. Volgens eene overlevering, waarvan ook melding wordt gemaakt in de Chronijk van Medemblik, moet in die kerk een beeld van den Heiligen Nicolaas gestaan hebben, hetwelk zoo groot van omvang was, dat de muur der kerk moest worden doorgebroken, om het er uit te halen.—Dit beeld zou daarna op het kerkhof verbrand zijn geworden.
Verreweg het grootste gedeelte der huizen staat in eenen wijden kring om de kerk gebouwd, en langs het kerkhof, dat met een muur omgeven is, staat eene rij opgaande lindeboomen, welke de kom van het dorp zeer versieren.
De leden der Doopsgezinde kerk, welke hier verblijf houden, behooren tot de gemeente Burg- Waal- en Oostereind terwijl de R. K. tot de gemeente aan Den Burg behooren.
8. Het Nieuwe Schild.
Dit gehucht, kerkelijk vereenigd met het dorp Oostereind, en van daar ½ uur verwijderd, werd vroeger hoofdzakelijk door loodsen bewoond, die algemeen bekend stonden voor zeer ijverige, bekwame en koene zeelieden, wier woonplaats hier zeer geschikt gelegen was om de schepen te loodsen, die van Amsterdam kwamen en op den Vlieter lagen.
In dit gehucht, dat weleer een 50 tal woningen telde, zijn er thans niet meer dan 4, te zamen bewoond door 35 zielen. De opkomst van het Nieuwe Diep, welke eerst eene gedeeltelijke, en daarna eene algeheele verplaatsing van den loodsmansstand ten gevolge had, was oorzaak van het verval van deze plaats, die hare eerste opkomst te danken had aan de overbevolking van het oude Schild. Oostwaarts van dit gehucht is in 1844 eene nieuwe haven aangelegd voor oestersvisschers, voornamelijk bekostigd door Rijks- Provinciale- en Gemeente-subsidiën.—Bij deze haven, die thans echter weder in verval is geraakt, is onlangs eene ijzeren baak opgerigt ten dienste van de schepen, die, uit de Zuiderzee komende, deze plaats passeeren.—Vroeger bestond hier eene kleine helling om de loodsschuiten te herstellen, alsmede een gebouw op steenen voet, hetwelk gebezigd werd als Magazijn, ter berging van goederen, als ook van gereedschappen en bouwstoffen ter herstelling van de dijken en zeeweringen.
9. Oost.
Even als het Nieuwe Schild, behoort ook het gehucht Oost, dat vroeger Om de Oost werd geheeten, tot het dorp Oostereind. Waarschijnlijk ontleent het dezen naam van wege zijne ligging op de Oostpunt van het eiland. Het bestaat uit omstreeks 40 woningen en telt 268 inwoners, welke deels in visscherij, deels in landbouw en veeteelt, hun bestaan vinden.4—
10. De Cocksdorp.
Dit dorp, op het nu met Texel vereenigde Eijerland aangelegd, en aldus genoemd naar wijlen den Heer J. J. de Cock, van Rotterdam, ligt 2¾ uur N. O. van den Burg, nabij de Roggesloot, op eenen zandgrond. Het telde ten jare 1841 een 20-tal woningen met 120 bewoners; behalve de school, die toen door 40 à 50 leerlingen werd bezocht, benevens eene met vlas overdekte koren- en pelmolen, eene wagenmakerij, smederij en broodbakkerij.
Sedert heeft deze plaats vele uitbreiding ondergaan, zoodat men er thans 53 huizen en eene bevolking van 276 zielen telt; bevattende de geheele polder Eijerland 140 huizen met 1000 bewoners.—Door deze uitbreiding wordt de bovengenoemde school thans door 120 kinderen bezocht, terwijl er in 1853, door het Gemeentebestuur van Texel, eene tweede school en onderwijzerswoning in het zuidelijk deel van den polder is gesticht, die gemiddeld 100 leerlingen telt.
De Hervormden, die tot de gemeente Eijerland behooren, hebben hier eene kleine kerk en pastorie, welke beiden in 1839 zijn gebouwd. De eerste is voorzien van eenen kleinen naaldtoren, terwijl den 19 Maart 1842, eene particuliere woning, na tot een bedehuis voor de R. K. te zijn ingerigt, ingewijd is en bediend wordt door pastoor G. van den Bosch.
De eerste leeraar, die bij de Herv. gemeente het leeraarsambt heeft bediend, is Pieter Haesebroek, die in 1841 herwaarts beroepen is.
De net aangelegde begraafplaats ligt dáár, waar de dorpsweg zich door eene bevallige kromming met den postweg vereenigt.—Vroeger stond hier een groot steenen magazijn, dat thans is veranderd in eene bouwmanswoning, Dijkzigt geheeten.
Men heeft te Cocksdorp ook eene Afdeeling der Maatschappij, t. N. V. ’t. A. dat in 1837 is opgerigt, terwijl er eene jaarmarkt gehouden wordt op den tweeden Pinksterdag.
De bewoners vinden hun bestaan, deels in den landbouw, en deels in de schelpvisscherij. Vele duizende kubiek ellen schelpen worden jaarlijks door hen van de zandbanken, tusschen Texel en Vlieland, gehaald, die naar verschillende oorden in ons vaderland, meerendeels voor de kalkbranderijen en ook voor het aanleggen en onderhouden van kunstwegen, vervoerd worden.
11. De Waal.
Ofschoon de tijd der stichting van dit dorpje niet met zekerheid te bepalen is, zoo is het niet te min hoogst waarschijnlijk, dat het van zeer ouden oorsprong is. De Hervormde kerk, die aan de Noordzijde nog grootendeels uit duifsteen bestaat, en op eene aanmerkelijke hoogte gelegen is, pleit o.i. voor eene oude stichting.—Ook de Doopsgezinden hebben hier eene kerk, waarvan echter het in- of uitwendige niets bijzonders oplevert.
Landbouw en veeteelt maken het hoofdbedrijf der 131 inwoners uit, die hier in 32 huizen wonen en te zamen een 36tal huisgezinnen uitmaken. De openbare school wordt gemiddeld door 40 leerlingen bezocht.
In het laatste gedeelte der vorige eeuw, werd alhier, beoosten het dorp, eene tumulus of oude Romeinsche begraafplaats gevonden, waarvan wij bereids gesproken hebben.5
Behalve de beschrevene plaatsen, zijn er nog eenige weinig beteekenende buurtschappen op Texel, waarvan eigenlijk geene bijzonderheden zijn mede te deelen. Het aantal huizen en bewoners is opgenomen in de Staat van Bevolking, welke wij op bladz. 11 gegeven hebben.
Deze buurtschappen zijn:
| 1. | Zevenhuizen, | Noordwaarts | gelegen van | Oostereind. | |||||||||||
| 2. | Harkenbuurt, | Z.O.waarts |
|
|
|||||||||||
| 3. | Spang, | N.O.waarts |
|
de Waal. | |||||||||||
| 4. | Molenbuurt, | Noordelijk |
|
|
|||||||||||
| 5. | Burgen, |
|
|
|
|||||||||||
| 6. | Dijkmanshuizen, | Noordwaarts |
|
het O. Schild. | |||||||||||
| 7. | Zuidhaffel, | Oostwaarts |
|
den Burg. | |||||||||||
| 8. | Westergeest, | en | |||||||||||||
| 9. | De Hooge Berg, | waarvan wij bereids gesproken hebben, bij | het O. Schild. | ||||||||||||
1 Volgens algemeen gevoelen is het dorp Den Burg, weleer (1346) door drie poorten afgesloten geweest, welke zouden gestaan hebben: ééne in den Binnenburg bij het pijpje;—ééne tegen over het Weeshuis, bij het huisje op de breg (brug); en ééne bij het logement de Zwaan.
2 „Ada,” dus lezen wij in een oud handschrift, „was de eenige dochter van Dirk, volgens de groote Kronijk, de VIIde van dien naam; de 14de Graaf van Holland; zij dan in rang de 15de Gravinne van Holland. Zij trouwde tegen den zin van sommige Staten, en van haren oom Willem, die, na haar, Graaf wierd. Zij werd door hem gevangen genomen, en op Texel in eene onbeslotene gevangenis bewaard, alwaar zij, na een jaar aldaar geweest te zijn, en nog geen 18 jaar oud, overleed in den jare 1204: haar lijk werd naar Middelburg gebragt.”
Terwijl wij in eene andere aanteekening vermeld vinden: „De Moeder van Gravinne Ada, was de Gravinne Aleid. Deze had hare dochter uitgehuwelijkt aan Lodewijk, Grave van Loon; zij werd op den Burgt te Leiden, overwonnen en gevangen genomen, en viel haren Neef Willem van Teijlingen in handen. Haar oom Willem, overwinnaar zijnde, zond zijne nicht (Ada) naar Texel; doch deze gevangenis haar ondragelijk vallende, zocht zij te ontkomen, waarom hij het besluit nam, haar naar Engeland te zenden. Dit werd Graaf Willem I van vele Edelen en Landzaten, kwalijk genomen, dat hij de Landsvrouwe in handen van vreemden stelde.”
3 In 1855 waren 42 personen in die Kamers opgenomen, aan welken, behalve vrije woning, eene som van ƒ 1200 voor onderstand is verstrekt, geheel uit inkomsten van bezittingen verkregen.
4 Tegenwoordig houden de bewoners van Oost zich ook met de wiermaaijerij bezig.