Wanneer wij de geschiedrollen van ons vaderland nagaan, en bepaaldelijk het oog vestigen op de oorkonden die daarin op Texel betrekking hebben, ontdekken wij, met genoegzame zekerheid, dat de eerste bewoners de Sturiërs1 waren. Deze althans, bewoonden die streken van het noordelijke gedeelte van onzen geboortegrond, waar thans het eiland Texel ligt, dat toen nog aan de vaste kust verbonden, en te dien tijde veel grooter, en van eene gansch andere, en woeste gesteldheid was.
Derwaarts toch strekte zich het groote Kreilerwoud uit, dat eenen aanvang nam tusschen Medemblik en Enkhuizen, zuidwaarts in verband stond met het Schrakenbosch, dat zich langs de westkust van ons vaderland verlengde, en waarvan misschien het Haagsche Bosch nog een overblijfsel is2.
Algemeen bekend is het, dat onze visschers zich op zekere hoogte, benoorden Texel, zorgvuldig wachten moeten, om met hunne netten en kuilen of kulen, niet in boomstammen of ander houtgewas verward te geraken, en dat achter het dorpje de Koog, waar het strand en de duinstreek voormaals eene veel grootere uitgestrektheid bezaten, een geplaveide weg of straat gevonden wordt, die zij duidelijk kunnen waarnemen en waarvan zij meermalen steenen in hunne netten ophalen.—
Aan voormelde bosschen grensden toenmaals groote streken kleigrond, welke uitmuntten door vruchtbaarheid, en zich in den geheelen omtrek uitstrekten om de zandgronden heen, welke laatsten als van hoogeren ouderdom zijn aan te merken; aangezien alle klei allengskens aangevoerd en aangeslibt is, òf door den afloop der rivieren, òf door het afkomend zeewater.—De Zuiderzee was toen nog niet in aanwezen. Ten oosten en zuiden der plaats waar thans Enkhuizen ligt, was alles land, tot aan het eiland Urk, en ten noorden van die plaats insgelijks.
Alleen het Flumeer of meer Flevo, dat toen door den Noorder-Rijnmond met de Noordzee in verbinding stond, was aanwezig, terwijl de tegenwoordige eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen en Marken, nog tot het vaste land behoorden. Wanneer Texel een eiland geworden zij, is niet met zekerheid bekend.
Sommigen meenen, dat zulks omstreeks 1164 of 1170 heeft plaats gegrepen, toen de eerste belangrijke verwoestingen van land, aan de kusten van Noord-Holland en Friesland, door den St. Juliaans- en den Allerheiligenvloed, teweeggebragt werden; waarbij, behalve eene geheele overstrooming dier provincien, ook een gat scheurde tusschen Vlieland en Texel; terwijl anderen, zelfs van eene geheele afscheuring van Texel en den vasten wal gewag maken. Volgens Emmius en Schotanus, hing Texel (en ook3 Wieringen) nog in het laatste gedeelte der 12e eeuw, bij ebbe, met de vaste kust te zamen, of waren daarvan slechts door naauwe slenken gescheiden, zoodat beide al dan niet Eilanden genoemd konden worden.—In eene lijst der goederen van de St. Martens Kerk van Utrecht, omstreeks 900 opgemaakt, wordt van Texel gewag gemaakt als van een Eiland; terwijl het, in den giftbrief van Keizer Otto III, gedagteekend den 25sten September 985, waarbij aan Graaf Dirk of Diederik II, in eigendom gegeven worden, al de landen die hij voorheen ter leen bezeten had, weder geen Eiland, maar Landstreek en Graafschap, wordt genoemd.
In de Friesche Cronijk, lezen wij, betrekkelijk de veranderingen van het land bezuiden en beoosten Texel het volgende: „Anno 1222 was het noch Vant Vlie tot aen die Suijder-zee geheel Landt; dan, vermits die groote vaerten die daerinne ghegraven worden, heeft die Noort-zee sijn ganck ende inbrock daer inghenomen en ghecregen, ende heeft veel Landts hier ende daer afghenomen, twelck alles in die Middelzee weder aengheslaghen is.”
Van welke vaarten men voorts, op 1234, het volgende leest:
„Daer ginck van dit Stedeken (Harlingen) eenen schoonen diepen Vaert tot aan Vlielant, recht voor Dicxhorne door, ende van daer voort aen het Texsel, twelck die Luijnkercksche Conversen met hulp van d’ inwoonders van Dicxhorne ghemaeckt hadden, opdat se des te gerieffelicker tot malcanderen conden comen, ende hier van hiet noch een diepte omtrent Vlielant Moncke-Sloot. Want die van Luijnkerck dese tijt een cleijn Cloosterken ofte wthof op Vlielant hadden staen, daeromme dese Vaert principalick gemaect worde, hoe wel nochtans het Gerbrando de Abt van Luijnkerck zeer mishaechde, vermits sij so na bij de Noortzee gelegen was, want dese Gerbrandus doen ter tijd al vreesde, dat naemaels naeghecomen is. . . . . . . . . . . (1395 of 1396) Oorsaecke van dezen zijn geweest die van Enckelhuijsen, Medenblick, en de principalijck die Sint Olofsche en Luijnkercsche Conversen, die op Wieringen ende Tessel ende op ’t Landt tusschen beijden woonden, want die veel Slooten en diepe Vaerten omtrent die Eijlanden ghemaeckt hadden, terwijlen zij die Landen in haer macht en ghewelt pleghen te hebben, waer door die Noortzee zijn inganck ende cracht heeft ghecreghen, zo dat Westvrieslandt (dat nu Noort-Hollant hiet) niet alleenich van den Hollantschen Graven; maar oock door die Noortzee van ’t andere Vrieslandt ghesepareert ende afgescheijden is.”
Naar sommiger gevoelen, bestond er, tot aan het begin der 13e eeuw, tusschen Enkhuizen en Stavoren, nog zoo veel lands, dat men, met behulp van een deel of plank, droogvoets derwaarts konde gaan.—Wij deelen echter, met vele anderen, niet in dat gevoelen, aangezien het gedeelte van Friesland, waarin Stavoren ligt, reeds vroeger, in tegenstelling van het latere West-Friesland, Oost-Friesland werd genoemd. Er bestond dus eene scheiding, en Stavoren had toen twee havens, Zure- en Noore-mude (Zuider- en Noorder-mond) hetwelk bewijst, dat men aan breeder water dan aan een Sloot te denken hebbe.
In de Friesche Cronijk vinden wij hieromtrent geschreven:
„Ao. 1255. Deze tijdt mocht men noch met een Rafter of Dalge van Stavoren naar Enckelhuijsen gaen, ende was een goet vast Lant.” Ook de Schoorlder Kronijk, spreekt in dezen zin: „Omtrent 1250 ging men nog van Medemblik of Enkhuizen tot Stavoren in Vrieslandt over het land de Kreijl. Doch de gaten van ’t Vlie en Texel wijder wordende, is in ’t jaar 1400 een vrije vaart nabij Stavoren en Enkhuizen in de Zuiderzee gekomen, dat maer een sloot plag te wezen;”—terwijl wij daarentegen elders vinden opgeteekend: „In ’t jaer ons Heeren 1250 heeft de zee grote scade gedaen an ende om Frieslandt, ende de grote meren binnen ’t landt, als die zee bij Stavoren, en dat voert bij Harlingen, ende van Stavoren toe Enkhusen ende toe Campen; want dat plach heel land toe wesen al totte Flie.”—Ook vinden wij in de Friesche Cronijk op 1395 of 1396, vermeld: „Dese tijd hadde die Noortzee de gaten van het Vlie en Tessel veel wijder ghemaeckt, als zij te vooren pleghen te wesen, so datter nu een vrijen vaart van die Noortzee voor bij Medemblick ende Enckelhuijsen al tot in de Suijderzee liep, daer te vooren eenen cleijnen sloot alleenich plach tusschen te wesen.”
Zoo bestond er weleer ook verschil van gevoelen of Texel Wieringen, Huisduinen en Kalandsoog in vroegeren tijd vereenigd, of wel van elkander gescheiden waren.
De berigten en oorkonden dienaangaande, gaven gereede aanleiding om zoowel het eene als het andere te vooronderstellen. Dit verschil van gevoelen is echter door den geleerden Oudheid- en Geschiedkundige Rutgerus Paludanus, Burgemeester van Alkmaar, tot eenheid gebragt en volledig bewezen, dat vóór de groote watervloeden, welke omstreeks den aanvang en het midden der 13e eeuw, ook onze noordelijke en westelijke kusten teisterden, deze plaatsen, nog aan één gehecht waren, en eene veel grootere uitgestrektheid bezaten.
Behalve de oude kaarten van Beeldsnijder (1574) en van Aelbert Haage (1613), en anderen, waaruit de groote veranderingen in het meest noordelijke deel van Holland en de eilanden zijn op te maken, zijn er nog vele stukken voorhanden, aangaande den voormaligen toestand van deze stranden en gronden.
De reeds genoemde Paludanus, verzamelde de daarop betrekking hebbende stukken, en ontleende daarvan eenige, uit de beroemde bibliotheek van Balthazar Huijdecoper, weleer Baljuw van Texel.
En hoeveel gronds ons vaderland, in het algemeen, langs de geheele west- en noordkust aan den Oceaan heeft moeten prijs geven, blijkt genoegzaam hieruit, dat het tegenwoordige dorp ’s Gravenzande voor het midden der 13e eeuw, en vóór de stichting van het Grafelijke Slot te ’s Hage, niet slechts eene hofstad, maar ook eene belangrijke koopstad was, wier handel zich vooral op Engeland bepaalde, en in het bezit was van eene vermaarde, ruime en veilige haven.
Het dorpje ter Heyde had in de helft der 15e eeuw, bij den leeftijd van éénen mensch, 1600 schreden strands verloren, terwijl de eerste kerk te Scheveningen omstreeks denzelfden tijd door de zee verzwolgen werd. De nieuwe kerk, in die plaats, werd geheel oostwaarts van het dorp gebouwd; bijna 3 eeuwen geleden stond zij nog in het midden van het dorp, terwijl zij nu aan het strand staat. Doch, bovenal heeft men een afdoend bewijs, voor de vroegere bebouwing van de nu reeds sedert lang, door de zee verzwolgen gronden van Hollands westkust, bij Katwijk, namelijk in de overblijfselen van Kallostoren, en die van het Huis te Britten, welke laatsten van tijd tot tijd zijn opgenomen en beschreven.—In 1520 zijn de overblijfselen voor het eerst, van onder de duinen, te voorschijn gekomen; toen vertoonde zich nog het muurwerk ter hoogte van acht voeten. De paalhoofden der grondslagen zijn in 1572, bij eenen aflandigen wind, voor het laatst gezien, en thans liggen die overblijfselen reeds verre in zee.4—
Sommigen willen dat Texel omstreeks 1170 eene uitgestrekte landstreek bevatte, welke in drie Graafschappen verdeeld was, waarvan er eene Texel of Texele heette.
Ten opzigte van Texel vinden wij bij Halma, (Toon. der Ned.) het volgende opgeteekend:
Texla, Texel, Tessel, is volgens een Giftbrief van Keizer Otto den III, van het jaar 985, geweest een zeer groote Landtstreek, in haaren omtrek bevattende al het landt, dat er is over Kinheim (Kinnemum) en het Y, tusschen de Noordtzee, het overgroote Meer, dat is, de Zuiderzee, en de Sala of Ysselstroom. Dese Landtstreek wierd gedeelt in drie Graefschappen, namelijk Wasalant (aldus meenen wij wordt dit woord recht geschreven) Kinhem en Texla, in een nauwere betekenis; die de Keizer, nauwelijks een aankomende jongeling geworden, meest op aanstaan en raadt van zijne Moeder de Keizerinne, en den Aartsbisschop van Trier, door eene gifte alle te gelijk wechgeschonken heeft aan Graaf Diderik den II, zijnde de Keizerinne Zuster van de Schoondochter van Diderik, aan wier kinderen dit alles zou versterven; en de Aartsbisschop Zoon van den Begiftiger. Te onderzoeken hoe verre dit Graafschap zich uitgestrekt heeft, zou onnut en overtollig zijn, dewijl ik meene, dat er hedendaags misschien nauwelijks iets meer van overig is, behalven de Eilanden Texel en Wieringen. Dat er ook een Kasteel is geweest van den zelfden naam, zijnde de Hooftplaats van de Landtstreek (Pagi) en ’t Graafschap, is daar genoeg uit af te neemen, dat Graaf Willem de I, Ada, zijne overleden broeders dochter in het jaar 1211, derwaarts gezonden heeft om daar bewaart te worden; volgens hetgeen in het Perkamentboek van Utrecht verhaalt word van den Schrijver, die in dien zelfden tijdt geleeft heeft. Deze landstreek ziet men met den naam van Texla Pagus getekent tusschen de rivier5 Kinnem en de Hista Seu Isala inferior, dat is den beneden Yssel, in de kaarten van den Heere Alting (Tab. II. Pars. II.) De drie mindere Graafschappen, waar in deze landtstreek verdeelt wierd, ziet men Tab VII. als Kinhem Comitatus over de Rivier Kinnem, langs de Noordtzee, daar nu Texela, nu al een Eilandt zijnde, en daarop Texla Arx, dat is, het Kasteel, zuidwaarts van Wierinx-lande, en noch meer naar het zuiden toe Ulasalanda Comitatus, dat is, Graafschap Waaslandt, zich uitstrekkende bijna tot aan Hoorn. Insgelijks Tab. VIII, daar Wierink-Landt nu al naar een gedeelte als een Eilandt vertoont word, van het vaste landt afgescheiden; naderhandt West-Frieslandt; alle besloten tusschen de rivieren de Kinnem en de Isala of Isla. Wat de benaming belangt, de Heer Alting oordeelt niet onwaarschijnlijk, dat Texel of Tessel, zoo veel wil zeggen als ’t Yssel, of Het Yssel, en dat dit Eilandt van de rivier Sala, daar naarbij of doorloopende, den naam gekregen heeft: want dat Tesselstroom, en Tesselgat, niet anders kan betekenen als de Stroom en het Gat van den Yssel, of Ysaal, dat is, van het Y Salica, of Saliorum.
Dat het Graafschap Kinhem, dat hier Kinnemun genoemt wordt, niet is Kennemerlandt, toont onze schrijver op het woordt Kinhem, en Kinnemaria, alwaar van de gifte des Keizers Otto den III aan Diderik den II gesproken wordt; als ook op het woord Hollandia, daar de Heer Alting zegt, dat „de zuster van de Keizerinne Theophania getrouwt is geweest aan Arnulphus, den zoon van Grave Diderik II.”
Bij denzelfden schrijver vinden wij omtrent Kinhem en Wasaland, het volgende opgeteekend:
„Kinhem wordt in den Giftbrief van Keizer Otto den III van het jaar 985 genoemt een Graafschap (Gerechtsbank) van ’t landt van Texel (Pagi Texellensis:) waarbij dese Keizer behalve andere plaatzen die aan dezen kant des Rhijns lagen, onder de gehoorzaamheit van Grave Diederik den II noch gevoegt heeft het geheele strandt tusschen Kinhem en het Vlie: hoewel met gansch geen recht, en tegen het vast en gestadig gebruik van de Keizeren uit het Huis van Karel den Grooten. Het Graafschap Kenhem verscheelt derhalve van Kennemerlandt (Kinnemaria) dewijl dit legt naar het westen van de rivier Kinnem, en aleer te vooren door Gifte van Karel den Eenvoudigen onder Hollandt gebragt is: doch dit Graafschap is noch ten tijde der Noormannen met dienzelven naam bekent geweest, en van den schrijver Regino, Chinheijm genoemt; zoo hij maar Kennemerlandt niet mede onder deze benaminge begreepen heeft, omdat hier van daan eerst bequaame gelegentheit was om den Rhijn op te vaaren, en voort te trekken naar Sunnemaria of Dennemarca; hetwelk hij daar zegt dat geschiedt is. Welke de grenzen zijn geweest van het verder gelegen Kinhem, naar het westen en noorden, is baarblijkelijk, namelijk de stroom Kinnem en de Noordtzee. Doch hoeverre ’t zich naar het zuiden en oosten uitgestrekt heeft, is zoo net niet te bepaalen, dan van den zuidtkant, daartegens aangestooten heeft het Graafschap (Gerechtsban) van Maaslandt (immers zoo als er gedrukt staat) en van den oostkant, die van Texel. In de kaarten van den Heere Alting ziet men dit Graafschap Kinhem bepaalt tusschen de rivier Kinnem, die bij Petten in de Noordtzee loopt, en tusschen het eilandt Texel of de Helder, (P. II Tab. VII en VIII.)
Doch in deeze laatste ziet men Kinnemaria, zich uitstrekkende langs de Noordtzee van de rivier Kinnen af tot voorbij Haarlem: maar nergens tot aan de Maas of den Maaskant.”
„Wasalant, onder de drie Graafschappen van het Landtschap Texel (Texelensis pagi) wordt mede getelt Masalant. Immers zoo staat in den gedrukten Giftbrief of Handtvest van Keizer Otto den III, in het jaar 985, zonder twijfel door eene schandelijke verbasteringe. Want wie zou doch kunnen gelooven dat Maselandt, of Maaslandt, aan Texel grenst?
„Ik gisse derhalven, dat in de oorspronkelijke Handtvest gestaan heeft Wasalant, dat is Westland, en dat ’er het woordt Fries niet tusschen gestelt is geweest, dewijl het zonder dat kenbaar genoeg was; naardien daar gesproken wordt van Frieslandt gelegen aan den anderen kant van de rivier Kinnem. Eveneens als Menco van Werum, op het jaar 1256, met diezelfde spreekwijze de Friezen aan dezen kant van het Vlie, alleenlijk Westlinge genaamt heeft. Invoegen Graaf Diderik de II, door deze Gifte ook recht heeft gekreegen op West-Fries-Landt, hetwelk is tusschen ’t overgroote Meer (de Zuiderzee) en de kleinere Meeren: dat is van het Y af tot aan den Yssel. Want men vindt geene andere Gifte, uit kragt van welke de Hollandtsche Graven zich dat recht hebben aangematigt.” (Tot dus verre de Heer Alting.) (Alting, Nat. Germ. Infer. Pars II, fol. 198.) Dat Maaslandt in de voornoemde Handtvest van Keizer Otto den III, gestelt wordt tot een zuidergrens van het Graafschap Kinhem, schrijft de Heer Alting hierboven (zie Kinnem;) hoewel in den Giftbrief zelf deze drie Graafschappen alleenlijk neffens malkander gestelt worden, Masalandt, Kinhem en Texla; zonder eenige bepalinge van de gelegentheit of grensscheidinge. Doch het is te verwonderen, dat noch de Hoog Edele Heer Douza van Noordtwijk, noch Petrus Scriverius in zijne Aanteekeningen over de Hollandtsche Kronijk, noch ook Mattheus Vossius, noch de Heer Professor Ant. Mattheus, dit woordt niet gewraakt, en de wanschiklijkheit daarvan aangetoont en verbetert hebben. Want het is zonneklaar dat Maaslandt, Masalanda, in geenerlei maniere zich tot aan Kinhem of Texel heeft uitgestrekt. Maar misschien is deze benaminge, hoe ongerijmt ook, zoodanig gesterkt en gestaaft door de achtbaarheit van Melis Stoke, dat niemandt daar aan heeft durven tornen. Want deze zingt aldus in zijne Rijm-Kronijk:
„In die Graafschap, die men dus noemt,
Kinhem, Texela, ende Maeslant”
Welk woordt, indien het hier een gevoegelijke plaats kan hebben, zonder van verbastering verdacht te zijn, moest men ten minste aanwijzen, wat landtstreek dus genoemd is, en van waar men dien naam gekregen heeft; waaromtrent de Uitgever van dien Rijmer ons geen bericht of opening doet. Nu was het wel niet meer omslags te zeggen, dat dit woordt door de Afschrijvers alzoo wel bij Melis Stoke is verbastert, als in den Giftbrief zelf. Maar het komt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat deze schrijver waarlijk zoo geschreven heeft, en dat het Afschrift bij hem gezien, zijnde ruim drie eeuwen nadat de Handtvest gegeven was, toen al door onkunde en door vooroordeel van dezulken, die liever eene kenbare benaming van Maaslandt, als eene ongewone en onkenbare van Waaslandt, wilden aannemen en schrijven, bedorven is geweest.
Zoo dat bij geen mensch van opmerkinge en oordeel, meene ik, eenig twijfel zal kunnen overblijven, of de ware naam is Wasalanda, Wasalandt; gelijk de Heer Alting deze verbeteringe heeft opgegeven.
Dit Graafschap Wasalandt (Wasalanda Comitatus) ziet men geteekent in de kaarten van den Heere Alting, Tab. VII Pars II, tusschen de Waterlandtsche meeren, dat is, de Schermer (Sciremere) de Beemster (Bamastra) en de Purmer van den eenen kant; en tusschen den Yssel, zoo als die uit de Zuiderzee, daar het meer Medemelacha heen stroomt, van den anderen kant. Maar aangaande den oorsprong van deeze benaminge, ben ik het met den Heer Alting gansch niet eens: En zoo ik diens doorgeleerden schrijvers waarheitslievende bescheidenheid kenne, zou hij, meene ik, zoo eene vergezochte en ongegronde verklaringe niet opgevat hebben, indien hij met dit woordt een bequaamer uitweg hadde gezien. Want wat gelijkvormigheit of overeenkomste heeft doch Wasalanda met Westlandt? Onder zoo veele benamingen van dien tijdt, die van dit West zijn ’t zamengestelt, wordt het zelve meest altijdt behouden, somtijts een weinig verandert, als in Wistrachia, maar nooit in Wasa of Wase. En is het niet ongerijmt, en strijdig tegen het geen de Heer Alting zelf, en anderen, van de Friezen, zoo Oostelijke, als Westelijke, geschreven hebben, te zeggen dat West-Fries-Landt in dien tijdt, ook daarna, een Graafschap of Landtstreek op zich zelven is geweest, afgescheiden van de Graafschappen Kinhem en Texla?
Immers heeft die Heer het heel anders begreepen, als hij Westfresia bepaalt tusschen de rivier Kinhem en den Vliestroom, en het zelve verdeelt in deze vier Graafschappen, een van Stavero, een van Texla, een van Kinhem en het vierde Graafschap daar getekent Wasalanda Comitatus. Ook kan men niet zeggen dat Wasalandt daar eigentlijk voor een vierde gedeelte, en in deze Handtvest voor het geheele Westfrieslandt genomen wordt; dewijl Texla en Kinhem daar neffens hetzelve gestelt worden; dat echter maar gedeeltens van West-Frieslandt zijn. Ook loopt dit rechtdraats aan tegens hetgeen op een ander plaats gestelt word, namentlijk; „Dat Texla (Texel) volgens deeze Handtvest van Keizer Otto den III, een zeer groot Landtschap is geweest, verdeelt zijnde in drie Graafschappen, Wasalandt, Kinhem en Texla, in een nauwer betekenis genomen.” Maar in den Giftbrief, of Handtvest, wordt niet gezegt dat Wasalandt een gedeelte is van Texla, alleenlijk worden deze drie Landen of Graafschappen, in een rang en order, als aan den anderen paalende, neffens malkander gestelt, als gelegen tusschen den Ystroom, en den Yssel, zoo als die boven Texel in de Noordtzee gelopen heeft, en deeze Westelijke Friezen heeft afgescheiden van hen die Oostelijker woonden, en tot het Graafschap van Staveren (Comitatus Stavero) behoorden. Wat meer is, de Heer Alting verdeelt geheel Frieslandt, toen deeze benaming zich het allerverst uitgestrekt heeft, aldus: dat het Westelijke genoemt is al het geen aan deezen kant van het Vlie was, en daarom in de oude Friesche wetten Cisfli genoemt wordt. En daar hij de zeven Friesche Zee-landen optelt, besluit hij het eerste tusschen de rivier Kinnem, of het zeegat bij Petten, en het gat van ’t Vlie, „welk Zeelandt naar zijne gelegentheit,” zegt hij, „en omdat het een gedeelte van het oude West-Frieslandt is, hedendaags den naam van ’t geheel behoudt.” Voorts zegt hij, „dat de naam Frisia Occidentalis, dat is, West-Frieslandt, die zich weleer uitstrekte van het Vlie tot aan de Schelde, naderhandt eigen is geworden aan dat gedeelte, het welk besloten legt tusschen de rivieren Kinnem, den Vliestroom, het Vliemeer, en de Noordtzee, en dat het dien naam behouden heeft, zelfs nadat het door Grave Jan den I aan Hollandt gehecht, en naderhandt door de groote watervloedt van het Graafschap Stavero, en een gedeelte van Texel is afgescheurt.”—Wel is waar, dat het geen in deezen Giftbrief van Keizer Otto aan Grave Diderik geschonken wordt, al het Landtschap Sunnemere, en wat er leit tusschen de Rivieren, dat is, Meeren, Medemelacha en Chimelafara, behoort tot het westelijke Frieslandt; echter volgt daar geenszins uit, dat Wasalandt zoo veel zou zeggen, als West-Fries-Landt; te meer, dewijl in de geheele Handtvest de naam van Friezen, of Frieslandt, niet eens vermeld wordt. De Heer Alting toont wel aan dat Waterlandt (Waterlandia) in latere tijden onderscheiden is geworden van West-Frisia, maar dat bewijs geldt niet ten opzigte van den tijdt wanneer het Handtvest gegeven is: en noch minder volgt daaruit, dat dit eigentlijk gezegde West-Frieslandt, door dit Wasalanda zou verstaan worden.—Om echter de benaminge van Wasalandt stant te doen houden, en te doen gelden boven het wanschikkelijke Masalandt, zegge ik, dat dit woordt zoo veel als Waterlandt, en dat wasa, waze, waes, beteekent water, slijk, modder.
„Nu laat ik het aan eens ieders oordeel en bevattinge, te bepaalen, waar dit Wasalandt moet worden gestelt, vereenigt zijnde en grenzende aan Kinhem en Texla. Wat mij belangt, dewijl ik gisse dat Sunnemere, zoo als de Heer Alting het beschrijft, zich uitstrekte van den Rhijn tot aan den Ystroom; zou ik denken, dat door dit Wasalandt verstaan moet worden het geheele hedendaagsche Waterlandt, en wat er meer is, zoo verre de Purmer, de Beemster en de Schermer zich hebben uitgestrekt, en misschien tot aan de Rivier of liever het Meer Medemelacha toe. Invoege dat deze drie Graafschappen, in den Giftbrief vermeldt, te zaamen uitgemaakt hebben het grootste gedeelte van het hedendaagsche West-Frieslandt, of al wat er besloten is tusschen het Y, de Zaan, de Schermer en de rivier Kinnem van den eenen kant, en den Yssel, boven Texel in de Noordtzee stortende, van den anderen kant.” Ook moet noch de oudtheit van de Handtvest, noch de geloofwaardigheit van Melis Stoke, deeze verbeeteringe, waardoor men Wasalandt voor Masalandt stelt, bij niemand verdacht of minder aanneemelijk maaken; „—aangezien ook in vele andere oude Handtvesten en Gedenkstukken, sommige namen verkeerdelijk zijn opgegeven iets, dat alleen aan de onkunde der Afschrijvers moet geweten worden.”—De Heer Van der Does, heeft de ongerijmtheit van het woordt Masalandt zelf al gemerkt schrijvende aldus: „In den voorgemelden Giftbrief van Keizer Otto is alles klaar en duidelijk, uitgenomen eenige ouderwetsche en versleete benamingen van plaatzen,” enz.
Texel’s oppervlakte, welke daarna meer en meer, door tal van watervloeden, werd verkleind, bedroeg naauwelijks de helft van den tegenwoordigen vlakken inhoud, en bestond behalve uit duinen, schorren, poelen, kreken of slufters, en onbeduidende droogten: uit 28 te zamen vereenigde polderlanden, waarin de Burg, de Hoorn, de Westen, de Koog, het Oude Schild, de Waal en Oostereind gevonden werden.—
Dat het eiland Texel bij de Romeinen bekend geweest zij, is genoegzaam buiten twijfel, ja, het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat dit volk, hier een gewoon verblijf heeft gehouden. De naam en ligging van de voornaamste plaats, den Burg, schijnt zulks duidelijk aan te toonen, en men wil zelfs met zekerheid weten, dat de Romeinsche veldheer Drusus, de stichter van den oorspronkelijken Burg, zoude geweest zijn. De tegenwoordige Hervormde kerk aldaar, staat op een heuvel, vroeger omringd door eene gracht of sloot, de Burggracht geheeten, die vroeger veel breeder schijnt geweest te zijn, en welke heuvel, dezelfde moet zijn, waarop Drusus zijne sterkte bouwde.
Ook zijn in het begin der vorige eeuw, aldaar eenige Romeinsche penningen gevonden, waarvan ik de afbeelding heb gezien; terwijl eene vroeger ontdekte tumulus of begraafplaats, mede als een overblijfsel van de Romeinen beschouwd moet worden, aangezien de daarin gevondene voorwerpen, de duidelijkste sporen, van Romeinsche herkomst met zich voeren.—Ook heeft men voor eenigen tijd, in eenen voormaligen heuvel op Texel, de Sommeltjesberg geheeten, doch die nu geslecht is, en op kleinen afstand oostwaarts van de Waal lag, eenige Romeinsche oudheden gevonden, bestaande in een aantal metalen huisgeraden, waarbij een ketel, in welks binnenruimte een merk en, met kleine letters de naam Mutufiof, als ook metalen, in elkander sluitende lepels, met den naam Adrianus F.
Ook is het zeer waarschijnlijk, dat de Romeinen zich op Texel van levensmiddelen en verdere noodwendigheden voorzien zullen hebben; alzoo het onbetwistbaar schijnt te zijn, dat Texel voormaals veel grooter is geweest. Immers moeten de 40 geduchte watervloeden tusschen 860 en 1170, waarvan de schrijver van het oude Bataviesche Zeestrand, gewag maakt, en die van de jaren 1395, 1400, enz. veel lands aan het eiland ontroofd hebben, terwijl er betrekkelijk het bosch of woud, dat aan de Noord zijde van Texel gestaan heeft, nog valt aan te merken, „dat omtrent veertig jaren vóór dat Junius zijne Batavia schreef, Pieter van Santen, schout van Texel, op het Raadhuis had doen aanteekenen, het getuigenis van eenen Texelaar, die toen honderd en twintig jaren oud was, maar noch wèl te pas en gaauw was, en die heilig, en in alle opregtheid verklaart hadt, dat aldaar in zijnen tijd noch een bosch had gestaan, waarvan, volgens het getuigenis van Junius, noch veele stronken omtrent den jaare 1550, onbeweegelijk in den grond van de zee zaten; waarom de schippers dien hoek vermijdeden; vermits zij, hunne ankers aldaar werpende, dezelve zoo vast in die stronken raakten, dat zij ze onmogelijk konden opwinden, en dus genoodzaakt waren, hunne kabels te kappen6.”—
Ook verhaalt men nog, dat er voor ruim derde halve eeuw, op de hoogte van het dorp de Koog, zoo veel voorland en uiterwaard lag, dat een boer niet meer dan drie vrachten daags met zijn hooiwagen kon halen.—
Van tijd tot tijd is Texel’s oppervlakte echter zeer uitgebreid. De onderscheidene bedijkingen, sedert 1488 tot op dezen tijd, hebben haar zelfs meer dan verdubbeld, zoodat dit eiland, behalve de reeds hierboven bedoelde 28 polderlanden, nog de volgende polders bevat; t. w. Waal-en-Burg, het Grie, Burger-Nieuwland, de Kuil, het Hoornder-Nieuwland, het Weezenspijk, het Eijerland, de Eendragt en de Prins-Hendrik-Polder, terwijl men er vroeger nog den, in 1792 ingevloeiden polder Hoorn-en-Burg had.—
In de bovengemelde lijst van goederen behoorende aan de St. Maartenskerk te Utrecht, blijkt, dat een derde gedeelte van Texel (of zoo als het daar heet, Texle) of, ten minste een derde gedeelte, van hetgeen in Texel tot de kerkelijke schatkist of inkomsten behoorde, der Utrechtsche kerke toekwam, welke in dien tijd door zeker priester Sijbrand, die twee broeders had, Lintraven en Ostraven, uit naam van Utrechts 12n Bisschop, Otbalt of Odibald, bestuurd werd.
In het laatste gedeelte der 10e eeuw, en bepaaldelijk in het jaar 985, werd Dirk III, graaf van Holland, door keizer Otto III, met den erfelijken eigendom van het landschap of graafschap van Texel begiftigd, hetwelk deze graaf reeds vroeger in leen bezeten had; en nu hadden de Texelaren hunne lotgevallen met de Kennemerlanders gemeen.7
Meermalen deelde Texel in de droevige gevolgen van oorlogen en verdeeldheden, en was het ook getuige van krijgstooneelen. Zoo bedwong Graaf Floris in 1182 of 1183, de Friezen op Texel, en ook op Wieringen, hen noodzakende, om hem, bij wijze van brandschatting, 4000 markzilvers, op te brengen. Ofschoon de waarde dezer som thans moeijelijk te bepalen is, is het echter zeker, dat zij, voor dien tijd, zeer aanzienlijk was.—Ten jare 1204, werd Gravin Ada, door Graaf Willem I, in eenen kelder(?) aan den Burg op Texel in verzekerde bewaring gesteld; waarop wij later, bij de plaatsbeschrijving van den Burg zullen terugkomen. In 1288, hadden de bewoners van Texel zich, in verbinding met de Drechter Friezen, tegen de ondernemingen van Graaf Floris V tegen de West-Friezen, verzet, welke aankanting tot in 1289 duurde, toen zij zich aan Floris onderwierpen.
Uit eene oude aanteekening, blijkt, dat Texel als een grafelijk leen in bezit is geweest bij Jan van Henegouwen, Heer van Beaumont, die den bewoners, bij handvest van 1317, alle regten toestond, welke door zijnen broeder, Grave Willem III, bijgenaamd de Goede, aan die van Drechterland en Hoogwouder-Ambacht, vergund waren.8 Naderhand hebben zijne opvolgers uit den huize van Chatillon, Graven van Blois, mede verscheidene voorregten aan de bewoners van Texel gegeven.
In 1383 werd Texel eene vrije jaarmarkt toegestaan, welke gehouden moest worden 3 dagen vóór, en 3 dagen na St. Jan. De plaats van deze markt of kermis, begon aan de Nieuwe Brug en strekte zich van daar uit tot aan Jan Schoemakers Huis.
Ook werd toen bepaald dat, indien iemand zich vergrepen had aan een beest of vogel, niet meer waardig zijnde dan 42 schellingen, de boete ook niet boven die som mogt gaan.
Men mogt toen op Texel vrij visschen en vogelen.
Een getrouwd man kon maar de helft van zijn goed verbeuren.—
Na den dood van Guij van Blois, verviel dit leen aan Hertog Albrecht van Beijeren, omstreeks 1398, in welk jaar den Ouden Hoorn, op Texel, door de Friezen verbrand werd.—In een zeer oud handschrift, vind ik, dat op dit eiland, de volgende ordonnantie, werd bepaald: „De Baljuw, Schout noch Regter mogen tappen; noch aan eenig ingezetene drank verkoopen; geen wijn, van uitheemschen gekocht, binnen Texel te tappen, geen heuschbeden of geld meer te betalen aan nieuwe Ambtslieden; provisoren niemand verder te dragen dan tot hunne Zeenten.—Koorn mag vrij van Texel vervoerd worden.”
Hertog Albrecht, schijnt het leen Texel aan zijne tweede gemalin, Margaretha van Cleve, geschonken te hebben, aangezien men een handvest van haar vindt, van den 9 Junij 1401, dat door meergemelden Albrecht, in datzelfde jaar bekrachtigd werd. Ook bezat zij het na Albrecht’s dood, blijkens een brief, gegeven in Texel, den 1sten September 1405.—Hertog Willem VI, Graaf van Holland, vaardigde den 26sten Maart 1414, naar stijl van den Hove (alzoo in 1415) een besluit uit, waarbij de Texelaars, het poortregt en gelijke vrijdommen als die van Alkmaar bezaten, in welke regten zij dan ook door Schout, Schepenen en Raden der stede Alkmaar, in het jaar 1434 zijn erkend.—Onder anderen, werd bij die verordening bepaald, dat er, „binnen de stede van Texel 13 Schepenen zouden zijn, als: in de Kerszoekingen Den Westen 3 Schepenen; Burgt 4, Waal 3, en Oostereind 3, door den Schout te kiezen Ter Burgt, in de kerke up ten Goeden Vrijdag: goedstijds, voormiddags, bij zijnen eede, van de rijkste, vroedste en redelijkste knapen.”—Voorts dagteekent het bepaald bezit der Mielanden benevens de Wind-Koorn- en Lammertienden, op Texel, mede van 1415, welke regten die van Texel eertijds, onder een erfpacht van 50 nobelen ’s jaars, bezeten hadden.—
Na den dood van Willem IV, heeft zijn weduwe deze regten, welke eenigzins in verval schijnen te zijn geraakt, hersteld. Margaretha van Bourgondië, moeder van Vrouwe Jacoba, heeft de heerlijkheid van Texel in lijftogt bezeten, hetwelk blijkt uit een octrooi, door haar in 1436 gegeven, om den polder van Wal- of Waal-en-Burg, benevens eenige andere nabijgelegen polders te bedijken. De eerste bedijking van Waal-en-Burg dagteekent van den jare 1436. Deze polder brak daarna weder in, en werd andermaal bedijkt in 1612, toen zijnen vlakkeninhoud 700 morgen lands bedroeg.—
Krachtens de bezittingen, welke Vrouwe Margaretha van Bourgondië gehad heeft, vindt men waarschijnlijk onder de privilegiën van Texel, het handvest van Hertog Filips van Bourgondië, wegens den eed, door haar afgelegd aan al de ingezetenen der landen, die hem, na den dood van Vrouwe Margaretha, weder waren aanbestorven.
Genoemde Hertog beloofde, in 1442, voor hem en zijne nakomelingen, de heerlijkheid en het land van Texel in hooge of in lage geregten nooit te zullen verkoopen of vervreemden. De Texelaars verloren echter onder het bestuur van dezen vorst, alle hunne regten en handvesten, naardien zij zich, omstreeks 1426, met de Kennemers9 oproerig en wederspannig jegens hunnen landheer betoond hadden, en zelfs gepoogd hem de stad Haarlem te ontweldigen.
Dit vonnis werd hun echter 30 jaren later, gelijk met het opbrengen van zekere ongewone belasting op de haardsteden, kwijt gescholden en zij weder in hunne vorige regten hersteld.
Zij moesten van elke haardstede 4 grooten’s jaars betalen; benevens andere straffen, breeder vermeld in de sententie tegen hen, gegeven in 1426; terwijl wij ten opzigte van de tienden, welke aan de tiendenaren moesten verstrekt worden, het navolgende lezen:
„Zij zullen ons tienden geven, den elfden schoef: de eigenaar is verpligt als het koorn rijp is, den tiendenaar driewerf te roepen, telkens zoo luid dat men het hooren mag over 7 akkeren: en komt de tiendenaar dan niet, dan mag de eigenaar het koorn uitzetten bij twee van zijne geburen, en den tiende een etmaal houden: na dien tijd er schade aan geschiedende, is de eigenaar niet gehouden tot vergoeding:—Voorts zullen die van Texel ons geven eens vronen schuld, (vroon is vrijdom van alle lasten, schattingen, loon, enz.) ten ware wij hen daarvan verdragen wilden.”10—
De Graven van Holland hadden omstreeks 1415, ter inning hunner renten, aldaar, op Texel eenen bijzonderen Rentmeester.
In 1489, was Claas Korf, Rentmeester, van wien aangeteekent staat, „dat hij onheuslijk zijn voordeel gezocht had, uit eene aanstaande reductie der munt, waarover later, in 1506, zijne erven zijn aangesproken.”—
Ten jare 1442 komt Texel voor, onder de benaming van het gemeene land van Texel, doorgaans het land van Texel geheeten.—Omstreeks dezen tijd werd Keizer Maximiliaan Opperschout11 van Texel, en werd er om de 14 dagen Poortregt, d. i. Regtdag gehouden. Deze verandering is echter spoedig daarna vervangen door eene andere, waarbij bepaald werd, dat er drie maal per week poortregt zoude gehouden worden.—
Jan van Naaldwijk, kennis verkregen hebbende, van de onlusten en opschuddingen, welke omstreeks den jare 1491 in het noordelijke gedeelte van Holland plaats hadden, vond het geraden, zich derwaarts te begeven, ten einde er, zoo het mogelijk ware, eenig voordeel, tot ondersteuning en bemoediging zijner toen verzwakte partij, uit te trekken.—Hij vertrok dan ook werkelijk in Julij van dat jaar, met zijne vloot uit Sluis, landde naar eenen voorspoedigen togt op Texel, hetwelk hij, benevens het eiland Wieringen, bemagtigde.—Hij trachtte al aanstonds deze eilanders te doen begrijpen, dat, in stede van herwaarts te zijn gekomen, om hen leed of schade te berokkenen, hij hier kwam, om hen voordeel en rust te bezorgen, om hen van de zware schattingen te bevrijden, waaronder zij gebukt gingen, en eindelijk, om de rust in het land te herstellen en te verzekeren.—
Hierdoor verkreeg hij dan ook weldra eenen grooten aanhang. Hij hield zich, gedurende het grootste gedeelte van den zomer, op en in de nabijheid dezer eilanden op, en maakte met zijne vloot de Zuiderzee en noordelijke zeegaten, onveilig.—Terwijl eenige zijner partijgangers zich, doch te vergeefs, van de stad Hoorn poogden meester te maken, vond Jan van Naaldwijk gelegenheid, om de hoofden van het zoogenaamden Kaas- en Brood-spel, de behulpzame hand te bieden.—
De bewoners van Texel mengden zich toen ter tijd, nevens die van Kennemerland, in de onlusten, die door het Kaas en Broodvolk gesticht werden, waarover zij naderhand door den Hertog van Saxen zeer gevoelig gestraft werden.—
25 Personen van Texel moesten in het zwart, ongegord, blootshoofds en barrevoets, knielende om vergiffenis voor hunne rebellie te komen smeeken. Al de handvesten des eilands moesten gesteld worden in handen van den Hertog, terwijl deze de straffen aan zich hield, waarmede de tot den vijand overgeloopen eilanders moesten gekastijd worden. Zij moesten zijn huis of kasteel sterk maken (in weerbaren toestand brengen) naar inhoud der brieven, hun door den Raad van Holland toegezonden, terwijl zij daarenboven nog 1000 Andriesguldens, gelijkstaande met ƒ 5000, boete betalen en gedurende twee maanden, aan 25 door hen uit te rusten manschappen, soldij en leeftogt moesten verstrekken, welke manschappen onder bevel van den Schout dienen moesten, om de rust op het eiland te bewaren.—
Naar alle waarschijnlijkheid zullen hun de toen verlorene regten en privilegiën òf te gelijk met de andere Kennemers en Kennemervolgers, òf in Maart 1494, zijn teruggegeven. Althans het regt van wind-, molen- en lammertienden12, dat zij tegen eene uitkeering van 40 Nobelen, van 8 schellingen groete, Vlaamsche munt, ’s jaars in erfpacht bezaten, en welke aan Jan van Borrij, Baljuw of Casteleijn van het slot te Medemblik, waren overgegeven, werden hun in laatstgenoemd jaar weder opgedragen.13
Omstreeks het begin der 16e eeuw, schijnen de zeeweringen op Texel zich in geenen gunstigen toestand bevonden te hebben, althans vinden wij, dat die van Texel, in 1509, aan hunnen landsheer een beklag inbragten, „over de groote gevaren der zee, waartegen eertijds voorzien was geweest door Vrouwe Maria van Bourgondië, die ook hunne oude privilegiën bevestigd had, bij een nieuw privilegie gegeven te Loven, den 28sten Mei 1477; behelzende onder meer de vier Raadsmannen des maandags te kiezen na Palmzondag: 26 mannen ieder rijk 100 nobelen ofte meer: hieruit kiest de Graaf, of de Schout in ’s Graven naam, noemt en beëedigt op Goeden Vrijdag 13 schepenen. De Raadsmannen beëedigd zijnde, kiezen vijf Heemraden, door den Schout te beëedigen: deze stellen keuren op de dijken, sluizen, wateringen en wegen.”—
Zeer rampspoedig was voor het eiland Texel het jaar 1522, toen het door de Geldersche Friezen tweemalen zeer zwaar gebrandschat werd. Deze woeste, op roof en buit verhitte, benden, landden hier in den zomer van bovengenoemd jaar, met eene vloot van 20 sterk bemande schepen, tweemaal aan. De eerste reis vorderden zij eene brandschatting van 8000 Filipsguldens (ongeveer ƒ 40,000, van onze munt.)
Hiermede echter nog niet voldaan, eischten zij spoedig daarop eene tweede brandschatting van 10,000 Filipsguldens (bijna ƒ 50,000.)
Doch niet alleen, dat die van Texel van vreemden overlast te lijden hadden, ook hunne eigene overheid trachtte hen, in 1525, met zwaardere lasten te drukken:
Immers lezen wij in eene oude oorkonde, Anno 1525, het volgende:
„In dit jaar wilde men die van Texel, de nobelen voor molen-, wind- en lammertienden, die zij à 50 Stuivers gewoon waren te betalen, tegen 85 St. berekenen, en dan nog wel met den achterstand van vroegere jaren.”—
Deze verhooging van belasting is echter niet in werking gebragt, aangezien wij lezen:
„doch hun dat kwijtgescholden, en het regt verleend om ten eeuwigen dage te kunnen betalen, de nobel tegen 50 st.;—
„de wind-, molen- en lammertienden bedroeg des ƒ 250 ’s jaars, op Meidag te betalen, zijnde de Meijlanden (waarschijnlijk de Miendlanden) voor lang daar af, en aan de Grafelijkheid getrokken;”—Iets lager staat: „dat die van Texel worden gegund, geoctroijeerd en geaccordeerd, in eeuwigen erfpacht, die windmolens, metten winde, alzoo die ter tijd stonden binnen die voorschreven stede van Texel,—die jaarlixe lammertienden aldaar, en die Meijlanden binnen derzelver stede gelegen: uitgenomen den Waal,—den Holleweg—die Lijmculen—Langewaal en dat Hooiland, gelegen aan de Oostzijde van dat hoppe, langs an Zegendijk, die den Rentmeester van ’s Graven wege doet verpachten.”14
In Maart 1571 deden de Watergeuzen eene landing op Texel, en bedreven er veel moedwil en schade. Zoo verbrandden zij er het huis van den Schout en eene kerk, waarschijnlijk de kerk van het dorp den Westen, en namen bovendien nog eene vloot van meer dan 30 schepen weg.
Dan niet slechts had Texel in den loop der tijden door toedoen van menschen veel schade te lijden, ook het water, dien algemeenen en met reden, zoo algemeen gevreesden vijand van Hollands kusten, benadeelde menigmalen dit belangrijke eiland. Vooral waren het de hooge en geduchte watervloeden van de jaren 1625, 1628 en 1629, die ook hier veel schade veroorzaakten. Den 3den November van het jaar 1638 strandden er op de kusten van dit eiland 85 zeeschepen, met eenen zuidwestelijken storm.—Den 18den December 1660 bleven er van de 155 schepen, 38 voor anker liggen, de overigen strandden of kapten bij tijds hunne kabels. Op het einde van 1683 kwamen eenige oorlogschepen uit Zweden hier voor gaats, en werden door eenen zwaren storm overvallen; daarbij strandden: de Hollandia, van 84 stukken en 450 koppen, het volk gered; de Woerden, van 72 stukken en 350 koppen, waarvan 58 gered, de Tijdverdrijf, van 54 stukken en 230 koppen, waarvan 15 gered, de Prins te paard, van 54 stukken en 230 koppen, allen verdronken; de Leeuwin, van 54 stukken en 230 koppen, allen gered; de Gouda, van 42 stukken en 175 koppen, grootendeels gered, alsmede nog twee oorlogschepen van Enkhuizen en Hoorn en verscheidene koopvaarders.—
Omstreeks eene eeuw later, stelden de Engelschen vele, doch gelukkig vruchtelooze pogingen in het werk, om eene landing op dit Eiland te beproeven. In Julij 1672 namelijk, vertoonde zich eene Engelsche vloot, van 60 zeilen, voor den Helder, met het plan om in Noord-Holland eene landing te doen, en alzoo Amsterdam van de Noordzijde te bedreigen. Zeker was zoodanige onderneming op dien oogenblik ligter ten uitvoer te brengen, dan een paar maanden vroeger, want onze vloot was door gedwongen afdanking zoo schaars van volk en krijgsvoorraad voorzien, dat zij, naar het oordeel van De Ruiter zelven, niet meer tegen den vijand bestand was. Doch, was onze vloot buiten staat om te strijden, ditmaal namen de elementen voor ons den strijd op. Op den dag, welken tot de voorgenomen landing op Texel bestemd was, verhief zich een hevige storm uit het zuidwesten, (anderen zeggen noordwesten) die gedurende drie weken bleef woeden, twee vijandelijke schepen deed stranden, vele andere zwaar beschadigde, en de geheele vloot van de kust deed afdrijven.
Volgens eene latere, vrij algemeen verspreide, en bijna algemeen geloofde volksoverlevering, zoude de mislukking der voorgenomene landing veroorzaakt zijn geworden door eene dubbele ebbe (een niet geheel ongewoon verschijnsel op onze kusten) gevolgd door eenen noordwesten storm.—
In 1756 had in de nabijheid van Texel een voorval plaats, dat zeer veel opziens baarde.
Een Duinkerksche kaper, die zich tot uitoefening van zijne kwade praktijk van een Zeeuwsche poon of Goereesche vischschuit bediende, hield op eenen Engelschen koopvaarder aan, die van New-York naar Amsterdam gedestineerd was, en digt bij het Nieuwe Diep ten anker lag; en dewijl men volstrekt geen vermoeden had op kaperij in eene onzijdige haven, en vooral niet van de zijde eener Zeeuwsche poon of vischschuit, viel den kaper de bemagtiging zeer ligt. De kaper zeilde daarop met het prijsgemaakte schip naar zee, en riep den zoogenoemden praaischipper in het voorbijzeilen toe: „Ik weet wel, dat Frankrijk en Holland het eens zijn.”15
Weldra echter leverde de Engelsche gezant over dit feit zijne klagten bij de Algemeene Staten in, waarbij de prijs in denzelfden toestand, als waarin hij genomen was, werd terug geëischt. De Staten gaven aanstonds aan dien eisch gehoor, en gelasteden hunnen afgezant aan het Fransche hof, Lestevenon van Berkenrode, daaromtrent bij de Fransche regering te onderhandelen, hetwelk, echter niet zonder veel moeite, ten gevolge had, dat het prijsgemaakte schip met zijne lading teruggegeven, en daarmede aan den eisch van het Engelsche Gouvernement voldaan werd.—
In December 1789 hadden er op Texel vele woelingen plaats, ter oorzake eener aanstelling van de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier, waarbij Mr. Gerrit Buijskens, tot Schout en Dijkgraaf van Texel en Baljuw van Eijerland benoemd was. Genoemde Buijskens, in September 1786 door de Gecommitteerde Raden van het Noorderkwartier tot voormelde waardigheden aangesteld, had zich in deze betrekking met allen lof van zijnen pligt gekweten, en was, ofschoon der patriotische zijde toegedaan, in dezelve gebleven, en op het einde van Wintermaand 1787 weder derwaarts gereisd. De heffe des volks uit de gemeente Oostereind,—waarschijnlijk aangemoedigd door de Burgemeesters van de Waal en Oostereind, welke hem als zoodanig weigerden te erkennen, aangezet door zekeren Lammert Dijke, kwam, vereenigd met die van het Oude Schild, en aangevoerd door den schipper van ’s Lands schuit met eenige roeijers op den Burg, van welke plaats Buijskens de Regenten op het Raadhuis deed vergaderen, ten einde naar tijdsomstandigheden een besluit te nemen. Dan, zoodra had echter de zaamgevloeide en niets dan oproer en geweld in den zin hebbende volkshoop dit niet vernomen, of men bezettede den Burg, benevens het huis van den Schout, en sloot alle toegangen zoodanig af, dat men er niet dan met het grootste gevaar uit konde komen. De zaak verkreeg nu een ernstiger aanzien; was het tot hiertoe bij razen, vloeken, schelden en dreigen gebleven, thans kwam het tot dadelijkheden.—Men hieuw met den sabel, men perste geld af, en besloot eindelijk met het openloopen van de huisdeur, waardoor Buijskens eindelijk genoodzaakt werd te besluiten tot de afzegging van de voorgenome vergadering der Regenten.—
Dit geweldig rumoer hield aan tot des avonds zes uren, toen vier personen, welke zich Afgevaardigden of Gecommitteerden van de oproerige volksmenigte noemden, ten huize van Buijskens kwamen, en hem uitnoodigden, zich met hen naar hunne principalen te begeven, verklarende, dat zij, in geval hij zulks mogt weigeren, niet voor het behoud van zijn leven en van dat zijner echtgenoot en woning, te kunnen instaan. Buijskens, door den nood gedwongen, gaf gehoor aan hunne uitnoodiging, en volgde deze zoogenaamde Gecommitteerden naar de herberg De Vergulde Kikkert, alwaar hij voor eene vergadering van 25 man werd gebragt, waarin de reeds genoemde Lammert Dijke het woord voerde. Deze vroeg hem, op wiens bevel en waartoe hij thans op Texel was gekomen.—Het antwoord van Buijskens, dat hij begreep desaangaande aan niemand verantwoording verschuldigd te zijn, dan aan Hun. Edel Mog., deed, zoo als trouwens te verwachten was, niets af. Evenmin het vertoonen van het besluit der Gecommitteerde Raden, waarbij hij in zijne waardigheid was aangesteld. Het opgeruide volk kwam niet tot bedaren, noch verstond reden, vóór dat hij beloofd had, binnen den tijd van drie etmalen Texel te verlaten, en zijn ontslag te verzoeken.—Buijskens begaf zich dien ten gevolge naar Amsterdam, van waar hij aan Gecommitteerden Raden van het Noorderkwartier, een breedvoerig verslag van het voorgevallene toezond.—Dit had ten gevolge, dat deze eene bezending naar Texel afvaardigden, die het gehouden gedrag der Texelaars ten zeerste afkeurde, doch het geraden vond, om, „uit overweging van de volstrekte onmogelijkheid, om hem, Buijskens, in zijnen post te doen voortgaan, zonder het eiland, zoowel als zijn persoon, aan verregaande gevolgen bloot te stellen, en omdat hij uit overtuiging daarvan zijn ambt geresigneerd had,” Buijskens van zijn ambt ontsloeg, waarmede de bewegingen ophielden.—
Ook gedurende de komst en overheersching der Franschen hier te lande, was Texel meermalen getuige van vrij levendige bewegingen.
Dit eiland, dat bij den aanvang van het jaar 1795, door het menigvuldige ijs, op de reede, gedurende eenen geruimen tijd, alle regtstreeksche gemeenschap met den vasten wal moest derven, verkreeg eerst op het einde van Januarij des volgenden jaars, 1796, kennis van de komst der Franschen aan den Helder;—en, alhoewel de Texelaars voor verreweg het meerendeel, bekend stonden, als sterk verknocht aan het doorluchtig Vorsten Huis van Oranje-Nassau, ontbrak het hier, evenmin als elders, aan andersgezinden of patriotten. Groote en luidruchtige vreugde heerschte er bij deze laatsten, toen zij vernamen, „de Franschen zijn tot ons overgekomen”, nu zal het zijn: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, en even als op andere plaatsen, werden ook hier, op alle dorpen van het eiland, vrijheidsboomen geplant. De onderscheidene gemeenten kwamen te zamen, en verkozen hunne eigene volksvertegenwoordigers en regeringsleden. De Schout, Cornelis Theodorus Elout, een man, die in de algemeene achting der eilanders deelde, werd door de burgerij uitgenoodigd om aan het bestuur te blijven, terwijl de Secretaris, Cornelis Maronier, zijnen sedert 1787 verlaten post weder aanvaardde.—Eenige Fransche krijgsgevangenen, die zich sedert November op dit eiland bevonden, herkregen door dezen zamenloop van omstandigheden hunne vrijheid, en deelden met hun gansche hart in de vreugde der Patriotsche burgers van Texel. Deze nu vrijgelaten Fransche krijgslieden werkten zeer mede tot het behoud der goede orde, rust en eensgezindheid der burgerij, terwijl de Chef de Brigade Cantagnelle, inzonderheid door zijne welwillende raadgevingen, de nieuw verkozene volksvertegenwoordigers bijstand bood.
Toen daarop in 1799, tijdens de landing van de Engelschen en Russen in Noord-Holland, de geringe magt, welke zich te dien tijde hier bevond, en die uit omstreeks een 60 tal manschappen bestond, in het laatst van Augustus Texel verlaten had, werd het den 29sten dier maand door de Engelschen, namens den Koning van Engeland en den Prins van Oranje, in bezit genomen. Alle openbare gebouwen werden in beslag genomen en ingerigt tot kazernering van een korps, dat zamengesteld werd uit overloopers en vrijwillige zeelieden, terwijl tevens de burgerij met de inkwartiering van nog andere troepen belast werd.
Door dezen zamenloop van omstandigheden werd de toestand van Texel’s inwoners steeds hagchelijker, aangezien in de behoeften, welke thans grooter dan gewoonlijk waren, bij gebrek van toevoer, niet kon worden voorzien; hier kwam nog bij, dat de Engelschen alles opkochten en naar hunne vloot verzonden. Hierdoor ontstond welhaast zulk eene schaarschte van levensmiddelen, dat er den 15den September geene erwten, rogge noch boter, en slechts voor zes dagen gort aanwezig was. En, ofschoon men op de klagten daarover wel eenige maatregelen tot wering van gevreesd gebrek nam, zoo werden de Texelaars niettemin in de volgende maand genoodzaakt, den Engelschen 840,000 ponden kaas te leveren. Dan, weldra waren de Texelaars van dezen overlast bevrijd, daar de vijand reeds in November ons vaderland, en dus ook Texel, ontruimde.
Ook onder het Fransche bestuur had Texel, boven vele andere plaatsen, zwaar te lijden. De handel, die milde bron van welvaart, ook voor dit eiland, was ten eenemale gestremd, terwijl het, boven de willekeurige opschrijving voor de krijgsdienst, nog genoodzaakt werd tot levering van 120 kustbewaarders, onder Fransche bevelhebbers, wier ongehoorden dwang vele huisgezinnen tot den bedelstaf bragt.
Ook hier pleegden de douanen schandelijke afpersingen en kwellingen, terwijl de meesten der, van tijd tot tijd elkander aflossende, plaatskommandanten, maires, enz., zich door mishandeling, onregtvaardigheid, ja door allerhande verdrukking, als geessels der menschheid deden kennen. Geen wonder voorzeker, dat de brave en vaderlandslievende Texelaars, welke ook hier sedert lang met ongeduld den slavenketen dier ondragelijke overheersching torschten, op het eerste gerucht van der Franschen aftogt uit Amsterdam, en de aldaar en elders ontstane bewegingen, zich ook hier gelden deden. Op den 18den October wapperde dan ook Hollands driekleur van den kerktoren te Oostereind. De Fransche adelaars werden van de huizen der beambten weggenomen; algemeen heerschte vrolijkheid en leven, zonder dat eenige baldadigheid hunne hartelijke en uitbundige vreugde onteerde. Dan, weldra werd Texel’s burgerij, door de strenge maatregelen van den aan den Helder bevelvoerenden Admiraal Verhuell tegen deze vreugdefeiten genomen, genoodzaakt, om Hollands vlag weder te strijken, en de herstelling der weggenomen Fransche standaards toe te laten, waarop eene gedwongene rust ontstond, die tot den 4den December voortduurde, toen het door den evengenoemden Admiraal bevolen vertrek van eenige gewapende schepen, welke tegenover het Oude- en Nieuwe Schild gestationneerd waren, andermaal de gelegenheid openstelde, om tot de hervatting van het bevrijdingswerk over te gaan. Spoedig had zich dan ook te Oostereind en te Nieuwe Schild, een korps van tachtig schutters gevormd, welke zich op de best mogelijke wijze van wapenen voorzien had. Deze vaderlandslievende menigte, heesch andermaal, op beide voormelde plaatsen, de Hollandsche vlag, en trok vervolgens naar het Oude Schild, alwaar men bij hunnen komst mede de vlag van den kerktoren deed wapperen. Na hier eenige versterking te hebben bekomen, trokken zij naar de Schans en hadden den moed, om deze sterkte, welke door eene talrijke bezetting, onder het bevel van een Fransch officier, verdedigd werd, en bezet was met het noodige geschut, ter overgave te eischen.—Hierop kwam de sergeant, Willem Lourens, aan het hoofd van 27 man aan den buitenpost, welke door het afschieten der geweren in de lucht en het geroep van „Oranje boven!” het teeken des vredes en der verbroedering gaven.
Men ondernam echter thans geen verderen aanval op de Schans, maar trok naar den Burg, om ook dáár de vlag der onafhankelijkheid van den kerktoren te doen wapperen.—De zaak erlangde echter den volgenden dag een gewigtiger aanzien. Op den Hoogen berg kwam namelijk een korps van ongeveer acht honderd man bijeen, voorzien van allerhande wapentuig, en gezind, om op dezen dag de bevrijding van Texel te voltooijen. Dit vorderde echter de inneming eener sterkte die, zoo door bezetting als geschut en proviand, zeer wel ter verdediging was toegerust. Men had echter besloten, ook tot dit uiterste te komen, doch overlegde tevens daarbij, dat het raadzaam ware, de plaatselijke regering hiervan vooraf kennis te geven. Deze werkte dit voornemen zeer in de hand, en had zich bereids bezig gehouden met het beramen van maatregelen, ter ondersteuning van dit heldhaftig voornemen. Zij deed het voorstel, om eerst den weg van onderhandeling te beproeven, hetwelk algemeen werd goedgekeurd.
Nu begaven zich eenige gemagtigden naar het fort, welke daar binnengelaten werden en met den Franschen kommandant in onderhandeling traden, hetgeen ten gevolge had, dat des namiddags ten 5 ure een verdrag getroffen werd, waarbij men bepaalde, dat een detachement schutters de kleine poort inhouden, en de bezetting den volgenden morgen met krijgseer zoude uittrekken, om terstond op daartoe geschikte vaartuigen vervoerd te worden. Dit verdrag werd algemeen en met vreugdegejuich goedgekeurd, waarop elk in vrede en rust huiswaarts keerde.
Dan, niet lang duurde deze rust, naardien men ontdekt had, dat de Plaatsmajoor toebereidselen maakte om het fort te laten springen. Kapitein Van Breeningen nam daarop het moedig besluit, om zich van dien trouwelooze te verzekeren, en bragt, zoodra het voornemen van den Plaatsmajoor ruchtbaar werd, alles in den nacht op de been, waarop, na eene nieuwe raadpleging van de overheid met de hoofden van den opstand, geoordeeld werd, dat het verdrag geschonden was. Zij, die de vorige bezending hadden uitgemaakt, werden nu andermaal naar den Franschen bevelhebber afgevaardigd, en eischten nu de overgave der sterkte, op genade of ongenade, daarbij voegende, dat weigering of draling door eenen oogenblikkelijken storm zoude gevolgd worden. De bevelhebber de wettigheid der vordering erkennende, waarbij hij tevens zijn leedwezen te kennen gaf over hetgeen thans gebeurd was, gaf zich daarop, onder betuiging dat hij zijn vertrouwen stelde op eene edelmoedige behandeling, met de bezetting als krijsgevangenen over, aan welk vertrouwen ook beantwoord werd, door hem, op zijn woord van eer, te ontslaan.
De bezetting van het fort door de schutters, en de ontwapening en inscheping van alle Fransche en andere vreemde krijgstroepen nam dadelijk eenen aanvang, terwijl de Plaatsmajoor, die zich in zijne dolzinnige woede steeds weêrbarstig aan alles en jegens allen betoonde, geboeid aan boord werd gebragt. Deze krijgsgevangenen werden alsnu terstond met vaartuigen, waarop eene gewapende wacht was geplaatst, naar Amsterdam getransporteerd, alwaar zij aan den Admiraal Verdooren werden overgeleverd.
Texel, nu geheel van vijandelijke magt bevrijd zijnde, nam Kapitein Van Breeningen, op dringend verlangen der burgers, het opperbevel op zich. De overgeblevene krijgslieden, aan wier keus, vertrek van Texel, of trouw aan het vorstelijk huis van Oranje-Nassau, was gelaten, schaarden zich volgaarne onder zijne bevelen. De onderscheidene punten van defensie werden daarop van de noodige bezetting voorzien, terwijl men elkander trouw zwoer tot in den dood, zoo men van de zijde van den Helder weder met nieuwen dwang bedreigd mogt worden. Spoedig daarop ontving men van Amsterdam de noodige wapenen en ammunitie, waardoor men in staat werd gesteld, om, na verloop van eenige weinige dagen, vijf kompagnieën, te zamen uitmakende een korps van ongeveer achthonderd man, wel uitgerust en volledig gewapend, op te rigten. De Heer Ahlé, die zich bij het geheele bevrijdingswerk door beleid en moed, meer dan gunstig had onderscheiden, nam, als Luitenant-Kolonel, het bevel op zich over dit battaljon, terwijl de gewapende burgermagt gedurende 5 maanden met de meeste bereidvaardigheid het eiland bleef bewaken, tegenover eenen magtigen vijand, die, eerst na verloop van dien tijd zijne geduchte positie verliet. Spoedig daarna keerde de oude orde van zaken terug en werd op Texel niet weder verstoord.
Een ander en nog magtiger vijand echter, verontrustte in 1825 dit eiland, op eene andere wijze.
Neêrland’s gevreesde nabuur, de Noordzee, sloeg bij den stormvloed van Februarij onderscheidene gaten in den Zuiderdijk, zoodat de polder het Grie overstroomde, waardoor ook de binnendijk bezweek en al het land ondervloeide. Een groot geluk evenwel was het voor de eilanders, dat de meesten hunner in de op heuvels gebouwde woningen konde blijven, waardoor ook het meeste vee behouden bleef. Ook voer de reddingsboot, ofschoon met groot gevaar verzeld, gedurig af en aan. Eens, in den nacht, te digt aan de dijkbreuk gekomen zijnde, werd zij door den stroom, veroorzaakt door de eb, bijna naar buiten medegesleept. Met inspanning van vereenigde krachten redde men zich ter naauwernood tegen den binnenkant van den dijk. Een andere keer werd zij door eene onweêrsbui en hoos beloopen, die de boot het onderst boven wierp, en vijf der manschappen overstelpte, zonder dat echter iemand hunner het leven verloor.
Ook de andere zeedijk, digt bij het Oude Schild gelegen, dreigde te zullen bezwijken, doch werd met veel krachtsinspanning bewaard.
1 Sturiërs...... Zij hadden van voren tot grenspalen de Noordzee, van achteren en aan beide zijden waren zij besloten door rivieren, namelijk de Sala of IJsselstroom, die, eer Drusus den Rijn daarin bragt, zich bij het eiland Texel ontlastte, en de Vliestroom. Verder waren zij omringd van het Meer, hetwelk tusschen het eiland Flevo en het verdere strand der Friezen lag, alsook door denzelfden Vliestroom, wederom smaller geworden zijnde: zoodat het voornoemde eiland binnen die palen begrepen was. Enz. (Van der Aa, Aardr. Woordenb.)
2 Zie voorts Aanteekening, in het laatste Hoofdstuk van dit Werk.
3 Zie ook: Het Eiland Wieringen en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.
4 Zie ook: Het Eiland Schiermonnikoog en zijne Bewoners, geschetst door F. Allan. Amsterdam, Weijtingh en van der Haart, 1856.
5 Volgens Dr. Acker-Stratingh, beter de Rekere. Zie ’s mans beroemd werk: Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands.
6 Kerkelijke Oudheden van Noord-Holland, bl. 399, in de aanteekeningen.
7 Wanneer die landstreek, den naam van Graafschap hebbe aangenomen, en welke personen het bestuur daarvoor in oude tijden (vóór Graaf Dirk II) mogen gehad hebben, daarvan is mij, ondanks vele nasporingen tot nog toe niets voorgekomen.
8 Drechterland, is eene landstreek in Noord-Holland, in de nabijheid en omgeving van Enkhuizen.
9 Kennemerland, gedeelte der provincie Noord-Holland, tusschen de Noordzee, Kalandsoog, het oude Westfriesland, benevens Amstelland en Rijnland, gelegen.
10 In 1422 komt voor eene quitantie van den pacht der windmolen ad. 100 gouden Vrancrixe Kroonen.—
11 Mr. Balthazar Huijdekoper, Schepen der stad Amsterdam, en bekend door zijne dicht- en taalkundige werken, is mede Schout of Baljuw van Texel geweest.
12 Naar sommigen willen, behoorden bij de genoemde tienden ook de koorntienden; de lammertienden gingen in op den 1en Mei.—
13 Van die teruggave, zegt zeker schrijver, is nog een spreekwoord op Texel afkomstig. „Nog heden,” beweert hij, „zegt men op Texel, wanneer een jongeling aan een meisje eene eeuwige liefde zweert, als het maar geene Saxische eeuwigheid is, van drie jaren; omdat de Hertog van Saxen de Privilegiën, enz. der Texelaars, die hij voor eeuwig verbeurd verklaard had, reeds 3 jaren later terug gaf.—Geloofwaardige Texelaars hebben mij echter verklaard, genoemd spreekwoord nooit gehoord te hebben.”—
14 In 1562 bestond op Texel nog het gebruik, dat de Eigenaars en Bruikers geen langer eigendom aan de landen hadden, dan van 1 Mei tot den laatsten Julij, wordende na dien tijd alles gemeene weide.
15 In 1779 liep de Amerikaansche Kaperkapitein Paul Jones met twee Engelsche prijzen in Texel binnen. De prijzen werden, hoewel te vergeefs, teruggevorderd; alleen gaf men den bevelvoerenden officier ter reede van Texel in last, om zich met den kaper zoo min mogelijk in te laten. Deze stoorde zich hieraan echter niet, maar bezocht zelfs den schouwburg te Amsterdam, hetgeen zooveel opziens baarde, dat men een straatliedje op hem maakte. Het bekende: „Dáár komt Pauwel Jones aan,” enz., ontleende daarvan zijnen oorsprong.