WeRead Powered by ReaderPub
Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner / in de eerste helft der 18de eeuw cover

Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner / in de eerste helft der 18de eeuw

Chapter 13: REGISTER.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De studie geeft een synthese van het huiselijke en maatschappelijke leven van de blanke bevolking aan de Kaap in de eerste helft van de achttiende eeuw. Ze schetst de koloniale ontginning en benadrukt hoe de handelspolitiek van de Verenigde Oost-Indische Compagnie migratie en burgerlijke vrijheden beperkte. De aankomst en opname van Franse vluchtelingen wordt in verband gebracht met veranderende toelatingsregels. Verder behandelt het dagelijkse huishoudelijke praktijken, sociale verhoudingen, rechtsstatus en plichten van kolonisten, en de werking van bestuurlijke organen en belastingheffing. De tekst combineert beschrijvende bronkritiek met een indeling in hoofdstukken over bewoners, compagniebeleid, huiselijk leven en bestuurlijke organisatie.

79) Mr. J. de Wet, t. a. p.

80) Theal, Belangrijke Hist. Dok. pag. 118.

81) Theal, Chronicles of Cape Comm.

82) Leibbrandt, Requesten or Memorials.

83) Leibbrandt, Requesten or Memorials.


HOOFDSTUK IV.

BESTUURSLICHAMEN EN BELASTINGEN.

Hieronder zal ik enige aanhalingen doen uit schrijvers uit de achttiende eeuw om aan te tonen, hoe het bestuur der kolonie was ingericht, maar eerst wens ik een paar opmerkingen te maken om begripsverwarring te voorkomen.

Het Hof van Justitie, hierna te noemen, behandelde alle zaken met gesloten deuren, er werd nooit mondeling gepleit en de partijen waren volkomen buitengesloten. Alle stukken en bewijzen werden aan twee leden van 't Hof gezonden door de prokureurs, voordat 't Hof bijeenkwam. Die stukken werden dan door alle leden gelezen. De uitspraak geschiedde bij meerderheid van stemmen.

Het vonnis werd door de Griffier (Sekretaris) van 't Hof in 't openbaar voorgelezen, nadat men drie maal op een bel had geslagen om de mensen er kennis van te geven.

De wetten van de Kolonie waren: 1. Het kaapse Plakkaatboek, waarin de wetten stonden, die door Goeverneur en Raden aan de Kaap waren gemaakt; 2. De Statuten van Batavia, een verzameling van wetten, te Batavia uitgevaardigd. 3. De Grote Plakkaatboeken van Holland; 4. Het romeins-hollands recht. Een wet werd na klokgelui bekend gemaakt door de Sekretaris van de Politieke Raad.

Kopieën werden hier en daar aangeplakt. Laat ons nu zien, wat Valentijn van 't bestuur zegt: „Daar is een Polityke Raad, een Raad van Justitie, een vergadering der Weesheeren, een Vergadering van Kleine, een Vergadering van Huwelijkszaaken en een Borgelijke Krijgsraad.

De Polityke Raad, die de aanzienlykste en eerste in rang is, bestaat uit een Heer Landvoogt, Opperkoopman, Fiscaal Independent, Capitein, Pakhuismeester, Dispensier, Soldyboekhouder, en den Geheimschryver, doch in 't jaar 1705 was de Winkelier mede een Lid. Deze Raad vergadert Dynsdags.

De Raad van Justitie bestaat uit die zelve Leden der Compagnies Dienaaren in 't Civiele, doch in Crimineele zaaken is de Fiscaal hier Eisscher, en dan geen Lid; maar buiten de Dienaars der E. Maatschappy, by de welke de Capitein-Lieutenant, Lieutenant, ofte Vaandrig ook wel gevoegt worden, zyn hier ook drie Borgerraaden (anders wel Kaapze Borgermeesters genaamt) Leden van dien, welk Collegie door den Geheimschryver (die eerste Klerk is) gesloten, gelyk die Vergadering doorgaans Donderdags 's morgens gehouden word.

De Weeskamer bestaat hier uit den Tweeden Persoon, drie Dienaars der E. Maatschappy, en drie Leden uit de Borgery (die dit voor 2 jaaren blyven) benevens hunnen Geheimschryver.

Deze bestieren de zaaken der Weezen zoodanig, dat zy niet meer gelden van een Weeze, al bezat hy nog zoo veel, dan hy tot zyn onderhoud van nooden heeft, voor hem, en de rest voor andere Weezen, die niet genoeg hebben om te bestaan, hier uitzetten.”

„De Vergadering van Kleine Zaken bestaat uit een Voorzitter (die alle 2 jaren verandert, en die doorgaans de Capitein, Soldyboekhouder, of Capitein-Lieutenant is) drie Dienaars, en drie Borgers, met hunnen Geheimschryver.

En de Vergadering van Huwelykszaaken bestaat uit den Lieutenant, twee Dienaars en twee Borgers met hunnen geheimschryver.

Die van den Polityken Raad vergeven al de mindere Ampten in den dienst der E. Maatschappy, en ook alle de Borgerlyke bedieningen.

Die van den Raad van Justitie oordeelen in 't Civiele en in 't Criminele oppermagtig, doch van 't eerste kan men zich op de Raad van Justitie op Batavia beroepen84).

„Uit de voornaamste dezer Borgers worden jaarlijks 2 nieuwe Borgermeesters, by 2 oude, die in dienst blyven, door den Gouverneur en Raad, en uit de zelve doorgaans de 3 Borger Raaden van Justitie, en verder ook 3 leden in de Weeskamer, 3 in de Vergadering van Kleine, en 2 in 't Collegie van Huwelijks-zaaken, gekoozen, die gemeenelyk 2 jaaren dienen, en dan door anderen vervangen worden.

Landwaart in op Stellenbosch heeft men een Landdrost, die daar als President sit, en nevens 4 Heemraaden van die volkplanting en 3 van Draakestein, een vergadering van Heemraaden uitmaakt, welke over een somme van 150 guld., en hooger niet, mogen oordeelen, en van waar men tot den Raad van Justitie aan 't Kasteel appelleeren kan”85).

De Politieke Raad werd ook genoemd „de Groote Raad.”

Behalve die door Valentijn opgenoemd, had men ook nog de Kerkelike Vergadering of Kerkeraad.

In de Politieke Raad was de Goeverneur voorzitter en had twee stemmen.

Deze Raad besliste over vrede of oorlog met de Hottentotten. Hij hield ook rechtstreekse briefwisseling met de Heren Zeventien in Europa en met de regering in Batavia.

De Raad van Justitie behandelde alle burgerlike rechtzaken, die tussen de inwoners voorkwamen en verder alle lijfstraffelike zaken.

Als een der twee partijen een Burger van de Kaap en de ander een beambte van de Maatschappij was, of wanneer beide partijen burgers waren, dan riep men de drie Burgemeesters op om bij 't rechtsgeding tegenwoordig te zijn en om mede te stemmen bij 't opmaken van het vonnis. Daar ze echter steeds door het ledental van de Raad in de minderheid waren, betekende dit natuurlik niet veel.

Van de uitspraak van deze Raad kon men, zoals ik boven uit Valentijn aanhaalde, zich beroepen op de Raad van Justitie te Batavia, maar de afstand was groot tussen de Kaap en Batavia en alles ging vreselik langzaam, zodat het niet te verwonderen valt, dat van dit recht van appèl weinig werd gebruik gemaakt.

„Het is beter” zegt een schrijver hiervan, „een weinig kreupel te gaan, dan zich in gevaar te stellen van beide beenen te verliezen om al te ver de geneezing van den gewonden te gaan zoeken.”

Het lagere hof van Justitie of de „Vergadering van Kleine Zaken” bestond uit zeven rechters. De Voorzitter was altijd een van de leden van de Grote Raad. De drie „Borgers” bovengenoemd werden door de Grote Raad verkozen.

Deze kleine Raad hield zich bezig met rechtsgedingen van minder belang, zoals twisten of beledigingen, die niet de aandacht van de Raad van Justitie waard waren.

Evenals de Landdrost en Heemraden van Stellenbosch, bovengenoemd, konden zij alleen oordelen in kwesties, waar het niet ging om een hoger bedrag dan van 150 gld.

Deze Raad was zo zeer ondergeschikt aan de Raad van Justitie, dat zij aan deze verslag moest doen van de allergeringste zaken, die zij behandeld had.

De leden werden om de twee jaar veranderd door verkiezing van de Grote Raad of liever door die van de Goeverneur, aan wie de Burgerraden een dubbeltal van zes medeburgers aanboden. Daarvan werd dan de helft voor 2 jaar benoemd.

Geen huwelik kon gesloten worden, tenzij men eerst voor de kamer van huwelikszaken was geweest. Deze vergadering gaf, na behoorlik onderzoek, de predikant schriftelik verlof om de drie gewone huweliksafkondigingen te doen. Als gedurende deze afkondigingen bezwaren tegen het huwelik werden ingebracht, dan moesten deze ook weer door het huwelikshof worden onderzocht.

Door de weeskamer werden alle zaken betreffende de goederen, het onderhoud en het huwelik van wezen, afgedaan.

Indien een wees wilde trouwen, voordat hij of zij de volle leeftijd van 25 jaar had bereikt, moest de weeskamer daartoe verlof geven. Zonder dit verlof kon het huwelik niet plaats hebben.

Daar de militie in drie troepen was verdeeld, n.l. die van Kaapstad, die van Stellenbosch met Draakestein en die van Swellendam was ook de Krijgsraad verdeeld in drie vergaderingen. Deze krijgsraad nu nam kennis van en beoordeelde alle overtredingen van de krijgstucht.

De vergadering aan de Kaap bestond uit 19, die te Stellenbosch uit 20 en die te Swellendam uit 9 leden.

De voorzitter van de vergadering aan de Kaap was altijd een lid van de Grote Raad en bevelhebber der bezetting en de voorzitters in de twee andere plaatsen waren de Landdrosten.

De overige leden werden genomen uit de oudste Burger-officieren.

De Fiskaal Independent, die ik reeds meermalen heb genoemd, was door de Heren Zeventien naar de Kaap gezonden om, als 't nodig was, krachtig op te komen tegen onrechtvaardige handelingen van de Goeverneur.

Independent heette hij, omdat hij aan niemand dan aan de Heren Zeventien verantwoording schuldig was.

Stedelike zaken werden toevertrouwd aan de bovengenoemde Burgerraden. Deze „Gemeenteraad” bestond uit een President en vier leden en zij zorgden voor het onderhoud van straten, bruggen, wegen enz.

Voor de buitendistrikten had men de Landdrost en Heemraden, die voor deze zaken zorg droegen.

De Landdrost kreeg minstens de helft van alle door hem opgelegde boeten, zodat hier hetzelfde gevaar voor omkoopbaarheid bestond als bij de Fiskaal. Bovendien was zijn salaris zo laag (Zie Hfdst. II), dat de verleiding stellig niet minder was dan bij de Fiskaal.

Hij had 't recht om de burgers te dwingen slaven, wagens en hun eigen diensten beschikbaar te stellen, als hij dat nodig oordeelde.

De heemraden kregen geen salaris. Ze bleven 2 jaar in betrekking en jaarliks traden er 2 af (wat Stellenbosch betreft tenminste). De Raad van Politiek koos dan 2 nieuwe uit een aangeboden viertal.


De belastingen zijn voornamelik te rangschikken onder de volgende hoofden:

1. Tienden van de granen en belasting van 't vee.

2. Aksijns van wijn enz. en andere uit- en invoerrechten.

3. Belastingen geheven van de prijs van verkochte huizen en landerijen.

4. Zegelrecht.

Valentijn zegt, dat een korenmolen, die de regering had, jaarliks 1400 à 1600 gulden opbracht.

De tienden van de granen brachten 14.000 gulden op.

Van een os moesten de Kapenaars, volgens Valentijn, 1 schelling betalen en van elke 100 schapen 1 gulden per jaar en allen in de Tafelbaai gaven 3 Rijksd. klapgeld per jaar, omdat men er een klapwaker of nachtwacht had.

Ik sprak vroeger al over de manier, waarop men de regering bedroog in de opgaven van 't geoogste graan. Tas is naïef genoeg om in zijn dagboek te schrijven op 29 Jan. 1706, dat hij 343 mud rogge had geoogst en er maar 15 aan de Gekommitteerden had opgegeven. En het schijnt, alsof hij meent, dat hij in dit opzicht nog te eerlik is geweest.

Het is dus duidelik, dat de regering niet half de belasting kreeg, waarop ze volgens de wet recht had.

In 1711 waren, zegt Valentijn, voor 't eerst tienden opgelegd door de Heren Zeventien, maar bovendien moesten de burgers jaarliks elf gulden leeuwen- en tijgergeld betalen.

Op 13 April 1711 werd aan de Heren Zeventien gemeld, dat het niet aanbevelenswaardig werd geacht ook tienden van vee te heffen. „De bewoners van Stellenbosch en Draakestein”, zo lezen we, „betalen al hoorngeld, dit is 1 gulden voor 100 schapen en 5 gulden voor groot vee86). Dit geld, dat gebruikt wordt voor het herstellen van wegen en bruggen en ook voor 't geven van premies voor 't doden van wilde dieren, kunnen velen niet eens betalen.”

Datzelfde jaar protesteerden de boeren tegen de toepassing in Zuid-Afrika van de hollandse tiendwet. Want dààr werden de tienden gerekend van 't gemaaide koren op 't land. Maar hier werden de tienden geheven van 't graan dat schoon aan de magazijnen van de Kompanjie werd afgeleverd. Dit verschil in de manier van uitvoeren van de wet maakte de lasten in Zuid-Afrika natuurlik veel groter dan in Holland.

Toen werd in 1712 ook getracht de tienden te verpachten van 't graan op 't land. Maar hier kwam geen bod voor. De pachter zou 't ook duur genoeg gehad hebben voor de moeite van 't inzamelen op zo ver uiteen gelegen plaatsen.

Over de aksijns en de belasting op de wijn heb ik gesproken in hoofdstuk II. Ik heb hier alleen bij te voegen, dat het verpachten van het uitsluitend recht om te tappen elk jaar duizenden guldens opbracht.

Dit was natuurlik ook een belasting, die de Kapenaars en gedeeltelik de vreemdelingen betaalden, daar de pachter wel zorg droeg, zijn pacht plus een mooie winst te maken uit de verkoop van de wijn.

Wat nu de belasting op de verkoop van land betreft, dit:

In 1685 was een nieuwe belasting ingevoerd, die 2 percent bedroeg van de verkoopprijs van land. Als het land echter verkocht werd binnen drie jaar nadat de Kompanjie het had geschonken, moest er 10 percent worden betaald en 5 percent, als dit binnen 10 jaar plaats had.

Over de zegelbelasting, die steeds hoger werd, sprak ik reeds vroeger.

Soms werden behalve deze belastingen ook nog speciale geheven zoals b.v. in 1743, toen men een havendam trachtte op te werpen in de Tafelbaai.

Daarvoor hief men een ekstra belasting van alle Europeanen in Zuid-Afrika.

In ruwe trekken heb ik getracht mijn laatste punt te behandelen.

Voor ik nu deze schets eindig wil ik nagaan, hoe de toestand van de kolonie was aan 't eind van de eerste helft der 18de eeuw.

Jammer genoeg kan die toestand niet als heel gunstig worden beschreven.

Ook in Nederland doorleefde men toen een tijdperk, dat voor de burgerman en de boer alles behalve gunstig was.

In Amsterdam was omstreeks 1730 haast geen huis te krijgen. In 1740 stonden er meer dan 400 leeg en in 1743 bijna 900. Hongersnood en duurte maakten het bestaan zeer moeilik.

De strenge winter en de doorbraken van 1740 deed de ellende ten top stijgen. Men had de handen vol om de behoeftigen te helpen87).

Hulp uit Nederland was dus aan de Kaap niet te verwachten. Eerder zou men in Nederland hulp nodig hebben gehad.

Tot het midden der 18de eeuw had men zoveel mogelik vreemde schepen uit de kaapse havens (Kaapstad en Simonsstad) geweerd, maar toen veranderde dit. Men begon te trachten ze aan te lokken wegens het geldgebrek, dat men had. Men wilde ervan halen, wat er van te halen viel.

De opstand van Estienne Barbier was in 1739 en daarna een argument geweest in Europa om geen kolonisten meer te sturen. Men was bang, dat de kolonie zich onafhankelik zou verklaren.

Maar in 1750, niet het minst door de slechte tijden, die men toen in Nederland beleefde, vroegen de Heren Zeventien, of het niet mogelik zou zijn meerdere kolonisten aan de Kaap te brengen. Doch op 11 Jan. 1751 antwoordden Heemraden van Stellenbosch en Draakestein aan de Politieke Raad, die hun advies in deze zaak vroeg, alvorens de Heren Zeventien te antwoorden, dat er reeds veel te veel europese families in 't land waren en dat ze niet wisten, wat er van hen en hun kinderen zou moeten worden.

Ze voegden hier verder bij, dat uitvoer van produkten van de Kaap behoorde toegestaan te worden, daar dit het enige redmiddel was.

Deze raad werd echter in de wind geslagen.

Zo stond de toestand in 1750. En 25 jaar later, in 1775, na het uitstekende bestuur van Rijk Tulbagh, schreef Sparrman:

„Hoe groot de kolonie ook is, ze kan op 't oogenblik niet anders beschouwd worden dan als een vrij groot, maar zwak en teringachtig lichaam, waarin de cirkulatie van de handel zeer langzaam is; tussen de verder afgelegen delen en het hart of tussen het binnenland en de Kaap is er maar eens per jaar verbinding door middel van gewone wagens.”

De kolonisten plukten nu de wrange vruchten van een honderdjarig wanbestuur. De Kompagnie bediende zich van een stelsel, dat alleen draaglik was onder uitstekende goeverneurs als Tulbagh, maar dat totaal ondraaglik werd als de goeverneur een slecht mens was of geen hart had voor zijn werk.

Had men een reeks van mannen als goeverneurs aan de Kaap gehad in de eerste helft der 18de eeuw zoals Vader Tulbagh, dan zou de toestand in 1750 die geweest zijn van een der bloeiendste kolonies van de wereld waarschijnlik.

Maar nu was het te laat.

De gouden tijd, die twintig jaar lang het hart van de kolonisten mocht verheugen, was voor goed voorbij, toen de burgers in duizenden samenstroomden om de Landsvader naar zijn laatste rustplaats te geleiden.

En de oude misbruiken, die onder Van Plettenberg weer snel voortwoekerden, waren slechts een herhaling van wat altijd aan de Kaap was vertoond.

Het was duidelik, dat de oude worm nog steeds aan het hart van de boom vrat.

Omstreeks 1770 was de Kompanjie eigenlik al uitgeleefd, maar ze sleepte haar bestaan nog een vijf en twintig jaar voort als een stramme, afgeleefde grijsaard. En toen eindelik de franse troepen Nederland overstroomden, verdween ze en „ging heen, zonder begeerd te zijn.”


84) Valentijn, Deel X. pag. 39.

85) Valentijn, Deel X. pag. 50.

86) Valentijn was dus verkeerd ingelicht, toen hij sprak over een schelling per os.

87) Blok, Gesch. Ned. Volk. VI. pag. 139.


LIJST VAN WERKEN BIJ HET SAMENSTELLEN VAN DEZE STUDIE GERAADPLEEGD.


REGISTER.