De tuin stond onder scherp toezicht, maar het grote euvel der maatschappij, de omkoopbaarheid van haar ambtenaren, had zich zelfs onder de slaven verspreid.
Ziehier wat Valentijn zegt67):
„Maar men mag niet het allerminste afplukken, waar op swaare straffen staan gelijk er ook doorgaans over al zeer veel spions van slaven zyn, die daar net op weten te passen. Ook hoort men zeer zelden daar af en als dat bij ongeluk al eens geschied koopt zulk een onvoorzigtige dit liever met een steekpenning aan die slaaven te geven, af, dan dat hy sich voor de verbolgentheid en gramschap van den Thuinier of van den Heer Gouverneur, bloot zou stellen.” Voor druiven was dit verbod niet overal even streng als in de tuin van de Kompanjie naar het schijnt, want hij vervolgt op bladzijde 22 van genoemd werk: „Men mag van de zelve, als men in een wijngaard is, zooveel als men er begeert om niet eten; doch de bossen, die men mede neemt, moet men betaalen.”
De zorg voor de bomen en de moeite, die men nam om de aanplant te bevorderen en de vernieling ervan tegen te gaan, blijkt echter overal en steeds even groot te zijn geweest als in de tuin te Kaapstad.
Simon van der Stel had 16.000 eiken op de Tafelberg geplant. En hoewel er 4000 door bavianen vernield werden, groeiden de andere goed, zodat bij het eind van zijn bestuur in 1699 sommige reeds 36 voet hoog waren68).
W. A. van der Stel volgde in dit opzicht het voetspoor van zijn vader. In 1700 zond hij 12.000 jonge eiken naar Stellenbosch en 8000 naar Draakestein.
Ds. Hercules van Loon zou het oppertoezicht hebben over 't planten. Maar de burgers zorgden er niet goed voor.
Niet alleen, dat ze er weinig zorg aan besteedden, maar de boomen werden opzettelik vernield of voor brandhout gebruikt69). Van der Stel zag zich daardoor genoodzaakt weer de oude strafbepaling van 40 jaar te voren in 't leven te roepen, waarbij aan iemand, die een tuin of boom beschadigde, 12 maanden dwangarbeid werd opgelegd.
De boomaanplant bleef echter zeer langzaam gaan. De boeren verontschuldigden zich door te zeggen, dat er zoveel vogels in de bomen woonden, die veel schade aan 't koren deden.
De straffen bleven daarom steeds zwaar, want men moest hout hebben en wilde dus de burgers dwingen om, als ze dan zelf geen bomen plantten, tenminste die aanplanting niet te doen mislukken70).
Het gebeurde eens zelfs, dat men zo weinig hout had, dat er niet genoeg was om de kruiwagens van de Kompanjie te herstellen, die daaraan dringend behoefte hadden.
Van Mauritius had men lange tijd veel hout gekregen, maar in 't begin der achttiende eeuw had men daar met allerlei tegenspoeden te kampen.
Orkanen vernielden veel bomen en ontsnapte slaven staken vaak de gebouwen van de Kompanjie in brand.
Het valt dus niet te verwonderen, dat het aankweken van bomen een levenskwestie werd.
Kolbe verhaalt, dat een rijk burger een dienaar van de Kompanjie had weten over te halen hem wat eikenloof te bezorgen.
Deze burger moest zelf een boete van 125 rijksd. betalen en de dienaar werd levenslang naar Robben-eiland verbannen.
In 1740 werd zelfs de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger twee jaar als veroordeelde in ketenen op de openbare werken zou moeten arbeiden.
De aanbrenger, wiens naam geheim werd gehouden, kreeg een beloning van 20 rkds.
Deze straffen zijn buitensporig zwaar in onze ogen, maar we moeten niet uit het oog verliezen, dat de manier van straffen van die dagen in het algemeen heel wat verschilde van die van onze tijd.
Sommige van die straffen zijn trouwens ook heel zonderling.
Zo lezen we, dat in 1739 een bootsman had gevloekt. Waarschijnlik stond dit feit niet op zich zelf. Ten minste de zeelieden van die tijd moeten dan wel veel deugdzamer geweest zijn dan de tegenwoordige. Maar in elk geval deze vloeker werd gehoord door iemand, die daar dadelik een aanklacht over indiende. Nu werd hij veroordeeld om drie achtereenvolgende Zondagen bij de ingang van de kerk te staan met een bord met het opschrift „Godslasteraar” op zijn borst.
Ik ben geneigd aan te nemen, dat, als de kerkgangers de woorden hadden kunnen verstaan, die hij onderwijl dacht, maar niet uitsprak, het getal van drie Zondagen met verscheidene zou vermeerderd zijn.
Zodra men zich vergreep aan de goederen van de Kompanjie zelf, werden natuurlik de strengste straffen toegepast.
Toen b.v. in 1737 verscheidene schepen van de Kompanjie strandden en bijgevolg veel wrakgoed aanspoelde, werd ieder, die men betrapte op het meenemen van die goederen van het strand, zonder enige vorm van proces opgehangen. Voor dit doel had men opzettelik enige galgen op het strand opgericht.
Voor de onhandelbare jeugd had men eveneens een paardemiddel.
Zo werd op 15 Oktober 1720 door Jan Nel, diaken van Stellenbosch, aan de overheid een rekwest gezonden, waarin hij klaagde over de stoutheid van een jongen van 12 jaar, die door de schoenmaker, bij wie hij in de leer was, niet getemd kon worden. Hij vroeg dan ook eerbiedig om dit jongmens voor enige tijd aan boord van een schip te brengen71).
Nu geloof ik niet, dat men uit het bovenstaande mag afleiden, dat er van de zeelieden van die tijd zulk een uitstekende invloed uitging, maar het dikke pektouw zal waarschijnlik de grote deugdvormer zijn geweest.
Deze aanvraag staat volstrekt niet op zich zelf. Ik heb ook op andere plaatsen voorbeelden gevonden van toepassingen van soortgelijke vonnissen.
Men moest echter wel trachten goed te maken door overmatig strenge straffen, wat men aan politie-kontrôle te kort kwam.
Onder Simon van der Stel had men reeds een burgerwacht gehad, die 's nachts de stad patroeljeerde en op 't eind der 17de eeuw werden ook in Stellenbosch en Draakestein veldwachters aangesteld, maar de uitgestrektheid van de kolonie was te groot om een behoorlik toezicht uit te oefenen.
De ongelukkigen, die in handen der Justitie vielen, moesten daarom boeten voor degenen, welke ontsnapten.
Een merkwaardig kenmerk van de straffen van die tijd is hetzelfde, dat helaas nog zoveel hedendaagse straffen dragen, n.l. dat ze zo weinig het karakter hebben van een goedmaken door arbeid voor de gemeenschap, wat de misdadiger tegen die gemeenschap heeft misdreven.
Het brute uitblussen van het leven van het individu of het verminken, waardoor het in het eerste geval geheel en in het tweede geval vaak gedeeltelik voor arbeid ten behoeve van de gemeenschap werd ongeschikt gemaakt, was zeer algemeen.
Een uitzondering hierop maakten de verbanningen naar Robben-eiland, waar de dwangarbeiders b.v. een zeer nuttig werk deden door het branden van kalk uit de zeeschelpen (Valentijn).
Stavorinus zegt, dat op datzelfde eiland veel kalksteen werd gehakt voor Kaapstad.
Nu we ons bezighouden met de straffen, die op misdadigers werden toegepast, zal het zeker niet ondienstig zijn een paar woorden te wijden aan het stelsel van slavernij, dat voor veel van de misdaden verantwoordelik was.
Wij zijn in de twintigste eeuw allen te zeer overtuigd van het schandelike van slavernij en van de slechte invloed, die hij op de maatschappij heeft, dan dat het nodig zou zijn, dit hier in den brede te betogen.
Ik zal me dus bepalen tot enkele grepen uit het leven der slaven aan de Kaap in die tijd.
De maatschappelike positie van de slaven was in de eerste tijd van de nederlandse volksplanting ver van slecht. Integendeel.
De kolonie was eigenlik bijna zonder slaven begonnen. In 1657 bestond de hele bevolking uit 134 personen, vrouwen en kinderen meegerekend en er waren maar 8 slaven. In 1658 echter nam een hollands schip „de Amersfoort” een portugees slaveschip en bracht de overlevende slaven van dat schip aan de Kaap.
Van Riebeeck had reeds de Heren Zeventien gevraagd om slaven, maar de eerste troep kwam er op bovengenoemde manier.
Er werd in die tijd geen onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen om de kleur alleen. Huweliken tussen Europeanen en vrijgemaakte slaven van zuiver ras waren verboden, maar blanken mochten wel trouwen met vrijen van gekruist ras. Dit bracht natuurlik, vooral in de eerste tijden, toen het getal der kolonisten nog zo klein was, grote voordelen mee. Bij het bouwen van het fort en in 't algemeen ten opzichte van de verdediging tegen de inboorlingen voornamelik was het gewenst zich zo sterk mogelik te maken. Men legde daarom in die tijd een heel andere maatstaf aan dan honderd jaar later. In Van Riebeecks tijd plaatste het Kristen-zijn blank en zwart op dezelfde lijn.
Andere maatregelen uit die tijd wijzen er eveneens op, hoe bang men was voor de inboorlingen.
In 1677 werd b.v. de doodstraf gesteld op 't verkopen van geweren of ammunitie aan Hottentotten. Zelfs was het een strafbaar feit de Hottentotten in geld te betalen voor hun werk, zogenaamd omdat ze er de waarde niet van kenden, maar eigenlik, omdat ze met geld zich misschien gemakkeliker geweren enz. konden aanschaffen. Het was eveneens verboden om ze te betalen in halfbloed schapen, omdat men dan niet kon nagaan, welke dieren van hun kudden door hen waren gestolen en welke niet.
Dit laatste is volkomen te begrijpen.
In 1691 waren er ongeveer 50 vrije negers in de kolonie en zij hadden dezelfde politieke vrijheden als de Europeanen.
Watermeyer zegt ook: „In het grootste deel van de eerste eeuw van het hollandse bewind was het leven van de zwarte even heilig als dat van de blanke en de wreedheden, waarvan wij huiveren, van mensen, die op Bosjesmannen jacht maakten als op wilde beesten, kwamen niet voor dan in het einde van de achttiende en in het begin van de 19de eeuw.
Van de stichting van de kolonie tot 1750 waren zulke enormiteiten nauweliks bekend.”72)
Thunberg verhaalt, dat een slaaf over zijn meester kon klagen tegen de Fiskaal en dat dan de meester vaak boete moest betalen. Een slaaf kon echter overigens geen getuigenis geven en was altijd te onderscheiden van een vrijgelatene, doordat de laatste kousen, schoenen en een hoed droeg, terwijl de slaven dit niet mochten doen73).
Kinderen, die in 't slavehuis der maatschappij geboren waren, moesten volgens de wet van 1721 gedoopt worden. De opzichter en bij diens afwezigheid de zieketrooster moest peet staan en de kinderen moesten naar school en kerk worden gezonden. Op die manier werd hun de weg naar vrijheid opengesteld. Want één der voorwaarden daarvoor was ook, dat ze Kristenen moesten zijn.
Natuurlik betekende dit niet, dat ze in elk opzicht, ook voordat ze vrij waren, behandeld werden, zoals een werkgever tegenwoordig zijn arbeiders behandelt.
Zo vind ik b.v. in het „Journal” opgetekend op 19 Des. 1705, dat het ondeugdelike vlees zou worden afgekeurd en aan de slaven zou worden gegeven.
Die konden er zich dus ziek aan eten, maar toch zal deze maatregel, al was 't alleen maar uit eigenbelang, niet altijd toegepast zijn. Men waagde een te grote som geld door het leven van een slaaf in gevaar te brengen.
In 1698 kostten, volgens Leguat, negerslaven van 60 tot 80 rkds.
Drie kwart eeuw later schijnen ze al enorm in prijs te zijn gestegen. Want Sparrman zegt, dat een slaaf die goed mennen en rijden kon 500 Rkds. kostte. Een, die pas van Madagascar kwam, kostte van 100 tot 150 Rkds.
Het gewone voedsel der slaven bestond uit rijst en vooral uit veel vis. Dat was een zeer goedkoop voedingsmiddel, daar b.v. onder W. A. van der Stel steeds een gedeelte der slaven bezig was om vis te vangen voor hun lotgenoten. Dit kostte de eigenaar niets.
Het schijnt, dat men gedurende de eerste halve eeuw wel wat al te gereed is geweest om slaven de vrijheid te geven, wat echter geen gunstige gevolgen had. Meestal waren het mensen, die uit zich zelf nooit aan 't werk gingen dan in de uiterste nood en voor wie vrijheid synoniem was met nietsdoen.
Toen men dit inzag, moest men tegen de vagebondérende vrijgemaakten natuurlik maatregelen nemen.
In 1708 trad Cornelis Joan Simons, officier van de vloot, op als hoge kommissaris. Hij paste aan de Kaap toe het indiese gewoonterecht, dat geen volbloed negerslaaf mocht vrijgemaakt worden, zonder dat de eigenaar de zekerheid gaf, dat de vrijgemaakte persoon niet binnen 10 jaar ten laste van 't armefonds zou komen.
Was dit het geval toch, dan geraakten ze ipso facto weer in slavernij.
Een eigenaardige manier van vrijwording, die de trots der Nederlanders op hun vrijheid aan 't licht brengt, was deze: Als een slaaf als bediende meekwam naar Nederland, was hij vrij, zodra hij landde. Het feit alleen, dat hij op de vrije bodem van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geweest, was genoeg om hem van alle banden der slavernij te verlossen.
De invloed van de slavernij op de bevolking aan de Kaap is niet gunstig geweest en dit is al vroeg, doch niet vroeg genoeg, ingezien.
Op 25 Februarie 1743 betreurde Van Imhoff het in zijn memorandum, dat in 't begin niet meer blanken waren uitgezonden. Zij, die er waren, hadden een afkeer van handearbeid gekregen. De invoer van slaven had hen steeds in hun luiheid gestijfd.
Blanke handwerkslieden eisten buitensporige prijzen voor hun werk. Metselaars en timmerlui kregen dikwels een rijksd. of 9 schellingen per dag boven de kost en werkten dan nog zo langzaam, dat ze in een bepaalde tijd slechts de helft van het werk deden, dat hun Europese kollega's in die tijd afmaakten.
Op de boerderijen waren blanke arbeiders eenvoudig niet te krijgen, hoeveel geld men ook bood.
In 1716 reeds schijnen de Heren Zeventien min of meer gevoeld te hebben, dat er iets niet in orde was, ten opzichte van de werkkrachten, want ze vroegen uitdrukkelik aan de Politieke Raad, wat hij beter achtte, de invoer van Europese arbeiders of die van slaven.
Er was, helaas, echter maar één lid, dat toen toonde helder genoeg van blik te zijn om te zien, dat alleen europese arbeiders een kolonie konden vormen. Aan de kortzichtigheid van de andere leden is het te wijten, dat de toestand toen niet verbeterd is.
Behalve de slaven speelden de Hottentotten een grote rol als werkkrachten.
Op de boerderijen gebruikte men meestal rondtrekkende Hottentotten. Ze gingen van plaats tot plaats om 't koren zo spoedig mogelik te maaien. Kolbe zegt, dat dit nodig was, daar de Z.O. wind anders daaraan veel schade kon toebrengen74).
Daar deze Hottentotten dus veel met de boeren omgingen, leerden ze spoedig Hollands. Leguat verhaalt, dat in 1698 alle Hottentotten, die hij ontmoette, reeds Hollands spraken.
Behalve voor het werk op de boerderijen, werden de Hottentotten verder voor allerlei huiswerk gebruikt.
Na de eerste pokke-epidemie in 1713 werd dit echter geheel anders. Daar deze ziekte in 't slavehuis van de Kompanjie was ontstaan, meenden de Hottentotten, dat de Hollanders hen betoverd hadden en de weinigen, die niet ten prooi vielen aan de ziekte, trokken weg. Daardoor was er plotseling een groot gebrek aan bedienden ontstaan en de prijs der slaven steeg aanmerkelik.
Gelukkig kregen in 1714 van 150 tot 200 soldaten van 't garnizoen verlof om bij de boeren in dienst te treden. Dat maakte het gebrek aan Hottentotten enigszins goed.
Behalve deze verschillende werkkrachten werden volgens Mrs. Trotter ook Chinese veroordeelden, die uit Indië waren gezonden, als metselaars en steenbakkers gebruikt aan de Kaap.
Dat de Hottentotten zeer in trek waren als werkkrachten is niet te verwonderen, als men in aanmerking neemt de goedkoopte van hun arbeid.
Valentijn zegt ervan: De Hottentotten krijgen als loon alle week een stuk tabak „mitsgaders spijs en drank (hoewel sommige van hen vreeselijk veel konnen eeten)”. Na verloop van een jaar kregen ze nog een „keten van kopere koralen” en een speenlam75).
Uit de opmerking over 't eten van de Hottentotten schijnt men te mogen opmaken, dat Valentijn meende, dat ze een biezonder grote weldaad genoten, als ze de kost kregen voor hun werk.
Barrow deelt mee, dat een os of een paar koeien of een dozijn schapen ter waarde van 40/- of 50/- het gewone loon van een heel jaar was, doch dat de boeren dan dikwels een bedrag voor tabak en brandewijn van dezelfde grootte van de Hottentot te vorderen hadden76).
Maar Barrow is.... Barrow en een zeer grote mate van voorzichtigheid is altijd aan te raden bij het aannemen van zijn mededelingen als die kans hebben de reputatie van de hollandse kolonisten aan de Kaap te benadélen.
Hoe welwillend de regering tegenover de Hottentotten stond, moge ten slotte uit het volgende blijken: In 1701 kreeg een troep soldaten bevel om te trachten de Bosjesmannen te achterhalen en van hen 't gestolen vee terug te krijgen. Daarbij werd uitdrukkelik bepaald, dat dit vee dan aan de eigenaars zou worden teruggegeven, wie ze ook zijn mochten.
Blanken en Hottentotten genoten in dit opzicht volkomen gelijke bescherming.
Ten slotte een enkele opmerking over een der middelen van bestaan in Kaapstad.
Vroeger heb ik er op gewezen, dat de Heren Zeventien vreemdelingen volstrekt niet met gunstige ogen zagen aankomen in de Kaap.
Vandaar dan ook, dat het kaapse Goevernement niets wou verkopen aan vreemdelingen, maar zij mochten vrij in herbergen komen en ze konden groenten, varkens en gevogelte kopen van de burgers en soms zelfs sloten de autoriteiten, als de Kompanjie ten volle voorzien was, de ogen voor de verkoop van vee.
Dat deze verkoop nog al wat te betekenen had voor Kaapstad blijkt uit de volgende cijfers:
Tussen 1652 en 1700 kwamen er gemiddeld jaarliks 40 schepen (33 nederlandse, 4 engelse en 3 andere) aan de Kaap.
Gemiddeld hadden die 147 man aan boord en ze bleven van 2 tot 3 weken op de rede liggen. Er kwamen dus jaarliks aan de Kaap meer dan 5000 vreemdelingen, die voedsel nodig hadden gedurende hun verblijf en ook gewoonlik heel wat mee op reis namen.
Het aantal schepen, die in Kaapstad aanlegden, steeg voortdurend, zodat er gedurende de eerste helft van de 18de eeuw jaarliks zelfs 75 schepen (57 hollandse, 15 engelse en 3 andere) het anker uitwierpen.
Ten gevolge van de ongunstige jaren 1714 en volgende werd in 1720 een plakkaat uitgevaardigd, handelende over de verkoop van vlees aan vreemdelingen en in Februarie 1723 kwam er zelfs een uitdrukkelik verbod om vers vlees en groenten te verkopen aan vreemdelingen onder straffe van deportatie naar Europa en een boete van 350 rijksdaalders. Men wist het plakkaat echter zo te verklaren, dat het scheen in te houden, dat er eerst verlof van de Raad moest verkregen worden. Voor de verkoop aan engelse schepen, die de beste klanten waren, kreeg men altijd verlof, zodat het met dit plakkaat ging als met zoveel andere van de Kompanjie: Ze werden eenvoudig behandeld als scheurpapier.
Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik spreken over enkele kerkelike zaken aan de Kaap.
Het spreekt vanzelf, dat ik me in dit opzicht ook weer zal moeten beperken. Trouwens de boeken van Spoelstra en Dreyer, die speciaal over dit onderwerp handelen, geven zulke uitvoerige inlichtingen, dat het onmogelik zou zijn veel nieuws te vertellen.
Ik zal ook niet in allerlei biezonderheden treden, maar alleen enkele grepen doen.
In de allereerste plaats dan wijs ik op de positie der predikanten. Ook in dit opzicht kan ik de Kompanjie niet bewonderen.
Ze had zich het recht voorbehouden Predikanten te benoemen en aan te stellen voor de Kaap zonder beroep door Gemeente of Kerkeraad.
Dit had natuurlik bedenkelike zijden, vooral in betrekking tot de geestelike verstandhouding tussen herder en gemeente.
Een andere schaduwzijde van deze wijze van benoeming was, dat de predikanten geheel behandeld werden als dienaren van de Kompanjie niet alleen, maar zich zelf ook in de meeste gevallen als zodanig gedroegen. Dat wil zeggen, dat ze meestal fel tegen de boeren gekant waren, als die de ambtenaren aanvielen, want ze beschouwden dit ook als een aanval op hen. Dit kon natuurlik niet meewerken om een goede verhouding tussen hen en hun gemeentenaren in 't leven te roepen.
Trouwens innigheid bestond tussen predikant en gemeente heel weinig. Als een predikant in Kaapstad een bezoek bracht aan zijn parochianen, dan ging de schoolmeester vooruit om de mensen te waarschuwen77). Er moest altijd een kloof blijven gapen tussen herders, die zich zo gedroegen en de schapen, aan hun zorg toevertrouwd.
Mr. J. de Wet zegt78):
„De Kerk werd altijd zoo zeer als een deel van het geheel van 's Compagnies bestier alhier beschouwd, dat aan de Predikanten of Leeraars daarvan even als aan alle andere beambten hun standpunt in de toen aangenomen klassen of rangen, onderscheiden in opperkooplieden, kooplieden en onderkooplieden door de wet werd aangewezen!
Ieder Predikant zou gemeten worden naar den rang van onderkoopman en als zoodanig gerechtigd zijn tot de voorrechten aan die rang verbonden.”
De geesteliken vatten in veel gevallen hun bediening op, of het een wereldlik ambt was en beschouwden zoals de meeste ambtenaren van de Kompanjie, de Kaap slechts als een doorgangshuis naar een betere betrekking.
Dit had ten gevolge, dat de meesten hier zo kort mogelik bleven. Zo had men eens in één jaar drie keer een nieuwe predikant in Kaapstad79).
Ik zal niet spreken over de verschillende stichtingsjaren van de kerken in de verschillende plaatsen, evenmin als over de pogingen, die de Hugenoten deden om hun taal te behouden. Ik wil alleen konstateren, dat de mening, dat de Heren Zeventien hun best hebben gedaan om het Frans te doen uitsterven in de kolonie, geheel verkeerd is. Het stierf een natuurlike dood door het feit, dat de Fransen maar één zesde van de totale bevolking uitmaakten. Het Hollands verdrong het Frans zelfs, zó volkomen, dat Le Vaillant opmerkt als een biezonderheid, dat hij op zijn reizen slechts één zeer oude man vond, die nog Frans verstond. Dat was ruim drie kwart eeuw, nadat de Hugenoten in Zuid-Afrika geland waren.
Men weet, dat er zeer weinig kerken aan de Kaap waren en dat het ook lang duurde, eer nieuwe gemeenten gesticht werden. De eerste halve eeuw was bijna om, voordat Roodezand (1743) en Zwartland (1745) hun kerk kregen. Dat betekent dus, dat bijna 100 jaar na de stichting van de volksplanting er in de hele kolonie nog maar 5 kerken waren. En de zesde kwam er niet vóór 1792. Dat was die te Graaff-Reinet.
Het spreekt dus vanzelf, dat de kolonisten in de meer afgelegen streken van de kolonie zo goed als geheel van geestelike hulp verstoken waren.
Daarom ging van tijd tot tijd een der Predikanten „op trek” naar de eenzame boereplaatsen om de daar wonende landlieden te stichten en hun kinderen te dopen.
Als dan de predikant op een boereplaats was, ging het gerucht daarvan gauw in de omtrek rond en de boeren uit de buurt kwamen naar de plaats, waar hij was.
Het is evenwel te begrijpen, dat de afstanden het onmogelik maakten, dit verscheiden keren per jaar te doen.
Ondanks het feit echter, dat er zo weinig kerken waren, werd er, trouwens volkomen in de geest van de tijd, nauwlettend gewaakt, dat geen leer, die afweek van de Nederduits Hervormde, zou gepredikt worden.
De geschiedenis met George Schmit van de moraviese Broeders in de eerste helft van de achttiende eeuw, is bekend.
Het duurde zelfs tot 1792 eer deze stille, vrome werkers een kerk konden krijgen.
Ook de Lutheranen werden zoveel mogelik gehinderd in de uitoefening van hun godsdienst.
In 1742 zonden ze een rekwest in om vrijheid te krijgen tot het aanstellen van een predikant. Dit werd niet toegestaan. Eindelik, na jaren lang gesmeekt te hebben om vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst, kregen ze die, maar men mengde die honing met gal, door te bepalen, dat de lidmaten van die kerk voortaan niet meer zouden mogen bevorderd worden tot de eerste posten van aanzien80).
De lutherse en moraviese godsdienstoefeningen mochten wel gehouden worden in private huizen, maar zelfs dan mochten geen sakramenten worden toegediend. In die tijd meende men, dat men door zulk een bepaling al buitengewoon verdraagzaam was.
De Lutheranen hadden zich eenvoudig te schikken en trachtten zich te troosten, door telkens, als er een deens schip in Kaapstad kwam, de geestelike te verzoeken aan land te komen om hun de godsdienst van hun vaderen te prediken.
Zonderlinge toestanden werden geboren door de onverdraagzaamheid der mensen, die voor vrijheid van geloof hadden gestreden en geleden.
Zo waren in 1674 enige Katholieken in de kolonie komen wonen. Zij wilden hun kinderen laten dopen. Daar er natuurlik geen katholieke geesteliken in de kolonie waren, moest dit in de hervormde kerk gebeuren. Dit was echter nog niet genoeg, want de doopheffers mochten alleen dàn Katholieken zijn, als de ouders eerst getracht hadden om peten van het ware hervormde geloof te vinden en daarin niet geslaagd waren81).
Maar zelfs hun eigen geloofsgenoten werden door de predikanten van die tijd met scherpe blik in hun gangen gevolgd.
Zo werd op 8 Okt. 1743 een aanklacht wegens ketterij ingebracht tegen de zieketrooster Van Dijk. Zijn ketterij bestond hierin, dat hij het waagde voor de vuist te preken en niet het „Onze Vader” altijd bad in de dienst.
En hij was ook op vriendschappelike voet met de Hernhutters82).
Deze drie punten waren reeds voldoende om hem in staat van beschuldiging te stellen.
Ik eindig dit hoofdstuk met een aanhaling uit een rekwest van de kerkeraad van Draakestein in 1719.
Daar de kerk bijna klaar was, vroeg deze kerkeraad verlof om in 1720 te mogen beginnen met begraven binnen en buiten de kerk en hij vroeg ook goedkeuring van het volgende tarief voor begrafenissen:
Een graf in de kerk zou 25 Rijksdaalders kosten en een dubbel graf 50 Rkd. Deze koop gold voor 100 jaar. Men kon ook een graf huren. Dit zou kosten 10 Rkd. voor een volwassene en 5 Rijksd. voor een kind onder 10 jaar.
Op het kerkhof was de prijs van een graf 6 Rijksd. (voor een tijdperk van 100 jaar). Een gehuurd graf kostte 3 Rijksd.
Men rekende 2 Rijksd. voor 't gebruik van 't lijkkleed en 1 Rijksd. voor de baar.
De koster kreeg 2 Rijksd. voor een graf in de kerk en 1 Rijksd. voor een graf buiten de kerk. Als aanspreker of bidder zou hem 1 Rijksd. per dag moeten betaald worden83).
In het volgende hoofdstuk wens ik te spreken over het Bestuur van de Kaapkolonie en ook met een enkel woord over de belastingen, die er geheven werden.
28) François Valentijn, t. a. p. pag. 13.
29) Thunberg, Travels. Deel I. pag. 125.
30) Valentijn, pag. 12.
31) Thunberg, I. pag. 249.
32) Kolbe.
33) Vaak hing er ook bij de boerderij een grote scheepsklok, die in tijd van gevaar (Bosjesmannen etc.) werd geluid om de buren te waarschuwen.
34) Le Vaillant, New Travels. Deel III. pag. 16.
35) Le Vaillant, Travels. I. pag. 59 en volgende.
36) Sparrman, Travels. Deel II. pag. 165.
37) Thunberg, Travels. Deel I. pag. 138.
38) Sparrman, t. a. p. Deel I. pag. 266.
39) Sparrman, t. a. p. Deel II. pag. 62.
40) Le Vaillant, t. a. p. Deel I. pag. 55.
41) Sparrman, t. a. p. Deel II. pag 166.
42) Cornelius de Jong, Reizen. Deel II. pag. 112 en 113.
43) Barrow, Travels.
44) Leibbrandt, Journal.
45) Thunberg, I. pag. 247.
46) Leibbrandt, Journal 19 Des. 1705.
47) Valentijn, blz. 48. t. a. p.
48) Thunberg, Deel I. blz. 252.
49) Thunberg, II. blz. 126.
50) Thunberg, I. blz. 257.
51) Valentijn, t. a. p.
52) Leibbrandt, Journal.
53) Theal, Chronicles of Cape Comm. pag. 180.
54) Enkele slechte jaren als 1726, 1727 en 1740 natuurlik buiten rekening gelaten.
55) Thunberg, Deel II. pag. 20.
56) Cornelius de Jong, Reizen. Deel I. pag. 122.
57) Thunberg, I.
58) Dagboek Adam Tas, 6 Aug. 1705.
59) Dit bedroeg 2 schellingen voor inwoners van Stellenbosch en een rijksdaalder voor vreemdelingen.
60) Valentijn.
61) Kolbe.
62) Leibbrandt, Journal.
63) Kolbe.
64) Thunberg, I. pag. 253.
65) Leibbrandt, Rambles. pag. 149.
66) Thunberg, II. pag. 96.
67) Valentijn, Boek X. pag. 20.
68) Ian D. Colvin, Romance of Empire.
69) Thunberg (I. pag. 263) verhaalt, dat de boeren graag een dode hond hadden om in 't gat bij de geplante boom te begraven, daar men meende, dat dit de groei bevorderde.
70) Volgens Theal werd in 1709 de bepaling gemaakt, dat een boombeschadiger een geseling zou krijgen aan de voet van de galg. De aanbrenger zou 10 rkd. ontvangen.
71) Leibbrandt, Requesten or Memorials.
72) Watermeyer, Selections. pag. 52.
73) Thunberg, I. pag. 115.
74) Kolbe, pag. 117.
75) Valentijn, Deel X. pag. 106.
76) Barrow, Travels. Deel I. pag. 97.
77) Theal, II. pag. 344.
78) Mr. J. de Wet, „Beknopte Geschiedenis Hervormde Kerk”.