8) Deze bepaling gold ook voor de later komende Hugenoten.
9) Leibbrandt, Journal.
10) Leibbrandt, Journal.
11) Thunberg, I. pag. 239.
12) Mrs. Trotter, Old C. C. pag. 248.
13) Mrs. Trotter, Old. C. C. pag. 247.
14) Leibbrandt, Rambles.
15) Theal, Hist. of S. A. II, pag. 57.
16) Mrs. Trotter, t. a. p. pag. 218.
17) De Baas Tuinier had in 1714 een traktement van ƒ 60 per maand (Valentijn blz. 20). De Landdrosten van Stellenbosch en Draakestein ƒ 24 per maand (Journal 28 Febr. 1710).
18) Leibbrandt, Rambles.
19) Watermeyer, Three Lectures pag. 46.
20) Rapport van Commissaris Verburg 1672.
21) Theal, I. pag. 117.
22) Leibbrandt, Journal. 19 Maart 1708.
23) Watermeyer, Three Lectures.
24) Leibbrandt, Rambles.
25) Leibbrandt, Rambles.
26) Theal, II. pag. 48.
27) Theal, II. pag. 326.
HOOFDSTUK III.
HET MAATSCHAPPELIK EN HUISELIK LEVEN IN ENGERE ZIN.
Nu ik uiteen gezet heb, uit welke personen de Kaapse maatschappij van de eerste helft der achttiende eeuw bestond en onder welke invloeden van binnen en van buiten ze zich langzamerhand had gewijzigd, wil ik trachten een beeld te scheppen van het huiselik en maatschappelik leven aan de Kaap in die tijd.
In de allereerste plaats dienen we dan onze aandacht te vestigen op de huizen van die tijd.
Een schets van de huizen van Kaapstad in de tweede helft der 18de eeuw zegt het volgende:
„Wanneer men oppervlakkig ziet, heeft geen plaats meer het voorkomen van welvaart dan de Kaap. De huizen zijn niet zonder zwier; zommigen zelfs met pracht gebouwd; van buiten met wit of geel en op enige weinige oude na, alle vierkant; velen met platte daken, waar op men wandelende een aangenaam gezicht over het land of de baai heeft; sommigen hebben twee, andere drie verdiepingen; velen hooge stoepen en alle schuiframen. Van binnen is de bouworde algemeen ingericht naar het klimaat. Eerst heeft men een lange breede gaanderij, aan welker achtereinde vier of zes slavinnen op kleine houten bankjes zitten te naaijen of te breijen. Deze gaanderij waarin men meest zit, eet, ontbijt en leeft, is het gewoon vertrek. Ter wederzijde heeft men kamers, die allen, evenals de gang zelve, met groote vierkante roode steenen, bevloerd zijn, hetwelk, gevoegd bij de hoogte der verdiepingen, veel koelte geeft. Een klein vertrek, dat in de gaanderij uitkomt en waarin eetwaren, tafelgoederen en droge provisiën bewaard worden, noemt men de dispens, en de keuken, die achter in het huis is en overal op een binnenplaats uitkomt, heet de kombuis. In weinige huizen vindt men stookplaatsen, doch dezen beginnen langzamerhand veld te winnen. Boven is het vrij algemeen slechter betimmerd; al het fraaije van het huis en de meubelen vindt men omlaag voor het oog blootgesteld. Dit voorkomen van welvaart in de huizen vertoonen ook de tafels, die met een aantal schotels, aangenaam en kostbaar klaargemaakt, opgevuld, en omringd zijn van slaven van welken sommigen met een groen tak, of wel met een waaijer van paauwen-vederen, de vliegen van de spijzen houden en anderen de aanzittende gasten bedienen. Op een afstand staan weder anderen, die de schotels verruilen of dranken aanreiken, die men niet op tafel vindt; alles zodanig ingericht, dat men bij de voornaamste lieden in de Republiek noch beter eet, noch beter gediend is.”
In de loop van een halve of driekwart eeuw was er al aardig wat veranderd in de stad, want in 1714 schrijft Valentijn over de huizen in Kaapstad:
„Zij zijn meest van Kaapze klippen gebouwt en doorgaans daarom maar van eene verdieping.”
Meestal zijn ze met riet gedekt. Ze hebben „twee Zaletten aan de straat, en verscheide middel- en agterkamers en ook veeltyds een groote plaats agter”28).
Toch waren niet alle huizen zo eenvoudig meer, want dezelfde schrijver verhaalt ons, dat het huis van Henning Husing en dat van de Fiskaal Blesius in 1705 reeds twee verdiepingen hadden.
Dat van Husing kan wel een mooi huis geweest zijn, daar het, de voor die tijd enorme som van tien duizend Rijksdaalders, gekost had.
De stoep rond het huis bestond uit rode tegels, helder geschuurd of uit blauwe van Robben-eiland.
Buiten Kaapstad zelf waren de huizen natuurlik niet zo mooi, hoewel ze niettemin op sommige plaatsen er vrij fraai uitzagen.
Sparrman vertelt, dat de meeste huizen wit gepleisterd waren van buiten en sommige groen geschilderd. Want zegt hij: „De geliefkoosde kleur voor kleren, boten, schepen en huizen is groen bij de Hollanders.”
Sommige huizen waren toen reeds (1772), met platte leien gedekt in plaats van met stro.
Dit schijnt echter nog slechts sporadies te zijn voorgekomen, want op een andere plaats zegt dezelfde schrijver, dat zeer vele huizen nog met riet gedekt waren en zelfs de kerk, wat hem gelegenheid geeft om te zeggen, dat de Hollanders niet meer zorg besteedden aan Gods huis dan aan hun eigen.
Trouwens de beschrijving van de huizen van Kaapstad, die ik boven aanhaalde, ging niet algemeen door, want mensen van mindere stand moesten zich tevreden stellen met kleinere huizen, die bestonden uit een galerij, een kamer aan iedere kant en de keuken achter29).
Men ziet echter, dat ze wel volgens hetzelfde plan waren ingericht.
De kosten zelfs van deze huizen waren nog hoog genoeg.
Een rieten dak van een dubbelhuis kostte 300 of 350 Rijksdaalders30).
Daar stond tegenover, dat een dak vrij lang duurde, wel van 20 tot 30 jaar31).
Buiten Kaapstad had men natuurlik bij de boerderijen korenhopen staan, zoals men die tegenwoordig nog bij hollandse boerderijen ziet.
Tot 1706 had men die onbedekt gelaten, maar in dat jaar vielen er zeer zware regens en die deden veel schade aan het opgestapelde graan, zodat men toen begon ze van een dak te voorzien, om het koren tegen de regen te beschermen32).
Bij de boerderij lag ook meestal een soort van kraal, waarin het koren werd gedorst.
Een bepaalde ruimte werd goed effen gemaakt en daarop kwam dan een laag van koeiemest en gehakt stro, die men liet verharden.
Dit werd de dorsvloer. Het koren werd in een cirkel op de grond uitgespreid en dan werden binnen de omheining, die gewoonlik van dorenstruiken was gemaakt, eenige paarden losgelaten. In het midden van de kring stonden een of meer slaven met lange zwepen, die de paarden moesten aanjagen. Door het trappen der paarden werd dan het koren zo ongeveer uitgedorst.
De methode was verre van zindelik, maar ze was vlug en kostte niet veel moeite.
Als men meende, dat het koren bijna allemaal uit de aren was, werd het bijeengeveegd en dan werd het in de wind opgeworpen om zodoende het kaf er uit te doen verdwijnen.
Men ziet, dat het bij dit alles zeer primitief toeging.
Bij de huizen stonden verder de slavewoningen, die, in de tijd toen men nog de zinkplaten van tegenwoordig niet tot zijn beschikking had, vanzelf zeer gebrekkig waren33).
De gastvrijheid van de bewoners van de Kaapkolonie wordt door alle reizigers om 't zeerst geroemd.
Het was een gastvrijheid, die niet bestond in veel woorden, maar die zich uitte in daden.
Woorden verspilde de boer niet veel, vooral ook omdat er zo verbazend weinig onderwerpen waren, waarover hij kon spreken met zijn bezoekers, als dat niet even als hij boeren waren.
Kranten bestonden niet aan de Kaap. Zelfs een postdienst was in 1795 nog onbekend. Boeken waren slechts bij uitzondering aanwezig.
De Bijbel en het gezangboek van Willem Sluyters waren de enige boeken, die men kende.
Een enkele, zoals Adam Tas, mocht daarop een uitzondering maken (zie zijn dagboek), maar die uitzonderingen waren hoogst zeldzaam. Van alles, wat er buiten zijn eigen kringetje gebeurde, wist de boer dus zo goed als niets.
Nu en dan mocht hij eens wat nieuws horen van een andere boer, die een reis naar Kaapstad had gedaan, maar dat was de enige kans, die hij had.
Wanneer dus reizigers uit Europa, 't zij Hollanders, Engelsen of Zweden bij hem kwamen, dan waren zij voor hem als wezens uit een andere wereld.
Om deze reden nu horen we meestal van reizigers, dat ze grote moeite hadden om enkele woorden aan de boeren te ontlokken. Daarom ook juist werden ze meestal voor veel dommer gehouden dan ze waren.
Want inderdaad dom waren ze in 't geheel niet. Ze bezaten geen boeke-kennis, maar als 't op gezond verstand aankwam, hadden ze hun meester niet.
In hun voortdurende strijd met wilde dieren, met ontvluchte slaven of Bosjesmannen werd hun geest gescherpt en door het bestuur der Kompanjie werden ze er ook dikwels toe gebracht om hun natuurlik verstand tot minder eerlike middelen te gebruiken om aan gehele ondergang te ontkomen.
Maar dat was hun schuld niet.
En Bernardin de St. Pierre is voorzeker dichter bij de waarheid, als hij in 1771 schrijft van hen: „Deze mensen, tevreden met huiselik geluk, het zeker gevolg van een deugdzaam leven, zoeken geen verstrooiing in romans of toneelvoorstellingen,” dan Captain Percival, die op blz. 204 en 205 van zijn „Account of the Cape of Good Hope” een oordeel neerschrijft over de kaapse boeren en boerinnen, dat te schandelik is om het hier te herhalen, maar dat, helaas, door zeer veel schrijvers van later tijd is overgenomen, zij het dan ook in wat zachter vorm.
Toch moet erkend worden, dat het oordeel van Bernardin de St. Pierre ook niet al te letterlik moet opgevat worden.
Sparrman vertelt b.v. dat, toen hij op een boerderij kwam en daar een en ander vertelde omtrent het land, waar hij vandaan kwam en wat hij aan de Kaap kwam doen, de boerin van verbazing de handen ineen sloeg en uitriep, dat ze niet kon begrijpen, hoe het mogelik was, dat iets anders dan absoluut gebrek aan de allernoodzakelikste levensbehoeften in eigen land iemand er toe kon brengen om naar een land als de Kaap te komen.
Maar laat ik op hun gastvrijheid terugkomen.
De opvatting, die ze daarvan hadden, was zo buitengewoon breed, dat we onwillekeurig terug moeten denken aan de oude Germanen, bij wie ze als de hoofddeugd werd beschouwd.
Als een boer een gast zag aankomen, ging hij hem tegemoet, drukte hem de hand, vroeg hem naar zijn gezondheid en bood hem ogenblikkelik voedsel en verfrissende dranken aan.
Let wel, het was niet eerst een angstvallig vragen, wie de aankomer was, om te weten te komen, of men hem zou ontvangen of niet.
Neen, daarnaar vroeg men niet. Hij was een gast en dat was genoeg. Een breder en schoner opvatting van gastvrijheid is zeker wel niet mogelik!
Dan werd de gast binnengeleid door de voordeur, die dikwels versierd was met een hangslot in de vorm van een of ander dier, welke sloten aan de Kaap vrij algemeen waren en uit China waren ingevoerd34), en vervolgens maakte hij kennis met de vrouw des huizes, die, als ze gezeten was, niet opstond, maar met een hoofdknik de gast begroette.
Hij werd onthaald op wat er in het huis te krijgen was en men beschouwde dit als iets, dat vanzelf sprak. Het aanbieden van geld voor deze gastvrijheid werd als een belediging beschouwd.
Des avonds werden van het gehele huisgezin de voeten gewassen. Deze gewoonte was wel noodzakelik, daar zelfs de meisjes de gehele dag blootsvoets liepen.
Dit gebruik heeft lang stand gehouden, tot zelfs onder voortrekkers.
Mevrouw Generaal Piet Joubert, nu pas overleden, vertelt in haar herinneringen (in de „Volkstem” verschenen) dat zij voor de eerste maal in haar leven een paar kousen aankreeg op haar trouwdag.
Aan de gast werd eveneens deze eer bewezen en daarna ging men ter ruste.
De mannelike leden van het gezin drukten de gast de hand en de vrouwelike gaven hem een kus.
Daar dit gold voor de oudere zowel als voor de jongere vrouwelike leden van 't gezin, zegt Le Vaillant hiervan zeer guitig „dat dit een voorrecht was, waaraan plichten waren verbonden”35).
Sparrman is vol lof over de ontvangst bij een boer, die hij Van der Spoei noemt.
Te voren had hij over de ontvangst bij een ander geklaagd, maar hij vertelt er zelf bij, dat daar de baas niet thuis was, zodat hij feitelik gastvrijheid van de slaven genoot. Geen wonder, dat het eten enz. dat men hem aanbood, niet al te goed was.
In 't algemeen was het voedsel, dat de boeren zelf gebruikten, zeer voedzaam, te voedzaam zelfs, zodat zich na hun dertigste jaar steeds een neiging tot zwaarlijvigheid vertoonde.
Daar kwam natuurlik ook bij het gebrek aan beweging. Dit gold vooral voor de vrouwen.
Zij hadden hun slaven en slavinnen en deden de hele dag niet veel anders dan bevelen geven. In koud weer zaten ze met de voeten op een stoof en in elk jaargetijde stond de nooit lege koffiepot onder haar bereik en werd geregeld duchtig aangesproken. Dat in warm weer de niet-noodzakelikheid van arbeid soms tot luiheid werd, is duidelik.
Ik geloof echter niet, dat het algemeen was, dat die luiheid zover ging als in 't geval van de boer in de Karroo, waarvan Sparrman vertelt.
Deze reiziger was ongelukkig genoeg juist bij een boer aan te komen om de weg te vragen, toen deze zich gereed maakte zijn middagdutje te genieten.
Zonder op te staan wees hij met de voet de richting, waarin Sparrman gaan moest en sliep toen weer in, zonder zich met hem verder te bemoeien36).
De dagverdeling van de boeren was als volgt:
Vroeg in de morgen stond men op en nadat men koffie had gedronken, deed men samen het morgengebed, waarbij dan gewoonlik ook een psalm of een gezang uit het boek van Willem Sluyters werd gezongen.
Dan ging men naar de kralen om te zien of met het vee nog alles goed ging en als het in de oogsttijd was, werd een paar uur voor het ontbijt gewerkt aan het binnenbrengen van 't koren of 't persen van de wijn.
Het ontbijt werd gebruikt om 7 uur. Dan werkte men in de drukke tijd door tot 11 uur en gebruikte het middagmaal. Om vier uur at men weer en om 8 uur werd het avondmaal gebruikt37).
Daarna had men weer een godsdienstoefening voor het gehele gezin en om 9 uur lag ieder in bed.
Vooral in de zomer was het de gewoonte om na het middagmaal een slaapje te doen. Ieder ging naar een donker gemaakte kamer en vermeed op die manier de ergste hitte van de dag.
Dit was zozeer een algemene gewoonte geworden, dat in de tweede helft der achttiende eeuw zelfs de winkels in Kaapstad van 1 tot 3 uur in de namiddag gesloten waren, omdat de winkeliers evenveel recht hadden op een middagdutje als andere mensen!
We hebben gezien, hoe de huizen er van buiten uitzagen. We willen nu nagaan, hoe 't met de meubelen stond.
Le Vaillant zegt: „Al de meubelen zijn getuigen van eenvoudige en edele smaak. Er zijn geen tapisserieën en enkele schilderijen en spiegels vormen de voornaamste ornamenten.”
Veel van de meubelen in de 17de en 18de eeuw waren gelijk aan die in Engeland en Holland gedurende diezelfde eeuwen.
Maar van het metalen vaatwerk kwam er veel uit het Oosten. Zo vinden we b.v. opgetekend een order voor metalen potten, pannen enz. ten behoeve van het hospitaal onder Simon van der Stel.
De woorden van Le Vaillant gelden echter weer alleen hoofdzakelik van Kaapstad. Op de boerderijen was men niet zo goed voorzien, vooral niet op de boerderijen, die ten oosten van Stellenbosch lagen.
Ook waren b.v. de meubelen meestal kostbaarder en rijker in Stellenbosch dan in Fransche Hoek. En dit was geen wonder. De bevolking van Fransche Hoek bestond in 't begin der achttiende eeuw bijna uitsluitend uit Hugenoten, die uit hun land gevlucht waren met achterlating van al hun have en goed.
Daardoor waren zij veel armer dan de bewoners van Stellenbosch en hadden dus geen geld om dure meubelen aan te schaffen.
Zij moesten zich behelpen in velerlei opzichten, zowel als de boeren in het binnenland.
Meestal kwamen de verder af wonende boeren slechts ééns in hun leven in Kaapstad, dat was, wanneer ze voor 't Huwelikshof moesten komen om te trouwen. Geen wonder, dat ze dus vaak hun eigen meubelmakers moesten wezen. Als we bedenken, dat zelfs in Stellenbosch eerst in 1742 de eerste slagerswinkel werd geopend, dan kan het geen verwondering wekken, dat meubelmakers geheele onbekend waren buiten Kaapstad.
Ruwe houten stoelen met zittingen van riempjes, door de boeren zelf gesneden en tafels, door hen zelf getimmerd, vormden zowat het enige meubilair in de woonkamer, terwijl de slaapkamers voorzien waren van „katels” (ledikanten), die eveneens het werk van de boer zelf waren.
Aardewerk was grotendeels onbekend in de huizen van de boeren. Op de lange en moeilike reis over de ruwe en hobbelige wegen van Kaapstad naar hun boerderij brak het bijna allemaal, als ze nog de moeite deden om het mee te brengen.
Het werd gewoonlik op zeer doelmatige wijze vervangen door houten vaatwerk of door kalebassen, die voor allerlei doeleinden gebruikt werden.
Over de eerste rij bergen was geen enkele winkel van manufakturen, kruideniers-waren of aardewerk.
Alles, wat op dit gebied nodig was, moest dus òf door de boer zelf meegebracht worden, als hij eens per jaar misschien eens een wagen met produkten wat dichter naar de beschaafde wereld bracht, òf het moest verkregen worden van de rondtrekkende „smousen”, die echter in die tijd ook nog vrij zelden zich vertoonden ver van Kaapstad.
Het merkwaardige van 't geval was, dat deze lieden, die in zulke armoedige omstandigheden leefden, vaak rijk konden genoemd worden.
„Daar zijn plaatsen van 4000, 5000, 10.000, ja van 20.000 Kaapse guldens ijder tot 16 stuivers gerekend,” zegt Valentijn.
En Sparrman deelt mee, dat eigenaars van honderden schapen rondliepen met lappen op hun ellebogen. De kinderen waren vaak in schapevachten gehuld als de Hottentotten38).
Hij vond maar één man in de gehele kolonie, die wol wist te spinnen.
Ze moesten ook hun eigen schoenen maken natuurlik. Nu, leer hadden ze genoeg, want wild was er nog in overvloed en ossen hadden ze ook veel.
Als merkwaardigheid deel ik mee, dat Sparrman eens een boer ontmoette, die schoenen aan had, welke van leer van een leeuwehuid vervaardigd, gemaakt waren. Het was zeer zacht en buigzaam39). Dit zal echter wel een uniek geval zijn geweest.
Voor kleren gebruikte men ook vaak leer, zelfs ongelooid in plaats van geweven stoffen om de veel grotere duurzaamheid.
Doch gewoonlik bezaten de boeren behalve hun gewone werkpak, dat meestal zijn ontstaan aan huisvlijt te danken had, een blauw pak, dat alleen voor de dag kwam, als ze naar een nachtmaal of naar Kaapstad gingen en in 't laatste geval nog eerst, als ze bij de ingang van de stad waren40). Dat duurde dan misschien hun gehele leven.
Door de weinige aanraking, die ze hadden met de beschaafde wereld, begonnen vanzelf ook de behoeften der boeren te verminderen. Vaak zelfs vervielen ze tot een zekere mate van slordigheid, die uitkwam in de weinige zorg, die ze aan 't in- en uitwendige van hun woningen besteedden.
Sparrman vertelt, dat hij bij een boer kwam, die slechts één stoel had, waarvan dan nog een paar poten waren afgebroken en die toch zó, als hij was, gebruikt werd, door hem tegen de muur te zetten. Dit is echter een feit, dat niets bewijst. Dergelijke dingen komen nu nog voor. Slordigheid zal wel even goed toen bestaan hebben als nu.
Maar, als hij dan tevens vertelt, dat 2 personen uit dezelfde schotel aten en dat diezelfde schotel dienst deed voor alle gerechten aan 't maal, dat verder elke gast zijn eigen mes meebracht en dat men in plaats van een vork zich vaak van de vingers bediende41), dan komt het daarin duidelik uit, dat we te doen hebben met mensen, die 't zich niet graag lastig maken en die eenvoudig zich afvragen: „Kan het zó ook niet?” in plaats van de vraag te stellen, die de beschaafde stedeling stelde toen als nu: „Hoort het wel zo?”
Lepels werden vaak gemaakt van de hoorns van hartebeest en gnoe.
De huisindustrie kwam verder alleen tot uiting, als de noodzakelikheid tot het een of ander aanwezig was.
Zo maakten de kolonisten zelf hun zeep en hun kaarsen.
Van de as van het ganna-bosje maakten ze loog. Deze werd met allerlei dierlike vetten vermengd en dan liet men het mengsel vier of vijf dagen en nachten lang doorkoken, terwijl men van tijd tot tijd roerde en nieuwe loog toevoegde42).
De zeep, die niet voor eigen gebruik nodig was, werd soms naar Kaapstad gezonden en daar ingeruild voor tee en suiker43).
Inkt vervaardigde men ook en wel door bruine suiker met roet en water te vermengen43).
Hiermee is alles opgenoemd, wat in die tijd onder de naam van Zuidafrikaanse industrie kon doorgaan.
Daaruit volgt natuurlik ook, dat een reiziger uit Kaapstad des te liever gezien werd, naarmate hij meerdere artikelen bij zich had, waar men op de boereplaatsen verlegen om was.
Om in 't binnenland te verkopen nam Sparrman b.v. op zijn tocht mee koffie, sjokolade en suiker, omdat die artikelen lang niet overal gemakkelik te krijgen waren. Daar kon een mooie winst op gemaakt worden, maar bovendien deed men er de boeren een groot genoegen mee. Ook nam hij naalden mee.
Die werden tegen buitensporige prijzen verkocht.
Wijlen Mevrouw Joubert, wier herinneringen ik hierboven aanhaalde, vertelt immers ook nog, hoe ze soms uren lang naar één verloren naald moest zoeken als kind en hoe ze zelfs aan een gebroken naald op een steentje weer een nieuwe punt moest slijpen, omdat dit artikel zo schaars te krijgen was.
Opmerkelik is ook, dat men een pas moest meenemen, daar de boeren last hadden gekregen om ieder, die zonder pas reisde, naar de Kaap te zenden.
In Kaapstad en Stellenbosch kwam het natuurlik niet voor, dat rijke mensen zich zo moesten behelpen. Zij waren daar in kontakt met de europese beschaving en daarom is het ook geen wonder, dat zij meer geld besteedden aan sieraden en meubelen dan de boeren, die in 't binnenland woonden.
Op 25 Junie 1709 werd een slaaf gehangen wegens diefstal, omdat hij in Stellenbosch in een huis was binnengedrongen en daar had gestolen: 139 Rijksdaalders, een zilveren beurs met 8 diamanten, een met zilver gemonteerde gordel, een vest met 24 zilveren knopen, 16 andere zilveren knopen en een zilveren broekknoop44).
In de boedel van de Weduwe van Michiel Ley, die in 1719 te Kaapstad stierf waren: „een swart ebbenhoute rustbank met een chitse sprey; stinkhoute ledikant met blaeuw behangsel, bed en verder toebehoren; Oost Indis kisje met koper beslag; spiegels met swart ebbenhoute lijsten; verkeerbort; paar bever vrouwe handschoenen; handmofjes; vaderlandse servetten; fluwele bonet; fijne Suratse combaars; damaste samaren; roode citse samaar”, enz.
Bij de allerrijkste mensen vond men soms de hoorn van een jonge rhinoceros, gezet in goud en zilver en zó tot een beker gevormd. Die waren zeer veel geld waard, soms wel 50 Rijksdaalders en werden zelfs als geschenken aan koningen gegeven. Dit kwam, doordat men meende, dat ze de eigenschap hadden, om vergif aan te tonen in dranken, die men er ingoot45).
Wanneer men over deze periode spreekt en dan woorden als armoede en rijkdom gebruikt, dan dient men natuurlik goed te weten, wat daar in die tijd mee bedoeld werd.
Over de salarissen der ambtenaren sprak ik vroeger. Daarmee heb ik aangetoond, met hoe weinig de Kompanjie meende, dat men kon toekomen.
Als voor deze mening enige grond aanwezig was, dan moet die natuurlik kunnen gevonden in de zeer lage prijzen voor de noodzakelikste levensbehoeften en klederen in die tijd.
Laten we daarom even nagaan, hoe 't met deze prijzen stond.
Henning Husing had in 't begin der eeuw een kontrakt voor vijf jaren voor de leverantie van vlees aan de Kompanjie en de burgers. Dit kontrakt bepaalde, dat hij aan de Kompanjie vlees zou leveren voor 1 st. en 6 duiten per pond en aan de burgers voor 2 st. per pond. Volgende kontrakten werden op dezelfde voorwaarden gesloten46).
In 1698 waren, zegt Leguat, de levensmiddelen zeer goedkoop, want het brood kostte maar 1 st. per pond.
Het schapevlees ging van 1705 tot 1713 nog belangrijk in prijs achteruit, want Valentijn verhaalt, dat het in het laatstgenoemde jaar voor de burgers maar 13 duiten per pond kostte.
Hij vertelt er tevens bij, dat de leverantie aan de Kompanjie per jaar 20 à 30.000 gulden bedroeg. Er werd dus aardig wat vlees gebruikt door de Kompanjie.
Het is best mogelik, dat sommige reizigers veel onzindelike mensen hebben aangetroffen; de prijs van de zeep was daar dan stellig de oorzaak van.
Leguat zegt tenminste, dat die in 1698 drie schellingen per pond kostte. Ik heb hiervan geen nadere bevestiging kunnen vinden, zodat ik geneigd ben, dit voor een vergissing te houden.
Het schapevlees rees nu en dan zeer in prijs, tengevolge van ziekten en droogte. In 1714 rees het b.v. tot 3 st. en 2 duiten per pond, een voor die tijd buitengewoon hoge prijs.
Het koren, dat in die tijd in Nederland slechts 4 gulden per mud kostte, was aan de Kaap steeds 7½ gulden op zijn minst en gewoonlik veel meer.
Vooral was dit natuurlik het geval in tijden van schaarste.
Zo schrijft Tas in zijn dagboek op 14 Aug. 1705, dat Hans Kasper bij hem om koren kwam vragen en „hij wilde graag 15 guldens voor de mudde betalen.” Maar hij kreeg het niet.
Want Tas schrijft er verder bij:
„Men verteld my dat d'E. Comp. voor 't koorn tegenwoordig à 14 guldens de mudde betaald, dan den Gouverneur is genoeg bekend als datter geene der burgers jegenwoordig koorn heeft.” „De ordinary prijs” was 8½ guldens zegt hij dan.
In 1714 kwam er een onbekende ziekte onder 't vee en zó moeilik was het in 1718 om slachtvee te krijgen, dat voor het kontrakt voor levering van vlees aan de Kompanjie geen enkele inschrijving kwam.
De prijs van schapen steeg tot 6 à 9 gulden, en trekossen kostten 50 gulden.
Daar staat nu weer tegenover, dat het vlees omstreeks 1750 zeer goedkoop was, zodat men het voor 6 duiten per pond verkocht.
Uit Leibbrandt's „Journal” 15 Julie 1711 en 15 Des. 1711 blijkt, dat men de prijs van een brood dezelfde liet, maar dat men eenvoudig het gewicht naar gelang van de prijs van 't koren veranderde.
Op 15 Julie werd bepaald, dat men ⅞ pond voor 1 st. zou krijgen. Dit werd op 15 Des. 1⅛ pond voor 1 st.
In 1716 zegt het „Journal” werden van alle kanten klachten gehoord over de sterfte onder 't vee.
Op 14 Sept. vinden we opgetekend, dat het schapevlees 1 st. per pond in prijs steeg en zo een prijs werd, waar nooit bij menseheugenis van gehoord was.
Valentijn geeft ons een heel overzicht van de prijzen van verschillende zaken in 171447). Hij zegt, dat de schepen soms 3, 4 of 5 weken in de Tafelbaai bleven liggen. Dan gingen de passagiers een kosthuis zoeken in de stad. Ze betaalden 1 Rijksdaalder per dag en kregen daarvoor 3 maaltijden.
Dienstboden en kinderen betaalden maar ½ Rijksdaalder per dag.
Arme mensen konden ook per maal bediend worden. Dit kostte dan 12 stuivers. Kaaps bier werd gratis geschonken als bij het maal behorende, maar franse wijn of hollands bier moesten zeer duur betaald worden.
De vaten voor de wijn der boeren moesten alle in Holland gemaakt worden en waren, zoals ik vroeger opmerkte, daardoor zeer duur.
Een legger (± 5¾ H.L.) kostte 6 Rijksd. of soms zelfs het dubbele. Een half aam kostte 1½ Rijksd.
Vaak namen schepelingen ingelegde groenten of vruchten mee en behalve de prijs voor 't vat betaalde men dan: voor een half aam ingelegde kool 4 Rijksd. voor een half aam kweeperen 2 of 3 Rijksd. en voor 100 kolen 4 Rijksd.
Boter kostte in 't land 12 stuivers maar in Kaapstad 16 stuivers.
Appels waren 1 st. per stuk. Mooie peren zoals de „bon Chrétien” 2 st. per stuk; een pond druiven 2 st. Smeerkaarsen kostten een schelling, soms zelfs 2 schellingen per pond.
Hout was natuurlik altijd zeer duur aan de Kaap.
Thunberg zegt, dat de planken 2 schellingen per voet kostten48).
En Sparrman deelt mee, dat een spar van 20 voet lang en 1 voet in diameter 5 Rijksd. kostte.
Er werd in 't algemeen weinig aanmoediging aan de handwerkslieden gegeven. De houtskool, die de smeden van de Kompanjie moesten kopen, was b.v. ook zeer duur. Ze kochten nominaal 36 schepels, maar kregen er nooit meer dan 32 en betaalden daarvoor de enorme som van 18 Rijksd.
Voor 100 pond ijzer betaalden ze 8 Rijksd.49).
Geen wonder dan ook, dat zelfs de ploegscharen uit Europa moesten gezonden worden50).
Tas vertelt in zijn dagboek, dat hij voor 20 paar kousen 10½ Rijksd. betaalt; voor 30 ellen baai 15 Rijksd. Maar dit waren artikelen, die aan hem uit Nederland waren gezonden.
Als zijn knecht Ary verdronken is (17 Des. 1705), dan betaalt hij „voor 't doodkleed en 't aanspreeken” 7 Rijksd. „zijnde 't geen daartoe staat.”
Op 25 Des. 1705 betaalt hij voor 4 pond koffiebonen 1 schelling per pond en verkoopt 200 mudden tarwe à 9 gulden per mud.
De daglonen schijnen niet zo laag geweest te zijn als men zou verwachten.
Tas schrijft op 29 Jun. 1706 dat Willem Nel voor hem heeft gewerkt 15½ dag à 1 gld. „Voor een vragt door hem voor ons na de Caab gereden” ƒ 12.—.
2 mudden Erten verkoopt hij op die dag voor 16 Rijksd.
Een legger kaapse wijn kostte 40 Rijksd. Die van Constantia kostte echter 80 Rijksd. voor vreemdelingen. Maar de Kompanjie gaf niet meer dan 25 Rijksd.51)
Aan de Kaap kostte de Constantia, in 't klein verkocht, 2 Spaanse dollars (ƒ 6.60) per fles.
Ten slotte dit: Op 26 Julie 1703 vroeg Ds. Bek om een som als schadeloosstelling voor het gemis van een woning. Hem werd 6 Rijksd. per maand toegestaan52). Dit zal dus waarschijnlik in die tijd ongeveer de huur van een fatsoenlik huis hebben vertegenwoordigd.
Op 26 Febr. 1710 kreeg dezelfde Ds. Bek 3 Rijksd. voor het aanschaffen van 2 ladingen hout. Die ladingen waren stellig niet groot of de Kompanjie heeft er zich goedkoop af gemaakt, want Valentijn zegt, dat als iemand 't hout kopen moest om te branden, hem dit wel 5 of 6 gulden per week zou kosten.
De duurte van dit hout was misschien de reden, waarom men naar andere brandstoffen uitzag. Valentijn ten minste zegt: „Bij Draakestein ligt de plaats van den Borgermeester Abraham Villiers, daar men alleen zeer goede steenkoolen uitgraaft.” Later heeft men daar niet meer van gehoord, zodat het wel schijnt of de exploitatie van de mijn geen voldoende resultaten heeft opgeleverd.
Misschien ook is het met de mijn gegaan als met zovele andere ondernemingen uit die tijd. Men ving met iets aan, maar had vaak òf niet de bekwaamheid òf niet het geduld de aangevangen taak voort te zetten.
Bij landbouwprodukten was het klimaat ook vaak een beletsel.
Zo adviseerde Rijklof van Goens, toen hij in Stellenbosch was, de bewoners van die plaats om vlas, hennep en indigo te planten, maar de proeven met deze teelt mislukten.
In 1726 kwam François Guillaumet als ekspert voor de zijdeteelt uit Europa om te trachten hier een bloeiende zijde-industrie te doen ontstaan. Maar ook dat mislukte. Het eerste jaar kreeg men 8 pond zijde. Maar nooit heeft men het verder gebracht dan 10 pond per jaar.
Zó graag had men die teelt hier zien gelukken, dat men zelfs eieren van de zijderups aan de burgers uitreikte. In hoever dit later het monopolie van de Kompanjie zou getroffen hebben, is natuurlik niet te zeggen, maar ze zou er wel weer een middel op gevonden hebben.
In 1735 moest men echter de proef opgeven als mislukt.
De teelt van Angora-geiten werd in 1724 begonnen, maar ook in 1735 opgegeven, daar ze als niet lonend genoeg werd beschouwd.
In 1705 wendden de Heren Zeventien pogingen aan om de boeren er toe te brengen zich op de teelt van wolschapen toe te leggen.
De vrees voor schurft bij de schapen was echter groot en het schaap, dat men wilde invoeren, scheen daar meer vatbaar voor te zijn dan de soort, die men had en die men voor 't vlees hield.
W. A. van der Stel begon echter met de proef in ernst en het scheen wel, of hij die zou doen gelukken ook; maar juist toen werd hij teruggeroepen.
Isaac Taillefer, een Hugenoot, was begonnen met hoeden te maken van Kaapse wol, maar toen hij stierf, hield deze industrie op.
Met de wijn-produktie ging het ook al niet naar wens.
In 1672 was de eerste brandewijn aan de Kaap gestookt53). Maar de algemene opinie hierover was nog minder gunstig dan die over de wijn.
In 1719 vroegen de Heren Zeventien om monsters van wijn. Zes halve amen werden gezonden, maar toen die in Amsterdam aankwamen, werd de wijn ongeschikt voor 't gebruik bevonden.
Men probeerde later nog de verzending in grotere vaten en in flessen. Maar de uitkomst was telkens dezelfde.
Alleen in de produktie van koren had men eindelik zijn doel bereikt, namelik om de Kaap te maken tot een land, dat meer zou doen dan in zijn eigen behoeften voorzien.
Men was eerst verplicht geweest rijst van Java in te voeren en de mensen waren daar langzamerhand zó aan gewoon geraakt, dat men geen energieke pogingen deed om de koren-produktie te vermeerderen.
In 1676 onder Isbrand Goske had men zelfs gevraagd om de prijs van de rijst te verminderen. Gelukkig was dit geweigerd.
Vooral Simon van der Stel heeft zijn best gedaan om het voorgestelde doel te bereiken en bij het begin der achttiende eeuw was men zover, dat geregeld koren werd uitgevoerd.
Een enkele maal, zoals in 1700, was men nog verplicht, wegens misgewas, rijst in te voeren, maar in 1706, na een zeer regenachtig oogstseizoen, dat veel schade had gedaan aan 't koren, kon men toch nog 1400 mudden naar Batavia zenden.
Van die tijd af was de strijd gewonnen54). De enige strijd, die er nog voortdurend op dit gebied bleef bestaan, was die over de prijzen, die de Kompanjie zou betalen. Het koren, dat uit Bengalen en Surate werd ingevoerd op Java, kon daar goedkoper verkocht worden en dit gaf vaak aanleiding tot pogingen om de prijzen van 't kaapse graan te verminderen.
Deze pogingen leden echter steeds schipbreuk, wat ik boven vermeldde.
Hoewel de boeren te kampen hadden met allerlei ziekten van 't vee, zoals het mond- en klauwzeer, dat in 1723 voor de eerste maal verscheen, de paardeziekte, die in 1719 in Zuid-Afrika kwam enz., is de eerste helft der achttiende eeuw bijna geheel vrij geweest van de sprinkhaneplaag.
In 1695 hadden ze hun verschijning gemaakt aan de Kaap en niet meer vóór het jaar 1746 keerden ze weer. Dit was dus een groot voordeel voor de landbouw en dientengevolge ook voor de veeteelt.
De wilde-dieren-plaag, die soms de veeteelt zoveel schade had gedaan, was nog niet geheel uitgeroeid, maar in elk geval lang niet zo algemeen meer als het geval was geweest.
Op 29 Julie 1705 schrijft Tas in zijn dagboek: „Wij vinden op ons land dicht na 't land van Botma vers leeuw of tijgerspoor.”
Op 4 Februarie 1706 vermeldt hij, dat er 7 wilde honden onder de schapen waren gekomen en daar schade hadden aangericht. Maar het feit, dat hij dit zo uitdrukkelik vermeldt, bewijst wel, dat het een niet zo algemeen voorkomend geval meer was.
Toch, zodra men van de dorpen verwijderd was, schijnt men nog al wat gevaar te hebben gelopen, tenminste Valentijn verhaalt op blz. 113 van zijn werk over verschillende gevallen van ontmoetingen met leeuwen op weg van de Kaap naar Stellenbosch en Draakestein.
De premies voor het doden van wilde dieren werden in 1739 verminderd, wat ook bewijst, dat er niet meer zó'n last van ondervonden werd.
Voor 't doden van een leeuw werd in plaats van 17 rkd. tans 10 rkd.; voor het doden van een luipaard 6 rkd. in plaats van 10 rkd. en voor 't doden van een hyena 2 rkd. in plaats van 3 rkd. betaald.
Bovendien moesten de gedode dieren zelf aan 't Kasteel of aan de Drostdij te Stellenbosch worden vertoond. Deze maatregel was nodig geworden, doordat slimme boeren een vrij voordelige handel hadden weten te drijven in huiden van de bovengenoemde dieren met de Hottentotten, die het wild soms dagreizen ver van het distrikt, waar de huid werd afgeleverd, hadden gedood.
Wat Thunberg en Stavorinus vertellen, dat namelik de leeuwen enz. levend moesten afgeleverd worden om de premie te krijgen, is natuurlik een sprookje55).
Deze premies werden betaald uit een belasting, die bekend is onder de naam van leeuw- en tijgergeld. Stavorinus vertelt, dat dit voor iedere burger 4 rijksdaalders voor leeuwegeld en 2 gulden voor tijgergeld bedroeg.
Kolbe noemt ook nog de wilde olifanten, elanden en bokken, die soms veel schade konden doen aan 't koren.
Heel wat moed en behendigheid moet er toe nodig geweest zijn om deze wilde dieren zover uit te roeien, als we de middelen in aanmerking nemen, die de Kapenaars van die tijd ten dienste stonden tot dat doel.
Want zelfs in 1792 nog spreekt Cornelius de Jong zijn verbazing er over uit, dat men toen zulke uitstekende geweren had aan de Kaap, dat het mogelik was een bok op 80, 90, ja zelfs op 100 passen te doden.
Als dat in die tijd nog zo'n verbazing kon wekken, behoeven we niet te vragen, hoe de wapens een kleine honderd jaar vroeger waren.
Toch dorst men met zulke middelen op de olifantsjacht gaan.
Thunberg ontmoette in 1773 een zekere Jacobus Botha, die toen 81 jaar was. Hij had veel geld verdiend met de verkoop van olifantstanden, die de Kompanjie tegen 1 gulden per pond opkocht.
De moed, waarvan ik zo even sprak, was een hoofdtrek van het karakter van de Kolonisten. Door hun voortdurend leven in de openlucht, omringd door gevaren van wilde dieren en Bosjesmannen, werden hun zenuwen gestaald en zij werden de beste pioniers, die men zich denken kon.
De Voortrekkers van Bloedrivier en Vechtkop hadden hetzelfde onbuigzame en taaie karakter van de achttiende-eeuwers nog, dat hen in staat stelde daden te volbrengen, die door alle eeuwen heen met bewondering zullen worden aangehoord en ons gewone stervelingen zullen doen uitroepen: „En in die dagen waren er reuzen op aarde.”
Door hun trekken kregen de kolonisten een hekel aan alles, wat naar dwang zweemde. Ze wilden liefst maar zo ver mogelik af zijn van de stad, waar de handelaars woonden, die altijd trachtten misbruik te maken van hun lichtgelovigheid en onwetendheid.
Wat ze nodig hadden, werd dus door hen niet in de eerste plaats in Kaapstad gekocht of zelfs maar uit Kaapstad verkregen.
Als ze samenkwamen in de dorpen tot het vieren van het nachtmaal, dan was daar allicht te krijgen, wat ze nodig hadden.
Kolbe verhaalt, dat bij de kerk van Draakestein een soort markt was, waar de boeren kruidenierswaren enz. kochten, als ze daar kwamen.
Verder had men de rondtrekkende kooplieden, die natuurlik de boeren even hard beet namen, maar deze voelden zich, ook al werden ze beet genomen, niet zo hulpeloos overgeleverd aan de listen en lagen van geldgierige kooplui, zolang ze maar op hun eigen grond en in hun eigen omgeving waren.
Hierboven deelde ik met een enkel woord mee, dat in 1742 de eerste slagerswinkel te Stellenbosch werd geopend. De primitieve toestand van het winkelwezen komt ook duidelik uit, wanneer men de bepalingen leest, die daarbij werden gemaakt.
Pieter Wium was de slager, die in de winkel zou wonen. Hij moest twee keer per week op Woensdag en Zaterdag, gezond, vers schapevlees te koop aanbieden tegen 2 st. per pond en een schelling voor 4 pond en hij zou voor die prijs aan niemand mogen weigeren vlees te verkopen. Vier keer per jaar zou hij op dezelfde kondities ook rundvlees moeten verkopen.
Indien hij zich niet aan deze voorwaarden hield, zou hij 25 rkd. boete moeten betalen aan de armekas.
Maar niet alleen Stellenbosch was nog in zijn eerste ontwikkelingsperiode, Kaapstad was ook bij lange na nog niet, wat men een „stad” kon noemen.
Valentijn spreekt nog steeds, zoals ik vroeger opmerkte, over het „vlek”.
En hoe de toestanden er waren, blijkt b.v. ook uit het „Journal”, waar we aangetekend vinden, dat er in 1710 besloten werd een behoorlike muur om de begraafplaats te bouwen, daar deze open lag en men varkens en andere dieren wilde beletten de grond om te wroeten en zo de lijken te schenden.
En zelfs in 1792 zegt Cornelius de Jong nog: „De Kaap, niet bestraat zijnde, is in den regentijd een algemeene dijk, hetwelk de laarzen zeer noodzakelijk maakt. De goten, die wijd zijn, midden door de straten loopen en meesttijds het water niet kunnen verzwelgen moet men bij sterken regen overspringen”56).
Toch volgde men in het huiselik leven de hoofse zeden van de Europese steden.
Voor dat men aan tafel ging, bracht een slavin bij ieder der gasten een bekken water en een handdoek en datzelfde gebeurde, als ze opstonden. In de huizen van de rijken stond zelfs achter iedere stoel een slaaf met een palmblad om koelte toe te wuiven of om de vliegen te verdrijven, die plaag, waarover zo vele reizigers aan de Kaap al geklaagd hebben57).
De gastvrijheid der buitenlieden, waarover ik vroeger gesproken heb, bestond echter in Kaapstad niet. Men kon er onderdak krijgen, maar tegen betaling.
Velen in Kaapstad leefden zelfs van dit houden van kosthuizen en konden dus onmogelijk zo vrijgevig zijn met hun gastvrijheid als de lieden buiten de stad.
Het gebrek aan winkels van allerlei waren werd aan de Kaap goed gemaakt door verkopingen, die vaak door de zeelieden werden gehouden. Officieren waren gewoon te hunnen eigen bate allerlei dingen te koop aan te bieden.
Als ze uit Holland kwamen, hadden ze gewoonlik wijn, bier, hammen, kazen, tabakspijpen enz. te koop en wanneer ze uit Indië kwamen, verkochten ze vaak katoen, sits, rijst, tee enz.
Niet alleen hollandse, maar ook engelse officieren deden dit. Deze laatsten boden meestal fijn en grof ijzerwerk, vooral matrozemessen en scharen te koop aan.
Dit werd door de Kompanjie toegelaten op voorwaarde, dat ze 5 percent van de verkoopsprijzen aan de fiskaal betaalden.
Vermakelikheden waren er ook nog niet veel. Als de kanonnen van Robben-eiland de komst van een schip aankondigden, liep jong en oud uit om te zien, welk schip het was en als het voor anker kwam, dan was iedereen nieuwsgierig om het nieuws te horen, dat door de van boord komenden zou worden meegedeeld.
Maar als er geen schepen kwamen, was het leven vrij eentonig.
Onder Van Assenburg werd het de gewoonte, dat de burgers met hun vrouwen een bezoek aan 't kasteel brachten op Nieuwjaarsdag en op zijn verjaardag tussen 10 en 11 's morgens. Ze werden dan uitgenodigd daar het middagmaal te gebruiken en bleven de gehele dag tot 's avonds 9 uur.
Eens zelfs gaf hij bij een dezer gelegenheden een stieregevecht te zien op 't plein van het Kasteel. Dit viel echter bij de vreedzame Kapenaars niet biezonder in de smaak en werd daarom nooit herhaald.
Onder de huiselike vermaken waren vooral bekend het schaak-, kaart-58) en damspel. 's Avonds, als men z'n vrienden ging bezoeken, werd er muziek gemaakt en vaak ook werd er gedanst. Maar men maakte er geen nachtwerk van, zoals tegenwoordig.
Want om negen uur begon ieder zich gereed te maken om naar huis te gaan. De slaven stonden met brandende lantarens gereed om de heren en dames naar huis te geleiden, daar straatverlichting nog onbekend was.
In Stellenbosch had men van 1 tot 14 Oktober kermis. Die was in 1686 ingesteld. Van alle kanten kwamen de mensen dan toegestroomd. Uit Kaapstad kwamen niet alleen de stedelingen maar ook de schepelingen van de in de Tafelbaai liggende schepen. Het was dan een tijd van grote vreugde en vrijheid. Ieder mocht gedurende deze tijd kopen en verkopen zonder enige beperking.
In 1706 werd echter deze kermis voor goed afgeschaft.
De regering in Indië had namelik verboden verder bij te dragen aan de schietwedstrijden en ook was het niet meer veroorloofd wijn of bier uit te delen op kosten van de Kompanjie, zoals tot dusver de gewoonte was geweest.
Vooral het schijfschieten of papegaaischieten was een belangrijk punt van 't programma.
Men zette een houten vogel (papegaai) op een stang en dan moest door de personen, die hun inleggeld59) hadden betaald, getracht worden, die vogel eraf te schieten.
Verschillende prijzen werden daarbij uitgeloofd.
Wie de kop er afschoot, kreeg 1 rkd. Voor de rechtervleugel kreeg men 4 schellingen, voor de linkervleugel 3 schellingen, voor de staart 2 schellingen, voor een splinter 1 schelling. Wie de hele vogel eraf schoot kreeg 25 rkd. van de Kompanjie en bovendien de inleggelden.
Verder was er ook een wedstrijd in 't pistoolschieten op een schijf.
Wie de papegaai afschoot, was koning van 't voetvolk en wie 't wit van de schijf raakte, was koning van de ruiterij.
Het volgend jaar mocht de koning eerst schieten, zelfs vóór de Goeverneur. Hij behoefde dan ook nog geen inleg te betalen60).
De afschaffing van de kermis in Stellenbosch was volstrekt niet naar de zin van de bewoners en een opstootje was er het gevolg van. De afschaffing bleef echter gehandhaafd.
Bij gebrek aan andere amusementen maakte men van een vendutie zooveel mogelik een pretje.
„Bij alle verkopingen, die op 't land geschieden, worden de liefhebbers met eeten en drinken verzien, en zommigen ook voor niet met al gehuisvest, terwijl by degenen, die aan de Kaap voorvallen de kopers enkelijk met een glas wyn en een pyp tabak onthaalt worden, ten einde de kopers door den wyn aangemoedigt wat rykelyker in 't bieden zyn zouden”61).
Bij verschillende plechtige gelegenheden, zooals de viering van 't Nieuwe jaar, trachtte men wat meer leven te brengen in de kleine maatschappij door schoten te lossen.
Dit werd echter in 1715 verboden wegens 't brandgevaar. Op 17 Mei 1714 kort na aankomst van De Chavonnes was er brand op 't kasteel gekomen dicht bij 't kruitmagazijn. Slechts met moeite had men die brand geblust62).
Geen wonder ook, dat het streng verboden was op straat een pijp te roken. Zeelieden, vooral, als ze half dronken waren, gingen wel eens wat roekeloos om met hun pijp en een enkele vonk was genoeg om de rieten daken in 't droge seizoen in brand te steken, zoals men in 1710 te Stellenbosch tot zijn schade ondervond.
Op overtreding van dit rookverbod stond zelfs een pak slaag met een dik touw63). De politie moest ook opletten, of er ergens brand was.
Des avonds ging de z.g. ratelwacht de stad door. Als er brand was, liet hij zijn ratel klinken en riep luid: „Brand, brand!” door de straten. Dan ging hij naar het Burger-Wachthuis, waar de brandspuiten werden bewaard en op het brandalarm werd de trommel geroerd en de klokken van kerk en kasteel werden geluid.
Om zich aan de eentonigheid van het alledaagse leven te onttrekken, bestond bij de landbewoners de gewoonte, de jaardagen van ouden van dagen in biezonder hoge ere te houden.
Elk jaar gingen ze 4 of 6 weken lang op reis om allerlei familieleden te bezoeken en op die reis werd dan natuurlik heel wat nieuws verteld en gehoord en de tocht maakte een onderwerp van gesprek uit gedurende de rest van 't jaar.
De boeren bij Kaapstad hadden ook veelal enige slaven, die viool speelden. Er werden geregeld op de plaatsen danspartijen georganiseerd, waar menigeen zijn betere helft vond.
Als een jongen 15 jaar oud was, werd hij als volwassen beschouwd. Bij begroetingen enz. werd hij geheel als man behandeld.
Dan werd hij ook ingeschreven om militaire diensten te verrichten. Als een vader twee zonen had, die dienst konden doen, dan was hij zelf vrij64).
Liefdadigheidsinstellingen voor wezen waren er niet. Arme wezen werden door welgestelde lieden als hun eigen kinderen aangenomen.
Aan de opvoeding der jeugd werd ook nog niet veel zorg besteed.
In 1683 werd te Stellenbosch de eerste school gesticht. Men leerde er lezen, schrijven en de beginselen der cijferkunst. Het voornaamste deel van het onderwijs was dat in de godsdienst. Op 13-jarige leeftijd werden de leerlingen volleerd geacht. Dan deden ze een soort van eksamen voor het consistorie, waardoor ze lidmaten van de Kerk konden worden. Ze moesten daartoe de Bijbel kunnen lezen, de heidelbergse Katechismus opzeggen en een weinig schrijven. Vooral ook moesten ze echter psalmen kunnen zingen.
In 1714 werd te Kaapstad een latijnse school gesticht. Doch buiten deze scholen was er geen gelegenheid tot het ontvangen van onderwijs door de hele Kolonie.
Maar al deed de Kompanjie niet veel voor het onderwijs aan de kinderen van haar ambtenaren of de vrijboeren, haar jonge ambtenaren echter, die nog geen gezinshoofden waren, werden door haar met de plak geregeerd.
Ik sprak vroeger over het kosthuis, dat de Kompanjie had gesticht voor de jongelui in haar dienst.
De regels, die ze voor hen had gemaakt, waren o.a.: „De tafel mocht niet langer dan een half uur duren. De jongelui moesten precies op tijd aan tafel zijn en als iemand later kwam, dan was de kosthuishouder niet meer verplicht hem eten te geven, maar hij moest wachten tot het volgende maal (Deze maaltijden waren om 11 v.m. en 6 n.m.). Geen ongetrouwde ambtenaar mocht in een kosthuis van eigen keuze zijn, uitgezonderd zij, die familie in de stad hadden.
Er moest voor en na 't maal een gebed uitgesproken worden. Wie aan tafel vocht of vloekte, moest eerst bestraft worden door de kosthuishouder en als dit niet hielp, dan zo nodig door de Politieke Sekretaris gerapporteerd worden aan de Goeverneur”65).
Misschien was de strenge en ingetogen levenswijze, waaraan men zich aan de Kaap hield ook voor een zeer groot deel te danken aan de Kalvinistiese levensbeschouwing van de oude Hollanders, die allerlei dingen als duivels beschouwden, welke belijders van andere godsdiensten vrij onschuldig achtten.
Daarom betwijfel ik ook, of het kaartspelen wel zo algemeen was als Thunberg ons zou willen doen geloven.
Het feit, dat Adam Tas in zijn dagboek vertelt, dat hij met vrienden en kennissen kaartspeelt, bewijst ook niet veel. Hij was in menig ander opzicht heel wat vrijer in zijn denken en overtuigingen dan de meesten van zijn tijdgenoten.
Eigenaardig is wel, dat de Kalvinisten volgens Thunberg66) Kerstmis volstrekt niet vierden, maar dat ze dan werkten als gewoonlik. Nieuwjaarsdag werd door hen als vakantiedag gevierd in zoverre, dat ze naar hun buren gingen om hun geluk te wensen.
Bruiloften werden, vooral als de bruid en bruidegom soms dagen en weken moesten reizen voor ze 't Huwelikshof te Kaapstad bereikten, vanzelf niet met veel vertoon gevierd.
Valentijn vertelt alleen, dat men er in zoverre een soort van plechtige tint aan gaf, dat men altijd zwarte ossen gebruikte om de wagen van bruid en bruidegom te trekken. Dit gold echter ook voor 't vervoer van een dode, waar de kleur dan ook meer geschikt was, naar 't mij voorkomt.
Toch ging een trouwplechtigheid, vooral van lieden uit Kaapstad, niet geheel ongemerkt voorbij. Op de avond van de dag, dat men, zoals het heette „voor Commissarissen” geweest was, gaf men gewoonlik een soupee, dat het „Commissaris Maal” heette. Dit soupee werd met een bal besloten. Op deze bals waren de slaven, die vaak zeer muzikaal waren, de muziekanten. De eigenlike huweliksinzegening had meestal plaats op Zondag.
Bij een sterfgeval gaf de koster daarvan gewoonlik kennis aan vrienden en bloedverwanten en nodigde hen tot de begrafenis uit.
Aan de dragers werd een zekere som geld betaald en opdat ze in behoorlik kostuum zouden zijn, kregen ze ook een paar zwarte handschoenen en een lange zijden lamfer.
Als het lijk het huis was uitgedragen, werden door de koster de namen der bloedverwanten en vrienden opgelezen in de volgorde, waarin zij de kist zouden volgen. Hij moest dan nauwkeurig overwegen of die orde wel goed was, want als iemand niet de plaats kreeg, die hem toekwam, was dit een grote belediging. Vóór 1754 werd zeezand gestrooid langs de weg van 't sterfhuis naar 't kerkhof. Na de begrafenis werden allen bedankt voor hun tegenwoordigheid en uitgenodigd naar het sterfhuis te gaan om daar een en ander te gaan gebruiken.
Hier werden wijn, brandewijn, bier, tee, koffie, kaas, gevogelte, tabak, pijpen, enz. aangeboden en men deed zijn best om dit maal zo goed mogelik te doen zijn, omdat het „de laatste eer was, die men aan de dode kon geven.”
Bij de begrafenis van Johannes Heufke (1739) werd 20 rkds. uitgegeven voor „geraspbrood, koekies, kraakelinge, eyzerkoek en verder gebak,” 2½ rkd. voor „een gros lange pype,” 3 rkd. 2 schellingen voor „4000 amandel”, 21 gulden voor „Hollands gebak” en 12 gulden voor „Caabs gebak.”
Een afleiding voor de Kapenaars was zeker wel een wandeling door de prachtige Kompanjiestuin, waar vele schrijvers van spreken als van een van de wereldwonderen.
Anderen zijn niet zó uitbundig in hun lof, maar dat hij de moeite van het bekijken waard was, is zeker.
Valentijn is er biezonder over verrukt. Hij vond er allerlei gewassen, die hij nooit te voren had gezien en dat er degelik werk werd gedaan, blijkt ook wel uit wat hij vertelt over de arbeid van de baas-tuinier en eveneens uit de lange lijst van planten, die hij opgeeft, die alle door de zorg van die tuinier òf een naam hadden gekregen òf geklassificeerd waren.
Een wandeling door deze tuin nu was zeer aangenaam, omdat men er niet alleen allerlei groenten, maar ook veel bloemen en vruchten zag.