Spookdiertje (Tarsius spectrum). ½ v.d. ware grootte.
“Over dag was de Majo slaperig, zwak van gezicht en, als men hem stoorde, ook brommig; als het daglicht verflauwde, werd hij echter wakker en vergrootte zich zijn pupil. Des nachts bewoog hij zich vlug en behendig met onhoorbare sprongen, liefst in zijdelingsche richting. Hij werd spoedig tam, stierf echter reeds na weinige dagen; ook het tweede diertje kon ik niet lang in ’t leven houden.”
Voor ruim honderd jaar kreeg de reiziger Sonnerat uit een bosch van Madagaskars westkust twee hoogst zonderlinge dieren, van welker bestaan niemand tot dusver kennis droeg. Zelfs op de tegenovergestelde kust waren zij volkomen onbekend; de daar levende Madagassen zeiden althans, dat zij nu voor ’t eerst zulke dieren zagen; om hunne verwondering te kennen te geven, riepen zij luid: “Aï, Aï”, welke uitroep door Sonnerat als naam voor het dier werd gekozen.
Gedurende meer dan 60 jaren bleef de door Sonnerat naar Europa gebrachte Aï-aï de eenige, dien men kende, en was de in het jaar 1782 opgemaakte beschrijving van dit zeldzame dier, de eenige bron voor de kennis hiervan. Men dacht er reeds aan, het als uitgestorven te beschouwen, toen in 1844 De Castelle opnieuw berichten over dit wezen gaf. Deze reiziger slaagde er in, een jongen levenden Aï-aï te verwerven, en besloot, hem aan den Parijschen “Jardin des plantes” te schenken. Ongelukkig stierf dit exemplaar, voordat het in Europa was aangekomen; zijn vel en zijn geraamte werden echter aan de verzameling van de genoemde inrichting toegevoegd; het bleek toen, dat het nieuwe dier tot de door Sonnerat ontdekte soort behoorde. Nieuw materiaal om haar nader te leeren kennen ontving hem echter eerst in 1862. Toen werd de Dierkundige Vereeniging te Londen verblijd door het bericht, dat twee “Vingerdieren” of “Naaktvingers”, zooals men dezen overgangsvorm intusschen had genoemd, op Madagaskar gevangen en naar de Diergaarde in Regentspark onderweg waren. Een van deze kwam gelukkig levend, het andere als spiritus-preparaat op de plaats van bestemming. Eenigen tijd daarna werden nog meer exemplaren overgezonden, waarvan drie voor het Berlijnsche museum.
Nu eerst konden de dierkundigen de verwantschap van den Aï-aï met zekerheid bepalen en hem een plaats in het stelsel aanwijzen.
Volgens de onderzoekingen van Owen en Peters vormt de Aï-aï—het Vingerdier (Chiromys madagascariensis)—niet slechts een afzonderlijk geslacht, maar ook een nieuwe familie in de orde der Halfapen.
De Aï-aï, die eenige jaren lang te Londen heeft geleefd, heb ik leeren kennen; ongelukkig was de duur van mijn verblijf aldaar zoo kort, dat ik slechts één avond aan dit dier kon wijden. Deze tijd was echter voldoende om mij te doen inzien, dat de beschrijving van Sonnerat niet alleen aanvulling, maar ook verbetering eischt. Ik zal daarom hier van de uitkomsten van mijn vluchtig onderzoek, vermeerderd met hetgeen ik van de oppassers van het dier vernam, een kort overzicht geven.
Het vertoont letterlijk met geen enkel Zoogdier een eenigszins belangrijke overeenstemming. In sommige opzichten herinnert het aan de Galago’s; geen dierkundige zal hierin echter een motief vinden om het met deze dieren tot één familie te vereenigen. De dikke, breede kop, die wegens de groote ooren nog breeder schijnt, de kleine, eenigszins uitpuilende, starende, beweginglooze, maar vurige oogen, die een veel kleiner pupil hebben dan de oogen van den Nachtaap, de mond, die werkelijk eenigszins gelijkt op een papegaaien-snavel, de aanzienlijke grootte van het lichaam en de lange staart, die, evenals het geheele lichaam, met dun gezaaide, maar lange, stijve, bijna borstelachtige bovenharen bezet is, en de zoo merkwaardige handen eindelijk, waarvan de middelvinger er uitziet, alsof hij uitgedroogd is: al deze kenmerken te zamen genomen verschaffen het dier zulk een eigenaardig voorkomen, dat men onwillekeurig zich het hoofd breekt met vruchtelooze pogingen om een schepsel te vinden, dat aan dit dier verwant is.
Aï-aï of Vingerdier (Chiromys madagascariensis). 1/9 v.d. ware grootte.
Voor den deskundige, die dit dier levend voor zich ziet, kan er geen twijfel aan bestaan, dat hij hier een echten nachtwandelaar voor zich heeft. De Aï-aï is lichtschuwer dan eenig mij bekend Zoogdier. Een Nachtaap kan nog wakker gemaakt worden, waggelt rond, kijkt verwonderd naar de hem onbekende wereld vol zonneschijn en warmte, luistert met belangstelling naar het gonzen van een Insect, lekt en poetst zich: de Aï-aï daarentegen schijnt overdag, als men hem met veel moeite wakker geschud heeft, volkomen bewusteloos te zijn. Als een automaat keert hij weer terug in zijn donker hoekje, rolt zich hier ineen, en bedekt met den dikken staart, dien hij zich als een hoepel om den kop slaat, zijn aangezicht. Bij iedere beweging, elke handeling geeft hij de bewijzen van een onvergelijkelijke traagheid en langzaamheid. Eerst als de ware, donkere nacht ingevallen is, lang na de schemering, herkrijgt hij zijn opgewektheid en komt uit zijn “donkere kamer” te voorschijn, schijnbaar nog steeds vervuld van den angst, dat de een of andere lichtstraal hem zou kunnen treffen. Het schijnsel van een kaars, dat andere nachtdieren niet de minste bekommering baart, doet hem snel terugvluchten.
Als de waarnemingen van Sonnerat juist geweest zijn, heeft hij met een bijzonder goedaardigen Aï-aï te doen gehad. Die, welke ik zag, was niets minder dan zachtmoedig, integendeel, zeer prikkelbaar en ongezellig. Als men hem naderde, blies hij als een Kat; als men hem de hand voorhield, schoot hij, dezelfde geluiden voortbrengend, woedend en zeer snel er op los, en trachtte de hand met zijne beide voorpooten te pakken.
Het eenige voedsel, dat men dit dier geeft, is versche melk, waarmede men de gekookte en fijn gewreven dooier van een ei vermengd heeft. Een kleine schotel vol hiervan is voldoende voor één dag. Bij het eten maakt de Aï-aï van zijne beide handen gebruik: hiermede werpt hij zich de vloeibare spijs in den mond. Vleeschkost heeft hij tot dusver hardnekkig versmaad; of men getracht heeft, hem ook aan andere voedingsmiddelen te gewennen, weet ik niet.
Aan deze in ’t jaar 1863 geschreven opmerkingen wil ik Pollen’s later (1868) openbaar gemaakte mededeelingen toevoegen, vooral omdat zij onze kennis van het leven van den Aï-aï in de vrije natuur aanvullen. “Dit in wetenschappelijk opzicht zoo belangrijk dier,” zegt de genoemde onderzoeker, “bewoont bij voorkeur de bamboesbosschen van het groote eiland. Het voedt zich met het merg van bamboes en van suikerriet, maar ook met Kevers en hunne larven. Zoowel om het binnenste gedeelte van den riethalm te verkrijgen als om Insecten te vangen, knaagt het met zijne krachtige snijtanden in den stengel een opening en steekt hierin zijn dunnen middelvinger, waarmede hij zich van het merg of van het Insect meester maakt. Zoo slaperig het over dag is, zoo vlug beweegt het zich gedurende den nacht. Het slapen vangt aan bij ’t opgaan der zon; het dier verbergt daarbij den kop tusschen de pooten en omgeeft hem bovendien met den langen staart; bij ’t begin van den nacht ontwaakt het uit zijn slaapdronken toestand, klimt bij de boomen op en neer, en springt met de behendigheid van de Maki’s van tak tot tak; intusschen onderzoekt het zorgvuldig alle openingen, reten en gaten van de oude boomen, om Insecten buit te maken; door het eerste schijnsel van ’t morgenrood wordt onze insectenjager naar ’t binnenste van ’t woud teruggedreven. Gedurende den nacht verneemt men dikwijls zijn krachtig geknor.”
Derde Orde.
De Vleermuizen (Chiroptera).
Nog voordat op een mooien zomeravond de zon onder de kim gezonken is, vangen de leden van een der merkwaardigste orden van de Zoogdierenklasse hun eigenaardigen arbeid aan. Uit alle spleten, holen en gaten ontwijkt de sombere, nachtelijke schaar der Vledermuizen, die zich gedurende den dag schuw teruggetrokken had, alsof zij zich in het licht der zon niet durfde vertoonen, en maakt zich gereed voor hare nachtelijke zwerftochten. Hoe meer de schemering valt, des te grooter wordt het aantal dezer donkere gezellen, totdat met het begin van den nacht alle wakker geworden zijn en in de lucht haar bedrijf uitoefenen. Ons vaderland ligt evenwel aan de grens van het verbreidingsgebied der Vledermuizen; het herbergt alleen kleine, tengere en zwakke soorten. In het Zuiden is het anders gesteld.
Hoe meer men den warmen aardgordel nadert, des te grooter wordt het aantal Vleermuizen, en met het aantal individuën neemt ook de verscheidenheid van vormen toe. Het Zuiden is het vaderland van de meeste dieren dezer orde. Reeds in Italië, Griekenland en Spanje is haar aantal in ’t oogloopend groot. Als daar de avond nadert, komen zij niet bij honderden, maar bij duizenden uit hare schuilhoeken opdagen, zoodat de lucht er van wemelt. Uit ieder huis, uit elke ruïne, uit iedere rotsspleet fladderen zij naar buiten, alsof een groot leger zijn uittocht gaat houden; reeds gedurende de schemering is letterlijk de geheele gezichtskring door haar ingenomen. De veelvuldigheid der Vleermuizen in warme landen is werkelijk verrassend. Zij leveren een uiterst aantrekkelijk en onderhoudend schouwspel op voor hem, die vóór de poorten van een groote stad in het Oosten den avond doorbrengt. De zwermen, die daar door den avond gewekt worden, verduisteren de lucht in den letterlijken zin van ’t woord. Zeer spoedig wordt het onmogelijk, haar aantal te schatten, want allerwege ziet men massa’s van donkere gedaanten door de lucht zwermen. Overal is leven en beweging; tusschen de boomen van de tuinen, bosschen en wouden snorren zij door: over de velden fladderen zij, deels laag bij den grond langs, deels op aanzienlijke hoogte; door de straten der stad, over de binnenplaatsen en zelfs door de kamers der woningen beweegt zich het vliegende leger. Honderden komen, honderden verdwijnen. Voortdurend omringt ons een fladderende schare.
De Vleermuizen of Handvleugelingen zijn onmiddellijk kenbaar aan uitwendig zichtbare eigenaardigheden van den lichaamsbouw. Zij hebben over ’t algemeen een ineengedrongen gestalte, een korten hals en een dikken, langwerpigen kop met groote mondspleet. Hoewel de beide tepels bij de Vleermuizen aan de borst geplaatst zijn en deze dieren ook in andere opzichten nog het meest met de Apen overeenstemmen, bestaat er echter een in ’t oogloopend verschil tusschen de beide diergroepen. De handen zijn n.l. bij de Vleermuizen vliegwerktuigen geworden, en om deze reden reusachtig vergroot, daarentegen is de stam van ’t lichaam zoo klein mogelijk. Dit maakt, dat zij grooter schijnen, dan zij zijn; in werkelijkheid behooren zij tot de kleinste der Zoogdieren. Ook het inwendige van haar lichaam vertoont vele eigenaardige kenmerken. Haar geraamte is licht, maar stevig gebouwd, hoewel de beenderen geen met lucht gevulde holten bevatten, zooals die der Vogels. Kenschetsend voor de Vleermuizen is het maaksel der voorste ledematen. De boven- en de benedenarm en de middelhand met de vingers zijn buitengewoon lang; vooral geldt dit voor de drie buitenste of achterste vingers, die den bovenarm in lengte overtreffen. Hierdoor worden de op baleinen van een parapluie gelijkende vingers tot het uitspannen van de hen vereenigde vlieghuid zeer geschikt, maar tevens voor andere dienstverrichtingen onbruikbaar. Alleen de duim, die aan de vorming van den voor ’t vliegen dienenden waaier geen deel neemt, gelijkt nog eenigszins op de vingers der overige Zoogdieren: als gewoonlijk is hij tweeledig en kort; hij is met een scherpen klauw voorzien, die bij het klimmen en zich vasthouden de geheele hand vervangen moet. Het dijbeen is veel korter en zwakker dan het opperarmbeen; alle beenderen van de als pooten ontwikkelde achterste ledematen zijn trouwens in ’t oogloopend zwakker dan die van de voorste. Deze pooten wijken niet veel van den algemeenen regel af; ook hier heeft de voet vijf teenen, en is iedere teen met een klauw voorzien. Toch heeft ook de voet iets eigenaardigs: van den hiel gaat n.l. een slechts bij de Vleermuizen voorkomend been—het spoorbeen—uit; het dient voor het spannen van de vlieghuid tusschen de pooten en den staart. Door den bouw van haar geraamte herinneren de Vleermuizen niet zoo zeer aan de Vogels, als aan de voorwereldlijke Vliegende Hagedissen. Van de spieren verdienen de buitengewoon krachtige borstspieren een afzonderlijke vermelding, en bovendien een bij de overige Zoogdieren in ’t geheel niet voorkomende spier, die, aan den schedel ontspringend, met zijn andere uiteinde aan de hand verbonden is, en de vlieghuid helpt spannen. Het gebit gelijkt op dat van Insecteneters; het bevat alle drie soorten van tanden in reeksen, die geen tusschenruimten overlaten; het aantal en de vorm der tanden zijn echter bij de verschillende soorten van Vleermuizen zeer ongelijk.
De merkwaardigste eigenschap van deze dieren is ongetwijfeld de vreemdsoortige uitbreiding van de huid, die niet alleen de gedaante van het geheele lichaam, maar ook de uitdrukking van het gelaat bepaalt, en aanleiding geeft tot het werkelijk monsterachtig voorkomen van vele Vleermuis-aangezichten. De met een breede mondspleet voorziene snuit draagt ook wel iets bij tot de zeer eigenaardige physionomie van deze dieren; het zijn echter de huidwoekeringen aan de ooren en aan den neus, die aan het gelaat zijn eigenaardig voorkomen en (volgens het oordeel van de meeste menschen althans) zijn leelijkheid verschaffen. “Geen enkele diergroep,” zegt Blasius, “kan op zulk een ontwikkeling van het huidsysteem bogen, als zich in den vorm van de ooren, van den neus en van de vlieghuid der Vleermuizen openbaart. De ooren, die bij alle soorten merkwaardig groot zijn, bereiken bij eenige nagenoeg de lengte van het lichaam; in enkele gevallen breiden zij zich ook in de breedte uit, totdat zij op de kruin elkander raken en hier aaneengroeien. Bij sommige soorten is ook de huid rondom de neusgaten en van den rug van den neus tot vreemdsoortige aanhangsels uitgegroeid. Hierdoor ontstaan aangezichtsvormen zoo zonderling, als bij geen andere dieren voorkomen. Deze eigenaardigheden, die in nauw verband staan met de wijze van beweging en de levenswijze, brengen een in ’t oog loopend verschil teweeg tusschen de Orde der Handvleugeligen en de overige Zoogdieren-orden.”
Door haar samenstelling is de vlieghuid uitnemend geschikt voor haar hoofdverrichting. Zij bevat een zeer rekbare en veerkrachtige huidlaag; de lagen, die aan hare oppervlakte gelegen zijn, worden zacht gehouden door inwrijving met een olieachtig vocht, afkomstig uit klieren, die zich aan het aangezicht bevinden. Zeer merkwaardig is ook de bouw van de haren der Vleermuizen. De microscoop leert, dat zij zich van de haren der andere dieren onderscheiden door het opgericht zijn van de gewoonlijk aanliggende schubben, die het zoogenaamde opperhuidje van het haar vormen. Hierdoor ontstaan op het haar schroefvormige windingen, waardoor het als ’t ware in leden verdeeld is. Altum telde aan een haar van den rug van de Dwerg-Vledermuis 926 zulke leden. Dat een uit zulke haren samengestelde vacht uitstekend in staat is om het dier tegen afkoeling te beschutten, en het daardoor beter geschikt maakt om ’s nacht rond te vliegen, ligt voor de hand.
Sommige zintuigen zijn bij de Vleermuizen uitstekend, andere veel minder goed ontwikkeld. Het minst volkomen is waarschijnlijk de smaakzin; dat hij echter niet ontbreekt, zou men reeds dadelijk kunnen afleiden uit het maaksel van de tong, de zachtheid van den lippen en de buitengewoon talrijke zenuwen in deze lichaamsdeelen. Het bestaan van den smaakzin is trouwens proefondervindelijk gebleken uit waarnemingen bij Vleermuizen, die in den winterslaap verkeerden en dus half bewusteloos waren. Giet men zulk een dier een druppel water in den met geweld geopenden bek, dan slikken zij dezen door zonder bezwaar te maken. Brandewijn, inkt of dergelijke wansmakelijke vloeistoffen worden daarentegen standvastig uitgespuwd.
Het oog is klein in verhouding tot den lichaamsomvang, maar bezit een pupil, die zich sterk verwijden kan. Sommige soorten hebben buitengewoon kleine oogen; deze zijn, zooals Carl Koch doet opmerken bij eenige zoo zeer verborgen te midden van de dichte beharing van het aangezicht, dat zij onmogelijk als gezichtsorganen dienst kunnen doen. En nu jagen juist deze kleinoogige dieren over dag, en hebben de ’s nachts vliegende Vleermuizen daarentegen grootere en meer vrij liggende oogen. Maar ook bij deze kan het oog buiten werking gesteld worden, zonder dat dit haar merkbaar hindert. Hieruit blijkt, dat het gezichtszintuig bij het doen van waarnemingen krachtdadig ondersteund wordt door de zintuigen van den reuk, het gehoor en het tastgevoel. Om Vleermuizen tijdelijk blind te maken, plakte men haar eenvoudig een stukje Engelsche pleister over de oogen. Ondanks haar blindheid vlogen zulke dieren nog even behendig door de kamer, als toen zij zien konden. Allerlei hindernissen, b.v. draden, die in verschillende richtingen door het vertrek waren gespannen, wisten zij zeer goed te ontwijken. Hiermede staat in verband het eigenaardig verschil, dat men opmerkt tusschen Vleermuizen en Vogels of Insecten, wanneer beide zich voor ’t eerst vrij in een vertrek bevinden, waarvan de ramen gesloten zijn. De Vogels en Insecten zullen tegen de ruiten vliegen en zich hierdoor soms ernstig bezeeren; de Vleermuizen daarentegen zullen van de aanwezigheid van de ook voor hen onzichtbare ruiten onderricht worden, doordat deze de lucht terugkaatsen, die door de vlieghuid sterk in beweging wordt gebracht. Vermoedelijk is de vlieghuid het voornaamste orgaan voor den tastzin.—Veel beter ontwikkeld dan het gezicht zijn de reuk en het gehoor. De neus is bij alle Vleermuizen een zeer volkomen orgaan. De groote neusgaten kunnen door hiervoor bestemde spieren verwijd, vernauwd en zelfs geheel gesloten worden. Verscheidene soorten bezitten bovendien groote, bladvormige aanhangsels aan den neus, die zeer zeker gedeeltelijk ten doel hebben om de scherpte van het reukzintuig te vermeerderen.—De oorschelp, die op soortgelijke wijze als de neus, een hoogeren graad van volkomenheid heeft verkregen, is zoo groot, dat zij zich dikwijls tot in de nabijheid van den mondhoek uitstrekt: zij vertoont eigenaardige uitwassen, plooien en insnijdingen, en kan door een zeer samengesteld spierstelsel, zoowel geheel als gedeeltelijk, uiterst gemakkelijk bewogen worden. Een groote, beweegbare klep, het oordeksel, welker vorm bij verschillende soorten zeer ongelijk kan zijn, heeft ten doel de gehooropening af te sluiten, wanneer een geluid te sterk is om door de Vleermuis verdragen te worden, haar met een onaangename gewaarwording bedreigt. Ook bevordert dit aanhangsel het opvangen van zeer zwakke geluiden. Het is n.l. gebleken, dat Vleermuizen voorbijvliegende Insecten reeds op tamelijk grooten afstand hooren kunnen, en dat zij zich bij haar beweging in de lucht voornamelijk door het gehoor laten leiden. Daarom worden zij door het afknippen van stukken van de oorschelp en van het oordeksel buiten staat gesteld om bij ’t vliegen een goede richting te behouden. Op deze wijze verminkt, stooten zij zich overal aan.
De geestvermogens van de Vleermuizen zijn volstrekt niet zoo gering, als vaak op grond van de geringe ontwikkeling hunner groote hersenen en van het gering aantal windingen hierop wordt beweerd; zij logenstraffen de uitdrukking van het gelaat, dat armoede van geest te kennen geeft. Alle Vleermuizen onderscheiden zich door een vrij goed ontwikkeld herinneringsvermogen, eenige geven zelfs bewijzen van verstandelijk overleg.
Zoo verhaalt Kolenati, dat een Vleermuis, die in een lindenlaan op de jacht was, het wijfje van een Vlinder niet aanroerde, omdat het vele mannetjes tot zich lokte, die het roofdier nu achtereenvolgens kon ophappen. Als men om Vleermuizen te vangen een Vlinder aan den haak slaat, die aan een paardehaar bevestigd is, zal men zich tevergeefs moeite geven. Zij komen naderbij, onderzoeken het zwevende Insect, bemerken echter spoedig het haar dreigende gevaar, en laten het lokaas onaangeroerd, zelfs als zij slechts weinig voedsel kunnen vinden. Dat de Vleermuizen bij goede behandeling zeer tam en aan haar meester gehecht kunnen worden, is door vele geleerden en vrienden der natuur opgemerkt. Enkele onderzoekers slaagden er spoedig in, deze dieren te leeren haar voedsel uit de hand van haar meester te nemen of uit glazen te halen; zoodra zij begrepen hadden, waar het om te doen was, deden zij dit telkens. Mijn broeder had een Grootoorige Vleermuis zoover getemd, dat zij hem door alle vertrekken volgde, en, als hij haar een Vlieg voorhield, oogenblikkelijk op zijn hand ging zitten om de aangeboden prooi op te eten. De groote soorten van Vleermuizen gedragen zich werkelijk aardig gedurende de gevangenschap; zij worden zeer tam en geven vele bewijzen van verstand.
“Met den vorm van de vlieghuid,” zegt Blasius, “hangen de geschiktheid tot vliegen en de verschillende eigenaardigheden van de vliegbeweging ten nauwste samen. Hij die verschillende soorten van Vleermuizen in de vrije natuur heeft waargenomen, zal moeten erkennen, dat er een in ’t oog loopende evenredigheid bestaat tusschen deze verschillen van vorm aan de eene zijde en de snelheid en de behendigheid van de vliegbeweging aan den anderen kant. De grootste behendigheid en snelheid bij ’t vliegen heeft onder de inheemsche soorten zonder twijfel de Vroegvliegende Vleermuis (p. 77). Men ziet haar soms reeds vóór zonsondergang torenhoog in rassche, koene wendingen met de Zwaluwen wedijveren; juist deze soort heeft naar verhouding de slankste en langste vliegwerktuigen, maar dan driemaal zoolang als breed. Alle soorten, die soortgelijk gevormde vliegwerktuigen hebben als de zooeven genoemde, vliegen snel en hoog, maken de menigvuldigste wendingen, en doen dit dikwijls plotseling; zij zijn zoo zeker in hare bewegingen, dat men ze zelfs bij storm en onweder buiten ziet. De vleugel beschrijft gedurende het vliegen in den regel een kleinen scherpen hoek; alleen bij plotselinge wendingen is de slagwijdte grooter; zoo kan de vlucht sterk gevarieerd worden; zij geschiedt snel, hoewel de beweging van de vleugels licht is, geringe inspanning vereischt.
“Het minst ontwikkeld is het vliegvermogen bij de soorten, die tot de geslachten Vespertilio (p. 75) en Rhinolophus (p. 80) behooren. Met de andere vergeleken, hebben zij de breedste en kortste vleugels, meestal ternauwernood twee en een half maal zoo lang als breed. De vleugel beschrijft bij deze soorten een grooten, meestal stompen hoek. De vlucht is fladderend, langzaam en onzeker. Gewoonlijk vliegen zij laag, eenige zelfs op een afstand van slechts weinige duimen van den bodem of van den waterspiegel. In rechtlijnige richting volgen zij straten en lanen, zonder snelle krommingen en zijwaartsche bewegingen in haar baan te maken.
“Het is niet moeilijk, uit de hoogte waarop de Vleermuizen vliegen, de wijze waarop zij dit doen en de grootte van het dier, af te leiden, tot welke soort zij behooren. Men kan zich niet vergissen, als men uit den bouw van den vleugel een besluit trekt ten aanzien van het vliegvermogen.”
Over ’t algemeen zijn de Handvleugeligen niet in staat om geruimen tijd achtereen te vliegen; altijd door moeten zij bij ’t vliegen hunne armen bewegen; de Vogel kan zweven, de Vleermuis alleen fladderen. Toch bezit zij door dit fladderen of met gedruisch vliegen boven de overige Zoogdieren een merkwaardig voorrecht. De krachtige ontwikkeling van het voorste gedeelte van den romp met zijne dikke borstspieren, het lichte en dunne achterlijf, de tot drievoudige lichaamslengte uitgegroeide voorste ledematen met hunne reusachtige vingers, de veerkrachtige vlieghuid, die vooral tusschen de vingers en den voorarm uitgespannen is, bevorderen deze wijze van beweging. Tot zweven is de Vleermuis niet in staat, omdat geen harer beenderen luchthoudend is, omdat haar lichaamsholte de groote luchtzakken mist, die bij de Vogels voorkomen, en vooral, omdat het fladderende dier geen slagpennen bezit. Haar vliegen vereischt een aanhoudend slaan op de lucht, nooit kan zij, als de Vogel, gedurende geruimen tijd door de lucht glijden of schieten zonder de vleugels te bewegen.
Om gemakkelijker haar vlieghuid te kunnen uitbreiden en omhoog te fladderen, haken alle Handvleugeligen, als zij gaan rusten, zich met de klauwen van de achterste ledematen aan een hoog geplaatst voorwerp vast en laten haar geheele lichaam naar beneden hangen.
Van den bodem kunnen zij zich niet zeer gemakkelijk verheffen; zij weten zich echter ook hier te redden, door in de eerste plaats de armen en de vlieghuid uit te breiden en het lichaam op de achterste ledematen een weinig opterichten, daarna éénmaal of meermalen omhoog te springen, om eindelijk fladderend weg te vliegen. Nadat hun dit gelukt is, komen zij tamelijk snel vooruit. Hoe vermoeiend deze wijze van voortbeweging is, blijkt het best hieruit, dat de Vleermuis, dikwijls reeds na zeer kort gevlogen te hebben, aan boomtakken, vooruitstekende gedeelten van muren en dergelijke voorwerpen gaat hangen, en eerst na eenigen tijd gerust te hebben de reis voortzet. Geen Vleermuis zou in staat zijn om zoo lang achtereen zonder tusschenpoozing te vliegen, als vele Vogels, b.v. de Muurzwaluwen, doen. Daarom kunnen de Handvleugeligen bij het naderen van den winter niet zulke verre reizen ondernemen als de trekvogels.
De handen dienen der Vleermuis trouwens niet uitsluitend voor het fladderen, maar ook voor het loopen op den grond. Niet bij alle soorten is de gang zoo onbeholpen, als men na het bovenstaande zou verwachten; toch brengen zij het nooit verder dan tot een erbarmelijk gehompel. Zij trekken daartoe de achterpooten naar voren onder den romp en lichten intusschen het achterlijf op, waardoor het geheele lichaam een stoot naar voren ontvangt; de handwortel en vooral de klauw van den duim doen hierbij geen anderen dienst, dan dat zij het voorste gedeelte van ’t lichaam ondersteunen. Toch kunnen eenige soorten bijna zoo snel vooruit komen als een Rat.
Alle Vleermuizen slapen over dag en gaan ’s nachts om voedsel uit. De meeste komen eerst bij ’t begin van de avondschemering uit hunne schuilhoeken te voorschijn, en keeren reeds lang vóór zonsondergang er in terug; enkele soorten echter vertoonen zich veel vroeger, sommige reeds des namiddags tusschen 3 en 5 uur, en zwermen in weerwil van den heldersten zonneschijn vroolijk rond.
Iedere soort heeft haar eigen jachtgebied in bosschen, boomgaarden, lanen en straten, boven langzaam stroomend of stilstaand water enz., minder dikwijls in het vrije veld, om de zeer eenvoudige reden, dat hier niets voor hen te jagen valt. In de aan Insecten rijkere, zuidelijke landen komen zij ook daar voor, vooral boven de maïs- en rijstvelden, omdat deze steeds aan een menigte Insecten tot woonplaats dienen, en aan de Vleermuizen dus een goeden buit leveren. Gewoonlijk zweven zij slechts over een klein gebied van misschien 1000 schreden middellijn. De grootere soorten hebben een uitgestrekter jachtveld, welks afmetingen wel een half uur gaans bedragen; van de grootste, in tropische gewesten levende Vleermuizen, de Vliegende Honden (p. 72), weet men evenwel, dat zij verscheidene mijlen ver kunnen vliegen zonder rust te nemen; daar zij achtereenvolgens verscheidene eilanden bezoeken, welker kusten mijlen ver van elkander verwijderd zijn.
Over dag blijven alle Vleermuizen verborgen in de meest verschillende schuilhoeken. Hier te lande zijn holle boomen en onbewoonde gebouwen of gedeelten van huizen (zeer zelden holen of rotsspleten) hare gewone slaapplaatsen. In de keerkringslanden gaan vele soorten eenvoudig aan boomtakken hangen, indien deze een dicht dak vormen. Een enkele maal komt dit ook wel hier te lande voor. Verreweg de meeste Vleermuizen echter verschuilen zich op meer verborgen plaatsen, eenige soorten kiezen hiervoor holten onder de schors of in het hout van boomen, andere de ruimten tusschen de pannen en de daaronder liggende dakbekleeding; de meeste echter zoeken hun toevlucht in door de natuur gevormde holen van rotsen, in gaten van muren, onder gewelven van bouwvallige of weinig bezochte gebouwen, in diepe bronnen, mijnputten, mijngangen en dergelijke plaatsen.
De Vleermuizen zijn gezellig, doch slechts in bepaalde omstandigheden. Sommige soorten haten elkander en vreten elkander op, als de gelegenheid hiervoor zich voordoet. De bloedzuigende Bladneuzen b.v. vallen de grootoorige Vleermuizen gedurende den slaap aan om hun bloed uit te zuigen, en deze wreken zich door hare vijanden op te eten (p. 80).
De Vleermuizen voeden zich met vruchten, Insecten, soms ook met kleine Gewervelde Dieren en met het bloed, dat zij grootere Gewervelde Dieren afzuigen. Verreweg de meeste in Europa wonende Handvleugeligen—n.l. die welke tot de Gladneuzige Vleermuizen (p. 70) behooren—eten alleen Insecten, vooral Nachtvlinders, Kevers, Vliegen en Muggen. Haar eetlust is verbazend groot, de grootste soorten kunnen best een dozijn Meikevers op, de kleinste een handvol Vliegen, zonder verzadigd te zijn. Hoe vlugger zij zich bewegen, des te meer voedsel hebben zij noodig; om deze reden zijn zij voor ons buitengewoon nuttig, en verdienen zij zooveel mogelijk gespaard te worden. Anders is het gesteld met de Bloedzuigende Vleermuizen (p. 77), die soms veel schade kunnen aanrichten, en met de Vruchteneters van deze orde (p. 72), die niet zelden geheele aanplantingen van vruchtboomen, vooral wijngaarden, vernielen.
Een opmerkelijk feit, dat door Heuglin werd opgemerkt, is, dat de Afrikaansche Vleermuizen om voedsel te verkrijgen de kudden volgen. “In de Bogos-landen”, zegt deze onderzoeker, “wordt zeer veel vee gefokt, en de kudden blijven, als afgelegen landstreken betere weiden en meer drinkwater opleveren, soms maanden lang verwijderd van de woningen der eigenaars. Bij onze aankomst in Keren waren alle runderkudden met de myriaden van Vliegen, die hen overal heen vergezellen in de laagvlakten van den Barka; zeer zelden zagen wij destijds Vleermuizen. Tegen het einde van den regentijd kwamen in een tijdsverloop van ongeveer een maand alle kudden van de hier wonende Bogos in de onmiddellijke nabijheid van de plaats terug; tegelijkertijd verschenen de insectenetende Schemering- en Nacht-Vleermuizen in waarlijk ongeloofelijk aantal; toen de laatste kudde vertrokken was, waren ook zij spoorloos verdwenen. In den nacht van 30 September tot 1 October hadden wij ons kamp opgeslagen op een hoogvlakte, die 3 uur gaans ten zuiden van Keren gelegen is, in de nabijheid van omtuiningen, die voor het bergen van rundvee bestemd waren. Daar de kudden zich in andere gedeelten van het gebergte bevonden, zagen wij slechts 1 of 2 Vleermuizen op deze voor haar zoo uiterst gunstig gelegen plaats. Den daarop volgenden dag keerden de kudden naar de genoemde plaats terug, en reeds denzelfden avond had het aantal Vleermuizen een in ’t oogloopende vermeerdering ondergaan”.
Ik acht het in ’t geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat het trekken, hoewel dit op beperktere wijze geschiedt dan bij de Vogels, bij de Vleermuizen veel meer voorkomt, dan gewoonlijk wordt aangenomen.
Voor alle Vleermuizen is warmte een noodzakelijke levensvoorwaarde, niet alleen, omdat door haar de Insecten herleven, maar ook, omdat de bedoelde insecteneters zelf van koude een afkeer hebben. Het veelvuldig voorkomen van Handvleugeligen op lagere breedtegraden hangt voorzeker samen met den grooteren rijkdom aan Insecten van deze gewesten, maar bovendien schijnt de hier heerschende warmte de ontwikkeling van de Vleermuizen in hooge mate te bevorderen. De meeste soorten worden door ruw weder, regen of wind, in hare schuilhoeken teruggehouden; andere vliegen wel is waar op koele avonden, maar doen dit slechts gedurende korten tijd, en keeren zoo schielijk mogelijk weer naar hare slaapplaatsen terug. Een andere reden hiervoor is trouwens te vinden in het feit, dat op onstuimige avonden de Insecten verborgen blijven en het rondvliegen der Vleermuizen dus min of meer nutteloos zou zijn, terwijl bovendien de wind haar het vliegen zeer bemoeilijkt; alleen de smalvleugelige soorten n.l. (p. 76) kunnen, zooals reeds werd opgemerkt (p. 70), aan eenigszins krachtige luchtstroomingen weerstand bieden.
Als het koud wordt, vervallen alle Vleermuizen, die niet trekken, in een meer of minder vasten winterslaap. Iedere soort kiest hiervoor een schuilhoek, die zooveel mogelijk beschut is tegen den invloed van het weder: holen, keldergewelven, warme daken, daksparren in de nabijheid van schoorsteenen en dergelijke. Hier vindt men ze, aan de achterpooten hangend en dicht opeengedrongen, dikwijls bij honderdtallen verzameld. Soms vindt men vertegenwoordigers van verschillende soorten op deze wijze vereenigd; natuurlijk alleen zulke, die elkander vriendschappelijk gezind zijn. Hoogst zelden komen hierbij ook individuën voor, behoorende tot soorten, die gewoonlijk elkander vijandig zijn. Naarmate de temperatuur van de omgevende lucht daalt, vermindert ook de bloedwarmte, niet zelden neemt zij af tot 5, ja zelfs, naar men zegt, tot 1¼ graad Celsius, terwijl zij gewoonlijk 31° C. bedraagt. In deze omstandigheden verkeeren de Vleermuizen in een toestand van verstijving. Als de koude zoo fel wordt, dat het toch reeds zeer weinig verwarmde bloed hieraan geen weerstand kan bieden, ontwaken de Vleermuizen en beginnen zich te bewegen. Niet zelden gebeurt het echter, dat zij doodvriezen; vooral komt dit voor bij gevangen dieren, die men aan een strenge koude blootstelt. Zoo lang de koude duurt, blijven de dieren rustig hangen; op warme winterdagen echter beginnen zij zich te bewegen; sommige soorten vliegen wel eens midden in den winter bij dooiweder uit, hoewel de bodem dan nog met sneeuw bedekt is.
De wijfjes van alle Handvleugeligen dragen hare jongen gedurende het vliegen met zich mede, zelfs dan nog, als de kleine dieren zelf reeds aardig fladderen kunnen en van tijd tot tijd de borst van de moeder verlaten. Voorbeelden van ’t laatstgenoemde feit heb ik waargenomen bij Vleermuizen, die ik in de oerwouden van Afrika aan de boomen vond hangen.—Als de jongen 5 à 6 weken oud zijn, hebben zij hun vollen wasdom bereikt.
Wegens hun vreemdsoortige en nachtelijke levenswijze werden de Handvleugeligen sinds overouden tijd met bijgeloovigen afschuw beschouwd; om dezelfde redenen hebben deze dieren, die geen mensch eenig kwaad doen, ook nu nog veel te lijden van de vooroordeelen en den afkeer van het groote publiek. De tallooze fabelen, die van de Vleermuizen verteld worden, en waarvan sommige, zooals het “spek-eten” en het “vliegen in iemands hoofdhaar”, ook thans nog door velen geloofd worden, zullen wij niet nader bespreken. Wij willen echter op de nadrukkelijkste wijze herhalen, dat de Vleermuizen ten zeerste aanspraak hebben op de bescherming van den mensch; zij verdienen gespaard te worden wegens haar hoogst nuttige werkzaamheid. Alle inheemsche Vleermuizen zijn zonder voorbehoud als zeer nuttige dieren te beschouwen op grond van haar kolossale vraatzucht, waardoor zij ons krachtdadig helpen bij het verdelgen van de zoo talrijke schadelijke Insecten. De weinig talrijke soorten van Vruchtenetende Vleermuizen zijn niet inheemsch, en de schadelijkheid van de enkele hier te lande voorkomende Bloedzuigende soorten is veel geringer, dan men vroeger meende. De geheele orde moet dus als een voor ons zeer nuttige schakel in de reeks der levende wezens beschouwd worden.
Het aantal tot dusver bekende, voorwereldlijke Vleermuizen is zeer gering. In het barnsteen heeft men haren van Vledermuizen en in verscheidene steengroeven versteende overblijfselen van beenderen van Handvleugeligen gevonden. Vooral de holen van Lagoa Santa in de Braziliaansche provincie Minas Geraes zijn zeer talrijk aan dergelijke fossielen. Het aantal goed gekarakteriseerde, levende soorten bedraagt ongeveer 300, waarvan er ongeveer 35 in Europa thuis behooren. De rangschikking en bepaling van deze dieren levert zelfs aan den deskundige vaak groote moeielijkheden op, omdat zij een buitengewoon groote verscheidenheid van vormen vertoonen, in weerwil van de groote overeenstemming, die er in sommige zeer belangrijke opzichten tusschen hen bestaat.
Deze orde wordt in drie groepen verdeeld, waarvan de eerste—die der Vruchtenetende Vleermuizen—slechts één familie bevat, n.l. die der Vliegende Honden (Pteropina).
Alle tot deze groep behoorende Handvleugeligen zijn zonder uitzondering bewoners van de warme gewesten der Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en zijne eilanden, Middel- en Zuid-Afrika, Australië en Oceanië. Wegens hun grootte zijn zij sinds overouden tijd voor gevaarlijke monsters uitgekreten. Deze onschadelijke en vreedzame dieren werden als afschuwelijke Harpijen en vreeselijke Vampiers beschreven; men vereenzelvigde hen met de griezelige spookgestalten, die, volgens de ouden, menschen gedurende den slaap bezoeken om hun het bloed uit te zuigen.
De Vliegende Honden of Vliegende Vossen komen in vele opzichten met onze Vleermuizen, overeen, maar hebben een veel aanzienlijker grootte en een minder vreemdsoortigen kop, aan welks vorm zij hun naam te danken hebben. Door de vlieghuid en dus ook door den bouw van de voorste en van de achterste ledematen gelijken zij op de andere Vleermuizen. Behalve de duim heeft echter ook de wijsvinger een klauw. De bij andere Vleermuizen zoo lange staart is bij hen een onbeduidend, uitwendig niet waarneembaar stompje; in verband hiermede is ook de staartvlieghuid ingekrompen tot een tamelijk smallen huidzoom langs het onderbeen, het bovenbeen en het achterste gedeelte van den romp. De neus heeft geen bladvormige aanhangsels en het oor geen oordeksel. Deze eigenaardigheden zijn voldoende om de Vliegende Honden van alle overige Vleermuizen te onderscheiden.
Zij bewonen bij voorkeur donkere bosschen; over dag rusten zij, en bedekken, bij reeksen aan de takken hangend, in ontelbare menigte de boomen: terwijl zij zich met de achterpooten vasthouden, zijn de romp en de kop door de vlieghuid omhuld. Ook verschuilen zij zich wel in holle boomen: soms vindt men verscheidene honderden individuën in één boom bijeen. In donkere, ongerepte wouden vliegen zij ook wel over dag rond; in den regel echter beginnen zij, evenals de overige Handvleugeligen, in de schemering eerst recht te leven. Hun scherp gezicht en fijn ontwikkelde reuk stellen hen in staat de boomen te vinden, die sappige, rijpe vruchten dragen; een voor een vliegen zij naar die boomen, waarop zij zich weldra weer tot groote troepen vereenigen om ze in korten tijd geheel kaal te vreten. Ook in de wijnbergen komen zij niet zelden in grooten getale en richten er groote schade aan; zij nemen alleen de rijpste en zoetste vruchten; de overige laten zij achter voor andere vruchteneters. De vruchten worden door hen veel eer uitgezogen, dan opgegeten; het vezelig gedeelte van de vrucht wordt uitgespuwd. Daar zij aan de zoetste en geurigste vruchten de voorkeur geven, maken bananen, vijgen en druiven hun liefste voedsel uit. In den boomgaard waar zij eens zijn neergestreken, laten zij niet veel over; zij eten den geheelen nacht door, en maken daarbij een gedruisch, dat op grooten afstand hoorbaar is. Door schoten en dergelijke verschrikkingsmiddelen laten zij zich niet verdrijven; zij die op deze wijze opgejaagd zijn, vliegen hoogstens van den eenen boom naar een anderen, en zetten daar hun maal voort.
Soms ondernemen zij verre tochten, en vliegen van het eene eiland naar het andere, al zijn deze door breede zeearmen gescheiden.
Zij schreeuwen veel, ook wanneer zij rustig aan de boomen hangen; zij maken dan een eigenaardig knarsend en krijschend geluid, ook blazen zij soms als Ganzen.
Het wijfje brengt éénmaal per jaar 1 of 2 jongen ter wereld, die zich aan de tepels vasthouden, om door de moeder, die hun zeer veel liefde toont, meegedragen te worden.
In de gevangenschap worden zij mettertijd tam, gewennen zich aan de personen, die hen verzorgen en betoonen hun zelfs een zekere maten van gehechtheid.
Het nut, dat deze dieren aanbrengen, kan niet opwegen tegen de door hen teweeg gebrachte schade, die echter in hun vruchtenrijk vaderland niet veel gewicht in de schaal legt. Hunne nuttige eigenschappen beteekenen trouwens ook niet veel, daar zij zich bepalen tot de eetbaarheid van hun vleesch, dat, naar Haacke zegt, wat den smaak betreft, op dat van Konijnen of Hoenderen gelijkt, en tot de bruikbaarheid van hun vel.
De grootste van alle bekende soorten, de Kalong of Vliegende Hond (Pteropus edulis, p. 73), heeft bij een lichaamslengte van 40 cM. een vlucht van ongeveer 1.5 M. De kleur van den rug is donker zwart, die van den buik roestkleurig zwart; de hals en de kop zijn roestkleurig geelrood, de vlieghuid is bruinachtig zwart.
Kalong (Pteropus edulis). ⅓ v.d. ware grootte.
De Kalong is inheemsch op de Oost-Indische eilanden, vooral op Java, Sumatra, Banda en Timor; hij leeft hetzij in groote wouden, òf in de vruchtboomboschjes die alle dorpen van Java omgeven; hier kiest hij bij voorkeur de horizontale takken als rustplaats uit; deze zijn soms zoo dicht met Kalongs bedekt, dat men den tak zelf nauwelijks meer zien kon. Op enkele boomen vindt men er honderden en duizenden, die hier zoolang zij met vrede gelaten worden, hun dagslaap houden, doch bij troepen in de lucht rondzweven, zoodra men hun rust stoort. Tegen den avond zet zich de geheele massa in beweging en ieder hunner vliegt op eenigen afstand achter zijn voorganger aan.
Over Sumatra schrijvend, zegt Rosenberg: “De Kalong is een der veelvuldigst voorkomende dieren, zoowel aan de kust als in het binnenland. Hij leeft gezellig, dikwijls groote troepen vormend, en verlaat met zonsondergang zijn rustplaats om zich naar zijn voederingsplaats te begeven, die soms ver weg in het woud gelegen is. Zoo trok gedurende mijn verblijf te Loemoet iederen avond een vlucht Kalongs vrij hoog over de kleine vesting heen, in de richting van zuidwest naar noordoost, om voor zonsopgang in tegenovergestelde richting terug te keeren naar het eiland Masallar, waar hun rustplaats was. Eens, toen ik een schot loste op een wijfje, dat bij uitzondering vrij laag vloog, viel een aan de tepels hangend jong uit de lucht naar beneden, doch voordat het den bodem bereikte, had de moeder, die het kleintje bliksemsnel gevolgd was, het met de tanden gegrepen; zij steeg met het geredde jong weer omhoog en vloog verder.”
Hun voedsel bestaat uit zeer verschillende soorten van vruchten, vooral uit allerlei soorten van vijgen en uit mango’s; om deze te verkrijgen overvallen zij soms in groote menigte de boomgaarden op Java en richten daar dikwijls aanzienlijke schade aan. Zij zijn echter volstrekt niet met plantaardig voedsel alleen tevreden, maar maken ook jacht op verschillende Insecten en zelfs op kleine Gewervelde Dieren. Zoo heeft Shortt ze eenige jaren geleden tot zijn verrassing als vischdieven leeren kennen. “Toen ik,” zeide hij, “mij te Konlieveram ophield, werd mijn aandacht getrokken door een vijver, die haar ontstaan te danken had aan een regenbui, welke korten tijd geleden gevallen was, en waarin het letterlijk wemelde van kleine vischjes, die in het water speelden en boven den waterspiegel opsprongen. Dit verschijnsel—het plotseling verschijnen van Visschen in van tijd tot tijd uitdrogende en daarna zich weder met water vullende regenvijvers—was voor mij niets nieuws; ik werd echter opmerkzaam, toen ik een aantal groote, eenigszins plomp vliegende “vogels” zag, die over het water scheerden, nu en dan met hunne pooten een Visch grepen en zich vervolgens met hun buit naar eenige nabij gelegene tamarindeboomen begaven, waar zij de Visschen verslonden. Bij nader inzien bleek het mij, dat de gewaande “vogels” Kalongs waren.”
Hier en daar worden de Kalongs vervolgd, niet zoozeer wegens de door hen aangerichte schade, als wel om ze in de keuken te gebruiken. De Maleier bezigt, om jacht op hen te maken, in den regel een blaaspijp, en mikt op de vlieghuid, het gevoeligste deel van hun lichaam; hierdoor bedwelmd kunnen zij gemakkelijk gevangen worden. De Europeaan gebruikt voor dit doel met meer succes het geweer. De gevangene Kalong berust schielijk in het verlies van zijn vrijheid, wordt merkwaardig tam en kan ook gemakkelijk in ’t leven gehouden worden. Hoe kieschkeurig hij ook zijn moge in de vrije natuur, waar hij alleen de sappigste vruchten opeet, bescheiden is hij in de gevangenschap; daar hij iedere vrucht eet, die men hem aanbiedt; bijzonder graag eet hij dan vleesch.
Ongelukkig kan men de gevangene Kalongs ook bij de beste verzorging niet zeer lang in ’t leven houden. Men kan hun vergoeden, al wat zij missen, behalve de voor hun welzijn zoo noodige vliegbeweging. Dientengevolge ontstaan na verloop van tijd op verschillende gedeelten van hun vlieghuid verzweringen, waaraan zij ten slotte sterven.
Tot het geslacht der Nachthonden (Cynonycteris) behoort de Egyptische Vliegende Hond (C. aegyptiacus), die over geheel Egypte en Nubië verbreid is, in de nabijheid van sycomorenbosschen geregeld voorkomt, en ook reeds in de Delta volstrekt niet zeldzaam is. In enkele natuurhistorische werken wordt vermeld, dat hij over dag een schuilplaats zoekt in de gewelven der Pyramiden. Dit is beslist onwaar: hij slaapt, evenals zijne stamgenooten, op boomen.
Mijne gevangenen stierven na korten tijd; andere onderzoekers hebben dit dier dikwijls lang in ’t leven gehouden en het zeer tam en gemeenzaam gemaakt. Zelebor bracht een paartje van deze soort naar Schönbrunn en had beide zoo aan zich gewend, dat zij oogenblikkelijk kwamen aanvliegen, als hij hun een dadel voorhield. Ook door vreemden lieten zij zich liefkoozen en het vel krauwen.
Oude volwassene Vliegende Honden van deze soort bereiken een lichaamslengte van omstreeks 16 cM. en een vlucht van 90 à 95 cM.
Een tweede groep van de Orde der Handvleugeligen is die der Gladneuzen (Gymnorhina).
Bij hen is de neus glad, d.w.z. zonder bladvormig aanhangsel; het oordeksel is in meer of minder ontwikkelden toestand steeds aanwezig. Tusschen de beide bovenkaakshelften blijft aan de voorzijde een ruimte over, veroorzaakt door het onderling niet vereenigd zijn der tusschenkaaksbeenderen, die daarentegen wel op de gewone wijze met de bovenkaaksbeenderen een geheel vormen. Bij eenige groepen zijn de ooren op de kruin met elkander vergroeid, bij andere blijven zij gescheiden; bij sommige openen de neusgaten zich boven op de spits van den snuit, bij andere aan de voorzijde onder de spits van den snuit; de altijd lange staart steekt bij sommige een eind voorbij de vlieghuid uit, bij andere is dit niet of nagenoeg niet het geval enz.—Deze groep is over de geheele wereld verbreid, de koude aardgordels alleen uitgesloten. Zij omvat een buitengewoon groot aantal soorten; nagenoeg alle inheemsche behooren er toe. Nog talrijker komen de Gladneuzen in de zuidelijkere gewesten voor. De meeste vereenigingen zich tot groote gezelschappen, vooral tegen den tijd waarin de winterslaap zal aanvangen. Men vindt niet zelden honderden, ja zelfs duizenden van deze dieren in één gebouw bijeen. Vele soorten leven met andere soorten in de grootste eendracht; waarschijnlijk zijn er maar zeer weinige eenzaam levende dieren in deze groep. Alle zijn min of meer gevoelig voor ongunstige weersgesteldheid en zoeken in den herfst reeds vroeg hunne winterverblijven op, waaruit zij om dezelfde reden in de lente eerst laat te voorschijn komen. Slechts weinige soorten verlaten hun slaapplaats reeds, voordat de schemering invalt; de meeste vliegen alleen gedurende de schemering en de eerste uren van den nacht; des middernachts gaan zij rusten, om eenigen tijd vóór den morgen opnieuw uit te vliegen, en kort vóór of na het opgaan der zon den dagslaap te beginnen. In ’t vliegen zijn zij goed ervaren; door de zonderlinge wendingen die zij maken, is het den Roofvogels bijna onmogelijk, ze gedurende het vliegen te vangen. Als zij gaan rusten, nemen zij de reeds vroeger (p. 72) aangeduide houding aan. Hun beweging op den bodem is zeer onbeholpen; zij klimmen echter behendig en vlug. Hun voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten, n.l. allerlei soorten van Nachtvlinders, Nachtmuggen, Nachtlibellen, Eendagsvliegen, Watermotten, Nachtkevers enz., voor ’t meerendeel dus uit dieren, die voor ons zeer schadelijk zijn. Hun stem bestaat uit een sterk, fluitend gekwetter.
Een van de meest bekende inheemsche Gladneuzen is de Gewone Grootoor (Plecotus auritus), die, evenals zijne weinig talrijke verwanten, zich van alle overige Vleermuizen zoo zeer onderscheidt door de aanzienlijke lengte der ooren, dat hij met deze niet verward kan worden. Bovendien raken de ooren elkander op het voorhoofd en zijn daar van onderen aaneengegroeid. Hij is een van de grootste Europeesche Handvleugeligen; zijn lichaamslengte bedraagt 8.4 cM., waarvan 4 cM. op den staart komen, de vluchtwijdte is 24 cM. Zijn oor is 3.3 cM. lang, vertoont veel meer dwarsplooien dan bij eenige andere soort (meer dan 20), en is met de spits een weinig naar achteren gekromd; aan zijn binnenrand bevindt zich een vliezig, tongvormig oordeksel, dat 1,4 cM. lang is. De onderdeelen van het oor zijn zeer beweeglijk. De beharing is aan de bovenzijde grijsachtig bruin, aan de onderzijde iets lichter. In het eerste levensjaar zijn de jongen donkerder van kleur dan de ouden. Het aangezicht is tot aan den achterrand der neusgaten en om de oogen met lange haren begroeid; witachtige baardharen hangen over den rand van de bovenlip naar beneden.
De Gewone Grootoor is over geheel Europa verbreid, met uitzondering van het deel, dat noordelijker dan 60° N.B. gelegen is. Bovendien is hij in Noord-Afrika, West-Azië en Oost-Indië gevonden. In geen dezer landen is hij zeldzaam, ook over ons geheele land is hij verspreid; men ziet hem echter bij ons veel minder algemeen rondvliegen, dan de Dwerg-Vledermuis (p. 76), den Laatvlieger (p. 76) en de Rosse Vledermuis (p. 77). Steeds leeft hij eenzaam, niet tot groote gezelschappen vereenigd. De meeste exemplaren, die men hier gevangen heeft, werden uit hunne schuilhoeken te voorschijn gebracht. Overal leeft hij bij voorkeur op niet te grooten afstand van menschelijke woningen: in den zomer slaapt hij even vaak onder daken van gebouwen (vooral van kerken en torens), als in holle boomen. Op dezelfde plaatsen houdt hij gewoonlijk ook zijn winterslaap. Het liefst vliegt hij rond in boomgaarden en groote lanen, langs boschkanten en boven open plaatsen in de bosschen. In de stad zoekt hij steeds vrije, met boomen en struiken begroeide plaatsen op, en dringt daarom niet zelden in tuinkamers door. In de bergstreken, in den Harz en de Alpen b.v., blijft hij beneden de hoogten, waar de boomgroei ophoudt.
De Grootoor blijft, wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is, langer in leven dan de meeste van hare verwanten; hij verdraagt de gevangenschap verscheidene maanden of jaren, wanneer men hem uitmuntend verzorgt. Om deze reden wordt hij gewoonlijk gekozen, wanneer men aan gevangene Vleermuizen waarnemingen wil doen. Men kan hem eenigszins temmen. Faber heeft er gedurende verscheidene weken één gehad en zijn levenswijze nagegaan. Hij was zeer vlug vooral gedurende de avondschemering, vloog trouwens dikwijls ook over dag, maar sliep in de uren vóór en na middernacht. In de kamer vloog hij met het grootste gemak voortdurend rond, meestal zonder vleugelslag; hij kon de vlieghuid ook gedurende het vliegen samentrekken en weer uitbreiden. Als hij uitwijken moest voor het een of ander voorwerp, beschreef hij een boog, vloog snel bij den vloer langs, en verhief zich zonder moeite weer in de lucht. Bij de muren klauterde hij met behulp van zijne duimen vlug op en neer. Bij het geringste gedruisch bewoog en spitste hij de ooren, zooals Paarden doen, of kromde ze als ramshorens, als het gedruisch aanhield of sterk werd. Als hij sliep, sloot hij de ooren steeds af. Dikwijls draaide hij den kop om, lekte met de tong of snuffelde met den neus. Evenals alle Vleermuizen, werd hij veel geplaagd door ongedierte en krabde zich dikwijls de zijden van den kop met de nagels.