Gewone Grootoor (Plecotus auritus). Ware grootte.

Gewone Grootoor (Plecotus auritus). Ware grootte.


De Handvleugeligen, die het geslacht Nachtvleermuis (Vespertilio) vormen, zijn gekenmerkt door hunne onderling niet vergroeide, langwerpig ronde ooren, die maar weinig korter, bij sommigen (de Langooren) zelfs iets langer zijn dan de kop; het oordeksel heeft een toegespitsten, buitenwaarts gebogen of nagenoeg rechten top. De vleugels zijn betrekkelijk breed en kort (Breedvleugelige Vleermuizen p. 70). De staart is iets korter dan of hoogstens even lang als het lichaam.

Tot dit geslacht behooren behalve de reeds genoemde Langooren—bij ons vertegenwoordigd door de Vale Vleermuis—ook de Franjestaarten—zoogenoemd, omdat de staartvlieghuid aan den achterrand dicht behaard, als ’t ware met franje bezet is—en de Watervleermuizen—welker ooren korter zijn dan de kop en die geen wimpers aan de staartvlieghuid hebben.


Van de Franjestaarten vindt men hier te lande één soort (Vespertilio nattereri); zij is echter zeldzaam; ook in vele andere gedeelten van haar verbreidingsgebied (Middel-Europa en Zweden) is zij niet veelvuldig. Zij vliegt, volgens Van Bemmelen, des avonds laat, tamelijk laag en langzaam over wegen en bosschen en groote boomgaarden. Met inbegrip van den 4.4 cM. langen staart is het lichaam 9 cM. lang; het dier heeft 24.3 cM. vlucht.


De inheemsche Watervleermuizen zijn de Meervleermuis (Vespertilio dasycneme) en de Behaarde Watervleermuis (V. mystacinus), terwijl in ’t zuiden van Limburg (en misschien ook in andere deelen van ons land) Daubenton’s Watervleermuis (V. daubentoni) aangetroffen wordt. Alle vliegen kort na zonsondergang, tamelijk snel, niet ver boven de oppervlakte van het water. De eerste is de kleinste (totale lengte 8, vlucht 21½ cM.), de tweede de grootste (totale lengte 11, vlucht 30 cM.) De eerste en laatste zoeken bijna uitsluitend boven ’t water hun voedsel; de Behaarde Vleermuis echter (die wegens haar langere beharing zoo heet) zoekt het nu en dan ook wel boven weiden en wegen. Hare gewone verblijfplaatsen zijn niet zelden een kwartier van haar jachtgebied verwijderd. Daarom maken zij ook wel van boomen aan den waterkant gebruik als tijdelijke rustplaats; men ziet ze hier naast elkander aan de achterpooten hangen.


Veel vaker dan de vier laatstgenoemde soorten ontmoet men, althans in sommige gedeelten van ons land, de Vale Vledermuis (Vespertilio murinus). Deze bewoont geheel Middel-Europa, te beginnen bij Engeland, Denemarken en het midden van Rusland, voorts het zuiden van ons werelddeel, het noorden van Afrika en het grootste deel van Azië tot aan den Himalaja. Zij schijnt in ons land meer bepaaldelijk tot de grensprovinciën beperkt zijn. Zij is de grootste, inheemsche Vleermuis; daar zij een lengte van 12 à 13 cM. bereikt (waarbij 5.3 cM. voor den staart) en 37 cM. vlucht heeft. Haar bovenzijde is vaal en licht roetbruin met een roestroodachtig waas, de onderzijde vuil witachtig; de betrekkelijk dunne, vliezige en doorschijnende ooren, alsmede de vlieghuid, zijn licht grijsachtig bruin; de jonge dieren zijn meer aschgrauw van kleur.

De Vale Vleermuis jaagt van het begin van Maart tot het einde van October; zij komt eerst ’s avonds laat te voorschijn en is gemakkelijk te herkennen aan haar logge, fladderende wijze van vliegen; meestal vliegt zij laag en rechtuit, en verandert niet, evenals hare verwanten, telkens zigzagswijs van richting. Zij komt ook in het gebergte voor. Over dag rust zij gaarne onder daken van oude gebouwen. In groote gebouwen, vooral kerktorens, vindt men deze dieren niet zelden in menigte naast elkander hangen, zoo dicht opeengedrongen, dat zij als ’t ware één kluit vormen. Door hare bijtlust en twistgierigheid verdrijven zij in den regel de kleinere Vleermuizen (met uitzondering van de bloedzuigende soorten) uit hare schuilplaatsen. Deze hebben alle reden om de Vale Vleermuis te mijden; daar dit dier, zooals Koch aan gevangene exemplaren opmerkte, hare kleinere stamverwanten doodbijt en gedeeltelijk verslindt.


De Avondvleermuizen (Vesperugo) hebben, evenals de Nachtvleermuizen, vrije, van elkander gescheiden ooren; deze zijn steeds korter dan de kop, en hebben den vorm van een ruit of trapezium met afgeronde hoeken; het oordeksel is met den afgeronden top binnenwaarts gebogen. De vleugels zijn smal en betrekkelijk lang (Smalvleugelige Vleermuizen, p. 70). Het spoorbeen, dat gelijk reeds gezegd werd (p. 68), den achterrand van de staartvlieghuid steunt, is voorzien met een (bij het vorige geslacht ontbrekend) vliezig uitwasje, dat zijwaarts en buitenwaarts gericht is. Ook zijn de ooren en de vlieghuid hier donkerder (zwartachtig bruin) en dikker dan bij de Nachtvleermuizen, waar zij een lichtgrijsachtig bruine kleur hebben.

De Avondvleermuizen zijn de vlugste en krachtigste dieren van de geheele groep; zij vliegen hoog en snel en maken allerlei wendingen, komen ’s avonds het vroegst uit hare schuilhoeken te voorschijn, eenige soms reeds vóór zonsondergang en schuwen regen noch storm; vele soorten zijn betrekkelijk goed bestand tegen een lage temperatuur. Wat deze eigenschappen betreft, merkt men echter allerlei overgangen tot het vorige geslacht op. De talrijke soorten worden, voornamelijk naar het aantal kiezen en naar den vorm van het oordeksel, in vijf groepen verdeeld, waarvan er hier te lande drie, ieder door één soort, vertegenwoordigd zijn: de Laatvliegers, de Dwergvleermuizen en de Boschvleermuizen. De beide andere groepen leven in bergachtige streken.


De Laatvlieger (Vesperugo serotinus) verdient zijn naam, niet alleen omdat hij ’s avonds eerst laat, wanneer het reeds donker is, zijn slaapplaats verlaat, maar ook omdat hij in de lente, eerst wanneer het warme weder aanhoudt, zijn winterverblijf verlaat. Door een enkelen warmen dag wordt hij niet zoo licht gewekt, als de Dwergvleermuis; wanneer hij vroeg in ’t voorjaar uitvliegt, zal hij toch op den eerstvolgenden kouden dag naar zijn winterkwartier terugkeeren, om misschien eerst twee maanden later weer te verschijnen; daar hij in tegenstelling met andere soorten van zijn geslacht voor koude zeer gevoelig is. Met de Dwergvleermuis is hij de gemeenste, met de Vale en de Rosse Vleermuis de grootste, inheemsche soort. Met inbegrip van den 5½ cM. langen staart bedraagt zijn lichaamslengte 12 cM.; hij heeft 35 cM. vlucht. Van de Rosse Vleermuis verschilt hij o.a. door de iets langere ooren en de veel langere en smallere oordeksels. De vlieghuid is breeder, van onderen langs den arm niet behaard; de vacht is aan de bovenzijde roetbruin, van onderen lichter. Hij vliegt laag en niet snel over wegen, in de tuinen en boven de met boomen beplante straten en grachten der steden. Hij verschuilt zich over dag en gedurende den winter in holle boomen, ook op zolders en in oude torens. Men vindt hem in geheel Middel-Europa.


De Dwerg-Vledermuis (Vesperugo pipistrellus) is de kleinste en algemeenste soort van ons land. Haar lichaamslengte bedraagt slechts 7 cM., waarvan afgaat voor den staart 3.3 cM.; zij heeft 18 cM. vlucht. Hare ooren zijn een weinig korter dan de kop, de oordeksels zijn aan het einde afgerond en bereiken de helft van de lengte der ooren, die van 4 dwarsplooien zijn voorzien. De kleur van de vacht wisselt af van donkerbruin tot geelachtig roestbruin, aan de onderdeelen is zij lichter en zweemt zij steeds naar geelachtig bruin.

De Dwerg-Vledermuis bewoont bijna geheel Europa en het grootste deel van Noord- en Middel-Azië; haar verbreidingsgebied reikt van Skandinavië, Engeland en Spanje tot Japan. In Rusland en Skandinavië vindt men haar, volgens Blasius, nog op 60° N.B. In bergstreken begeeft zij zich tot aan de bovenste grens van de woud-zone, in de Alpen tot op ongeveer 2000 M. hoogte.

Over dag slaapt zij in zeer verschillende schuilhoeken: onder daken, in de spleten van muren en balken, onder gewelven, in gaten en onder de schors van oude boomen, zelfs hangend aan de takken van dicht bebladerde boomen, achter klimopranken, kortom in iedere plaats, die haar een toevlucht kan verschaffen. In den winter zoekt zij deze zelfde plaatsen op; zij is hierin niet kieschkeurig, daar zij beter dan hare verwanten tegen ongunstig weder bestand is. Later dan alle andere inheemsche Vleermuizen vangt zij haar winterslaap aan, en vroeger dan deze vliegt zij weder uit; zeer dikwijls verlaat zij haar slaapplaats reeds in den winter bij invallend dooiweder, en vliegt dan in beschutte ruimten of in de vrije natuur jagend rond. In alle tijden van het jaar gezellig, vindt men deze dieren in den winter soms bij honderden en duizenden in dezelfde ruimte en dan tot groote klompen vereenigd; ook komen zij wel bij andere soorten voor, zelfs bij zulke, die grooter en sterker zijn dan zij.

Dadelijk na zonsondergang vliegt zij uit en keert eerst met zonsopgang in haar schuilplaats terug. Zij vliegt zeer behendig en op verschillende hoogten. Laag vliegt zij over kleine plassen, in de stad ongeveer ter hoogte van de tweede verdieping, buiten boven open plaatsen, vooral gedurende heldere avonden, op een hoogte van 15 à 20 M. In de straten fladdert zij liefst bij de huizen op en neer; op het land doorzoekt zij de hoeken der gebouwen, de openstaande stallen en zolders, niet zelden dringt zij door de openstaande ramen in helder verlichte kamers door. Daarentegen vermijdt zij boomlooze, vrij plaatsen, of vliegt slechts in ’t voorbijgaan hierover heen.


De Rosse Vleermuis (Vesperugo noctula), wegens hare gewoonten ook wel Vroegvlieger genoemd, heeft een lichaamslengte van 11 en een vlucht van 37 cM., een roodachtig bruine pels met zwartbruine ooren en vlieghuid. Van alle inheemsche Vleermuizen is zij de krachtigste; zij vliegt het hoogst en doet dit zeer behendig en vlug bij wijze van de Zwaluwen; zij laat zich ’s avonds vroeger zien dan eenige andere inheemsche soort, dikwijls, vooral in den herfst, reeds eenige uren vóór zonsondergang. Haar eigenlijk jachtgebied zijn de bosschen, waar zij ter hoogte van de kruinen der hoogste boomen of nog hooger vliegt. Niet zelden wordt zij daar vervolgd door Roofvogels, aan welker aanslagen zij echter door hare snelle wendingen in den regel weet te ontkomen. Zelfs de vlugge Boomvalk (Falco subbuteo), die toch ook Zwaluwen vangt, maakt niet zelden tevergeefs jacht op onze vleermuis.

Rosse of Vroegvliegende Vleermuis (Vesperugo noctula). Ware grootte.

Rosse of Vroegvliegende Vleermuis (Vesperugo noctula). Ware grootte.


Het geslacht Dwarsoor (Synotus) vormt in sommige opzichten een overgang tusschen de Gladneuzen en de Bladneuzen; tusschen neusgaten en oogen komen opzwellingen voor, die zich boven den daar tusschen liggenden rug van den neus verheffen. Hierdoor en door hare dwars over het voorhoofd heen reikende, van onderen aaneengegroeide ooren hebben deze Vleermuizen een bijna even vreemd voorkomen als de Bladneuzen. Zijne vleugels onderscheiden zich door smalheid en lengte; de staart is nog een weinig langer dan het overige lichaam.


De inheemsche Dwarsoor (Synotus barbastellus), ook wel Mopsvleermuis genoemd, omdat de uitdrukking van zijn gelaat aan die van een Mopshond doet denken, is 9 cM. lang, waarbij 5 cM. staartlengte; zijn vlucht bedraagt 26 cM. De bovenzijde van het lichaam heeft een donkere, zwartbruine kleur, de onderzijde is iets lichter, grijsbruin; de dik-vliezige vlieghuid en ooren zijn zwartbruin.

In de meeste landen van Midden- en Zuid-Europa werd dit diertje gevonden; in den regel noemt men het hier, evenals in Nederland, zeldzaam, wat echter, volgens Altum, voor Munsterland en andere gedeelten van Duitschland onjuist is. Ook in de Alpen, den Harz en andere gebergten komt het, volgens Blasius, zelfs op de hoogst gelegene bewoonde plaatsen niet zelden voor.

In den zomer vliegt de Dwarsoor uit, wanneer de schemering nauwelijks begonnen is, bij goed weder, zoowel als bij storm en regen; meestal vliegt hij dan aan boschkanten en in boomgaarden, zeldzamer tusschen de huizen der dorpen rond en maakt voornamelijk jacht op kleine Vlinders. Hij vliegt snel en hoog en maakt met gemak allerlei bochten en plotselinge zwenkingen.


De leden van de laatste groep der Handvleugeligen heeten Bladneuzen of Bloedzuigende Vleermuizen (Istiophora). Alle hiertoe behoorende soorten onderscheiden zich van de overige leden der orde door vliezige uitwassen aan den neus, welker vorm zeer verschillend is.

De Bladneuzen zijn over alle werelddeelen verbreid; in grooten getale treft men ze echter alleen in de tropische gewesten en in de warmste landen van den gematigden aardgordel aan, waar men ook de meeste en grootste soorten vindt. Slechts vier tot één geslacht behoorende, voor ’t meerendeel kleine soorten zijn in de warme landen van Europa inheemsch, waarvan er twee ook in Middel-Europa (tot in Engeland) gevonden worden (in ons vaderland alleen in Limburg). De meeste verschuilen zich over dag in rotsholen, in oude, vervallen gebouwen, in donkere gewelven of aan het houtwerk van daken. Andere soorten houden zich in de donkerste gedeelten van groote wouden op en slapen in holle boomen of tusschen de breede bladeren van palmen en andere grootbladerige planten.

Dwarsoor (Synotus barbastellus). Ware grootte.

Dwarsoor (Synotus barbastellus). Ware grootte.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, vooral Avond- en Nachtvlinders, Kevers, Haften, Muggen; de meeste Bladneuzen zijn echter tevens bloedzuigers, die Vogels en Zoogdieren, zelfs menschen gedurende den slaap bloed ontnemen. Ofschoon vele onderzoekers aan deze zaak hun aandacht gewijd hebben, zweeft er toch nog steeds een eigenaardige nevel, iets wat juist bij de Vampier-sage behoort, over deze opmerkelijke verrichting van de bedoelde Vleermuizen. Waarschijnlijk zijn alle Bladneuzen bloedzuigers; zij zijn dit echter alleen in bepaalde omstandigheden; hierdoor komt het, dat er zooveel verschil bestaat tusschen de berichten, waarin melding gemaakt wordt van hun handelwijze, die trouwens niet gemakkelijk kan worden nagegaan. Het zal het beste zijn, hier enige mededeelingen van reizigers over het bloedzuigen van de Bladneuzen te laten volgen. Hierbij moet er op bedacht zijn, dat de meeste reizigers geen voldoende redenen hadden om deze in ’t duister verrichte daden aan een bepaalde soort toe te schrijven. Hunne mededeelingen hierover zijn in vele opzichten met elkander in tegenspraak, en onder alle, die mij bekend zijn, is er geen enkele, die een door onomstootelijke bewijsgronden gestaafde beschuldiging tegen een bepaalde soort van uitheemsche Bladneuzen bevat.

De Spanjaard Azaba, die de Bloedzuigende Vleermuizen “Mordedor” noemt, hetwelk “Bijters” beteekent, bericht o.a. het volgende: “Soms bijten zij in den kam en de lellen van slapende Hoenderen om hen het bloed uit te zuigen; gewoonlijk sterven de Hoenderen hieraan, vooral als de wonden ontstoken geraken, wat bijna altijd geschiedt. Met hetzelfde doel bijten zij de Paarden, muildieren en koeien—altijd in de zijden, de schoften en den hals, waar zij zich gemakkelijk vasthouden kunnen. Hetzelfde doen zij met de menschen, zooals ik getuigen kan, daar ik zelf viermaal in de teenen werd gebeten, terwijl ik onder den vrijen hemel of onder een afdak sliep. De wonde, die zij mij toebrachten, zonder dat ik het voelde, was rond of langwerpig rond en had een middellijn van 2½ mM., maar zulk een geringe diepte, dat zij nauwelijks door de geheele huid heendrong. Zij was kenbaar aan de gezwollen randen. Volgens mijn schatting bedroeg de hoeveelheid bloed, die na den beet uit de wonde vloeide, ongeveer 2½ ons” (70 gram); “bij Paarden en andere dieren kan deze hoeveelheid omstreeks 3 ons” (85 gram) “bedragen; ik geloof, dat zij hun, wegens hun dikker vel, grootere en diepere wonden toebrengen.”

Rengger voegt aan deze mededeelingen van Azaba het volgende toe: “Ik heb wel honderdmaal de wonden van muilezels, Paarden en Runderen onderzocht, zonder tot zekerheid te geraken over de wijze, waarop zij toegebracht werden. De bijna trechtervormige wonde heeft gewoonlijk 6 mM. middellijn (soms iets meer) en, al naar het getroffen lichaamsdeel, een diepte van 2 à 5 mM. Zij gaat nimmer door de huid heen tot op de spieren. Men bemerkt er geen indruksels van tanden aan, zooals bij bijtwonden, daarentegen zijn de randen van de wonde altijd zeer los en opgezwollen. Ik kan daarom niet gelooven, dat de Bloedzuigende Vleermuizen onmiddellijk door een beet deze wonden bij de trekdieren veroorzaken; bovendien zou ieder slapend dier hierdoor ontwaken en zijn vijand verjagen. Veeleer vermoed ik, dat zij eerst door met de lippen te zuigen de huid ongevoelig maken, zooals dit bij het koppenzetten geschiedt, en daarna, als de huid gezwollen is, er met de tanden een kleine opening in prikken. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat zij vervolgens door deze opening hun rekbare, eveneens voor ’t zuigen dienende tong langzamerhand door borende bewegingen in de huid doen doordringen, waardoor de trechtervormige uitholling ontstaat. Dat het de Vleermuizen niet mogelijk is om te gelijkertijd te zuigen en de vleugels te bewegen, is mij na het onderzoek van de inrichting der vleugels duidelijk geworden. Ik zag, dat de Vleermuizen altijd op de Paarden gingen zitten, waarbij zij noodzakelijkerwijs de vlieghuid moeten opvouwen. Ook kiezen zij, om zich beter te kunnen vasthouden, steeds de behaarde of vlakke lichaamsdeelen van de dieren uit, en maken de wonde daarom bij de Paarden aan den hals, op de schoften en aan den wortel van den staart, bij de muilezels aan den hals en aan de schoften, bij de Runderen op de schouderbladen en aan de halskwabben. Op zich zelf biedt deze wonde geen gevaar aan; daar echter soms 4, 5, 6 of nog meer Vleermuizen in één zelfden nacht aan één zelfde lastdier zuigen, en dit niet zelden gedurende verscheidene, opeenvolgende nachten geschiedt, worden de dieren door het bloedverlies zeer verzwakt, en dit des te meer, daar behalve het bloed, dat de Vleermuis opzuigt, altijd nog 2 à 3 onsen” (60 à 90 gram) “uit iedere wonde wegvloeien.”

Behalve Azara zijn trouwens ook nog andere reizigers door Bloedzuigende Vleermuizen gebeten en gelaten, o.a. Bates, die 11 jaren lang in Brazilië heeft doorgebracht. Gedurende zijn verblijf in Caripe bewoonde hij een kamer, die sedert maanden ongebruikt was gebleven en op verscheidene plaatsen open was. “In den eersten nacht,” verhaalt hij, “sliep ik vast en bemerkte niets ongewoons, in den tweeden echter werd ik omstreeks middernacht gewekt door het gedruisch van een talrijke, in mijn kamer heen en weer vliegende zwerm Vleermuizen. Zij hadden mijn lamp uitgedoofd; toen ik deze weer aangestoken had, bemerkte ik, dat het in mijne kamer krioelde van Vleermuizen, en dat de geheele ruimte letterlijk zwart was door de menigte, die onophoudelijk om mij heen zwermde. Nadat ik eenige minuten lang met een stok tegen hen te keer was gegaan, verdwenen zij tusschen de dakpannen; nauwelijks echter was ik in mijn bed terug, of zij verschenen opnieuw en doofden nogmaals het licht uit. Ik bekommerde mij niet meer om hen en sliep door. In den volgenden nacht kwamen verscheidene van deze dieren in mijn hangmat; ik greep er eenige van, die op mij rondkropen, en wierp ze tegen den muur van het vertrek. Bij ’t aanbreken van den dag vond ik aan mijn heup een wonde, die mij ongetwijfeld door een Vleermuis was toegebracht. Nu werd het mij dan toch te erg; ik ging daarom met de negers aan ’t werk om de dieren te verdrijven; ik schoot er een vrij groot aantal van, die aan de balken hingen, liet de negers van buiten op het dak klimmen en door hen verscheidene honderden Vleermuizen, ouden zoowel als jongen, om ’t leven brengen.”

Hensel en Kappler hebben in lateren tijd soortgelijke ervaringen opgedaan, waaruit ook nog blijkt, dat vele soorten van Bladneuzen bloed zuigen, dat menschen over ’t geheel genomen zelden door hen gebeten worden, en dat naar gelang van plaats en tijd de Vleermuizenplaag een zeer verschillenden omvang heeft.


Vampier (Phyllostoma spectrum). ¼ v.d. ware grootte.

Vampier (Phyllostoma spectrum). ¼ v.d. ware grootte.

De Bladneuzen worden in een viertal groepen verdeeld (Vampiers, Hoefijzerneuzen, Pronkneuzen en Klapneuzen), die o.a. van elkander verschillen door de neusaanhangsels. Deze zijn bij de Hoefijzerneuzen zeer volledig ontwikkeld (fig. p. 80). Zijn bestaan hier uit drie afdeelingen; het deel dat de neusgaten omgeeft, en zich daaronder en daarnaast over de spits van den snuit uitbreidt, heet, naar zijn vorm, hoefijzer; daartusschen ligt het zadel, een overlangsche kam op den rug van den neus; dit eindigt in een vrij, uitstekend, lancetvormig blad (het lancet), dat aan weerszijden van zijn plaats van aanhechting drie door huidplooien begrensde kuiltjes vertoont.

De Vampier (Phyllostoma spectrum), de grootste van alle Zuid-Amerikaansche Bladneuzen, verdient een afzonderlijke vermelding wegens den kwaden reuk, waarin hij ten onrechte staat. Hij is ruim 16 cM. lang en heeft 70 cM. vlucht. De dikke en lange kop heeft een sterk vooruitstekenden snuit en lange ooren met oordeksel. In verhouding tot de grootte van het dier zijn de neusaanhangsels klein; van de twee hier aanwezige afdeelingen valt het “lancet” het meest in ’t oog. De zachtharige pels is aan de rugzijde donker kastanjebruin, aan de buikzijde geelachtig bruin; de vlieghuid en de overige onbehaarde lichaamsdeelen zijn bruin.

De Vampier bewoont het noorden van Brazilië en Guyana, hij komt zoowel in de oerwouden als in de huizen voor. “Men kan zich,” zegt Bates, “niets leelijkers voorstellen dan de uitdrukking van het gelaat van dit dier, als men het van voren beschouwt. De groote, leerachtige, ver zijwaarts gerichte ooren, het op een speer gelijkend, rechtopstaand neusaanhangsel, de fonkelende en schitterende, zwarte oogen, dit alles vormt een geheel, dat aan een kabouter uit de fabelleer doet denken. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de phantasie van het volk aan een dier met een zoo terugstootend uiterlijk demonische verrichtingen heeft toegedicht. Toch is de Vampier een der onschadelijkste Vleermuizen, zooals aan alle bewoners van de oevers van den Amazonenstroom wel bekend is.”—Alle berichten van geloofwaardige natuuronderzoekers uit vroegeren en lateren tijd stemmen hierin overeen, dat deze zoo erg slecht befaamde Vleermuis wel tot de Bladneuzen behoort, maar, in plaats van bloed te zuigen, des nachts ijverig jacht maakt op Insecten en af en toe ook vruchten eet. “Bij helder maanlicht,” zegt Waterton, “kon ik zien, dat de Vampier naar een met rijpe vruchten overladen boom vloog en van deze vruchten at. Eens zag ik ’s nachts, toen de maan helder scheen, verscheidene Vampiers rondom de kruinen van de sawarri-noteboomen fladderen, en merkte op, dat er nu en dan een bloem in ’t water viel. Bij toeval gebeurde dit stellig niet, want alle bloemen, die ik onderzocht, waren gaaf en ongeschonden. Ik maakte hieruit op, dat zij door de Vampiers geplukt werden, hetzij om het vruchtbeginsel op te eten of om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen.”


In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der Hoefijzerneuzen. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 79), gelijk het oor dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 69, 74, 77). De vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen (p. 74), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan, wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de vacht licht van kleur.

Groote Hoefijzerneus (Rhinolophus ferrum-equinum). ⅘ v.d. ware grootte.

Groote Hoefijzerneus (Rhinolophus ferrum-equinum). ⅘ v.d. ware grootte.

Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden worden. De zeldzaamste van deze twee is de Kleine Hoefijzerneus (Rhinolophus hippocrepis) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2½ cM. voor den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn, treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers vaak niet opgemerkt worden.

Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers, zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door Kolenati gedaan zijn. Deze onderzoeker vond ’s winters in een kalksteengrot in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren (p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer, waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen; de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden, waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers eenvoudig opgevreten hadden!

Een duivenliefhebber verhaalde aan Kolenati, dat de Duiven dikwijls gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht) aan de beten van den Hoefijzerneus toe.

In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden, dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw.


Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de Groote Hoefijzerneus (Rhinolophus ferrum-equinum) voor. Deze is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3½ cM.) en heeft 33 cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa, ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. Kolenati meent, dat ook hij bloed zuigt. Des nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven (vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken.


Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige diervormen voor.

Zoo bevat de groep der Pronkneuzen (Megaderma) een soort, die niet alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een lang oordeksel. Bij den Lierneus (Megaderma lyra) bereikt de huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft, haar hoogste ontwikkeling.


Een vierde groep bevat de Klapneuzen (Rhinopoma). Bij hen is slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep behoort o.a. de Egyptische Klapneus (Rhinopoma microphyllum), een klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen, die door de natuur gevormd zijn.