WeRead Powered by ReaderPub
Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen cover

Het Leven der Dieren, Deel 3, Hoofdstuk 6: De Wormen

Chapter 4: DERDE KLASSE. DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta).
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The chapter surveys the diverse animal group traditionally called worms, noting how classification lines have shifted and focusing on the core classes of annelids, roundworms, and flatworms. It outlines external traits such as bilateral symmetry, soft skin often bearing cilia, a skin-muscle sac, and varied body shapes, and explains locomotion by muscular waves, bristles, or suckers. Internal organization ranges from forms without a gut or body cavity to those with a complete alimentary canal and true coelom; nervous systems range from a brain with a ventral nerve cord to simple longitudinal nerves. Circulatory, respiratory and reproductive systems vary widely with lifestyle.

DERDE KLASSE.

DE KIEUWSPLEETWORMEN (Enteropneusta).

De 6 soorten van het geslacht Balanoglossus (Eikeltong), die de bovengenoemde klasse vormen, komen in lichaamsbouw het meest met Wormen overeen, maar ontwikkelen zich uit larven, welke op die der Stekelhuidigen gelijken. Door de geheel afwijkende inrichting der ademhalingsorganen herinneren zij aan sommige Manteldieren en zelfs aan de laagst ontwikkelde Visschen, hetgeen een nadere verwantschap van de Balanoglossen tot de Gewervelde Dieren doet vermoeden. Sommige dierkundigen willen daarom aan deze groep den rang van hoofdafdeeling toekennen.

Balanoglossus clavigerus. (Jong exemplaar, sterk vergroot) In volwassen toestand bereikt dit dier een lengte van 20 cM. Het verbreidt, naar men zegt, door phosphorescentie licht.

De hiernevens afgebeelde soort leeft in de Middellandsche Zee op 1 of 2 vademen diepte. De eivormige voorste afdeeling van het langwerpige, cilindervormige, slijmerige lichaam, de eikel, is van den daarop volgenden kraag gescheiden door een diepe insnoering, waarin zich de mondopening bevindt. De eikel, welks groote inwendige holte door twee openingen met water gevuld en geledigd kan worden, verandert hierdoor van vorm en omvang; hij dient, behalve als hechtorgaan bij het kruipen, als boor bij het graven van gangen in den zeebodem, waarin het lichaam gewoonlijk tot aan den mond verborgen is. Het spijskanaal, waarin, behalve voedsel, ook water wordt opgenomen, staat in gemeenschap met twee overlangsche reeksen van kieuwzakken, die in het voorste of kieuwgedeelte van den romp aan de rugzijde liggen. Het water, dat voor de ademhaling heeft gediend, stroomt weg door een reeks van ongeveer 20 fijne spleten aan de buikzijde. De wijdste afdeeling van het spijskanaal bevindt zich in het maaggegedeelte van den romp; zij is steeds gevuld met zand, welks organische bestanddeelen het dier tot voedsel dienen. De staart is ringvormig gegroefd; door de eindstandige aarsopening wordt het zand uitgeworpen, dat naast de opening van de gang, hoopjes vormt.