WeRead Powered by ReaderPub
Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 cover

Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Chapter 12: XIX.
Open in WeRead

About This Book

De tekst volgt Rozeke die na een lange zomer een rustige dorpsroutine hervindt: een gezond zoontje, een tevreden echtgenoot en een goedlopend boerderijtje. Gedetailleerde herfstbeelden en huishoudelijke observaties schetsen het alledaagse leven, terwijl prentbriefkaarten van jonkvrouw Anna een verre, onbekende wereld suggereren en nieuwsgierigheid bij haar en de oude schoolmeester wekken. Sociale afstand en verwondering worden subtiel belicht. Naarmate de winter vordert, groeien de zorgen en manifesteren zich fysieke en emotionele tekenen van verval en melancholie.

The Project Gutenberg eBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2

Author: Cyriel Buysse

Release date: October 16, 2005 [eBook #16882]
Most recently updated: December 12, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by Marc D'Hooghe.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN, DEEL 2 ***
XIII. XVII. XXI. XXV. XXIX. XXXIII. XXXVII. XLI. XLV.
XIV. XVIII. XXII. XXVI. XXX. XXXIV. XXXVIII. XLII. XLVI.
XV. XIX. XXIII. XXVII. XXXI. XXXV. XXXIX. XLIII. XLVII.
XVI. XX. XXIV. XXVIII. XXXII. XXXVI. XL. XLIV. XLVIII.

HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN

ROMAN IN TWEE DEELEN

DOOR

CYRIEL BUYSSE

1905


TWEEDE DEEL


XIII.

Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig zonder onvoldane wenschen.

En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!—Langzamerhand begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder, met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en 't kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien. Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal, of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.—Zij voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere, haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en 't Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den hoogsten graad.—Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde laten weten waar dat al gebeurd was en wat of 't eigenlijk beteekende.

Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een vuil-rood geworden decoratie-lapje.

"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.

"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in 't begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend.

"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn mooie taal verstond.

"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"

"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.

Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht bij 't raampje, om goed te kunnen zien.

"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten verontschuldigen.

Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met toenemende belangstelling.

"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is, van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.

Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend en antwoordde ietwat schuchter:

"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune verdroagen."

"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.

En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins verbitterd uitriep:

"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu ben!"

Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,—en vooral naar een hoofd-onderwijzer—als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem ietwat verwonderd aan.

"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde zij.

"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker, het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog genoeg waardeeren!"

Betrekking ... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk, terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:

"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't es?"

"Ah, juist, ter zake!" zei hij.—Hij schoof de prentkaarten op zij, nam de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te oreeren:

"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten, ter uitzondering van twee,—deze twee, die uit het noorden van Italië komen,—en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken, waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De sinaasappels,—de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die schoone vrucht in unne onwetendheid noemen—groeien daar op de boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het Aardsch Paradijs ge-eeten."

"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:

"En hoever es dan wel van hier, miester?"

"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier à vijf onderd uren!"

"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.

"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,—Hewèl, in die plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen en automobielen ingericht—bloemencorsos, noemt men dat in goed nederlandsch—en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw. Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."

"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.

"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het kort artikeltje.

"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:

"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."

De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed gevleid.

"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter, degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste waardeeren."

Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:

"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook wel iets voor mij zult willen doen?"

"Zeker, miester, mee plezier. Wa est 't?" vroeg zij verwonderd.

"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.

"'K zal 't doen, miester, 'k zal 't heur vroagen van as ik heur weeromme zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.—"Moar 't en zal toch mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."

"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten zoudt."

"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k en zal 't nie vergeten."

Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even vriendelijk aan.

"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd. "Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die 't aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."

"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en vreugd.

Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel wijsheid en verstand in stak.

Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette, zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.


XIV.

Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen. Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op, wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht kon worden.

Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange discussie had plaats.

"Ik geleuve dat de mirrie t' oud es om nog veulen te krijgen," meende Miel van Dalen.

Boer Dons maakte zich kwaad:

"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"

"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge 'n weet gij da meschien zelf op 'n joar of twieë noar niet," glimlachte Miel.

"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.

"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie kontroarie zeggen," suste Miel.

Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden, zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.

Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.

"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij: "Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leên, den ieste kier dat ze weere peirdig es!"

"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich onverwachts in het gesprek mengend.

Verwonderd keken allen op.

"Woarom niet?" vroeg Alfons.

"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.

Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.

"Vaprijs 'n hé gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es 't goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat 't es."

"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.

Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij schetter-gilde naar Rozeke:

"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"

Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween eensklaps in de binnenkamer.

"Hé, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.

Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.

"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.

"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.

Vader Van Dalen lachte:

"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare grond!...

En da mijn wijf hier pertan [1] nie gedijd 'n hét! Hoe verstoa-je dátte?" schetterde de oude.

Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een "dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met Rozeke.

[1] Pourtant.


XV.

Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden. Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.

Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer van mist en sneeuw en motregen.

Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.

Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der merrie en vertrok.

Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.

De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere, frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen der open luikjes, alles, àlles leek verwaterd en versmolten en verkleurd in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke, loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.

Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien! Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.

Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.

Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke vrouw en enkele kinderen.

"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.

Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.

De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond hij weer op.

"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt," raadden de boer en de boerin hem dringend aan.

"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in zijn eigen ooren klonk.

"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.

Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren als lood.

Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.

Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug, af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam draven van zijn kalm geworden paard.

De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam. Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen afstijgen.

"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend. Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en struikelde gebogen naar binnen.

"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het haardvuur brengend.

"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.

"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte Rozeke.

"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in mijn bedde."

Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem warm onder de dekens.

"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met dichte oogen.

"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."

Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren, terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig op-en-neer-trillende neusvleugels.


XVI.

De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.

Eerst tegen avond kwam hij aan.

"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd, want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.

"Joa joa moar.... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne kier ziek," banaalde hij troostend.

Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.

"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."

"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den dokteur?" angstvraagde Rozeke.

"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal," antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en we moeten oppassen dat 't gien longontstekijng 'n wordt,"

"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen. "O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"

"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen, voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen. Niets eten,—maar daar zou hij ook wel niet naar talen—en, als hij dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden ochtend vroeg zou hij terugkomen.


XVII.

Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen. De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in longontsteking, met ijlende koortsen.—Soms lag hij bleek en stil, als dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten, zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen 't jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende beekjes.—Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit, omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten; en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik, met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende; en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel voorbijsnorden....

Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn klam-bezweet gelaat.—Het regende, het mistte, de natte, felle wind kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zóó in het slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een bleeke doode uitgestrekt.


Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand; maar nog eens weken duurde het vóór hij zijn bed verlaten mocht; en toen hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.

Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van zijn gelukkige genezing.


Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen, telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan vertellen; maar zelve had zij haar beschermvriendin slechts eenmaal tijding kunnen zenden,—de droeve tijding van Alfons' zware ziekte—en nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou vertoeven.

En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde.

"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend.

"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen binnen.

Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer.

"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones; en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg zij bezorgd.

"Dát 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand op zijn ingevallen borst, kloppend.

Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat, leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren en zijn spits-krullenden, donkeren baard.

Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel zei de barones tot Rozeke:

"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man."

Rozeke smolt in tranen.

"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage."

"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet."

"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten, mevreiwe, en w'hén al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte."

"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn wij daar om u t' helpen."


Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de vroegmis thuis kwam en hem zei:

"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hên, nou es er ienen te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem zelve vroagen."

"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig.

"Ivo Smul."

"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!"

"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer in ruzie geslegen en wiggegoan. 't Spijt de bezinne genoeg."

Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam, schrik-zwijgend achteruitgedeinsd.

Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.

"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij.

"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem.

Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het werk te gaan. Was het reeds niet háár schuld geweest, dat hij in plaats van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet, 't mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor, als voor den dood.

"Hawèl?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang stilzwijgend ongeduldig wordend.

"Hawèl, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna smeekend aankijkend.

"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend-opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt antwoorden!"

Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug, terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.

"Hèt ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij.

"Joa ik, boas."

"En hèt hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?"

"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt."

"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?"

"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels há."

"En verwacht hij antwoorde doarop?"

"Joa en nien. Hij hé gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat hij hem elders gijnk verhuren."

Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:

"Hawèl wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou gedacht?"

"Hawél, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten.

"Moar 'k en wil ik nièts, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?"

"Hawèl joa 't dan, joa 't, 't ès mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord moest geven.

Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om:

"Al gezeid.—Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen."

"Al gezeid, boas."

Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.


XVIII.

Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje. Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was, knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen meester.

"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels planten en oale voeren op de kloaver."

Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk te gaan.

"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder een zware snee spek. Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul, waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het háár zoo akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje nakijkend.

"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij 'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"

Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit den nood kwam helpen.

Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar voelde 't zoo.


Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan 't eggen was.—Hij zag hem komen van het verste eind over den langen akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde, blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende, stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker opgolfde.

"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul zoo aan den arbeid zag.—En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.


XIX.

Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter; maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij zijn lot nog al geduldig op.

Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.

In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde. Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.

Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid, zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee, totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn eigen zin wist te doen buigen.


XX.

Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had; en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.

Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig, onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter. Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien, halve dagen op den akker blijven.

De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden. Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar kindje had.

Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde, kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:

"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"

Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:

"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."

"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of 'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut! al wa konten, zeg ik."

"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.

De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette verwonderde oogen op.

"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.

Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier, Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij eigenlijk veel te weinig van af wist.

De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.

"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."

Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in de rede:

"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"

Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden, slechten naam gaf.

De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.

Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:

"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te keune missen. Ìk 'n hè hem nie gevroagd; ìk ... zoe hem veel liever ... noeit op ons hof genomen hên—'t Es Alfons zelve die 't gewild hèt. Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."

Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.

"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.

Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte lading in het evenwicht.

Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk ingehouden toorn bevende stem:

"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"

Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:

"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast hem binnen mee 't loaste van den oest."

Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend, met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefdetranen in de oogen om.

"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar fluisterend op den drempel vragen.

"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.

"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken,... 'n jongentsjen of 'n meisken?"

"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen een jongen."

"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde vroomheid.


XXI.

Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven, droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur. Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen, schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en hoog-opgetrokken knieën bij den haard.

Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze, stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.—Toen zat hij stil te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.

En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen barsten. —"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer naar buiten komen.

Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen; en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de nauwe, warme muren opgesloten.

Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't oogenblik.

Maar helaas!... háár zou de sombere winterman nog wreed beproeven.

Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden, tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet haar kinderen even in de steek en ging eens op het steen en trapje van de voute-kamer luisteren:

"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht worden. Zoe-je nie opstoan?"

Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de voute op, en stond vóór 't lage bed:

"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"

Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje, rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!" schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.

Alfons had bloed opgegeven!—Toen de dokter, in allerhaast door Smul te paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede hoofdkussen.