Sylvius Hog had dat treurige verhaal nauwlettend aangehoord. Blz. 163.
Zoo bereikte men tusschen hoop en vrees den 12den Juli.
Over vier dagen zou de trekking plaats hebben van de loterij, die ten voordeele van de scholen te Christiania op touw gezet was.
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden, dat de handelsspeculatie, door Sandgoïst ondernomen, ter kennisse van het publiek gebracht was. Door de bemoeiingen van dien woekeraar hadden de dagbladen aangekondigd, dat »het beroemd en door de Voorzienigheid tot een gelukkig lot bestempeld loterijbriefje”, dat het nummer 9672 voerde, thans in handen was van mijnheer Sandgoïst te Drammen, en dat dit loterijbriefje, hetwelk in het openbaar zou verkocht worden, aan den meestbiedende zou worden toegewezen.
Ook meldden de dagbladen dat de heer Sandgoïst van Drammen, om eigenaar van gezegd briefje te worden, er toe had moeten overgaan het zeer duur aan Hulda Hansen te betalen.
Iedereen begrijpt, dat die advertentie wel geschikt was om het jonge meisje aanmerkelijk in de algemeene achting te doen dalen.
Wat!... Hulda Hansen had zich door een hooge som laten bekoren en was er toe overgegaan, om het briefje van den schipbreukeling, de laatste gedachte van Ole Kamp, haren bruidegom, te verkoopen:
Zij had munt geslagen uit dat aandenken!
Maar een dagbladartikel, dat op het juiste oogenblik in het »Morgenblad” verscheen en door alle overige dagbladen overgenomen werd, stelde de lezers weldra op de hoogte van hetgeen voorgevallen was. Spoedig wist iedereen van welken aard de tusschenkomst van Sandgoïst geweest was, en op welke wijze het loterijbriefje in zijne handen geraakt was.
Toen werd de woekeraar van Drammen het voorwerp der algemeene verontwaardiging. Toen verhief zich een kreet tegen dien schuldeischer zonder hart, die er niet voor teruggedeinsd was om de rampen der familie Hansen ten zijnen voordeele te gebruiken.
En, nu de openbare meening behoorlijk ingelicht was, werden, alsof er eene samenspanning, een algemeene overeenkomst, eene soort verstandhouding bestond, de aanbiedingen aan Hulda Hansen voor het loterijbriefje gedaan, niet herhaald bij den nieuwen eigenaar. Het scheen, alsof dat briefje de vroegere bovennatuurlijke waarde niet meer bezat, en dat dit veroorzaakt werd door de besmetting, die het door de aanraking van de hand des woekeraars ondergaan had.
Sandgoïst had dus eene zeer slechte speculatie ondernomen, en het liet zich aanzien, dat het beroemde nummer 9672 voor zijne rekening zoude blijven.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda en zelfs Joël volstrekt niet op de hoogte waren van hetgeen geschreven en verteld werd. Gelukkig, niet waar?
Het zou hun toch zeer pijnlijk gevallen zijn, hunne namen gemengd te zien in eene zaak, die in handen van den woekeraar alleen een handelsspeculatie geworden was.
In den avond van den 12den Juli kwam er een brief, gericht aan het adres van professor Sylvius Hog.
Die brief, door het Ministerie van Marine afgezonden, bevatte een anderen, die van Christiansand gedagteekend was.
Christiansand is eene kleine havenplaats, aan den ingang van de baai van Christiania gelegen.
Die brief meldde waarschijnlijk niets bijzonders aan Sylvius Hog; want hij stak hem met de grootste onverschilligheid in den zak en sprak er noch tegen Hulda, noch tegen Joël over.
Maar toen hij zich later in den avond naar zijne kamer begaf, voegde hij aan zijn hartelijk »goedenavond” nog toe:
»Denkt er om, kinderen dat over drie dagen de loterij te Christiania getrokken wordt.”
»Wat zou dat, mijnheer Sylvius?” vroeg Joël.
»Gij gaat er toch stellig heen, niet waar?”
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer Sylvius?” vroeg Hulda, op hare beurt hem met verwondering aanziende.
»Mij dunkt,” hernam de professor, »dat zulks moet geschieden. Ole Kamp heeft den wensch te kennen gegeven, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn....”
»Maar....” wilde Joël tegenwerpen.
»Hij beval het u uitdrukkelijk aan in de laatste regels, die hij schreef....”
»Ja wel, dat is waar; maar....”
»Volgens mijne meening,” ging professor Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »zal de laatste wil van onzen armen Ole Kamp gehoorzaamd moeten worden.”
»Maar, professor....”
»Spreek op, Joël. Wat hebt gij nog te zeggen?” vroeg Sylvius Hog.
»Maar.... Hulda heeft dat loterijbriefje niet meer!”
»Welnu?”
»En, wie weet in welke handen het geraakt is?”
»Om 't even!” riep de professor uit.
»Wat, om het even? Wat bedoelt gij, mijnheer Sylvius?”
»Ik verzoek u, ik eisch desnoods van u, dat gij beiden mij naar Christiania vergezelt!”
»Als gij dat wilt....”
»Zeker, wil ik het!”
»Nu, dan zal het gebeuren,” antwoordde het jonge meisje.
»Luister, waarde Hulda. Eigenlijk ben ik het niet, die hier wil....”
»Maar, wie dan, mijnheer Sylvius?”
»Ole Kamp wil het,” antwoordde de professor. »En Ole Kamp moet gij gehoorzamen.”
»Zuster,” zei Joël Hansen, »mijnheer Sylvius heeft gelijk. Ja, het moet.”
En zich tot den professor wendende, ging hij voort:
»Wanneer denkt gij te vertrekken, mijnheer Sylvius? Ik doe die vraag, om alles in gereedheid te kunnen brengen.”
»Wat in gereedheid brengen?” zei de professor. »Weest niet ongerust. Ik heb voor alles gezorgd!”
»Voor alles?”
»Ja!”
»Maar dan dienen wij toch op de hoogte van het tijdstip van vertrek gebracht te worden voor onze zaken, mijnheer Sylvius,” drong Joël andermaal aan.
»Welnu, wees dan morgenochtend bij het krieken van den dag gereed!” zei Sylvius Hog.
»Morgen bij het krieken van den dag?”
»Ja, morgen bij het krieken van den dag. En dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!”
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!” herhaalde Hulda, terwijl ze bij die aanroeping de handen vouwde.
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!” zei ook Joël op plechtigen toon.
»En laat ons nu voortmaken, broeder,” zei Hulda gejaagd. »Wij hebben geen oogenblik te verliezen, als wij met onze toebereidselen gereed willen zijn.”
XVI.
NAAR CHRISTIANIA.
Den volgenden morgen reden professor Sylvius Hog en Hulda Hansen, naast elkander in het bont beschilderde karretje van baas Lengling gezeten, het dorp uit. Zooals men weet, was er geen plaats voor drie personen. Joël stapte dan ook als een flinke kerel, naast het paard, dat in stevigen stap tusschen de boomen van het voertuig voortliep en vroolijk met het hoofd schudde.
Wel is waar bedroeg de afstand tusschen Dal en Moel veertien kilometer, maar dat was voor iemand als onzen flinken berggids niet de moeite waard.
Het karretje reed dus door dat overheerlijke Vestfjorddal en hield daarbij gestadig den linkeroever van de Maan-rivier, waarlangs de weg heenliep. Het dal was vrij smal en dicht beschaduwd. Door duizenden beekjes werd het besproeid, die over scherpe hellingen voortstroomden, waarbij allerwege kleine watervallen gevormd werden, die van verschillende soms aanmerkelijke hoogten neervielen en, onder de zonnestralen, in al de kleuren van den regenboog schitterend, een overheerlijk gezicht opleverden.
Bij iedere buiging van dien kronkelenden weg, kreeg men den top van den Goustaberg, die door twee schitterend witte sneeuwvlekken aangeduid werd, in het oog, om hem een oogenblik daarna weer te zien verdwijnen.
Het uitspansel was helder, het weer prachtig. De lucht was niet al te frisch en de zon niet al te warm. In één woord het was een weer, alsof het voor zoo'n tocht gemaakt was.
Het was in het oog loopend dat het gelaat van professor Sylvius Hog, sedert hij de herberg van Dal verlaten had, meer kalmte uitdrukte. Waarschijnlijk deed hij zich een weinig geweld aan—althans zoo dachten de jongelieden—opdat die reis ten minste eene uitspanning, eene verstrooiing voor Hulda en Joël zou wezen.
Twee en een half uur—niet meer—waren noodig om Moel, aan het uiteinde van het Tinnermeer gelegen, te bereiken. Daar moest het karretje halt houden, tenzij het de eigenschappen van een vlot had bezeten.
Want op dat punt van het fraaie dal begint de eigenlijk gezegde meeren-weg.
Daar bevindt zich wat men noemt een »vandskyde”, dat wil zeggen eene wisselplaats. Daar vindt men eindelijk van die lichte en ranke vaartuigen, die de gemeenschap over het meer onderhouden, zoowel over zijne lengte als over zijne breedte.
Het karretje stond bij de kleine kerk van het gehucht stil, welk gebouw zich aan den voet van een waterval van ruim vijfhonderd voet verhief.
Die waterval, waarvan slechts een vijfde gedeelte te zien is, stort zich met woest geweld in de eene of andere sombere bergspleet, voordat zijne wateren het meer bereiken.
Twee schuitenvoerders stonden op de uiterste punt van den rotsachtigen oever gereed. Hun vaartuig, van beukenschors vervaardigd en klaar voor den overtocht, was zoo rank, dat het voor de daarin zittenden zeer gevaarlijk was zich van het eene boord naar het andere over te buigen.
Het meer spreidde in dit ochtenduur al zijne schoonheid voor onze reizigers ten toon. De zon stond nog niet heel hoog; maar toch had zij kracht genoeg bezeten om de dampen te verdrijven. Men zou onmogelijk een fraaieren zomerdag hebben kunnen wenschen.
»Zijt gij niet te zeer vermoeid, mijn wakkere Joël?” vroeg professor Sylvius Hog, toen hij uit het karretje gestegen was. »Waarlijk, gij hebt uwe beenen moeten reppen.”
»Neen, mijnheer Sylvius, ik ben niets moe,” antwoordde de jeugdige berggids. »Wat heeft zoo'n wandeling te beteekenen voor mij, die aan lange omzwervingen door het Telemarksche gewoon ben?”
»Dat is zoo.—Maar ik was toch een weinig bezorgd.”
»O, voor hem behoeft gij niet bezorgd te zijn, wanneer het op loopen aankomt,” zei Hulda lachend.
»Des te beter!” antwoordde de professor. »Maar Joël, zeg mij eens....”
»Wat verlangt gij te weten, mijnheer Sylvius?”
»Kent gij den naasten weg van Moel naar Christiania?”
»Uitstekend, mijnheer Sylvius,” antwoordde Joël Hansen.
»Welnu, laat eens hooren.”
»Hoe bedoelt gij?”
»Geef mij de verschillende plaatsen op, die langs den weg liggen.”
»Als wij aan het uiteinde van het meer, te Tinoset, aangekomen zullen zijn, dan.... maar.... zie, ik weet niet....”
»Wat weet gij niet?” vroeg Sylvius Hog lachende. »Zijt gij nu al de kluts kwijt, en kunt gij mij al de tweede plaats niet opgeven? Dat is wat moois!”
»Neen, dat is het niet.”
»Welnu, wat bedoelt gij dan?”
»Ik weet niet, of wij te Tinoset een karretje zullen vinden, mijnheer Sylvius.”
»Waarom niet, vriend Joël?” vroeg professor Sylvius Hog met een glimlach.
»Omdat wij verzuimd hebben een paar »forbuds” (jeugdige boodschaploopers) vooruit te zenden, om van onze komst aan de wisselplaats kennis te geven.”
»Denkt gij dat dit hinderen zal?”
»Zoo doet men steeds in dit land, mijnheer Sylvius, om geene teleurstelling te ondervinden.”
»Gij meent dus?....”
»Ik vrees, dat wij geen paard en geen karretje zullen vinden, wat onze reis zeer zal vertragen.”
»Nu, maak je maar geen zorg, mijn jongen,” sprak de professor geruststellend. »Ik heb het geval voorzien.”
»Gij, mijnheer Sylvius?”
»Ja, ik; en ik heb mijne maatregelen genomen. Daarom wil ik u wel mededeelen, dat het mijn plan volstrekt niet is, om u den weg van Dal naar Christiania te voet te doen afleggen.”
»Als dat moet evenwel....” zei Joël.
»Dat weet ik wel. Maar het zal niet moeten. Daarvoor heb ik gezorgd. Wees daaromtrent gerust.”
»Ik dank u, mijnheer Sylvius.”
»Geen dank, mijn jongen. Maar, wij dwalen af. Laat ons bij uwe opnoeming van de verschillende plaatsen blijven.”
»Juist, mijnheer Sylvius.”
»Zeg mij dus, hoe gij de reis zoudt doen, waarde Joël.”
»Welnu, wanneer wij te Tinoset zullen aangekomen zijn, zullen wij langs het meer Fol rijden en daarbij de plaatsjes Vik en Bolkesjö doortrekken. Daarna zullen wij Möse bereiken, vervolgens Konsberg en Hangsund en eindelijk Drammen. Wanneer wij dag en nacht doorreizen, is het niet onmogelijk, dat wij morgen in den namiddag te Christiania zullen aankomen.”
»Best, Joël,” antwoordde de professor. »Ik zie, dat gij het land kent, en ik geloof, dat wij eene aangename reis zullen maken. Denkt gij ook niet?”
»Zeker, mijnheer Sylvius.... Daarenboven is het de kortste weg, dien ik u opgegeven heb.”
»Zoo, Joël,” ging de professor glimlachende voort. »Maar ik geef de brui van dien kortsten weg, begrijpt gij?”
De jonkman keek hem ietwat bedremmeld aan, maar antwoordde niet.
»Ik weet een anderen weg,” vervolgde Sylvius Hog, »die de reis slechts met ettelijke uren zal verlengen. En dien weg kent gij ook, mijn jongen, hoewel gij er niet van spreekt.”
»Welke dan, mijnheer?”
»Houd u nu niet zoo dom, vriend Joël.”
»Neen, waarlijk, ik vat niet welken weg gij bedoelt.”
»Wel ik bedoel dien, welke door Bambel voert!”
»Door Bambel?”
»Ja, door Bambel.—Stel u nu toch zoo onnoozel niet aan, mijn jongen.”
»Waarlijk, ik....”
»Door Bambel waar een zekere pachter Helmboë woont! Vat gij mij nu?”
Joël was rood van verlegenheid geworden. Hij wist niet wat te antwoorden.
»Door Bambel, waar ook de dochter van dien pachter woont. De lieve Siegfrid. Heet zij niet zoo?”
»Mijnheer Sylvius!....”
»Kijk me dien lummel eens blozen!” gierde professor Sylvius Hog uit van de pret.
»Maak hem toch niet zoo verlegen, mijnheer Sylvius,” smeekte Hulda met een flauwen glimlach.
»Nu, mij wel.—Maar wij zullen den laatsten weg nemen. Wat denkt gij er van, Joël?”
Deze grinnikte van genoegen en knikte toestemmend, terwijl hij den professor zijne hand toestak.
»Welnu, dan zullen wij in plaats van langs de noordzijde, langs de zuidzijde van het meer Fol rijden, en.... zoo kunnen wij ook Konsberg bereiken, niet waar Joël?”
»Evengoed, mijnheer Sylvius, zoo niet beter,” antwoordde de jeugdige berggids.
»Welnu, dan is alles in orde! Vooruit dan maar!”
»Ik dank u voor mijn broeder, mijnheer Sylvius,” zei Hulda Hansen door zooveel goedheid des harten bewogen.
»En voor u ook, hoop ik, kleine Hulda,” hernam de professor; »ik verbeeld mij, dat het u ook wel eenig genoegen zal doen uwe lieve vriendin Siegfrid weer te zien. Vergis ik mij soms?”
»Volstrekt niet, mijnheer.”
»Welnu, dan andermaal: vooruit!”
Het vaartuig lag, zooals wij weten, gereed. Alle drie namen daarin plaats en gingen op de groene bladeren zitten, die bij den achtersteven opgehoopt waren. De beide varenslieden grepen de riemen en staken van wal, terwijl Joël de stuurpen ter hand genomen had.
Naarmate men zich van den oever verwijdert, schijnt het Tinnermeer zich af te ronden naar den kant van Haekenoës, een kleine gaard uit drie of vier huizen bestaande, die op dit rotsachtige voorgebergte gebouwd zijn, dat door den smallen fjord bespoeld wordt, waarin de Maan-rivier uitwatert.
Bij den aanvang der reis was het meer nog door hooge en steil opwaarts rijzende oevers dicht omgeven, maar naarmate het ranke vaartuig onder de krachtig gehanteerde roeiriemen voortvloog, weken de bergen achterwaarts, welker hoogte men eerst kon beoordeelen, als de kleine schuit, aan een watervogel gelijk, langs hunnen voet voorbijgleed.
Hier en daar verhieven zich boven de watervlakte eenige eilanden of eilandjes, nu eens steenachtig en dor, dan weer met het levendigst groen prijkend. Nu en dan ontwaarde men op die eilanden hutten van visschers en van houthakkers.
Op de oppervlakte van het meer dreven boomstammen, die niet bekapt, en nog niet van schors of spint ontdaan waren; verder stukken van balken en houtdeelen, die van de naburige houtzaagmolens—een hoofdindustrie van Noorwegen—afkomstig waren.
Het meer spreidde zich in dit ochtenduur in al zijne heerlijkheid voor onze reizigers uit. Blz. 173.
Sylvius Hog scheen in eene stemming te zijn tot gekscheren; die boomstammen en balken gaven hem de snakerij in den mond:
»Als het waar is, wat onze Scandinavische dichters beweren,” zei hij met een glimlach, »dat de meren de oogen van Noorwegen zijn; dan moet toch erkend worden, dat Noorwegen meer dan één balk in de oogen heeft, en de Bijbelsche gelijkenis schijnt wel voor ons land vervaardigd te zijn.”
Het was ongeveer drie uur toen het lichte vaartuig van boomschors te Tinoset aankwam.
Tinoset is slechts een eenvoudig gehucht, waar niet veel comfort te vinden is. Dat kon Sylvius Hog evenwel niets schelen, daar het niet in zijn plan lag, om daar, al was het ook maar een uur, te vertoeven.
Zooals Sylvius Hog aan Joël gezegd had, stond een rijtuig op den oever te wachten.
Daar hij sedert geruimen tijd tot die reis besloten was, had hij bijtijds zijne voorzorgsmaatregelen getroffen.
Hij had den heer Benett te Christiania verzocht, om hem de middelen te verschaffen, zijne reis zonder vermoeienis en vertraging te kunnen voortzetten. Deze was niet in gebreke gebleven, om aan dat verzoek te voldoen.
Daarom stond dan ook op den bepaalden dag te Tinoset eene oude gemakkelijke kales klaar, welker bergplaatsen behoorlijk van etenswaren voorzien waren.
De slotsom was dus, dat niet alleen het vervoer over den geheelen afstand tot Christiania behoorlijk verzekerd, maar dat ook in de mondbehoeften voorzien was, wat de reizigers van de noodzakelijkheid onthief hunne toevlucht te moeten nemen tot de half bebroede eieren, de zure melk en de Spartaansche ratjetoe van de bevolking der Telemarksche gewesten.
Tinoset is aan het zuidelijk uiteinde van het Tinnermeer gelegen.
Niet ver van dat plaatsje stort zich de Maan-rivier met een prachtigen waterval in het benedendal, waar de bruisende en schuimende bergstroom eindelijk tot kalmte komt en rustig tusschen de regelmatige oevers voortstroomt.
De paarden, van de naaste wisselplaats aangebracht, waren reeds aangespannen, en weldra had het oude, gemakkelijke rijtuig de richting naar Bambel ingeslagen.
In dat tijdvak was dit de eenige manier om door Noorwegen, in het algemeen, en door de Telemarksche streken in het bijzonder te reizen. Die wijze van vervoer was niet van bekoorlijkheden ontbloot, en wij zijn zeker niet ver van de waarheid, als wij beweren, dat de echte toeristen, in de waggons van den pas aangelegden spoorweg gezeten, van harte het verdwijnen der nationale karretjes, en der gemakkelijkste kalessen, als die van den heer Benett, betreuren!
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden dat Joël Hansen dit gedeelte van het baljuwschap, dat hij zoo dikwijls tusschen Dal en Bambel doorgetrokken was, door en door kende.
Het was ongeveer acht uur des avonds, toen Sylvius Hog met zijne reisgenooten in dat kleine gehucht aankwam.
Men verwachtte hen daar niet; maar toch bleef pachter Helmboë niet in gebreke hen hartelijk te ontvangen. De lieve Siegfrid omhelsde hare vriendin innig en vond dat de arme Hulda er zeer bleek uitzag. Nu, dat was na zooveel doorgestaan leed niet te verwonderen.
De beide jonge meisjes zonderden zich een oogenblik af om hun leed in elkanders boezem te ontlasten.
»Laat je toch niet door het verdriet ternederslaan, beste Hulda,” zei Siegfrid.
»O, kon ik nog maar eenige hoop koesteren,” snikte Hulda aan de borst van hare vriendin.
»Ik heb de hoop geenszins verloren,” hernam deze troostrijk en opbeurend.
»Kon ik dat ook maar zeggen!” was de wanhoopskreet van de arme Hulda.
»Waarom den moed verliezen? Is het niet mogelijk, dat gij den armen Ole Kamp wederziet? Wij hebben uit de dagbladen vernomen, dat men moeite doet om de Viken op te sporen. O, wees verzekerd, die pogingen zullen met welslagen bekroond worden....”
»Denkt ge?” riep Hulda in tranen badende uit.
»Zeker denk ik het, en dat denkt mijnheer Sylvius ook,” vervolgde Siegfrid. »Zie, ik ben overtuigd, dat die nog hoopt.... Hulda.... beste Hulda!... ik smeek je.... wanhoop niet!”
Wat had Hulda bij die troostredenen anders kunnen doen dan weenen; terwijl Siegfrid haar aan het hart drukte.
O, welke vreugde zou in de woning van den pachter Helmboë, bij die brave, eenvoudige en goede lieden geheerscht hebben, als er in hun kleine wereld reden tot vreugde bestaan had!
»Dus gij gaat rechtstreeks naar....? mijnheer Sylvius,” vroeg pachter Helmboë.
»Naar Christiania, mijn goede man,” antwoordde de professor.
»Waarom?”
»Hoe kunt gij dat nog vragen, zeg?”
»Om bij de trekking van de loterij tegenwoordig te zijn?”
»Zeker.”
»Maar, vergeef mij, waartoe moet dat toch in godsnaam dienen?”
»Waartoe dat dienen moet?.... Begrijpt gij dat niet?”
»Neen, zeker niet, daar het loterijbriefje van Ole Kamp zich thans in handen van dien ellendeling, dien Sandgoïst bevindt. Het gaan naar Christiania is dus overbodig.”
»Het was de wil van Ole Kamp!” antwoordde Sylvius Hog, »en diens wil moet geëerbiedigd worden.”
»Daar is wel iets van aan.”
»Niet iets, maar dat behoort de geheele beweegreden te zijn, pachter Helmboë.”
»Misschien hebt gij gelijk, mijnheer Sylvius,” antwoordde de pachter.
En van gesprek veranderende, vervolgde hij:
»Men vertelt, dat die woekeraar van Drammen geen kooper gevonden heeft voor dat loterijbriefje, dat hij toch zoo duur betaald heeft.”
»Ja, dat vertelt men, mijnheer Helmboë.”
»Mooi zoo!”
»Wat bedoelt gij met dat mooi zoo?” vroeg de professor.
»Wel, dat die afschuwelijke kerel niets anders gekregen heeft dan zijn verdiende loon.... Die schurk!.... Ja, die schurk! mijnheer Hog.... mij dunkt dat hij heeft wat hem toekomt.”
»Ja, dat is waar, mijnheer Helmboë!”
Men moest natuurlijk op de pachthoeve het avondeten gebruiken. Daar was niets aan te doen.
Noch Siegfrid, noch haar vader zouden hunne vrienden hebben laten vertrekken, zonder dat zij die uitnoodiging aangenomen hadden. Maar men mocht niet te lang blijven; wilde men gedurende den nacht de uur inhalen, die de omweg naar Bambel had doen verloren gaan.
De paarden werden dan ook van de nabijzijnde wisselplaats tegen negen uur voorgebracht en door een der arbeiders van de gaard voor de kales gespannen.
»Bij mijn volgend bezoek, waarde heer Helmboë,” zei Sylvius Hog tot den pachter, »zal ik zes uren aan tafel blijven, als gij zulks mocht verlangen, dat beloof ik u.”
»Goed zoo,” antwoordde de pachter. »Maar tusschen zes uren en den korten tijd, dien gij thans bij ons doorbrengt, is een zeer groot verschil, mijnheer Sylvius. Dat ziet ge toch in!”
»Zeker. Maar heden ben ik genoodzaakt u de vergunning te vragen, het nagerecht te vervangen door een vriendschappelijken handdruk, aan mij en Joël, en door een hartelijken kus van Siegfrid aan mijne kleine Hulda.”
»Gij wilt dus niet langer bij ons vertoeven, mijnheer Sylvius?” vroeg de pachter.
»Wij willen wel, maar kunnen onmogelijk!” antwoordde de professor, die zich geweld moest aandoen, om zich uit dien hartelijken kring los te rukken. »Wij kunnen onmogelijk, mijnheer Helmboë!”
Men drukte elkander de hand, men kuste elkaar, zooals Sylvius Hog verzocht had, en toen was het oogenblik van vertrek daar. Of Joël zijn deel van de liefkoozingen van Siegfrid kreeg, zouden wij niet met zekerheid kunnen zeggen. Dát kunnen wij betuigen, dat Hulda door de pachtersdochter met kussen overladen werd.
Op de breedte, waarop Noorwegen gelegen is, zou de avondschemering nog verscheidene uren duren. De gezichteinder bleef dan ook nog geruimen tijd zichtbaar, na den ondergang der zon.
De weg, die van Bambel over Hitterdal naar Konsberg voert, is zeer fraai en loopt door bergachtig terrein. Nu eens gaat hij steil omhoog, om later weer des te dieper te dalen; dan weer slingert hij zich om de toppen, of voert dwars over de nokken. Voor een deel volgt hij den oever van het Folmeer en voert zoo door het zuidelijk gedeelte van de Telemarksche bergstreken. Destijds vormde hij de eenige verbinding tusschen de dorpen, gehuchten, vlekken en gaards van dat woeste bergland. Het was een verrukkelijke rit voor onze drie reizigers, en het was wezenlijk jammer, dat zij zich niet in eene vroolijker stemming bevonden, om er des te beter de bekoorlijkheid van te genieten.
Een uur na hun vertrek van Bambel kregen de reizigers het klokketorentje van Hitterdal in het gezicht. Zij zouden in dat gehucht evenwel niet stilhouden. Toch waren zij in staat de kerk te bewonderen. Het is een zeer oud en tevens zeer zonderling gebouw, met eenige rijen tinnen boven elkaar, zonder dat op de regelmatigheid der lijnen acht geslagen is. Het geheele gebouw is in hout opgetrokken, van de muren af, die van op elkander gestapelde balken en gezwaluwstaarte planken vervaardigd zijn, tot de uiterste punt van het hoogste ronde torentje van dit gevaarte. Het geheel geleek veel op eene opeenhooping van peperbussen, en was, naar het schijnt, een eerwaardig monument uit de dertiende eeuw, dat door de kenners van Scandinavische bouwkunde zeer geroemd werd.
Toen spreidde de nacht langzaam haar sluier over het aardrijk uit.
Het was evenwel een van die nachten, die als doortrokken blijven van het laatste licht der avondschemering, dat zich tegen één uur na middernacht vermengen gaat met het eerste schijnsel van den rijzenden dageraad.
Joël, op de voorbank van de oude kales gezeten, was in overpeinzingen verzonken. Ook Hulda zat stilzwijgend in een der hoeken van het rijtuig gedoken. De professor wisselde eenige woorden met den koetsier, om hem aan te sporen zijne paarden aan te zetten.
Daarna vernam men niets anders meer dan het geklingel der bellen van de paarden, het geklap der zweep van den postiljon, en het geknars der wielen op het grint van den soms zeer hobbeligen weg.
Men reed den geheelen nacht door zonder van paarden te verwisselen.
Het was gelukkig onnoodig te Listhüs op te houden. Dat was een zeer onaanzienlijk vlek, dat te midden van een kring van bergen, dicht met dennen begroeid, verscholen lag. Die bergkring werd weer door een anderen omgeven, die slechts uit naakte rotswanden bestond.
Men reed ook Tiness voorbij, eene kleine, schilderachtig gelegen gaard, waar eenige huisjes op steenen pilaren gebouwd zijn.
De kales rolde met snelheid voort en liet daarbij een piepend geluid van slecht gesmeerde raderen en strak gespannen veeren hooren. De koetsier mende zijne paarden goed. Er was geene aanmerking te maken. Het was een goedhartige, bejaarde kerel, die op den bok half ingedut was, zonder evenwel te verzuimen de paarden te laten voelen, dat hij de teugels steeds in handen had.
Van tijd tot tijd gaf hij werktuiglijk een tikje met de zweep, en altijd gold dit het vandehandsche paard, daar dit zijn buurman toebehoorde, terwijl het andere zijn eigendom was. In Noorwegen geldt evenals overal de spreuk: het hemd zit nader dan de rok.
Sylvius Hog opende tegen vijf uur in den ochtend de oogen, rekte zich eens uit en snoof met een zekeren wellust de heerlijke geuren op, die allerwege door de nabijzijnde dennenbosschen verspreid werden.
Men kwam weldra te Konsberg aan.
Het rijtuig reed de brug over, die de Laagen overspande, en hield, na de kerk voorbijgereden te zijn, op den anderen oever stil, niet ver van den waterval van Larbrö.
»Vrienden,” zei professor Sylvius Hog, »volgens mijne meening, zullen wij hier alleen verspannen. Dunkt u niet?”
»Zooals gij goedvindt, mijnheer Sylvius,” antwoordde Joël Hansen.
Hulda knikte toestemmend.
»Het is nog te vroeg, om te ontbijten,” ging Sylvius voort.
»Vooruit dan maar!” zei Joël.
»Wij zullen evenwel te Drammen langer pleisteren,” vervolgde de professor. »Daar zullen wij een stevig maal gebruiken, ten einde spaarzaam met den mondvoorraad van den heer Benett te kunnen omgaan.”
Volgens die afspraak vergenoegden de professor en Joël Hansen zich met het verorberen van een glaasje brandewijn in het Mynhotel te Konsberg. Toen de verspanning een kwartier later geschied was, verliet men dat plaatsje in vollen draf.
Al dadelijk bij het verlaten van de stad moesten de paarden het zware rijtuig tegen een steilen weg, die in den rotsachtigen bergwand uitgehouwen was, optrekken. Een oogenblik konden de reizigers de gebouwen der zilvermijnen van Konsberg, donker tegen den helderen achtergrond ontwaren. Daarna werd de gezichteinder door uitgebreide dennenbosschen beperkt, die zooveel schaduw gaven, dat het schier duister op den weg was, terwijl de dampkring daarbij heerlijk frisch was. Geen wonder, geen enkele zonnestraal vermocht dat dichte naaldloofdak te doordringen.
In de houten stad Hangsund kreeg de kales een nieuw span paarden, en daarna werd de reis weer voortgezet.
Men trof nu op de wegen tolafsluitingen aan, waarvan de boom niet dan tegen betaling van vijf of zes shillings geopend werd.
De landstreek, die men doorreed, was zeer welvarend. Vruchtboomen, die veel op treurwilgen geleken, zoozeer waren hunne takken door de vruchten gebogen, kwamen overvloedig voor. Bij de nadering van Drammen evenwel, werd het dal weer bergachtig.
Het was ongeveer middag, toen men de stad Drammen, met haar twee lange straten en haar bont geverfde huizen in het gezicht kreeg. Zij ligt aan den Dramsfjord, een der westelijke neven-inhammen van den fjord van Christiania en bezit eene druk bezochte haven, waar de houtvlotten slechts weinig ruimte overlaten voor de koopvaardijschepen, die daar de producten der Noorsche nijverheid komen innemen.
Bij Drammen stort zich de korte maar waterrijke Drams-Elf in den Drams-fjord.
De stad is door twee rivierarmen, die evenwel overbrugd zijn, in drie deelen gescheiden, welke Bragernäs, Stromsö en Tangen heeten. Zij telt ruim 20.000 inwoners en is de hoofplaats van het Noorweegsch ambt of baljuwschap Böskerüd. Men vindt er bierbrouwerijen, tabaksfabrieken, leerlooierijen enz. Wat haar houthandel betreft, kan zij als de voornaamste haven van Noorwegen beschouwd worden. Vooral drijft zij een levendigen handel met Nederland. Hare eigene vloot telde op het einde van het jaar 1880 niet minder dan 315 schepen.
Het rijtuig hield voor het Hotel van Scandinavië stil. De eigenaar van die inrichting, een gewichtig persoon met sneeuwwitten baard en deftig uiterlijk, verscheen op den drempel der deur.
Met die slimheid, die de hotelhouders van de heele wereld kenmerkt, zei hij:
»De heeren en de jonge dame wenschen zeker te ontbijten.”
»Juist geraden,” antwoordde de professor. »Bezorg ons dus maar dadelijk iets te eten.”
»Gij zult onmiddellijk bediend worden.”
»Dat hopen wij.”
De man hield woord. Het ontbijt stond weldra op tafel en verdiende allen lof. Onder andere werd een visch, afkomstig uit den fjord, voorgediend, die heerlijk met bergkruiden toebereid was, en waarvan professor Sylvius Hog dan ook met veel smaak at.
Men kuierde de stad eens rond en bewonderde den diep ingesneden fjord en de bruggen, die over de beide armen der Drams-Elf voerden.
Tegen twee uur stond het rijtuig, met versche paarden bespannen, voor het Hotel van Scandinavië gereed.
Men vertrok en moest daarbij geheel Drammen in de breedte doorrijden.
Terwijl men voorbij een huis kwam, laag van verdieping en van een weinig aanlokkelijk voorkomen, dat zeer afstak bij de naburige, vroolijke woningen, die volgens 's lands gebruik met levendige kleuren geverfd waren, riep Joël Hansen op eens, met een uitdrukking van afschuw op het gelaat:
»Sandgoïst!”
»Waar?” vroeg professor Sylvius Hog.
»Daar!... daar, mijnheer Sylvius!” zei Joël, terwijl hij den schurk met den vinger aanwees.
»Zoo, zoo!” zei de professor. »Is dat die mijnheer Sandgoïst?”
»Ja, mijnheer Sylvius.”
»Drommels, die kerel heeft volstrekt geen aantrekkelijk gezicht. Wat denkt mijne kleine Hulda er van?”
Het jonge meisje antwoordde niet, maar draaide den kerel met eene beweging van afschuw den rug toe.
Ja, het was Sandgoïst, die daar op zijn stoep een lange Goudsche pijp stond te rooken.
Herkende hij Joël Hansen, die, voor ieder zichtbaar, op de voorbank van het rijtuig zat? Wie zal het kunnen zeggen? Waarschijnlijk niet; want het rijtuig reed met snelheid tusschen opgestapelde balken en planken door.
Buiten de stad gekomen, volgde men een weg, ter weerszijden met sorbeboomen beplant, die met hunne koraalvormige vruchten een liefelijk gezicht opleverden.
Vervolgens sloeg de kales een weg in, die door een dicht woud van pijnboomen voerde. Dat bosch strekte zich uit langs het »Paradijsdal,” een prachtig, golvend terrein, dat zich tot aan den verren gezichteinder trapsgewijze verhief.
Een menigte heuvels vertoonden zich aan het oog, prijkende met een villa of een gaard.
Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij voor het Noorder Hotel stil. Blz. 186.
Toen de avond begon te vallen, rolde het rijtuig de vlakte in, die de nabijheid der zee aanduidde, waarbij zij langs uitgestrekte weilanden en groote pachthoeven, met hunne rood geverfde huizen reden, die scherp tegen het donkergroen der boomen afstaken.
Eindelijk bereikten onze reizigers den fjord zelf, waaraan Christiania, de hoofdplaats des rijks gelegen is.
Die fjord is door schilderachtige heuvels omgeven, waarin eene menigte kreken en kleine havens door de natuur gevormd zijn, terwijl tot ver in de golf de houten piers uitsteken, waaraan de vaartuigen van de baai en de kleine stoombootjes komen aanleggen.
Het was ongeveer elf uur des avonds, en de laatste lichtstralen van de avondschemering waren reeds aan den horizon verdwenen, toen de ouderwetsche kales, niet zonder veel geraas de stad binnen en de reeds eenzame staten zoo vlug mogelijk doorreed.
Volgens de bevelen van professor Sylvius Hog hield zij voor het Noorder Hotel stil.
Daar stapten Hulda en Joël Hansen af. Er waren kamers voor hen besproken. Toen zij bezit genomen hadden van die vertrekken, zeide professor Sylvius Hog hen goedennacht en reed naar zijn oude woning, waar zijne oude dienstbode Kaatje en zijn nog oudere knecht Fink hem met ongeduld wachtten.
XVII.
CHRISTIANIA.
Christiania,—eene groote stad voor Noorwegen—zou slechts eene kleine plaats in Engeland of Frankrijk zijn.
Als zij niet veelvuldig door brand geteisterd was geworden, zou zij zich thans nog vertoonen, zooals zij gedurende de middeleeuwen gebouwd werd.
In haar tegenwoordige gedaante dagteekent zij eerst van het jaar 1624, op welk tijdstip zij door koning Christiaan IV, een der roemrijkste koningen van Denemarken, waarmede destijds Noorwegen en Zweden vereenigd waren, gesticht werd. Vroeger heette zij Opsölö, maar toen werd zij Christiania genoemd naar haren koninklijken stichter.
Christiania is eene stad, die ongeveer 125.000 inwoners telt, dus in grootte met het Nederlandsche 's Gravenhage gelijkstaat. Zij is zeer regelmatig gebouwd en heeft breede, rechte straten, die evenwel een ietwat stijf voorkomen hebben. Zij is op een hoogte van ruim 40 Meter aan den Christianiafjord opgetrokken, wordt door de Agger-Elf doorsneden, en bestaat uit de wijken: Peperoiken, Hammersborg, Vaterland, Groenland, Leret en Opsölö. Deze laatste is de oudste wijk en heeft dan ook als zoodanig den alouden naam behouden. Daar stond weleer het residentieslot der oude koningen van Noorwegen, dat door koning Harald Hardrade in het jaar 1060 gesticht werd.
In datzelfde Opsölö verheffen zich het paleis der voormalige bisschoppen, een armenhuis, een krankzinnigengesticht en een tuchthuis.
De huizen zijn van wit trachiet of rooden baksteen opgetrokken. In de oude stad komen negen straten in één middelpunt samen; en de breede Karl Johan's Gaade, die naar het fraaie, met een witten voorgevel versierde koninklijk paleis (Kongesbollig) voert, zou geen enkele Europeesche hoofdstad tot oneer verstrekken.
Het koninklijk paleis Oscarslot, een groot, vierkant gebouw, in Jonischen stijl, verrijst te midden van een groot park, dat zeer fraai aangelegd is.
Tot de merkwaardigste gebouwen behooren verder de Beurs, het Vergaderingspaleis en de Storthing (Vertegenwoordiging), het Regeeringsgebouw, de Schouwburg en de Dom.
Op het marktplein bevindt zich eene overdekte hal. Verder heeft men te Christiania: de universiteit Fredericia, welke 600 à 700 studenten telt, die door 30 hoogleeraren onderwezen worden. Daarbij heeft men een museum, een kabinet van natuurlijke historie, eene boekerij en eene sterrenwacht.
Hier en daar worden ook eenige kerken aangetroffen, die voor het uitwendige niets merkwaardigs aanbieden, terwijl hare kunstschatten van zoo weinig beteekenis zijn, dat zij de aandacht der godvruchtigen wel niet afleiden zullen.
Overigens vertoont Christiania niets bijzonders. Wat evenwel zonder voorbehoud moet bewonderd worden, is de ligging der stad te midden van een kring van bergen, die alle een verschillenden aanblik opleveren, en haar als met eene prachtige lijst omgeven. Bijna waterpas in hare nieuwe en rijke wijken, verheft zij zich tot eene soort van Kasbah in het armere gedeelte, dat met onregelmatig gebouwde woningen bedekt is, waarin eene schamele bevolking een nooddruftig bestaan vindt. Deze bewoont wel geen houten huizen meer, daar het bouwen met die grondstof verboden is, maar dan toch woningen van baksteen, waarvan de schrille kleuren het oog pijnlijk aandoen.
Dat woord Kasbah, ontleend aan de bouworde der Afrikaansche steden, moet den lezer niet doen denken, dat het bij de beschrijving eener Europeesche stad in het hooge noorden niet past. Vertoont Christiania in de nabijheid harer haven niet wijken als die van Tunis, van Marocco, van Algiers? En al ontmoet men er geen Tunesiërs, Maroccanen of Algerijnen, toch verschilt de vlottende bevolking niet veel van hen. Christiania is een schilderachtige stad, evenals alle plaatsen, die door de zee bespoeld worden, en zich tegen een achtergrond van groene heuvels verheffen. Men kan haren fjord met de baai van Napels vergelijken.
En inderdaad, die Christiania-fjord, de grootste zeeboezem in 't zuiden van Noorwegen, is omgeven door bevallige en zeer vruchtbare kusten, die tot de vier ambten van het baljuwschap Christiania behooren. De fjord strekt zich uit van het zuiden naar het noorden over een vollen breedtegraad, van Hvaloer (walvischeiland) ten oosten en Tjömö ten westen, tot aan Christiania, vanwaar hij langs het boschrijke en bergachtige schiereiland Näsodden loopt. In het zuidelijk gedeelte, heeft hij eene aanmerkelijke breedte (15 Ned. mijlen en meer). Daar liggen ook eenige eilanden. Nadat hij den Drammerfjord, 22 Ned. mijlen lang, noordwestwaarts heeft gezonden, vernauwt hij zich bij Dröbak, om vervolgens nabij de Noorweegsche hoofdplaats nogmaals een wijd bekken, een ware binnenzee, met talrijke eilanden te vormen. De scheepvaart op dezen boezem is zeer aanzienlijk en wordt door elf vuurtorens beveiligd.
Om tot Christiania terug te keeren, moet nog vermeld worden, dat met betrekking tot den handel de hoofdplaats van Noorwegen na Gothenburg, Drontheim en Bergen de belangrijkste stad des lands is. In de veilige en ruime haven, die echter drie of vier maanden van het jaar wegens het ijs ontoegankelijk is, liepen in den laatsten tijd jaarlijks 16 à 1700 schepen binnen, terwijl er ongeveer evenveel uitzeilden. Onder de uitvoerartikelen behooren in de eerste plaats hout, voorts lijnkoeken, metalen, huiden, enz. Is het ijs in het voorjaar in het achterste gedeelte van den fjord hinderlijk, dan nemen de schepen hunne lading bij Ringene in, eene kwartmijl van de stad, of anders bij Dröbak.
Ook de binnenlandsche handel van Christiania is aanzienlijk en strekt zich uit over de ambten Aggerhuus, Hedemarken en Christiansand, die te zamen omstreeks 350.000 inwoners tellen.
De omstreken van Christiania zijn schilderachtig. Boven het kalme bekken van den fjord, die in 't zuiden tusschen blauwe eilandjes verdwijnt, verheffen zich de kusten, getooid nu eens met bevallige buitenverblijven en pachthoeven, dan weer met altijd groene wouden, die ook hoogerop de bergtoppen kronen.
De voormalige vesting Aggerhuus, voorheen zich verheffende op een steil rotsgevaarte, is in 1815 gesloopt. Later werd er weer een vesting opgericht, die thans tot tuighuis dient. Oude linden, met breede kruinen, beveiligen de meeste woningen tegen de stralen der zon, en op een schiereiland tegenover de stad prijkt het nieuwe paleis Oscarhull. Heerlijk is vooral het vergezicht van den Egerberg ten oosten van Christiania. De stad met haren omtrek, hare wateren en eilanden gelijkt op een Italiaansch landschap en vormt de bekoorlijkste streek van Noord-Europa.
Het klimaat te Christiania is zeer gezond. Niet ver van die hoofdplaats, bij het meer Tyrifjord ligt het fraaie keteldal Rüigerige, waarin verscheidene meren zijn; terwijl ook Krochleven door beminnaars van natuurschoon druk bezocht wordt.
Na die uitweiding over Noorwegens hoofdplaats, kunnen wij ons verhaal hervatten.
Sylvius Hog was dus eindelijk te Christiania teruggekeerd. Die terugkomst geschiedde, wel is waar, onder omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien, en vóór het einde zijner reis.
Welnu, wat zou dat? Hij zou die reis een ander jaar vervolgen en haar dan ten einde brengen. Thans wilde hij zich alleen met Hulda en Joël Hansen bezighouden. Dat hij hen niet bij zich aan huis had laten afstappen, had daarin zijne oorzaak alleen, dat hij geen kamers gereed had om die jongelieden te huisvesten. Voorzeker zouden de oude Fink en de bejaarde Kaatje hen uitstekend ontvangen hebben! Maar er was geen tijd geweest, om iets in orde te maken. Daarom had professor Sylvius Hog hen naar het Noorder Hotel gebracht, waar hij hen bijzonder aanbevolen had. En men begrijpt dat eene aanbeveling van professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing, geen onbeduidende zaak was.
Maar, terwijl de professor zorgde en vergde, dat men dezelfde oplettendheden aan zijne beschermelingen als aan hem zelven zoude bewijzen, had hij toch de voorzorg gebruikt om hunne namen te verzwijgen.
Het incognito bewaren, vooreerst geheel onbekend blijven, scheen hem door de voorzichtigheid geboden, ten aanzien van Joël maar vooral ten opzichte van Hulda Hansen. Men weet aan welke geruchten en praatjes het arme meisje ter prooi was geweest.
Wanneer andermaal de algemeene nieuwsgierigheid op haar gevestigd werd, zou haar dat zeker hinderen, en zou dat niet medewerken, om haar verblijf te Christiania te veraangenamen.
Het was dus maar beter, dat niemand met hare aankomst in de hoofdstad bekend werd.
Men had met elkander afgesproken, dat Sylvius Hog den volgenden ochtend broeder en zuster niet vóór het ontbijt zou weerzien, dus niet vóór elf uren. Hij kon dus tusschen elf en twaalf verwacht worden.
De professor had inderdaad verscheidene zaken te regelen, die voorzeker den geheelen ochtend zouden vergen. Maar hij zou de jongelieden dadelijk gaan opzoeken, als hij daarmede klaar was. Hij zou hen dan niet meer verlaten, maar bij hen blijven, tot het oogenblik, dat die loterijtrekking zoude geschieden, welke tegen drie uren plaats moest hebben.
Toen Joël wakker was en zich gekleed had, ging hij zijne zuster Hulda opzoeken, die hem kant en klaar op hare kamer zat te wachten. Ten einde haar eenige afleiding te bezorgen, voor de droefgeestige gedachten, die haar brein vervulden, en welke dien dag nog menigvuldiger en bitterder dan anders waren, stelde hij haar voor eene wandeling te maken en die tot het uur van 't ontbijt uit te strekken. Hulda nam, om haren broeder te believen, dat voorstel aan, en beiden trokken op goed geluk—want geen hunner wist den weg—de stad in.
In tegenstelling met hetgeen in andere Noorsche steden op de zondagen geschiedt, waarop het aantal wandelaars zeer beperkt is, bewoog zich eene groote menigte door de straten der hoofdstad.
De stedelingen hadden niet alleen de stad niet verlaten, zooals zij des Zondags gewoon waren, om buiten verademing van hun arbeid en inspanning te zoeken; maar men zag ook de landlieden en de dorpelingen uit den omtrek naar de stad toestroomen. De spoorweg van het Mjösermeer, die het voornaamste middel van verkeer van Christiania met de omstreken vormt, had extra treinen moeten laten rijden, om de menigte naar de stad te vervoeren.
Wat was er toch gaande?
Voorzeker was er iets op til, dat de belangstelling van die menigte opwekte.
En inderdaad, dat was ook zoo. Al die van buiten komende, al die wandelende personen in de straten van Christiania waren evenveel nieuwsgierigen en vooral belangstellenden in de zoo populaire loterij ten voordeele van de scholen der hoofdstad.
Er drentelde dus, zooals gezegd is, een groote menigte door de straten van Christiania; geheele familiën zag men daar; zelfs de bevolking van geheele dorpen, allen gekomen met de geheime hoop, geene vergeefsche reis gemaakt te hebben.
Men moet niet vergeten, dat een vol millioen loterijbriefjes was geplaatst geworden. En al zou men slechts een of tweehonderd mark winnen, hoe tevreden over het lot zouden die brave lieden naar hunne nederige soeters of naar hunne bescheidene gaards terugkeeren!
En er was een prijs van honderd duizend mark, zonder de andere te rekenen, waaronder een van tien duizend, een van zes duizend, een paar van vijf duizend, en ettelijke van duizend mark waren!
Toen Joël en Hulda Hansen het Noorder Hotel verlaten hadden, daalden zij naar de kaden af, die zich rondom het oostelijk gedeelte der baai uitstrekten. Hier was niet zulk een toevloed van volk, tenzij men een blik wilde werpen in de herbergen,—in de vergunnings-kapelletjes, zou men in ons Nederland zeggen,—waar het bier en de brandewijn met volle glazen veroberd werden, om de dorstige kelen te laven.
Terwijl broeder en zuster zoo in de morgenuren wandelden langs de opeengestapelde vaten, de ontelbare kisten, van alle streken van den aardbol afkomstig, en langs de schepen, die aan de kaden vastgemeerd, of in de baai voor anker lagen, waren het vooral de vaartuigen, die in het bijzonder hunne aandacht boeiden.
Zou er onder al die bodems geen enkele zijn, die te Bergen tehuis behoorde, te Bergen, waar de arme Viken niet zou wederkeeren?
Dat was de vraag, die telkens in 't hoofd dier beide beminnelijke menschen opkwam.
»Ole!.... mijn arme Ole Kamp!....” prevelde Hulda Hansen, schier onhoorbaar zacht.
Maar Joël had die verzuchting gehoord. Het oor hoort scherp, wanneer het hen geldt, die men liefheeft.
Hij troonde zijne zuster dan ook mede, ver van de baai, ver van de haven, ver van die kaden. Hij geleidde haar naar de wijken der bovenstad.
Daar in die straten, op die pleinen drong uit de groepen, die zich allerwege gevormd hadden, maar evenals zij voortwandelden, menige uitdrukking tot hen door, welke hen aanging.
Zoo zeide de een:
»Ja, ik verzeker u, dat men reeds tienduizend mark voor dat nummer 9672 geboden heeft.”
»Tienduizend mark!.... Het mocht wat!....” hernam een ander.
»Ja, tienduizend mark!.... Gelooft gij mij niet?” vroeg de eerste ietwat gebelgd.
»Zeker!.... maar ik heb van twintigduizend mark hooren spreken, en zelfs van meer!”
»Twintigduizend mark?”
»En meer!”
»Het is een heele som, dat moet gij bekennen.”
»Ja, waarlijk eene heele som.”
»En geboden, waarvoor?”
»Voor een nummer, dat mijns inziens niet meer kans heeft dan elk ander.”
»Voor een dwaalbegrip!”
»Voor eene bijgeloovigheid!”
»Alsof de aanraking van de stervende hand van Ole Kamp dat loterijbriefje meer geluk zoude aanbrengen!”
»En toch heeft Van der Bilt....”
»Van der Bilt?”
»Ja, de rijke Van der Bilt van New-York dertigduizend mark geboden!”
»Is hij bezeten?”
»En de heeren Baring van Londen zijn tot veertigduizend mark gegaan!”
»Och, kom! Ongeloofelijk!”
»De heeren Rotschild van Parijs hebben zestigduizend mark geboden!”
»Zestigduizend mark voor een loterijbriefje. Het is waarlijk al te dwaas!”
»Het is niet dwaas!”
»Niet?”
»Neen! Denkt ge dan, dat die heeren niet weten, wat zij doen?”
»Die zijn slimmer dan wij!”
»Zoudt gij zestigduizend mark voor dat loterijbriefje geven?”
»Ik niet!”
»Ziet ge wel! Dus de heeren Rotschild zijn niet zoo slim als gij!”
»Oho! niet zoo boud! Als ik geen zestigduizend mark geef, dan beduidt dat eenvoudig dat ik ze niet heb.”
Men ziet het, ook in het hooge Noorden kan overdrijving heerschen, wanneer de hartstochten der menigte in beweging gebracht zijn. Als dat zoo voortging, dan voorwaar zouden de aanbiedingen voor dat nummer 9672, vóór het trekkingsuur het bedrag van het hoogste lot overschreden hebben.
Maar, al konden die nieuwtjes-uitkramers tot geen overeenkomst geraken omtrent de aanbiedingen, die aan Hulda Hansen gedaan waren, de menigte was het toch volmaakt eens in hare meening omtrent den woekeraar van Drammen.
»Wat een vervloekte fielt! die Sandgoïst!”
»Juist gezegd: een fielt! een schoft!”
»Geen medelijden met die brave bergbewoners te hebben! Het is schandelijk, niet waar?”
»O, die kerel is in het geheele Telemarksche bekend als de bonte hond!”
»Het is zijn eerste schelmstuk niet, weest daarvan verzekerd!”
»Hij heeft nog vele andere zonden op zijn kerfstok.”