Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen. Blz. 142.

Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen. Blz. 142.

Men zag het schip niet zonder aandoening in de krommingen van het vaarwater wenden en draaien, en daarna achter de laatste eilandjes van den fjord verdwijnen.

Bij dien tocht, dien hij het stoomschip Telegraaf opgedragen had, bepaalden zich de pogingen van professor Sylvius Hog niet.

Volgens hem kon veel meer gedaan worden. Andere schepen b. v. konden ook trachten een spoor van de Viken te ontdekken. Zou het niet mogelijk zijn een soort van edelen wedijver tusschen de handelsvaartuigen, de visschersschuiten, de joëgts of andere schepen in het leven te roepen. Wanneer die hunne hulp verleenden, terwijl zij in de omstreken van de Far-öer of van IJsland stevenden, zou er zeer veel gewonnen zijn. Ongetwijfeld! Een premie van twee duizend mark werd dan ook in naam van het gouvernement uitgeloofd aan ieder vaartuig, dat eenig bericht omtrent het vergane schip kon mededeelen en van vijf duizend mark aan hem, die een der schipbreukelingen in het vaderland terugbracht.

Zoo besteedde professor Sylvius Hog de beide dagen, die hij te Bergen doorbracht.

Hij deed alles wat mogelijk was, om die nasporingen te doen slagen, en hij werd daarbij behoorlijk door zijn vriend, den heer Help Junior, en ook door de verschillende autoriteiten gesteund.

De heer Help wenschte den professor nog eenigen tijd als gast bij zich te behouden. Maar deze bedankte beleefd nog langer in die stad te blijven. Hij verlangde om weer bij Hulda en Joël te zijn, daar hij reeds vreesde, hen te lang aan zich zelven overgelaten te hebben.

De heer Help Junior beloofde hem evenwel elk bericht omtrent de Viken dadelijk naar Dal te seinen.

De professor wilde in dat geval zelf de familie Hansen de tijding, hetzij goed of kwaad, mededeelen.

Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich, na afscheid van zijn vriend Help Junior genomen te hebben, op de Run in om den Hardanger fjord over te steken. Zoo hij geen tegenspoed had, hoopte hij op den avond van den 8sten in het Telemarksche terug te zijn.


XIV.

HET LOTERIJBRIEFJE AFGESTAAN.

Dienzelfden dag, waarop professor Sylvius Hog Bergen verlaten had, was eene gewichtige gebeurtenis in de herberg van Dal voorgevallen.

Nadat de professor vertrokken was, scheen het huis uitgestorven te zijn. Het was alsof die goede genius van Hulda en Joël Hansen met de laatste hoop ook al de levendigheid der familie had medegevoerd.

Het was, alsof hij bij zijn vertrek een sterfhuis achtergelaten had.

Daarenboven verscheen er gedurende die twee dagen geen enkele toerist te Dal. Dat was niet ongelukkig: want daardoor ontbrak aan Joël Hansen de gelegenheid om afwezig te zijn en kon hij bij zijne zuster Hulda blijven. Hij zou zich toch zeer angstig gevoeld hebben, als hij haar in de gegeven omstandigheden alleen had moeten laten.

En met recht. Want vrouw Hansen werd inderdaad al meer en meer beheerscht door hare geheime onrust. Zij scheen geheel en al vreemd te zijn geworden aan alles, wat hare kinderen betrof. Zij had zelfs geen gedachte meer voor de schipbreuk der Viken. Zij bleef geheele dagen in hare kamer en vertoonde zich alleen bij de maaltijden. En als zij dan het woord richtte, hetzij tot Hulda, hetzij tot Joël, was het slechts, om hen met direkte of indirecte verwijtingen te overstelpen, betreffende het loterijbriefje, dat zij tot geen prijs, hoe groot ook, wilden afstaan.

Hierbij moet vermeld worden, dat de aanbiedingen voor dat loterijbriefje niet opgehouden hadden. Van alle kanten, uit alle werelddeelen waren zij ingekomen. Het was, alsof een besmettelijke waanzin sommige breinen bevangen hadden. Het scheen wel dat op dit loterijbriefje het groote lot van honderdduizend mark moest vallen. Het was, alsof in die loterij slechts een enkel nummer bestond, en dat dit nummer het bekende 9672 was!

En inmiddels duurde de wedstrijd tusschen den Engelschman van Manchester en den Amerikaan van Boston steeds voort. De Engelschman was er in geslaagd het bod van den Amerikaan met eenige ponden te overtreffen. Maar op zijn beurt werd hij weer met eenige honderden dollars voorbijgestreefd. Het laatste bod bedroeg achtduizend mark. Men kon dit slechts aan eene soort van verstandsverbijstering toeschrijven, tenzij men in dien wedstrijd een nationale wedijver tusschen Amerika en Groot-Brittanje mocht willen zien. Maar hoe het ook zij, Hulda sloeg alle aanbiedingen, hoe voordeelig ook, van de hand, wat de bitterste verwijtingen van den kant harer moeder uitlokte.

»En als ik u nu eens gelastte dat loterijbriefje af te staan!” zeide zij op zekeren dag tegen hare dochter. »Ja, als ik u dat nu eens gelastte, wat zoudt gij dan doen?”

»Dat zult gij niet doen, moeder!” kreet het meisje, dat zich aan den twijfel, in die woorden heerschende, vastklemde. »Dat zult gij niet doen, moeder.”

»Maar, als ik het nu eens deed?”

»Dan zoudt gij mij wanhopig maken, moeder,” antwoordde Hulda, »want ik zou genoodzaakt zijn het te weigeren.”

»Het te weigeren, Hulda?”

»Helaas, ja, moeder!”

»En als het dan eens moest?”

»Wat zou ons kunnen dwingen, moeder?” vroeg Joël.

Vrouw Hansen antwoordde niet, maar zij was bleek geworden, toen haar die vraag zoo bepaald gesteld werd. Zij trok zich in hare kamer terug, terwijl zij bij het heengaan onverstaanbare woorden mompelde.

»Er is iets ernstigs aan de hand,” zei Joël tot zijne zuster.

»Dat vrees ik ook,” antwoordde deze.

»Het kan niets anders zijn dan die zaak met Sandgoïst.”

»Ja, broeder. Wij moeten op dreigende verwikkelingen voor de toekomst bedacht zijn.”

»Arme Hulda! worden wij door het leed, dat wij sedert een paar weken te dragen hebben, nog niet genoeg beproefd? Welke ramp dreigt ons nog?”

»O, wat blijft mijnheer Sylvius Hog lang weg!” zei Hulda. »Als hij zich hier bevindt, ben ik te moede, alsof ik minder wanhopig ben.”

»En toch....”

Joël aarzelde, om het vertrouwen zijner zuster te schokken.

»Maar wat?” vroeg zij. »Gij zeidet: en toch....”

»En toch, wat zou hij voor ons kunnen uitrichten?”

Ja, op die vraag was geen antwoord te geven.

Maar, wat bestond er toch in het verleden van vrouw Hansen, dat zij aan hare kinderen niet wilde, niet durfde toevertrouwen?

Was het kwalijk begrepen eigenliefde, die haar belette hen deelgenooten te maken van de oorzaak harer onrust?

Had zij zich zelve verwijtingen te doen?

En dan die dwang, die zij met betrekking tot het loterijbriefje op hare dochter poogde uit te oefenen? Dat briefje kwam toch van Ole Kamp, en die omstandigheid verleende er eene zoo groote waarde aan, dat zij het voor geen geld wilde afstaan.

Hoe kwam zij er toe, zoo begeerig te zijn dat geld machtig te worden?

Hulda en Joël zouden het weldra vernemen.

Op den 4den Juli had Joël des ochtends zijne zuster begeleid naar de kleine kapel, waar Hulda dagelijks heenging, om voor den rampzaligen schipbreukeling te bidden.

Hij bleef wachten gedurende dat gebed, om haar naar huis terug te brengen.

Dien dag bespeurden beiden op de wandeling naar huis in de verte onder de schaduw der boomen vrouw Hansen, die haastig voorstapte en zich naar de herberg begaf.

Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de Run in. Blz. 146.

Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de Run in. Blz. 146.

Zij was niet alleen. Een man begeleidde haar, een man, die heftig tot haar scheen te spreken en haar dreigde; althans, van verre gezien, waren zijne gebaren gebiedend.

Hulda en haar broeder waren eensklaps blijven staan.

»Wie kan die man zijn?” vroeg Joël.

»Ik weet het niet,” antwoordde Hulda.

Maar, bij het geven van dat antwoord, trad het jonge meisje eenige schreden vooruit.

»Ik herken hem,” zeide zij eensklaps.

»Herkent ge hem?”

»Ja.”

»Wie is het dan?”

»Wel, het is die Sandgoïst!”

»Sandgoïst van Drammen?”

»Ja!”

»Diezelfde kerel, die eens gedurende mijne afwezigheid te Dal is gekomen?....”

»Ja dezelfde!”

»En die zich als heer en meester aanstelde, alsof hij rechten kon doen gelden op moeder... op ons misschien?”

»Dezelfde, broeder!”

»Wat zou hij hier komen doen?”

»Ongetwijfeld zijne rechten komen opeischen.”

»Zijne rechten!.... Maar welke rechten?”

»Dat weet ik niet.”

»O, ditmaal zal en moet ik weten, wat die man in zijn schild voert, wat hij hier komt doen!”

»Bedaar, broeder, bedaar!”

Maar Joël had moeite om bedaard te blijven. Hij verborg zich evenwel met zijne zuster achter de boomen.

Eenige oogenblikken later bereikten vrouw Hansen en Sandgoïst de deur der herberg. Hij trad het eerst den drempel over en achter vrouw Hansen viel de deur dicht.

Beiden namen plaats in de groote zaal.

Toen naderden Joël en Hulda het huis, waarin de knorrige stem van Sandgoïst vernomen werd.

Zij bleven staan en luisterden.

Juist sprak vrouw Hansen, maar met eene smeekende stem.

»Kom, laat ons naar binnen gaan,” zei Joël.

En beiden, Hulda het hart vol weemoed, Joël bevende van ongeduld maar ook van toorn, traden de groote zaal binnen en sloten de deur zorgvuldig achter zich.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Hij stond niet op, toen hij broeder en zuster bemerkte. Hij vergenoegde zich met het hoofd naar hen toe te keeren en hen over zijn bril heen aan te gluren.

»Dat is de bekoorlijke Hulda, als ik mij niet bedrieg,” zei hij.

De toon zijner stem klonk Joël onaangemaan in de ooren.

Vrouw Hansen stond bij het binnenkomen harer kinderen in eene nederige houding, die bovendien getuigde van vrees, voor dien man. Zij richtte zich evenwel dadelijk op en scheen door hunne komst zeer gedwarsboomd te zijn.

»En dat is zeker haar broeder?” ging Sandgoïst voort.

»Ja, ik ben haar broeder,” zei Joël kortaf.

»Wat moet gij hier?” vroeg hij barsch, tot op twee passen van den leuningstoel genaderd.

Sandgoïst wierp hem een vertoornden blik toe en zonder op te staan, antwoordde hij met harde en boosaardig klinkende stem:

»Dat zal ik u mededeelen, jongmensch! Inderdaad, gij komt als geroepen. Ik was verlangend u te zien, en als uwe zuster een verstandig meisje is, zullen wij elkander wel verstaan en begrijpen. Maar komaan, ga zitten en gij ook, jonge dochter.”

Sandgoïst noodigde hen uit om plaats te nemen, alsof hij in die woning te Dal baas was. Joël kon niet nalaten er een woordje van te zeggen.

»He, he!” antwoordde Sandgoïst. »Hindert u dat? Drommels, ik geloof dat die jongen niet gemakkelijk is.”

»Neen, niet gemakkelijk, zooals gij zeer juist zegt,” hernam Joël. »Onthoud, dat ik iemand ben, die slechts beleefdheden aanneem van hen, die het recht hebben ze te bewijzen!”

»Joël,” riep vrouw Hansen uit.

»Broeder!.... broeder!” kreet Hulda, wier smeekende blik Joël tot zelfbeheersching aanmaande.

»Kan ik thans spreken?” vroeg Sandgoïst.

Vrouw Hansen keek hare kinderen even aan, daarna knikte zij toestemmend. Dat was het eenige antwoord, dat op de vraag gegeven werd. Maar, het scheen dat die knik voldoende was.

»Hoort dan wat ik u te zeggen heb,” ging de indringer voort, »en luistert alle drie aandachtig; want ik houd er niet van mijne woorden te herhalen!”

Dat alles werd gezegd op den toon van iemand, die het recht meent te hebben, zijnen wil aan zijne toehoorders op te dringen.

»Luistert gij?” vroeg hij.

Noch Joël, noch zijne zuster Hulda antwoordden. De moeder alleen knikte.

»Door de dagbladen,” ging Sandgoïst voort, »heb ik het wedervaren van een zekeren Ole Kamp, een jeugdig zeeman van Bergen vernomen, alsook die zotte geschiedenis van het loterijbriefje, dat hij aan zijne bruid Hulda toezond op het oogenblik toen de Viken zonk....”

Hulda opende den mond, alsof zij spreken wilde.

»Laat mij voortgaan,” zei de bullebak. »Ik heb ook vernomen, dat het publiek, dat wil zeggen de domme massa aan dat loterijbriefje eene bovennatuurlijke waarde hecht, die geput wordt uit de omstandigheden, waarin het gevonden en in uwe handen geraakt is....”

»Ter zake!... ter zake!....” riep Joël ontstuimig.

»Geduld! Geduld, jonge man!” ging Sandgoïst tartend langzaam voort. »Geduld!.... en hoor verder. Ik heb ook vernomen, dat aan dat loterijbriefje eene bijzondere waarde gehecht wordt met betrekking tot de kansen in de aanstaande trekking....”

»Ter zake!....” herhaalde Joël al meer en meer ongeduldig.

»Voor den drommel, houd uw mond! Wees gerust, ik kom ter zake.... Ik heb eindelijk vernomen, dat aanbiedingen aan Hulda Hansen, zelfs zeer hooge aanbiedingen gedaan zijn...”

Hij zweeg weer een poos, en hernam toen:

»Is dat waar?”

Het antwoord op die vraag liet zich wachten.

»Ja!.... Dat is waar,” zei Joël. »Wat verder?”

»Wat verder?....”

»Voor den duivel, ja, wat verder?”

»Luistert. Dat al die aanbiedingen op een dwazen grondslag steunen, is mijne innige overtuiging. Maar de geestdrift bestaat en zal nog aangroeien en dat te sterker, naarmate de trekkingsdag zal naderen. Zijt ge dat met mij eens of niet?....”

»Verder!.... verder!....” bromde Joël.

»Nu ben ik in de eerste plaats handelsman,” ging Sandgoïst voort. »Waar wat te verdienen valt, ben ik bij. Er bestaat geene zaak—geene! hoort ge—die ik niet voor mijne rekening zou durven nemen. Altijd, wel te verstaan, als er wat aan te verdienen valt....”

»Ga dan toch voort!” riep Joël. »Waartoe die omhaal van woorden?”

»Daarom,” vervolgde Sandgoïst tartend bedaard, »heb ik gisteren Drammen verlaten om mij naar Dal te begeven, met het doel, om met u over den afstand van dat loterijbriefje te onderhandelen en om vrouw Hansen te verzoeken mij de voorkeur boven alle mededingers te verleenen. Nu weet gij het!”

»Is dat alles?” vroeg Joël.

»Ja, dat is alles.”

Hulda was reeds op het punt aan Sandgoïst hetzelfde antwoord te geven, als op al de andere aanbiedingen van dien aard, hoewel het voorstel haar niet rechtstreeks gedaan was. Joël voorkwam haar evenwel.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.

»Voordat ik mijnheer Sandgoïst antwoord,” zeide hij, »moet ik hem vragen, of hij wel weet, wie dat besproken loterijbriefje toebehoort?”

»Aan Hulda Hansen, naar ik meen.”

»Welnu, dan zult gij ook aan Hulda Hansen de vraag moeten richten, of zij genegen is daarvan afstand te doen.”

»Mijn zoon!....” riep vrouw Hansen uit.

»Laat mij voortgaan, moeder,” hernam Joël. »Behoorde dat loterijbriefje niet wettig aan onzen neef, den stuurman Ole Kamp.”

»Voorzeker,” antwoordde Sandgoïst.

»En had Ole Kamp,” vervolgde de jonge man, »het recht om dat briefje aan zijne bruid te vermaken?”

»Onbetwistbaar!” antwoordde Sandgoïst andermaal.

»Dan moet gij u, ik herhaal het, tot Hulda Hansen met uw verzoek wenden.”

»Welnu, het zij zoo, vormelijke mijnheer,” hernam Sandgoïst. »Ik vraag derhalve aan Hulda Hansen, om mij het loterijbriefje, dat het nummer 9672 voert, en afkomstig is van den stuurman Ole Kamp, die schipbreuk heeft geleden, af te staan.”

»Mijnheer Sandgoïst,” antwoordde het jonge meisje bedaard en op vasten toon, »vele aanbiedingen zijn mij reeds voor dat loterijbriefje gedaan, maar steeds tevergeefs. Ik zal u dan ook antwoorden, zooals ik tot heden geantwoord heb. Toen mijn verloofde dat briefje met zijn laatst vaarwel aan mij richtte, was zijne bedoeling, dat ik het zou houden, niet dat ik het zou verkoopen. Veroorloof mij dus, u als mijn onwrikbaar besluit mede te deelen, dat ik dat loterijbriefje, tegen geen prijs hoe groot ook, wil en zal afstaan. Verstaat gij?”

Hulda was bij die laatste woorden van haar stoel opgestaan om het vertrek te verlaten. Zij meende dat, na hetgeen zij gezegd had, het onderhoud door hare weigering als geëindigd kon beschouwd worden. Op een wenk van hare moeder bleef zij evenwel.

Eene beweging van wrevelige teleurstelling was aan vrouw Hansen ontsnapt, terwijl de rimpels op het voorhoofd van Sandgoïst duidelijk toonden, dat het in zijn binnenste begon te koken.

»Ja, blijf, Hulda,” zei hij. »Dat is uw laatste woord niet, hoop ik. En als ik verder aandring, dan geschiedt dat.... omdat ik het recht meen te hebben dat te doen....”

»Wat?” riep Joël. »Het recht!....”

»Laat mijnheer spreken,” zei Hulda waardig.

»Ik denk ten naasten bij,” ging Sandgoïst onverstoorbaar voort, »dat ik mij niet duidelijk uitgedrukt heb, of dat gijlieden mij verkeerd verstaan hebt....”

»Dat is niet wel mogelijk!” viel Joël hem in de rede.

»Maar laat mijnheer toch vervolgen, broeder,” vermaande Hulda.

»Zeker is het,” hernam Sandgoïst, »dat de kansen van dat loterijbriefje niet vermeerderd zijn, doordat de hand van een schipbreukeling het in eene flesch gedaan heeft, die in zee geworpen en op het goede oogenblik opgevischt werd. Maar, met de menigte valt niet te redeneeren. Het staat vast, dat op dit oogenblik zeer veel personen verlangen eigenaar van dat loterijbriefje te worden...”

»Dat is mogelijk,” zei Hulda, »maar....”

»Op uwe beurt, zuster,” hernam Joël, »laat mijnheer uitspreken.”

»Er zijn u verscheidene aanbiedingen gedaan, er zullen u nog meer gedaan worden,” vervolgde Sandgoïst. »Ik herhaal, dat ik daarin eene handelstransactie zie, en het is dan ook eene handelstransactie, die ik u voorstel.”

»Gij zult eenige moeite hebben, mijnheer Sandgoïst,” antwoordde Joël op spotachtigen toon, »om met mijne zuster tot overeenstemming te geraken.”

»Waarom dat?”

»Omdat, terwijl gij van handelstransactiën spreekt, de geheele geschiedenis voor haar eene gevoelszaak is.”

»Dat klinkt alles heel mooi, jonge man!” antwoordde Sandgoïst, »maar als ik u de zaak zal uiteengezet hebben, zult gij inzien, dat de afstand van dat loterijbriefje niet alleen voor mij, maar ook voor haar eene voordeelige zaak is. En... ik voeg er bij...

»Wat?”

»Eene even voordeelige zaak voor vrouw Hansen, die er in het bijzonder in betrokken is.”

Hulda en Joël wisselden een blik met elkander, die zeggen wilde:

»Zouden wij thans vernemen, wat moeder ons tot heden verborgen heeft?”

»En,” hernam Sandgoïst.

»Wat hebt gij ons nog meer te zeggen?” vroeg Joël schier beangst.

»Ik zal er niet op staan, dat loterijbriefje over te nemen voor denzelfden prijs, dien het Ole Kamp gekost heeft. Neen!.... Te recht of ten onrechte, dwaas of verstandig, dat stukje papier vertegenwoordigt thans eene zekere handelswaarde.”

»O, mijnheer Sandgoïst!...” riep Hulda.

»Ik ben dan ook bereid,” ging hij voort, »om een zeker offer te brengen, ten einde er bezitter van te worden.”

»Men heeft u reeds gezegd,” antwoordde Joël, »dat Hulda aanbiedingen van de hand gewezen heeft, die alles te boven gaan, wat gij zoudt kunnen geven.”

»Zoo, waarlijk!” riep Sandgoïst uit. »Aanbiedingen, die te boven gaan, wat ik zou kunnen geven! Ei! Ei! Wat weet gij daarvan, mijn jonge vriend?”

»En al biedt ge ook schatten, mijne zuster weigert ze; en....”

»En, wat?....”

»En ik keur hare weigering goed!”

»Zoo, zoo!”

»Bevalt u dat niet?”

»Het mocht wat! Maar wij moeten duidelijk spreken. Met wien heb ik hier te doen?”

»Wat bedoelt gij met die vraag?”

»Heb ik met u of met Hulda Hansen, uwe zuster, te doen?”

»Met Hulda Hansen, natuurlijk, maar mijne zuster en ik denken in deze zaak eenstemmig. Als gij dat niet weet, mijnheer Sandgoïst, verneem het dan thans!”

Sandgoïst trok, zonder zich in het minst uit het veld te laten slaan, minachtend de schouders op.

Daarna hernam hij als iemand, die overtuigd is van de kracht zijner bewijsgronden:

»Toen ik van eene som sprak in ruil voor dat loterijbriefje, had ik moet zeggen, dat ik zulke voordeelige voorstellen te doen heb, dat Hulda die in het belang harer familie niet mag verwerpen.”

»Waarlijk?”

Hulda en Joël keken hunne moeder aan. Die stond daar, met neergeslagen blik, de armen over elkander, aan een marmeren beeld gelijk.

»En nu, mijn jongen,” ging Sandgoïst tergend voort, »laat mij u nu op mijne beurt zeggen, dat ik niet naar Dal gekomen ben, om uwe zuster te verzoeken mij dat loterijbriefje af te staan....”

»Niet?”

»Neen! Duizend duivels, neen!”

»Maar, wat vraagt gij dan?”

»Ik vraag niet!....”

»Niet?”

»Neen, ik eisch!.... ik wil!....”

»Wat durft ge zeggen!”

»Ja, ik eisch!.... ik wil dat loterijbriefje!”

»En welk recht hebt gij,” riep Joël Hansen vertoornd uit, »gij, die voor ons een vreemdeling zijt, zoo boud te spreken in het huis mijner moeder?”

»Het recht dat ieder man heeft,” antwoordde Sandgoïst, »om te spreken, wanneer hij verkiest en zooals hem behaagt, als hij zich in zijn eigen huis bevindt!”

»In zijn eigen huis, ellendeling!”

Joël, diep verontwaardigd, trad driftig op Sandgoïst toe, die, hoewel niet licht bevreesd te maken, toch uit den leuningstoel opgesprongen was en daarachter een schuilplaats gezocht had. Maar Hulda hield haren broeder tegen; terwijl vrouw Hansen, het gelaat in de handen verborgen, naar het andere einde van de zaal geweken was.

»Broeder Joël....” zei het jonge meisje. »Broeder, zie eens!”

Joël bleef plotseling staan. Een blik op zijne moeder had zijne woede als het ware verlamd.

Alles, haar snikken, haar wegkruipen, hare geheele houding in één woord duidde aan, hoezeer vrouw Hansen zich in de macht van dien ellendeling gevoelde.

Toen deze Joëls aarzeling ontwaarde, ging hij weer onbeschaamd in den leuningstoel zitten.

»Ja, in zijn eigen huis!” riep hij nog dreigender uit.

»Pas op!” prevelde Joël. »Terg mij niet!”

»Sedert den dood van haren man heeft vrouw Hansen zeer gevaarlijke speculatiën gewaagd, die alle mislukt zijn. Zij heeft daardoor het kleine vermogen, dat uw vader bij zijn dood nagelaten heeft, verloren. Toen heeft ze bij een bankier te Christiania geld gaan leenen, om haren hartstocht bot te vieren. Er rustte geen zegen op hare pogingen. Toen zij geen kans meer zag op een andere wijze aan geld te komen, bood zij dit huis tot onderpand voor eene som van vijftien duizend mark aan, die haar tegen een deugdelijk schuldbewijs uitbetaald werden. Dat schuldbewijs heb ik, Sandgoïst, van haren geldschieter overgenomen. Dit huis zal dus het mijne zijn en dat nog wel binnen zeer korten tijd, als ik op den vervaldag niet betaald word.”

»En wanneer is die vervaldag?” vroeg Joël.

»Op den 20sten Juli, dus over achttien dagen,” antwoordde Sandgoïst. »En dien dag, of u dat al dan niet zal aanstaan, zal ik hier te huis zijn!”

»Op dien dag zult gij hier eerst te huis wezen, wanneer gij vóór dien tijd niet afbetaald zult zijn!” riep Joël in de hevigste gemoedsbeweging uit. »Ik verbied u te spreken, zooals gij in tegenwoordigheid van mijne moeder en zuster deedt!”

»Hij verbiedt mij!....” grijnsde Sandgoïst tartend. »En zijne moeder verbiedt die mij ook?....”

»Maar spreek dan toch, moeder!” zei Joël, die op vrouw Hansen toetrad en hare handen van haar gelaat poogde te verwijderen.

»Joël!.... broeder!....” riep Hulda. »Heb toch medelijden met haar.... ik smeek u.... wees toch kalm!”

Vrouw Hansen stond daar nog altijd met gebogen hoofd. Zij durfde haren zoon niet aanzien.

Het was maar al te waar, dat zij eenige jaren na den dood van haren echtgenoot het gewaagd had, haar vermogen door zeer gevaarlijke speculatiën te vermeerderen. Het weinige geld, waarover zij beschikken kon, was spoedig verdwenen. Weldra had zij hare toevlucht moeten nemen tot verderfelijke leeningen. En eindelijk was zij er toe gekomen eene schuldbekentenis te onderteekenen, waarbij haar huis tot onderpand diende. En dat schuldbewijs was thans in handen van dien Sandgoïst van Drammen gekomen.

Die Sandgoïst was een man zonder hart, een bekende woekeraar, die door het geheele land berucht was en door iedereen verfoeid werd.

Vrouw Hansen had hem slechts eenmaal in haar leven gezien, namelijk den dag, toen hij naar Dal gekomen was, om de waarde der herberg te schatten.

Dat was dus het geheim, hetwelk zoo zwaar op die arme vrouw gedrukt had!

Daarin lag dus de reden harer eenzelvigheid, harer geheimhouding, harer afzondering, alsof zij zich voor hare kinderen had willen verbergen!

Daarom eindelijk had zij nimmer over hare zaken willen spreken met hen, wier toekomst zij zoo lichtzinnig in de waagschaal gesteld had!

Hulda durfde nauwelijks hare gedachten laten gaan over hetgeen zij gehoord had.

Ja, die Sandgoïst had wel de macht om zijn wil op te dringen.

Dat loterijbriefje, hetwelk hij heden wilde bezitten zou over veertien dagen geene waarde meer hebben, en.... wanneer zij het hem niet afstond, dan zou dat de ondergang harer familie zijn. Gaf zij niet toe, dan werd het huis, de aloude herberg van Dal verkocht. Dan zou de familie Hansen zonder huisvesting, zonder hulpmiddelen zijn.... Dat was dan de armoede en de ellende in alle hare naakte verschrikkelijkheid.

Hulda durfde Joël niet aanzien.

Maar, de jonge man, door drift vervoerd, wilde niets hooren van de dreigende toekomst. Hij zag slechts Sandgoïst voor zich, en als die man zich nog langer zou verstouten, om eene taal te voeren, zooals hij daar straks in zijne tegenwoordigheid had doen hooren, dan zou hij, de zoon der verdrukte weduwe, zijn toorn niet meer kunnen onderdrukken....

Sandgoïst evenwel, begrijpende dat hij meester van den toestand en dus van het geheele terrein was, werd hoe langer hoe meer verhard, terwijl zijn taal nog onbeschofter klonk.

»Ik wil dat loterijbriefje hebben, en ik zal het hebben! Hoort ge?” riep hij uit. »In ruil daarvoor bied ik een prijs, die wel aanneembaar zal zijn. Ik zal namelijk den vervaldag van den schuldbrief, door vrouw Hansen onderteekend, verschuiven, al was het voor een jaar.... al was het voor twee jaren! Het is mij om het even. Dat Hulda slechts den datum bepale!”

Het arme meisje stond daar met beklemd hart en zou geen enkel woord hebben kunnen uitbrengen. Haar broeder antwoordde evenwel in hare plaats:

»Mijne zuster wil het briefje van Ole Kamp niet verkoopen. In weerwil van uw opdringen en bedreigen weigert zij uw aanbod. Hebt ge verstaan?”

»Ja, zeker. Dat was duidelijk genoeg!”

»Welnu, maak dan dat ge de deur uitkomt!”

»De deur uit?” riep Sandgoïst verbaasd uit.

»Zeker, de deur uit!”

»De deur uit!”

»En spoedig ook, als gij niet wilt, dat ik u op minder aangename wijze een handje help!”

»De deur uit! Welnu, neen! Ik ga niet. Ik lach om uwe bedreigingen.”

»Pas op, Sandgoïst!”

»Tu, tu, tu,” antwoordde deze. »Als het bod niet hoog genoeg is, zal ik er wat bij doen. Ja, als gij mij dat loterijbriefje afstaat, bied ik u.... bied ik u....”

De man stotterde van opgewondenheid, waarlijk het verlangen om dat loterijbriefje te bezitten, moest wel groot zijn, hij moest wel degelijk overtuigd zijn, dat het hem winst zou opbrengen, dat hij zich zoover liet vervoeren. Hij ging bij de tafel zitten, waarop zich papier, pen en inkt bevonden, krabbelde een poos, en zei toen:

»Ziedaar wat ik bied!”

Het was de volle quitantie voor de som, die vrouw Hansen indertijd geleend had, en waarvoor zij het huis te Dal zoo onvoorzichtig verpand had.

Vrouw Hansen vouwde de handen samen, boog het hoofd diep ter aarde en keek hare dochter Hulda smeekend aan. Maar deze aarzelde en wist niet waartoe te besluiten.

»En nu,” riep Sandgoïst uit, »dat loterijbriefje, waar is het? Ik wil het hebben! Ha, ik wil..... het heden nog hebben... wat zeg ik? heden.... neen, dadelijk... Ik verlaat Dal niet zonder.... Hulda.... hoort ge?.... ik wil het hebben en zal het hebben!”

Sandgoïst naderde het arme meisje, alsof hij haar kleederen onderzoeken, alsof hij haar betasten wilde, om haar het loterijbriefje van Ole Kamp te ontrukken....

Dat was meer dan Joël in de gegeven omstandigheden verdragen kon, vooral toen hij zijne zuster Hulda hoorde roepen: »Joël!... Broeder!....”

»Zult gij het huis verlaten?” vroeg hij knarsetandende.

En toen Sandgoïst hardnekkig weigerde heen te gaan, zou hij hem zeker bij den kraag gepakt hebben, om hem buiten de deur te zetten, toen Hulda tusschenbeide trad.

»Hier, moeder, is het loterijbriefje!” zei ze.

Vrouw Hansen greep gretig het briefje, en terwijl zij het overhaast tegen de quitantie van Sandgoïst verruilde, viel Hulda schier in zwijm op den leuningstoel neer.

»Hulda!.... Hulda....” riep Joël uit. »Zuster! Sla toch uw oogen op.... O God! wat hebt gij gedaan?”

»Wat zij gedaan heeft?” antwoordde vrouw Hansen vrij heftig. »Wat zij gedaan heeft?.... Ja, zeker, ik ben zeer schuldig, dat beken ik! In het belang mijner kinderen heb ik het goed, hun door hun vader nagelaten, trachten te vermeerderen! Daarvoor heb ik hun geheele toekomst op het spel gezet! Ik heb ellende over dit huis gebracht!.... Maar Hulda heeft ons allen gered!.... Ziedaar, wat zij gedaan heeft!.... Zoudt gij haar dat willen verwijten?.... Neen, neen, dat mag niet.... Ik zeg haar daarvoor dank!.... Heb dank, Hulda, heb dank!....”

En de moeder wierp zich snikkende in de armen harer dochter, die haar in weerwil harer droefheid de handen met kinderlijke liefde kuste.

Sandgoïst keek dat tooneel met de grootste kalmte aan. Hij grinnikte van genoegen en betastte slechts zijn loterijbriefje met innig welgevallen.

Toen Joël, een oogenblik door de woorden zijner moeder afgeleid, hem nog ontwaarde, riep hij woedend uit:

»Gij... nog hier!... De deur uit, ellendeling!”

En toen deze volstrekt geen haast maakte, stapte hij op hem toe, greep hem bij de schouders, tilde hem op en wierp hem in weerwil van zijn tegenspartelen en van zijn geschreeuw, hardhandig de deur uit.

Dat had een kwartier vroeger moeten geschieden.


XV.

SYLVIUS HOG IN TWEESTRIJD.

Daags daarna keerde professor Sylvius Hog in het late avonduur te Dal terug.

Maar Hulda hield haar broeder tegen. Blz. 157.

Maar Hulda hield haar broeder tegen. Blz. 157.

Hij vertelde aan niemand iets van zijne reis, en niemand wist ook dat hij naar Bergen geweest was.

Zoolang de begonnen nasporingen tot geen resultaat geleid hadden, wilde hij ze voor de familie Hansen geheim houden. Brieven of telegrammen, hetzij van Bergen, hetzij van Christiania hem toegezonden, moesten hem dan ook persoonlijk in de herberg van Dal ter hand gesteld worden, waar hij de dingen, die komen zouden, wilde afwachten.

Hoopte hij steeds?

Ja zeker! maar waarheid is 't, dat die hoop geen enkelen redelijken grondslag bezat, en dat zij slechts als voorgevoel—zeker iets zeldzaams bij een professor—in zijn hart aanwezig was.

Zoodra hij terug was, kostte het Sylvius Hog niet veel moeite, om te bespeuren, dat er gedurende zijne afwezigheid gewichtige dingen voorgevallen waren. Zoowel Joëls uiterlijk als dat van Hulda gaven te kennen, dat het tusschen moeder en kinderen tot eene verklaring gekomen was.

Zou de familie Hansen weer een ongeluk getroffen hebben?

Die gedachte alleen bedroefde en verontrustte Sylvius Hog reeds. Hij gevoelde voor dien broeder en die zuster zulk eene innige, vaderlijke toegenegenheid, dat zij hem niet dierbaarder hadden kunnen zijn, als zij zijne eigen kinderen geweest waren!

Hoezeer had hij hen gedurende zijne korte afwezigheid gemist!—en hoezeer hadden zij waarschijnlijk naar hem verlangd!

»Zij zullen wel aan het praten geraken,” mompelde hij in zich zelven. »Zij moeten mij alles meedeelen! Behoor ik dan niet inderdaad tot de familie?”

Ja, Sylvius Hog meende het recht te bezitten, om te weten wat er in het hart zijner jeugdige vrienden omging, waarom Joël en Hulda Hansen er ongelukkiger uitzagen dan voor zijn vertrek naar Bergen.

Hij zou het weldra vernemen.

Waarlijk de beide jongelieden wenschten niets liever dan den waardigen man, dien zij met kinderlijke genegenheid beminden, in den arm te nemen en hun vertrouwen te schenken. Maar schuchter wachtten zij het oogenblik af dat hij hen zoude ondervragen.

Zij hadden zich sedert twee dagen zoo verlaten gevoeld, vooral omdat de professor hun niet medegedeeld had, waarheen hij reisde!

Nimmer hadden hun de uren zoolang toegeschenen!

Voor hen kon die afwezigheid geen betrekking op nasporingen naar de Viken hebben, en het kwam niet bij hen op, dat Sylvius Hog het doel van die reis voor hen geheim hield, om hun eene latere teleurstelling, wanneer de pogingen mislukten, te besparen.

En nu... nu... hoe zoude thans zijne tegenwoordigheid gewaardeerd worden, hoe dierbaar zou zij hun zijn!

O, zij hadden zoo groote behoefte, om zich onder zijne bescherming te stellen, om zijne raadgevingen in te winnen, om zijne steeds hartelijke en geruststellende stem te vernemen!

Maar zouden zij hem alles durven mededeelen wat tusschen hen en den woekeraar van Drammen voorgevallen was? Zouden zij durven belijden, op welke onverantwoordelijke wijze vrouw Hansen, hunne moeder toch, met hunne belangen, met hunne toekomst omgesprongen had?

Wat zal Sylvius Hog gaan denken, als hij vernemen zal, dat het loterijbriefje van Ole Kamp zich niet meer in handen van Hulda bevindt?

Wat, wanneer hij vernemen zal, dat vrouw Hansen het gebruikt heeft, om eene schuldbekentenis bij haren onverbiddelijken schuldeischer in te lossen?

De arme kinderen aarzelden. Toch zou de professor alles vernemen.

Wie geraakte het eerst aan het praten? Had Sylvius Hog de mededeeling uitgelokt? Of hadden Joël of Hulda het eerst den mond geopend, om de reeks van gebeurtenissen te beginnen? Wie zou het met volkomen zekerheid weten te zeggen? Zooveel is onbetwistbaar, dat de professor weldra op de hoogte van den stand van zaken was. Hij wist nu in welke verlegenheid vrouw Hansen en hare beide kinderen verkeerd hadden! Over veertien dagen zou de onmeedoogende woekeraar de ongelukkigen uit de herberg van Dal verjaagd hebben, als de schuld niet door den afstand van het loterijbriefje ware gedelgd geworden.

Sylvius Hog had dat treurige verhaal, dat hem door Joël Hansen in tegenwoordigheid zijner zuster Hulda gedaan was, nauwlettend aangehoord:

»Gij hadt dat loterijbriefje niet uit uwe handen moeten geven!” riep hij in de eerste opwelling zijner verontwaardiging uit: »Neen, dat hadt gij niet moeten doen!”

»Maar,.... kon ik dat weigeren, mijnheer Sylvius?” vroeg het jonge meisje met diep bewogen stem. »Zeg kon ik dat?”

De professor scheen na te denken, hij antwoordde althans niet terstond.

»Geloof mij, mijnheer Sylvius, dat kon, dat mocht ik niet,” ging Hulda voort.

»Gij hebt gelijk!.... Neen, dat mocht gij niet!.... Dat begrijp ik maar al te goed!.... En toch!....”

»Wat wilt gij zeggen?”

»Niets! Niets!.... O, als ik hier was geweest!”

Wat zou de waardige professor wel gedaan hebben, als hij aanwezig was geweest? Dat verzweeg hij voorzichtig; hij hernam met koortsachtige haast:

»Ja, waarde Hulda, ja Joël! Alles wel beschouwd, hebt gij gedaan, wat gij doen moest, hebt gij uwen plicht gedaan! Maar wat mij woedend maakt, is, dat het die inhalige Sandgoïst zal zijn, die met de bijgeloovige opgewondenheid van het publiek zijn voordeel zal doen! Nu men aan dat loterijbriefje van den armen Ole Kamp eene bovennatuurlijke waarde hecht, zal hij die gaan exploiteeren!”

»Natuurlijk,” zei Joël, »tenzij hij het briefje voor zich wenscht te behouden.”

»En toch,” ging de professor voort, »is het dwaas, ja belachelijk, te gelooven, dat dit nummer 9672 noodzakelijk door het lot begunstigd zal worden.”

»Maar, wat zoudt gij gedaan hebben, mijnheer Sylvius?” vroeg Hulda vertrouwelijk.

»Ik zou waarschijnlijk geweigerd hebben dat loterijbriefje af te staan.”

»Ook onder dezelfde omstandigheden?” vroeg Hulda dringend.

»Ja, ook onder dezelfde omstandigheden!” antwoordde Sylvius Hog. »Toen gij, lieve Hulda, geweigerd hadt, dat loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan, had gij het niet aan uwe moeder moeten geven.”

De jongelieden wisten niet wat te antwoorden.

Toen zij het loterijbriefje aan hare moeder overreikte, gehoorzaamde Hulda aan een innerlijk gevoel, dat men niet kon afkeuren. Het offer, dat zij gebracht had, was niet het offer van de min of meer onzekere of liever wisselvallige kansen, die dat briefje bij de trekking der loterij te Christiania zoude aanbieden; neen, zij had het offer van den geschreven laatsten wil van Ole Kamp gebracht; zij had van de laatste herinnering aan haren bruidegom, van het laatste stuk, dat hij aangeraakt had, afstand gedaan.

Maar wat er thans aan te doen? Gedane zaken hebben geen keer in dit ondermaansche. Sandgoïst was bezitter van het bewuste loterijbriefje. Daarop kon niet meer teruggekomen worden. Het behoorde hem toe; hij zou het den meestbiedende verkoopen; de woekeraar zou munt slaan uit dat hartroerend afscheid door den schipbreukeling aan zijne bruid gericht!

Sylvius Hog kon er geen vrede mee hebben!

Dienzelfden dag zocht de professor een onderhoud met vrouw Hansen, hoewel hij vooruit wist, dat het geen verandering in den staat van zaken zou kunnen brengen. Maar hij oordeelde dit onderhoud noodzakelijk. Hij bespeurde daarbij al ras, dat hij zich tegenover eene zeer practische vrouw bevond, die meer naar de eischen van het gezond verstand dan naar de ingevingen van het hart luisterde.

»Gij keurt dus af, wat ik gedaan heb, mijnheer Hog?” vroeg zij, nadat zij den professor had laten uitspreken.

»Zeker, vrouw Hansen.”

»Als gij mij verwijt, dat ik mij op de onvoorzichtigste wijze in gevaarlijke, ja slechte zaken gestoken heb, dat ik daardoor het vermogen mijner kinderen verkwist heb, dan voorzeker hebt gij gelijk; maar....”

Sylvius Hog wilde haar hier in de rede vallen.

»Laat mij voortgaan, mijnheer,” sprak zij bedaard.... »maar als gij mocht afkeuren, dat ik gepoogd heb mijn schuldbewijs terug te krijgen op de u bekende wijze, dan hebt gij het niet bij het rechte eind—wat hebt gij daarop te antwoorden?”

»Eerlijk bekend; niets, vrouw Hansen.”

»Kon het bod van Sandgoïst ernstig van de hand gewezen worden, die toch, alles goed en wel beschouwd, een prijs van vijftienduizend mark betaald heeft voor den afstand van een loterijbriefje, welks waarde geen enkelen redelijken grond heeft. Ik vraag het u andermaal: moest dat bod geweigerd worden?”

»Ja en neen, vrouw Hansen.”

»Het antwoord op mijne vraag kan niet ja en neen zijn. Het moet of ja of neen zijn. En volgens mij moet het bepaald neen luiden. Bij een anderen stand van zaken, als de toekomst zich niet zoo dreigend had laten aanzien,—wat door mijne schuld, helaas! niet het geval was—zou ik de weigering mijner dochter Hulda begrepen hebben!.... Ja.... ik zou begrepen hebben, dat zij het van Ole Kamp ontvangen loterijbriefje, tegen geen prijs, hoe groot ook, van de hand wilde doen....”

»Zeker....”

»Maar, nu wij gevaar liepen om binnen zeer korten tijd uit het huis gezet te worden, waarin mijn echtgenoot, de vader mijner kinderen, gestorven is, uit het huis, waarin die kinderen geboren zijn, neen, nu begreep ik die weigering niet en.... ik ga een stap verder; nu vond ik, dat aarzeling zelfs ongeoorloofd was. En ik ben er verzekerd van, Mijnheer Hog, dat gij niet anders zoudt gehandeld hebben!”

»Zeker, vrouw Hansen, zeker, zou ik anders gehandeld hebben!”

»Maar, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”

»Ik zou eerder alles gepoogd, alles ondernomen hebben, dan dat ik dat loterijbriefje, hetwelk mijne dochter onder zoo bijzondere en buitengewone omstandigheden ontvangen had, afgestaan zou hebben.”

»Gaven die bijzondere en buitengewone omstandigheden dan een grootere waarde aan dat loterijbriefje?”

»Dat weet gij noch ik. Dat weet niemand te zeggen.”

»Nu, dat weet ik wel te zeggen, mijnheer Hog.

»Laat hooren, vrouw Hansen,” zei professor Sylvius Hog met een goedaardigen, doch wel ietwat spotachtigen glimlach.

»Dat loterijbriefje mijnheer Hog, vertegenwoordigt slechts een nummer, dat negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig kansen heeft om een niet of een kleine prijs te geven.”

»Ja, maar.... Luister dan toch!”

»Zoudt gij dat loterijbriefje nu meer waarde gaan toekennen,” ging vrouw Hansen onverstoorbaar voort, »omdat het in eene flesch gevonden werd, die in zee opgevischt is?”

Is het te verwonderen, dat professor Sylvius Hog niet dadelijk met een antwoord klaar was? Hij vond er dan ook niets anders op dan de gevoelszijde van het vraagstuk te behandelen. »De toestand is thans deze,” zei hij. »Ole Kamp heeft, toen hij op het punt was om schipbreuk te lijden, het eenige wat hij in deze wereld bezat, aan Hulda vermaakt. Hij heeft haar zelfs aanbevolen, om op den trekkingsdag bij het uitloten met dat briefje tegenwoordig te zijn; als namelijk een gelukkig toeval het haar in handen speelde. En.... thans bevindt zich dat loterijbriefje niet meer in het bezit van Hulda.... Hoe zal zij nu aan dien uitersten wil eens stervenden kunnen voldoen?”

»Wanneer Ole Kamp teruggekeerd was van zijne zeereis,” antwoordde vrouw Hansen, »zou hij in de gegeven omstandigheden, niet geaarzeld hebben, om zijn loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan.”

»Dat is zeer goed mogelijk,” hernam Sylvius Hog, »maar hij alleen was rechtens bevoegd die wijziging in zijne wilsbeschikking te maken.”

»Tu, tu, tu! Hij is dood!”

»Maar, als hij eens niet dood was? Als hij nu eens niet bij die schipbreuk omgekomen was? De mogelijkheid bestaat toch, niet waar? En, wat zoudt gij ter uwer verdediging kunnen bijbrengen, wanneer Ole Kamp eens terugkwam.... morgen.... vandaag misschien?....”

»Ole Kamp zal niet terugkeeren,” antwoordde vrouw Hansen met doffe stem. »Ole Kamp is dood, mijnheer Hog! God zij zijner ziel genadig! Hij is goed en wel dood!”

»Daar weet gij niets van, vrouw Hansen!” riep de professor met een nadruk uit, die eene waarlijk buitengewone overtuiging te kennen gaf.

Vrouw Hansen keek hem met ontzetting aan; maar zij waagde het niet een enkel woord in het midden te brengen.

»Zeer ernstige nasporingen zijn thans begonnen,” ging professor Sylvius Hog voort, »om te onderzoeken of de een of ander van die schipbreuk gered is. Die nasporingen kunnen met welslagen bekroond worden....”

De waardin van de herberg te Dal glimlachte ongeloovig.

»Ik zeg u,” zei de professor met overtuiging, »dat die nasporingen met welslagen kunnen bekroond worden, en.... dat nog wel vóór den trekkingsdag der loterij! Gij hebt dus het recht niet te verzekeren, dat Ole Kamp dood is, althans zoolang niet het werkelijk of vermoedelijk bewijs geleverd is, dat onze stuurman bij de ramp van de Viken omgekomen is.”

»Maar, waarom hebt gij uwe overtuiging niet aan mijne kinderen meegedeeld?” vroeg vrouw Hansen vrij sluw.

»Waarom?.... Wel, omdat ik hen geen hoop wil doen koesteren, die door bittere teleurstelling zoude kunnen gevolgd worden. Uwe kinderen hebben meer dan genoeg geleden! Maar, aan u, vrouw Hansen, deel ik mee wat ik denk. Dat Ole Kamp dood zoude zijn, neen! dat kan ik niet gelooven; dat wil ik niet gelooven!.... Neen! dat geloof ik niet!”

Op dat terrein, waarop de professor de quaestie heel handig verplaatst had, kon hem vrouw Hansen onmogelijk het hoofd bieden. Zij zweeg dan ook wijselijk. Daarenboven was zij als echte Noorweegsche, wel ietwat bijgeloovig, en angstig boog zij het hoofd, alsof Ole Kamp op het punt was vóór haar te verschijnen.

»In ieder geval, vrouw Hansen,” hernam Sylvius Hog, »hadt gij, alvorens over het loterijbriefje van Hulda te beschikken, eene zeer eenvoudige zaak moeten doen, die gij nu nagelaten hebt.”

»Wat dan, mijnheer Hog?”

»Gij hadt u eerst tot uwe vrienden moeten wenden, tot de vrienden van uwe familie!”

»Wat zou dat gegeven hebben?”

»Zij zouden niet geaarzeld hebben u te hulp te komen, hetzij door bij dien Sandgoïst borg voor de betaling te blijven, hetzij door u de noodige fondsen voor te schieten, om die schuldbekentenis af te lossen.”

»Ik bezit geene vrienden, mijnheer Hog,” antwoordde vrouw Hansen teneergeslagen, »aan wie ik zoo'n dienst had kunnen of durven vragen.”

»Die bezit gij wel!”

»Daar twijfel ik aan!”

»Gij hebt er ten minste een, die niet geaarzeld en het uit dankbaarheid jegens uwe familie met genoegen gedaan zoude hebben.”

»Wie is dat, als ik u bidden mag?”

»Wie dat is?”

»Ja, wie is dat. Ik verlang hem te kennen.”

»Welnu, ik zal hem u noemen. Dat is professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing!”

Vrouw Hansen was zeer bewogen en daardoor niet in staat om te antwoorden. Zij kon niets anders doen dan het hoofd diep voor den professor buigen.

»Maar, wat gedaan is, is gedaan,” vervolgde Sylvius Hog, »en daaraan valt ongelukkig niets te veranderen. Laten wij ons gesprek dus afbreken. Maar ik zal u zeer verplicht zijn, vrouw Hansen,—gij zult bovendien begrijpen, dat mijn verzoek in het belang uwer kinderen geschiedt,—als gij dit onderhoud, waarop ik niet meer terugkomen wil, voor Hulda en Joël geheim zult houden.

Beiden verlieten elkander.

De professor ging inmiddels zijn gewonen gang en deed dagelijks een flinke wandeling. Uren lang kuierde hij, nu eens met Joël, dan weer met Hulda, een anderen keer met beiden te zamen, in de omstreken van Dal rond. Was evenwel het jonge meisje van de partij, dan strekte men die wandelingen niet te ver uit, om haar niet te vermoeien.

In de herberg teruggekomen, hield hij zich dadelijk met zijn briefwisseling bezig. Hij schreef brief op brief naar Bergen en Christiania. Hij spoorde den ijver aan van allen, die medewerkten bij de nasporingen naar de Viken. Zijn geheele bestaan loste zich in die eene gedachte op:

»Ole Kamp moet weergevonden worden! Ole Kamp moet weergevonden worden!”

Hij achtte het zelfs noodig weer op reis te gaan, ongetwijfeld voor een doel, dat in nauw verband met die nasporingen stond, die van zooveel belang voor de familie Hansen waren. Maar, ouder gewoonte bewaarde hij een diep en onverbreekbaar stilzwijgen over hetgeen hij deed, en over hetgeen hij liet verrichten.

De geschokte gezondheid van Hulda Hansen herstelde langzaam. Het arme meisje leefde slechts in en door de herinnering aan Ole Kamp; terwijl de hoop, die, in weerwil van alles, haar nog niet geheel had begeven, van dag tot dag flauwer werd.

En toch had zij thans de twee wezens bij zich, die zij het meest liefhad op aarde, en waarvan de een niet ophield haar te troosten, op te beuren en aan te moedigen. Maar kon dat haar genoeg zijn?

Zou het niet noodig geweest zijn haar verstrooiing te verschaffen, wat het ook kosten mocht?

Maar, hoe het daarbij aan te leggen?

Hoe haar te ontrukken aan die gedachten, die hare geheele ziel vervulden, aan die herinneringen, die haar als met een ijzeren keten aan den schipbreukeling vastklonken?

Voorwaar, een moeilijke vraag, dat zal iedereen moeten erkennen.