WeRead Powered by ReaderPub
Hoe men schilder wordt cover

Hoe men schilder wordt

Chapter 2: I
Open in WeRead

About This Book

Een getalenteerd jongetje uit een eenvoudig gezin ontdekt zijn aanleg voor tekenen; zijn grootmoeder dringt aan op een opleiding aan de Academie terwijl moeder en vader aarzelen vanwege praktische en financiële bezwaren. De tekst volgt zijn vroege schetsen, het gezinsberaad over zijn toekomst, zijn toelating en studie aan de kunstacademie, de verschillende klassen en examens, en ontmoetingen met leraren en beschermheren. Het belicht de spanning tussen ambachtelijke verwachtingen en artistieke roeping, de ontwikkeling van techniek en ambitie, en de mogelijke sociale gevolgen van succes of teleurstelling.

The Project Gutenberg eBook of Hoe men schilder wordt

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Hoe men schilder wordt

Author: Hendrik Conscience

Release date: January 29, 2010 [eBook #31120]

Language: Dutch

Credits: E-text prepared by Branko Collin and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HOE MEN SCHILDER WORDT ***

 

E-text prepared by Branko Collin
and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team
(http://www.pgdp.net)

 


 

HOE MEN SCHILDER WORDT

HENDRIK CONSCIENCE


I

Ontdekking van een wonderbaar vernuft.—Huiselijke raad over de bestemming van een kind.—De Academie van Antwerpen door eenen werkman beschreven.—Schilderen is een lekker stieltje.

In een klein huisje, behoorende tot de St.-Andriesparochie te Antwerpen, zaten op eenen avond der maand Mei 1832, drie personen bij eene kleine blikken lamp te werken.

Eene oude vrouw was voor een kantkussen gezeten en wierp de ratelende bouten onophoudend door elkander, terwijl zij, met eene wonderlijke vinnigheid, de spelden over het kassen deed wandelen. Op haar gelaat glom die zoete welwillendheid, welke het aangezicht van sommige oude lieden met aantrekkelijkheid versiert, ondanks de diep gegravene rimpels.

Zij scheen welgemoed en liet zich den eentonigen arbeid niet verdrieten, aangezien dat zij van tijd tot tijd hare heesche stem tot het vormen van verschillende tonen poogde te dwingen en slepend een liedeken zong van haren jongen tijd. Dit liedeken scheen uit een enkel referein te bestaan en begon telkens met deze woorden:

En Coredommeken hy issere gesteurve.

Het onveranderlijk einde was:

Hy schreef daer in het zand
Dat zyn jonk hart verbrandt.

Nevens haar bevond zich eene jongere vrouw, fraai van gelaat en schoon van gestalte.

Zij was insgelijks bezig met kantwerken. Evenals de oude, droeg zij de gewone kleeding der arme burgers of werklieden van Antwerpen: een rozekleurig jak, eenen zwarten baaien rok en eene trekmuts van bevalligen vorm. Tusschen de kleeding der twee vrouwen was alleenlijk dit verschil, dat de oude met de groote bloemen der vorige eeuw behangen was, terwijl de jongere vrouw meer de hedendaagsche kleuren droeg, zijnde kleine bloemkens op gemengden grond.

De derde persoon, die zich in de kamer bevond, was een jongsken van omtrent elf jaar,—met een aangezichtje zoo zuiver en zoet als dit van een engeltje. Groote zwarte oogen, vol beweging en vol leven, stonden blinkend onder zijne lange wimpers, en losten als gitsteenen op de rozen zijner wangen uit. Zijn mondje, welks hoeken eenigszins achteruit getrokken waren, gaf aan zijne wezenstrekken eene uitdrukking, die geest en begrip aanduidde. Boven dit alles was een bosch van schoone krullende haren ingeplant; zoodat dit jongsken, rijk aan gezondheid en aan geest, waarlijk een schoon beeld van een kind was en geenszins de kenteekens der armoede droeg.

Dit kind zat bij de tafel en scheen met een potlood iets op een stuk papier te schrijven. Bij poozen hief hij het hoofd op, bezag met metende aandacht de oude vrouw en zette dan telkens eenen trek meer op het papier.—Men kon niets anders denken, dan dat hij de oude vrouw uitteekende of ten minste dit poogde te doen..... Er was in de blikken, die het kind op zijn papier en op de oude vrouw wierp, zooveel aandachtige navorsching, in zijne houding en op zijn gelaat zooveel ernstigheid, dat men niet kon twijfelen, of er lag in dien jongen geest een buitengewoon aanleg tot de kunsten van nabootsing. Eene andere omstandigheid kwam dit vermoeden nog versterken: wanneer men nauwkeurig de halfverlichte muren bezag, erkende men met verwondering dat er geene plaats genoeg om de hand te leggen overig was tusschen al de beelden van burgers, soldaten, katten, honden, vogels,—die, op eene zekere hoogte, ontwijfelbaar door eene kinderhand, met houtskool en rood krijt er op moesten geschetst zijn.

Gloeide er van dan af in den schedel van dit kind eene vonk van het vuur des vernufts?—Ontkiemde reeds in hem een zaad van kunstgevoel?

Nadat deze drie personen bijna een half uur in dezelfde houding waren blijven zitten, hoorde men in de Kloosterstraat de trommel van de taptoe slaan.

De jonge vrouw stond op, plaatste haar kantkussen op eenen stoel en sprak tot het kind:

Fransken[1], gij moet gaan slapen..... Kom, doe die papieren nu weg.

Fransken.—Och, moederlief, mag ik nog wat opblijven? Ik zal zoo stil zijn.

De Grootmoeder.—Kom, kom, Annemie[2], laat ons Fransken nog maar wat uit zijn bed.—Laat hem nog wat teekenen.

De Moeder.—Ja maar, als zijn vader thuis komt, zal het weer gekijf zijn..... En hij is nu al zoo lang bezig met dit papier. God weet heeft hij u alweer geen twintig keeren uitgeteekend!

De Grootmoeder.—Och, Annemie, als het kind zijn verzet daar nu in vindt, hoe kunt gij daar tegen zijn?

De Moeder.—Zie, Meken[3], gij zult ons Fransken nog bederven, gij! want gij ziet hem liever dan de appelen uwer oogen. Maar hij móét gaan slapen.—Kom, Fransken.

Gedurende die woordenwisseling had Frans, als een gehoorzaam kind, zijne stukjes papier bijeengeraapt en zijn potlood er in gerold. Dan tot eene kleine bedstede gaande, stak hij zijn teekenwerk met zorg onder het hoofdkussen, en kwam bij zijne moeder om ontkleed te worden. Dit gedaan zijnde, sprak de moeder tot hem:

«Maak uw kruisken, Fransken,—en zeg uw gebeêken.»

Het kind ging bij de bedstede op zijne knieën zitten, en begon met de handen te zamen en met luider stemme te bidden:

's Avonds, als ik slapen ga,
Volgen mij veertien engeltjes na:
Twee aan mijn hoofdeneind,
Twee aan mijn voeteneind,
Twee aan mijn rechterzij,
Twee aan mijn linkerzij,
Twee die mij dekken,
Twee die mij wekken,
Twee die mij wijzen,
Naar 's hemels Paradijze[4].

Vervolgens ging hij tot zijne moeder, daarna tot zijne grootmoeder, kreeg van elk eenen kus en een kruisken op het voorhoofd, en kroop dan stilzwijgend in het bed.

Wanneer de vrouwen dachten, dat het kind in slaap was, begonnen zij in stilte het volgende gesprek:

De Grootmoeder.—Maar, Annemie, was ik gelijk gij, ik zou toch zien, dat ik dit kind op de Academie kreeg. Wees zeker, daar steekt een schilder in.

De Moeder.—Ik weet het wel, Meken. Denkt gij, dat ik het niet zie? Maar hoe zal hij op de Academie geraken? Nog zoo bitter jong en zonder voorspraak!

De Grootmoeder.—Och, ze zeggen, dat M. Van Bree zoo een goed mensch is..... En M. Wabbes[5] dan! Ik zou, al is het dat ik zoo oud en zoo sukkelachtig ben, er nog wel alleen durven naartoe gaan, om eene plaats voor ons Fransken te vragen.

De Moeder.—Ja, gij, Meken, gij zoudt er voor door een vuur vliegen, dat weet ik wel. Maar dit is nog het ergste niet: zijn vader wil maar volstrekt dat hij op het metserdienen gaat.

De Grootmoeder, met verontwaardiging.—Wat? ons Fransken metserdienen! Het eenige kind van mijne Annemie!—Neen, dit zal niet waar zijn, zoo lang ik leef..... Als hij dan toch eenen stiel moet leeren, zal hij op het meubelmaken gaan.

De Moeder.—Ik moet het ronduit zeggen: ik zou toch ook liever onzen Frans op de Academie zien.

De Grootmoeder, vol geestdrift.—Ja, en denk toch eens, Annemie, gij kunt niet weten wat er kan gebeuren.—Als ons Fransken nu eens goed van aannemen was, en hij werd zoo eens schilder ..... wat zou het dan zijn? Hoe zouden de geburen dan staan zien! Frans schoon gekleed; geld winnen gelijk slijk; in een huis met twee stagiën wonen; overal aangehaald gelijk een Prins! Eh? En als hij dan een schoon stuk gemaakt heeft, dan zullen zij ons op de straat nawijzen en zeggen: ziet! dat zijn de moeder en het meken van den schilder! Eh, Annemie, wat zegt gij daarvan? Mijn hart klopt als ik er aan denk.

De Moeder, met eenen zucht.—Ja, ja, maar als dit nu zoo eens gebeurde, zou Frans zijne gemeene ouders dan wel gaarne blijven zien[6]?

De Grootmoeder.—Wel, sukkel dat gij zijt, denkt gij daarop? Al moest ik, mijn geheel leven lang, droog brood eten en zonder schoenen aan mijne voeten gaan, als ons Fransken maar schilder wordt, dan zal ik nog gelukkig zijn.

De Moeder.—Zie, Meken, laat ons daar niet meer van spreken. Gij zult mijnen kop nog zoo vol muizenissen steken, dat ik er zot van zal worden. Ik weet het ook wel, dat ons Fransken geen ezel is en dat er in dit kind iets steekt; maar maak dit aan zijn vader eens wijs?

De Grootmoeder.—Eh wel, eh wel, ik zal het hem wijs maken, en dat nog dezen avond. Help mij maar een beetje—het zal wel gaan.

De Moeder, opstaande.—Ik hoor hem. Daar is hij, die klopt!

De deur ging open; een man trad stilzwijgend binnen. Nadat hij zijn schobejak[7] uitgedaan had, plaatste hij zich bij de tafel, als iemand, die eten wil. Een wijde schotel, met gestoofde aardappelen overladen, werd hem voorgezet, en hij begon met gretigheid zijn avondmaal.

Alhoewel machtig en van reuzenspieren voorzien, was het lichaam van dien man door den arbeid gekromd; zijn rug helde als een boog over de tafel; op zijn betrokken aangezicht lagen van die rimpels, welke niet door den ouderdom veroorzaakt zijn; en de stijve onveranderlijkheid van zijn afgemat gelaat toonde genoeg, dat zwaar en onophoudend werken zijn gevoel ten deele had verstompt.

Terwijl hij bezig was met eten, hitsten de twee vrouwen elkander op, om de netelige samenspraak aan te vangen. Eindelijk nam de grootmoeder aldus het woord:

—Maar, Pauw,[8] ik moet u toch eens iets zeggen.

De Vader, onverschillig.—Ja? Laat hooren, Meken, wat is het?

De Grootmoeder.—Wel, hebt gij nog niet belet, dat onze Frans den geheelen dag niets doet dan mannekens maken?—De gansche muur staat er vol van; al mijne patronen zijn vol honden, katten en alle soorten van vreemde beesten, die ik zelf nog niet ken. Geen koffiezaksken kan er in ons huis komen, of poef!..... daar staan mannekens op!

De Vader.—Laat gij Fransken maar mannekens maken, Meken. Het is beter, dat hij dit doet, dan dat hij op straat zou loopen.

De Grootmoeder.—Dat zeg ik ook; maar ziet gij niet, dat er in dit jongsken iets steekt, en dat het misschien spijt zou zijn, dat hij daar afgetrokken werd?..... gij kunt het niet weten.

De Vader, met aandacht.—Wel, en wat is het nu?—Zeg het maar rechtuit.

De Grootmoeder.—Zou het niet goed zijn, dat wij hem op de Academie deden? God weet, of hij van zijn leven nog geen schilder wordt.

De Vader, met nadruk.—Ik heb u al lang op uwe sokken hooren afkomen, Meken. Gij denkt zeker, dat ik u niet in de buis had, met al die slenders[9]. Begint gij weer met dat oud liêken? Onze Frans zal metserdiener worden; en laat hem zoolang maar gerust, of gij breekt zijnen groei nog.


En scheen met een potlood iets op een stuk papier te schrijven. (Bladz. 75.)

De Moeder, met bitsigheid opspringende.—Zie, Pauw, Fransken is mijn kind zoowel als het uwe, en gij hebt, gij alleen, er alles toch niet aan te zeggen..... Ons jongsken is vol geest, en daar steekt veel te veel in om er eenen metserdiener van te maken.

De Vader, half verstoord.—Ja, gij hebt u zeker wat laten opstoken door Meken? Ik zeg u, dat ik van geenen schilder wil hooren,—en breek er mij den kop niet langer mede.

De Grootmoeder.—Annemie heeft gelijk, gij ziet uw kind niet gaarne; want anders zoudt gij zoo niet spreken.

De Moeder, bijna schreiend.—Dat heb ik al lang genoeg gezien, dat gij ons kind niet gaarne ziet. Het is u te veel dat gij het aanspreekt, dit arm schaap!

De Vader, met droefheid; zijne spraak verkrijgt eene drukkende klem.—Zie ik mijn kind niet gaarne? Omdat ik hem een goed ambacht wil doen leeren en hem wil opbrengen gelijk zijne ouders zijn opgebracht? Heeft hij geene handen aan zijn lijf, om te werken,—of zoudt gij er gaarne een luien bliksem van maken?—Schilderen! Schilderen! Dit is misschien geen slecht ambacht, maar het is ook kostelijk en moeilijk om te leeren.

De Moeder; zij snauwt hem toe.—Een ander leert het wel!

De Vader.—Ja, maar een ander heeft geld, en wij niet..... Ziet, vrouwen, gij weet daar niets van. Gij hebt nu al zoo lang aan mijne ooren liggen zagen met dat zelfde oremus, dat ik bij eenen schilder ben gegaan, die nog al dikwijls bij onzen baas komt. Dat gij wist, wat boeksken hij mij heeft uiteengedaan over dat lekker stieltje, uw haar rees er van te berge op uwen kop!

De Grootmoeder.—Hij heeft u wat leugens wijs gemaakt. Zoo zijn de schilders allemaal; als er wat te veel komen, dan bederft de stiel.

De Vader.—Ja, luister maar..... Ziet, zoo wordt gij schilder: Als gij op de Academie moogt komen, dan gaat gij eerst een jaar lang op de klasse van de Neuzen en de Ooren; dan een jaar op de Koppen; dan twee jaar op de Mannekens; dan een jaar of drie op het Pleister; dan een jaar of vier op het Leven..... En als ge dan al zoo elf lange jaren hebt zitten krabben en u de borst hebt gecreveerd, dan kunt gij al zooveel schilderijen maken als ik of gij..... En dan moet gij nog eens een heel jaar op de klasse van Tante Mie[10] den dood gaan uitteekenen.—En weet ge wat ge dan kent?—Nog niets!..... Kunnen wij nu elf jaren onzen Frans houden, zonder dat hij iets verdiene? Kunnen wij hem verf, penseelen, en doeken koopen, gedurende al dien tijd? En zal hij dan niet ongelukkig zijn, als hij mislukt?—Ja, want dan is 't kalf verdronken; dan is het te laat; dan zullen zijne meiskenshanden nergens meer goed voor zijn, en hij zal te lui geworden zijn om te werken. Neen, ik zie mijn kind zoo gaarne als gij; maar ik ben gelukkig in mijnen stiel; ik kom geen brood te kort, en ik geloof, dat ik niet beter kan doen dan onzen Frans ook zijn brood te leeren verdienen. Zoo weet ik zeker, dat hij geen gebrek zal lijden..... Hij zal metserdiener worden,—ik wil het en het is mijn laatste woord: metserdiener!

De twee vrouwen zwegen. Zij konden niets inbrengen tegen de goede redenen van den man; ook hadden zij bij het hooren zijner woorden van hun eerste inzicht afgezien en besloten niet meer van deze zaak te spreken; maar op het oogenblik dat de vader, als een vonnis, had uitgeroepen: hij zal metserdiener worden! hoorde men eensklaps het kind in zijn bed zuchten en snikken, als iemand, wiens tranen na lang bedwingen, losbarsten.

Fransken had alles in de grootste benauwdheid afgeluisterd. Een straal van hoop en van blijdschap was in zijn hart gesprongen, toen hij van de Academie had hooren spreken; doch de woorden zijns vaders, die, als de uitspraak van een onherroepelijk oordeel, hem tot den metserstiel verwezen, hadden zijn hart met droefheid overkropt;—en, zich niet langer kunnende inhouden, was hij op eens aan het schreien gegaan.

De grootmoeder liep ijlings naar het bed, nam Fransken er uit, en hem op haren schoot plaatsende, begon zij het kind te zoenen, terwijl hare eigene tranen over haar aangezicht rolden. De moeder ving insgelijks aan met weenen:—en het was in dit huisgezin eene droefheid zoo innig en zoo bitter, alsof er een schrikkelijk ongeluk voorgevallen ware. Dan sprak de grootmoeder met bitsigheid tot den man:

Hoe kunt gij uw kind zoo trêteren[11]. Gij zult het wel dood krijgen.....

De Moeder.—Ja, ja, dat zal er wel van komen: gij zult het wel in zijnen put helpen..... Waarom kunt gij Frans niet naar de Academie laten gaan, zeg? Als hij daar nu goesting voor heeft?

De Vader, met hevige gramschap zijne vuist toonende.—Maak mij niet kwaad!

Fransken; hij springt van den schoot zijner grootmoeder en loopt bij zijnen vader.—Och, vaderken lief, maak u niet kwaad..... Ik zal metserdiener worden.

De Vader; hij kust het kind met teederheid; er blinkt een traan in zijne oogen.—Fransken, mijn kind, ik zal niet kwaad worden. Ga maar gerust in uw bed.

Fransken; hij neemt de hand zijns vaders en streelt ze.—Vader, weet gij wel, dat Koben[12] van den hoek ook op de Academie is, en hij is toch wel metserdiener.

De Vader, geheel kalm.—Ja maar, kind, dat is wat anders. Hij maakt daar geene mannekens; want hij is op de klasse van koepe-de-peer[13].

Fransken.—Wat maken ze daar dan, vader?

De Vader.—Dat weet ik niet: huizen zeker. (Hij bedenkt zich een weinig; het kind ziet met angst in zijne oogen.) Maar hoort, ik zie wel, dat gij mij toch niet zult gerust laten. Laat Frans dan maar naar de Academie gaan, als gij hem er op kunt krijgen. (Het kind springt op van blijdschap, kust zijnen vader, kust zijne moeder, kust zijne grootmoeder en vervult de kamer met blijde kreten). Maar op ééne conditie: dat is, als Frans niet goed en gauw leert, hij op mijn eerste woord van de Academie blijve.

Fransken, met blinkende oogen en met geestdrift.—Och, ik zal zoo goed leeren, vaderken lief!

De Vader.—Ga nu maar slapen, kind.

Fransken kroop welgemoed en met vinnigheid in zijn bed. De drie andere personen namen de lamp en klommen op eene kleine, steile trap, om zich insgelijks tot de rust te begeven. Boven gekomen zijnde, begonnen zij te beraadslagen over de middelen, die werkstellig konden gemaakt worden, om voor Fransken eene plaats op de Academie te verkrijgen. Na eene tamelijk lange onderhandeling besloot men tot het volgende:

Trees[14], van daar naast de deur, heeft kennis met den leerjongen van den barbier van den knecht van M. Wappers. Door Trees zou men de voorspraak van dezen leerjongen kunnen verkrijgen; hij zou spreken aan zijnen baas, de baas aan den knecht van M. Wappers, de knecht aan M. Wappers zelven;—en M. Wappers zou er van spreken aan M. Van Bree.

Zij twijfelden niet, of die buitengewone samenhang van voorsprekers zou hun doen gelukken;—en nog meer werden zij daarvan overtuigd, toen de grootmoeder bemerkte, dat er niets voordeeliger is dan de voorspraak van eenen barbier, aangezien men weinig te weigeren heeft aan eenen man, die ons dagelijks een mes op de keel houdt, enz.

Dan, overmorgen zullen moeder en grootmoeder hunne Zondagsche kleederen aantrekken: het fijne jak, den stoffen rok, de kanten trekmuts en de fluweelen schoenen. Zij zullen eenige teekeningen van Frans medenemen, om aan de heeren der Academie te toonen, en grootmoeder zal het woord voeren, om hun te doen verstaan, wat vernuft er in Fransken steekt.

[1] Verkleinwoord van den voornaam Franciscus.

[2] Verkorting van Anna Maria.

[3] Meken beteekent grootmoeder onder de Antwerpsche burgerklasse; voor grootvader zegt men Peken. Van oude lieden zegt men in het algemeen: het was een Meken, ik zag een oud Peken.

[4] Dit zonderling avondgebed als ook een ander, dus beginnende Heiligen Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en ziel, worden nog dagelijks in honderden huisgezinnen door de kinderen opgezegd. Daarbij echter wordt dan het Vader ons of een ander erkend gebed gevoegd.

[5] Wabbes is de volksnaam van den heer Wappers, gewezen bestierder der koninklijke Academie.

[6] Men merke hier aan, dat het werkwoord beminnen zeer zelden in Antwerpen wordt uitgesproken. Men bezigt daarvoor meest altijd het samengestelde werkwoord gaarne zien.

[7] De werklieden, die aan het ontladen der schepen arbeiden, dragen een kort hemd van grof lijnwaad over hunne kleederen. Dit hemd of liever dien kiel noemt men schobejak.

[8] Verkorting van den voornaam Paulus.

[9] Ik hoorde u in stilte afkomen: ik bemerkte uw inzicht, met uwe treken.

[10] Zoo noemt de volksklasse den leergang van ontleedkunde of anatomie.

[11] Plagen.

[12] Verkorting van den voornaam Jacobus.

[13] La coupe des pierresde Steensnede, die men van overlang gewoon is met haren Franschen naam te noemen.

[14] Verkorting van den voornaam Theresia.


II

Gang naar de Academie.—De opvolgers van Uilespiegel.—Raad van Professoren over den roep van Frans.—Onderzoek van bewijsstukken.—De Academie krijgt een leerling meer.

De zon, de grootste schilderesse der wereld, was bezig met achter de kim haar palet te bereiden; zij vereenigde en mengde er de schoonste verven op, welke zij bezit, om dien plechtigen dag,—om den eersten stap van Frans in de baan der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschijnen. Weldra wierp zij, door enkelen penseeltoets, de grijsgele doodverf op haar onmeetbaar paneel ..... en de stad Antwerpen stond, als eene aangelegde schets, zichtbaar in het schemerlicht.

De hanen, die afgodendienaars der zon, begroetten hare komst met snijdend keelgeluid, en schreeuwden zoo lang en zoo hevig, dat de grootmoeder er door ontwaakte, terwijl zij hare eerste gedachte aan het geluk van haar Fransken gaf.

Alhoewel schrikkelijk afgeschilderd, is de nacht niet zelden een weldoener. Hij alleen is rechtvaardig ten allen tijde: de goeden overlaadt hij met blijdschap en genot, de kwaden martelt hij door ingebeelde straffen. Als een gezant van God ziet hij in het binnenste der harten, en voorzegt den mensch, wat loon of wat wraak zijne daden verdienen en verwachten moeten.

De schoonste tafereelen had hij ditmaal uit zijne goocheltasch gehaald en voor de oogen der grootmoeder doen verschijnen. Zij had rijkdommen gezien: schoone huizen als paleizen, paarden als herten, koetsen als tronen, lusthoven als paradijzen,—jeugdige lauwertakken! En te midden van dit alles haar Fransken, zijne moeder, zijnen vader en zich zelve. Ontwakende, wreef zij hare oogen rood, om die verleidende beelden te kunnen wederzien; doch nadat zij, niet zonder spijt, bevonden had, dat het slechts een droom was geweest, verging hare blijdschap niet geheel. De streelende vooruitzichten verlieten haar bij haar wakend leven ook niet.

Ternauwernood was de stad met eene tweede en goudgele tint oversapt, of het gansche huisgezin was te been. De man moest vroeg op zijn werk zijn en kon niet zonder ontbijt vertrekken; de ouders kwamen dan alle drie beneden.

Met éénen blik en te gelijk zagen zij naar Fransken en bemerkten, dat hij reeds in zijn bed recht zat en, bij den twijfelachtigen schijn van den morgen, met zelfvergeten aan het teekenen was.

Het vuur aangestoken zijnde, ging de moeder tot het kind, nam het uit bed en deed het op zijne knieën zitten.

«Lees vandaag een goed gebeêken, Fransken,» sprak zij, «dat Onze Heerken ons doe gelukken!»

Het jongske knielde zoo langzaam en zoo plechtig neder, dat het genoeg te zien was, wat godsvrucht en wat vuur hij in zijn gebed ging stellen. Hij sprak met fijne stemme:

's Morgens als ik opstaan,
Zie ik twee engeltjes vóór mij staan,
Engeltjes lief, engeltjes zoet,
Maakt dat Fransken geen kwaad en doet.
Onze Vader, enz.

Na dit gebed werd hij gekleed en gewasschen; en zoodra men hem dan vrij liet, vatte hij zijne stukjes papier, ging bij het vuur zitten en begaf zich aan het nateekenen van het een of ander voorwerp, dat zich in de kamer bevond.

Weldra was de koffie opgeschonken, de zware boterhammen gesneden en de tassen voorgezet. Alvorens zij begonnen te eten, maakten zij allen een kruis; doch Fransken voegde er zijn gewoon gebedeken bij:

Deezeken[15], kom eten mee,
Breng uw liefste moeder mee.
Deezeken, waar gij zijt,
Is het al gebenedijd.
Eet en drink, maar wees gedachtig,
Dat het komt van God almachtig.

Een werkman verslijt niet veel tijds aan de tafel: op een oogenblik waren al de boterhammen verdwenen. De vader trok zijn schobejak aan en ging de deur uit, met de woorden:

«Tot den noen, zullen!»

Nu begon eerst de groote voorbereiding; Fransken werd nog eens ontkleed en opnieuw gewasschen met Spaansche zeep en warm water; zijne krullende haren netjes opgekamd; zijn strepen broeksken en zijn kieltje werden hem aangedaan.

Hierna begonnen de twee vrouwen hun eigen toilet. Uit eene kist kwamen twee sneeuwwitte trekmutsen voor den dag; twee rokken, een zwarte en een met groote bloemen; twee paar fluweelen schoenen; twee jakken, een lang en een kort, en een katoenen mantel van de grootmoeder. Dit was alles.—Met deze kleedingstukken moesten de vrouwen zich schoon en zindelijk maken, om met voordeel voor de heeren der Academie te verschijnen.

Toen de optooi bijna gedaan was, vroeg de grootmoeder: «Maar, Annemie, zijt gij nu zeker, dat Trees, van hiernaast, aan den leerjongen van den barbier van den knecht van M. Wabbes gesproken heeft?»

De Moeder.—Ja, hij zegt, dat het nog al moeilijk is, iemand op de Academie te krijgen; maar hij heeft beloofd, dat hij alles zal doen wat hij kan, en de baas is nog al goede vriend van den knecht van M. Wabbes.

De Grootmoeder.—De Academie gaat te zes uren open; wij moeten maken, dat wij niet te laat komen. Spoed u wat.

De Moeder.—Maar weet gij waar wij zijn moeten? Zij zeggen, dat die Academie zoo groot is, dat men gemakkelijk eenen geheelen dag er kan in verloren loopen.

De Grootmoeder.—Gij zijt toch een sukkel, gij! Met vragen komt men immers te Rome?

De Moeder.—Ja, dat is waar. Maar wat zullen wij nu aan die heeren zeggen? Want gij weet wel, dat gij die heeren niet moogt aanspreken gelijk u of mij, en dat die groote mannen nog al gauw op hunnen teen getrapt zijn. Gij moest u zoo eens misspreken.

De Grootmoeder.—Daar is geen nood voor; laat mij maar doen. Als ik binnenkom, dan zeg ik: Goeden dag, M. Van Bree! Goeden dag, M. Wabbes! Dienaar, Mijnheeren!..... Kunnen zij dat nu kwalijk nemen? Het is immers beleefd genoeg?

De Moeder.—Ja, ja. En dan? Hoe zult gij de zaak van onzen Frans aan hun verstand brengen? Zie, daar ligt de knoop.

De Grootmoeder, met ongeduld.—Wees maar gerust: ik neem de teekeningen van onzen Frans mede, en als ik die zal laten zien, zullen zij misschien van zelf willen hebben, dat hij op de Academie blijve. Kom, het is al bij den zessen; laat ons gaan.—Fransken, geef mij al de papieren eens hier, dat ik ze in mijnen zak steke. Zijt gij gereed, Annemie? Vergeet gij niets? Doe dan de deur maar toe.....


Wat vreugd was er niet in het hart van Fransken, terwijl hij tusschen zijne moeder en grootmoeder naar de Academie ging! Hoe licht en hoe vinnig waren zijne huppelende stapkens! Met wat liefde bezag hij elken jongen, die, met eene rol papier in de hand, hem voorbij ging..... Reeds waren al deze leerlingen der Academie zijne vrienden. Hadde hij ze mogen omhelzen!

Aan de poort der Academie gekomen, vóórdat de klassen geopend waren, vielen de twee verbaasde vrouwen tusschen een hoop wachtende jongens, die op hunne vragen niet dan met spotternij antwoordden. Beschaamd en verlegen, wilden zij zich verwijderen tot het openen der poort: doch de spottende jongens liepen rondom hen en sloten ze in eenen onverbreekbaren kring. Dan volgde er een concerto van honderden fluiten, die als messen door de ooren gingen; een afgrijselijk gebrom in de rollen papier; honderden roepen van Meken! Meken! Wouw! Wouw!—en een bonzend geschreeuw van hoera! hoera! zoodat de ongelukkige vrouwen niet meer hoorden of zagen, en bereid waren om te weenen; maar gelukkiglijk, of liever ongelukkiglijk, ging de poort der Academie op dit oogenblik open.

Gelijk de razende vloed, die eenen dijk doorbreekt, stroomden de jongens onder de poort door. De vrouwen konden dit woest geweld niet wederstaan, en werden mede door de poort en door den hof gesleurd en gestooten, totdat zij zich weldra in eenen langen gang bevonden, zonder te weten, hoe zij daar geraakt waren en nog duizelig van deze bestorming. De trekmuts van grootmoeder stond scheef, zonder dat het mogelijk was, ze weder op hare plooi te brengen; het haar van Fransken was in de war, en de kleederen der beide vrouwen leelijk verkrookt.

Met stille, bevende stem sprak de grootmoeder:

«Wel, heilige deugd, Annemie! Wat is dat hier voor een leven? 't Is gelijk een hoop duivels!»

De Moeder.—Och God, Meken, ik dacht, dat zij ons nog wel een half uur verre zouden gestooten hebben. Maar waar zijn wij hier? Het is gelijk een klooster.—Zie, daar komt een klein jongsken; dat ziet er geen deugniet uit. Vraag hem eens, waar de kamer van M. Van Bree is..... Manneken, weet gij niet waar wij gaan moeten om M. Van Bree te spreken? Waar is M. Van Bree?

De Jongen; hij steekt zijne tong uit en zet een beeldeken, gelijk men dit te Antwerpen noemt:

Mijnheer Van Bree is in zijn vel.
En als hij er uit komt, is hij niet wel!
(Hij loopt weg.)

De Grootmoeder, met wanhoop.—Wel, wel! wat Uilespiegels altemaal! Annemie, hier geraken wij nimmer te recht. (Er komt een jongen, die hare muts bij den vleugel vat en ze bijna van het hoofd rukt.) Wel, wat schurken! Zij zullen ons nog de kleederen van het lijf scheuren..... Willen wij maar naar huis gaan?

De Moeder.—Toe, toe, zet uwe trekmuts maar recht! Het is gelijk eene kat, daar de straatjongens mede geleefd hebben. Nu zien wij er net uit om voor die heeren te komen!

Fransken, met stille stem.—Zie, Meken, daar komt een heer aan; zie, hij neemt zijnen hoed af voor u. Daar, hij gaat in die deur!

De Grootmoeder.—Och Heer! nu weten wij nog niets.

Fransken.—Ja maar, Meken, daar staat iets boven de deur te lezen. Laat ons eens gaan zien.

(Zij gaan tot bij de deur.)

De Moeder.—Kunt gij dat lezen, Fransken?

Fransken.—Ja, moeder. (Hij beziet het opschrift een oogenblik en leest.) Ka.....mer der di.....rectie.

De Grootmoeder.—Wel, wat botte getrekken dat wij toch zijn! Dat is nu de kamer van M. Van Bree en van M. Wabbes. En als ik mij wel bepeins, die jonge heer was M. Wabbes zelf.—Fransken, gij moet uwe klak afnemen, zullen?

Fransken.—Ja, Meken.

De Grootmoeder.—Klop eens.

De Moeder.—Ja, maar mogen wij wel kloppen? Daar hangt eene bel boven de deur ..... laat ons liever bellen.

(Zij zoeken vruchteloos naar het belkoord, vermits dat het binnen de kamer hangt.)

De Grootmoeder.—Dat is aardig, eh? Toe, klop maar.

(Er komt een jongen voorbij, die om de vrouwen in verlegenheid te brengen, zulk een zwaren stamp tegen de deur geeft, dat de gang er van dreunt.)

De Moeder, verschrikt.—Och, Meken, willen wij maar gaan loopen? Ik durf hier niet langer blijven staan.....

De Grootmoeder.—Ja, ja, kom: wij gaan naar huis.

Fransken, zijne moeder weerhoudende.—Och neen, moederken lief, laat ons niet naar huis gaan!

Eene stem in de kamer.—Komt binnen!

Fransken.—Hoort gij wel, moeder? zij roepen, dat wij moeten binnenkomen.

(De vrouwen gaan bevend binnen en blijven vol vrees bij de deur staan.)

De Grootmoeder, met het hoofd knikkende.—Goeden dag, Mijnheer Van Bree, goeden dag, Mijnheer Wabbes;—Dienaar, Mijnheeren!

M. Wappers.—Kom hier, moederken. Wat is er van uw beliefte?

De Grootmoeder.—Mijnheer Wabbes, als gij het niet kwalijk neemt, gij weet wel ..... uw knecht ..... de barbier ..... en.....

De Moeder; zij geeft haar eenen stoot met den elleboog.—Is dat nu spreken?—Hakkel zoo niet![16]

M. Van Bree.—Vrouwken, het is zeker voor dit jongsken, dat gij komt?

M. Snyers.—Om eene plaats voor hem op de Academie? Gij moogt niet bang zijn, Vrouw. Spreek maar ronduit, en zeg maar wat gij begeert.

De Grootmoeder, met eenen dankbaren glimlach.—Wel, Mijnheeren, wat zijt gij toch goed! Ja, Mijnheer Van Bree, ja, Mijnheer Wabbes, als gij de goedheid wilt hebben om ons Fransken (zij brengt het kind vooruit) op de Academie te laten komen ..... gij weet niet hoe blij wij zullen zijn.

M. Van Bree.—Hoe oud is hij, moeder?

De Moeder.—Elf jaar, Mijnheer.

M. Wappers.—Dit zou men niet zeggen. Zie, moeder, als ik u eenen raad mag geven, laat hem dan liever nog een jaar of twee naar de school gaan; want hier zou hij toch niets leeren. Hij is te klein en kan nog niet aan de tafels staan.

De Grootmoeder, bedroefd.—Och, Mijnheer Wabbes!..... Hij heeft er zoo eene goesting voor;—zie, de tranen komen al in zijne oogen, och arme! (Het kind beziet beurtelings al de professors met eenen smeekenden blik; zijn gelaat is zoo sprekend en zoo zoet, dat het eenen diepen indruk op hun gemoed maakt.) En dat gij wist, Mijnheeren, hoe hij altijd bezig is met teekenen!

De Moeder, invallende.—Ja, Mijnheeren, hij is er altijd mede bezig. Al etende, al drinkende, tot in zijn bed toe, maakt hij niets dan mannekens. Ons geheele huis staat er vol van..... Gisteren avond heeft hij zijn Meken, die daar staat, nog uitgeteekend.

De Grootmoeder.—Ja, het is waar, Mijnheer.

(De professors betuigen eene groote nieuwsgierigheid.)

M. Snyers.—Daar steekt misschien iets in dit kind. Hebt gij het portret niet bij u, moeder?

De Moeder.—Ja, Meken heeft het in haren zak.

M. Wappers.—Laat eens zien, Vrouw; geef dit eens hier.

De Grootmoeder, zij wroet tamelijk lang in haren zak.—Och Heer! Zou ik het verloren hebben? Ha, neen. Hier is het.—Ziet, Mijnheeren.—Het is nog maar een kind, Mijnheeren.—Ik zeg niet, dat het portret goed gedaan is; maar het lijkt toch een beetje.

(De professoren geven elkander het stuk papier over. De eene bijt op zijne lippen, de andere schijnt te moeten niezen; doch bij het bezien der grootmoeder, die zich als vergelijkingsmiddel in het midden der kamer plaatst, barsten zij eindelijk in eenen langen lach los.)

De Moeder, stil tot de grootmoeder.—Meken, zij lachen!

De Grootmoeder, met blijdschap.—Laat ze maar lachen; hoe meer hoe liever. Ziet gij niet, dat ik het er om doe; nu komt Frans zeker op de Academie.

De Moeder, met twijfel.—Ik geloof het niet.

De Grootmoeder, tot de professoren.—Ja, Mijnheeren, niemand heeft zijn eigen zelven gemaakt ..... het is mijne schuld niet, dat ik niet meer schoon ben.—Wat is een oud mensch?

M. Schafels.—Maar, Vrouw, hij heeft zeker betere dingen geteekend; hebt gij geene andere bij u?

De Moeder.—Wel, Mijnheer, hij kan niets zien of hij teekent het uit. Daar is de tamboer-majoor van het 6de, die heeft kennis in onze geburen; hij was nog geene drie keeren door onze straat gegaan, of Fransken had hem al op zijn papier staan..... Laat het eens zien, Meken.

De Grootmoeder; zij geeft een stuk papier aan M. Van Bree.—Ziet, Mijnheeren! Dat gelijkt misschien nog beter.

(De professoren doen geweld om zich te bedwingen; M. Schafels ligt met het hoofd op de tafel.)

De Grootmoeder, voortgaande.—En met de St.-Andrieskerk is hij ook al naar huis gekomen, en dat was schoon, met deuren en vensters nog al. Ik heb het ook in mijnen zak:—ziet, Mijnheeren.

M. Van Bree.—Daar staat gelijk eene schouw op de kerk? Dat is wat nieuws.

De Grootmoeder, met eene merkbare spijt.—Ja, dat is mis. Dat is mis, Fransken. Waarom hebt gij eene schouw op de kerk gezet?

Fransken.—Wel, Meken, dat is om M. Pastoor zijn eten te koken. (Dit antwoord verwekt een nieuwen lach.)

M. Van Bree, tot M. Wappers.—Wat dunkt er u van, zouden wij dit kind op de Academie laten?

M. Wappers.—Ik geloof dat dit goed ware; het jongsken is niet zonder geest. Mij dunkt, dat er waarlijk iets zou van te maken zijn.

M. Serrure.—Maar, Vrouwken, kan hij wel lezen en schrijven?

De Grootmoeder.—Wel, Mijnheer, hij gaat al vijf jaar naar de Broôkens-kapel; en vraag het maar eens aan meester Klincko: hij heeft dit jaar nog twee prijzen gehad. In het Vlaamsch kan hem al niets meer geleerd worden;—hij leert al Fransch!

M. Serrure.—Zoo! dat is wat anders.

M. Wappers, tot M. Van Bree.—Laat mij het kind eens aanspreken.—Manneken, kom gij eens hier. (Het jongsken gaat bij hem; hij streelt het onder de kin. Fransken lacht hem dankbaar toe.) Zeg mij eens, lief kind, welken stiel zoudt gij gaarne leeren?

Fransken; er komt eene wonderlijke uitdrukking op zijn gelaat; uit zijne zwarte oogen straalt een vurige blik.—Schilderen, gelijk Rubbes[17], Mijnheer!

M. Wappers.—Maar, kind, zeg mij eens: zie, dit manneken is uwe grootmoeder, niet waar? Zoo is zij immers niet, met al dit haar rond het hoofd?

Fransken, met stille stem.—Ja, maar als Meken 's avonds werkt, dan doet zij hare muts af, en dan heeft zij zoo een haar wel.

M. Wappers, tot M. Van Bree.—Wij zullen het kind maar op de Academie laten komen; het ziet er vinnig en verstandig uit.

M. Van Bree.—Ja, ja!

M. Wappers, tot het kind.—Zult gij goed leeren, manneken?

Fransken, hem met hoop in de oogen ziende.—Och ja, Mijnheer!

M. Schafels.—Wij zullen hem op een banksken zetten.

M. Wappers.—Wel, leer dan maar goed;—en wacht een weinig, ik zal met M. Van Hool eene plaats voor u gaan zoeken.

De Grootmoeder; met blijdschap tot Fransken gaande.—Bedank die heeren en kus uwe hand!

(Het kind kust zijne hand en beziet beurtelings al de professoren, blijkbaar om ze allen te bedanken. Vervolgens gaat het bij zijne moeder en grootmoeder en beziet haar met tranen van blijdschap in de oogen.)

M. Wappers, tot de vrouwen.—Gaat gij lieden maar naar huis, Vrouwkens. Fransken blijft op de Academie.

De Grootmoeder, knikkende.—Gij zijt bedankt, Mijnheer Van Bree; gij zijt bedankt, Mijnheer Wabbes; bedankt altemaal, Mijnheeren.—Kom nu maar aan, Annemie;—'t is nu wel!

(Zij gaan de deur uit en begeven zich naar huis langs de Minderbroedersstraat.)

De Moeder, met blij gemoed.—Wel, Meken, wie zou dat toch zeggen! Wat is toch iemand, die nog nooit iets gezien of bijgewoond heeft! Wij, die zoo bang waren om voor de heeren te komen..... Maar zie, ik mag wat zijn, als ik niet liever met die menschen zou te doen hebben dan met die van ons kwartier. Hoe beleefd en hoe goed dat zij waren! Zij hebben met ons gesproken gelijk zuster en broer.—Dat zijn nu eerst menschen!..... Een geluk dat M. Wabbes u geholpen heeft, of gij bleeft er wat schoon in steken!

De Grootmoeder.—Ja, M. Wabbes, die is goed voor de burgermenschen; dat weet ik toch al lang. Zie, hij gaat zelf eene plaats voor ons Fransken zoeken, alsof het zijn eigen kind was!

De Moeder.—Ja, M. Van Bree toch ook, Meken.

De Grootmoeder.—Och! het zijn altemaal goede menschen.

(De vrouwen gaan dus koutend tot in hunne woning.)


Fransken had eene plaats op de Academie bekomen. Van dien dag af begon hij de baan, die hij intrad, met een weinig kennis van zaken te beschouwen. Hij begreep, hoe langzaam en hoe moeilijk de studie der kunst zijn moest, daar hij, die gedroomd had van mannekens en schilderijen, nu reeds eenen geheelen morgen, met het zweet op zijn aanschijn, gepoogd had eenen grooten neus na te teekenen, zonder in die poging te hebben kunnen gelukken; maar hij zou te huis zich zelf vergoeden voor de lastige studiën. Daarom bezag hij met driftige aandacht al de beelden, die in het bereik van zijn gezicht waren, en prentte wel in zijnen geest, waar hun de oogen, neus en mond in het hoofd stonden, en hoe hun de armen en beenen aan het lichaam hingen. Dan vol van deze herinneringen, verliet hij de Academie na het eindigen der lessen, en begaf zich naar het Kasteelplein, dat niet verre van zijne woning gelegen was, en waar hij wist dat de soldaten op dit oogenblik bezig waren met krijgsoefening te leeren. Na hen een half uur bezien te hebben, liep hij naar huis en viel seffens aan het teekenen. Weldra toonde hij aan zijne grootmoeder een stuk papier, terwijl hij zegepralend uitriep:

«Zie, zoo staan de soldaten op het Kasteelplein!»

«Maar hoe is 't godsmogelijk!» riep de verwonderde grootmoeder.