XVIII.
Op de Militaire School.
Die moordgeschiedenis had een diepen indruk op Herman Riethoven gemaakt. Weken zouden voorbijgaan, eer zijne geschokte zenuwen tot bedaren waren gekomen, eer hij weer tot zijnen normalen toestand teruggekeerd zoude zijn. Het gebeurde toch veel malen, dat hij over dat verschrikkelijke voorval des nachts droomde, dat hij dan dien verschrikkelijken amokhkreet andermaal hoorde, het gillen der verschrikte vrouwen en kinderen vernam, dat het geklaag der gewonden en het gerochel der stervenden in zijn ooren drong. Hij zag dan den rampzalige onder zijne sabelhouwen ineenzakken, hij zag de verschrikte soldaten op den rampzalige toespringen om met hunne krissen in zijne ingewanden te wroeten en … dan ontwaakte hij met een gil en meende, alvorens hij over de ontzetting, door die droomen veroorzaakt, vaardig werd, die verschrikkelijke geluiden, die zijnen slaap zoo schrikkelijk gestoord hadden, nog te hooren. En dan te midden van den nacht verscheen in vurige letters voor zijn oog in vlammend letterschrift het woord: OPIUM!
Ja, daar was de grondoorzaak van die schrikbarende misdaad, waarvan hij getuige was geweest. De opium! Van den zielstoestand des rampzaligen was misbruik gemaakt, [327]om hem tot het gevaarlijke heulsap te verleiden. O! hij zou daarbij eene verdooving van zijn leed putten! Hij zou zijne ontrouwe gade leeren vergeten! Hij zou eene andere leeren liefhebben, eene andere, die hem zou beminnen boven alle andere mannen! Dat werd hem ingefluisterd door een der beunhazen van den opiumpachter, die er steeds op uit was, om nieuwe slachtoffers voor den hartstocht van het opiumschuiven aan te werven. En de ongelukkige had geloof geslagen aan die verraderlijke woorden. Hij had de opiumpijp ter hand genomen. En … o zaligheid! reeds bij de eerste pijp werd de hem gedane voorspelling gedeeltelijk verwezenlijkt. Hij vergat.… hij zag een hoeri met aanmoedigende blikken om hem heen dartelen;… maar.… als hij dan ontwaakte … dan weken de droombeelden, dan hernam de werkelijkheid hare rechten. Hij wilde andermaal vergeten, andermaal genieten. De doses opium werden sterker genomen, naarmate zijn gestel meer en meer gewoon aan het verdoovingsmiddel geraakte. Er kwam eindelijk een tijd, dat de werkelijkheid voor den droom niet wilde wijken, dat het vergift slechts verbittering, haat en wraakzucht in zijn overspannen gemoed deed ontvonken. Toen de ongelukkige dat stadium bereikt had, was de amokhpartij, het bloedbad, niet verre meer.
Gelukkig voor Herman dat zijne overplaatsing naar de Militaire School spoedig volgde. Hij zou nu in eene andere omgeving komen, die het schrikkelijke tafereel langzamerhand op den achtergrond zoude dringen. Ronduit bekende hij, dat hij zich gelukkig, ja, gered gevoelde, toen hij uit die omgeving, die hem dat alles steeds herinnerde, verlost werd. Toch speet het hem, dat hij op de School niet bij Frank in ééne kamer gehuisvest kon worden. Hij smaakte evenwel het genoegen na afgelegd examen bij zijn vriend in de 3de klasse geplaatst te [328]worden; zoodat beiden nog een jaar aan die inrichting door te brengen hadden, alvorens tot het officiers-examen toegelaten te worden. Langzamerhand herkreeg Herman zijnen normalen toestand, en kon zijn studiën met ijver voortzetten.
„Stilte jongelui! luister nu aandachtig.… Maar.… eigenlijk moest ik die voorlezing staken.… wij hebben nog de rivieren van Java’s noordkust te behandelen …”
„Och, toe luitenant! Die rivieren kennen wij van de Tji Oedjoeng af, die ten zuiden van Lebak in Bantam op den Goenoeng Halimoen ontspringt en in de Java-zee uitwatert, tot de Kali Banjoe Pait, die in het kraterbekken van den Goenoeng Idjen haar oorsprong heeft, en zich in de Madura zee stort. Maar die geschiedenis van Nederlandsch Indië, door u te samengesteld, is zoo mooi!.…”
„De stijl is zoo pittig!.…”
„De taal zoo onnavolgbaar verheven!.…”
„Zoo zwierig!.…”
„Zoo tot het hart sprekend!.… Zoo.…”
Het was een broehaha van stemmen, hetwelk zich daar in een der onderwijslokalen van de Militaire School te Meester Cornelis verhief en ten doel had, het ijdelheidsgevoel van den in functie zijnden officier-docent te streelen.
Die leeraar was een man van middelmatige gestalte, eer klein dan groot, niet erg uit de kluiten geschoten, met een matbleek, scherphoekig kaal en glad gelaat, met rusteloos rondglurende oogen, die noode anderer blik vermochten te trotseeren, met sluike blonde haren, die weinig zorg daaraan besteed verrieden, met een korten maar zeer bewegelijken nek, die in de staande modelboorden soms zulke potsierlijke wendingen maakte, en zich daarbij rechts en links uitrekte, alsof zijn eigenaar het er op toelei, zijn hoofd aan de staande boorden, die [329]het als in een schotel omsloten hielden, te doen ontglippen.
De man, die op den naam van Sopoc antwoordde, was uiterst goedig van karakter,—hij zou geen mug kwaad hebben kunnen doen;—maar onuitstaanbaar pedant en zenuwachtig. Hij had zich in het hoofd gehaald, dat hij geroepen was om eene geschiedenis van Nederlandsch Indië te schrijven, en van dat oogenblik verscheen hij bijna nooit meer in het openbaar zonder een dikke rol folio-papier onder den arm, die hem een zeer gewichtig uiterlijk verleende. Geen grooter genoegen kon men hem baren, dan hem te verzoeken eenig saillant feit uit zijn werk voor te lezen. Steeds was hij daartoe bereid, tot zelfs in de sociëteit toe, wanneer hij daar des morgens een oogenblik aan de „kletstafel” plaats genomen had. Werd hij dan na afloop gecomplimenteerd, hetgeen hem steeds te beurt viel, dan stond hij van zijn stoel op, gaf zich op het voorste gedeelte zijner voeten met eene veerkrachtige beweging op, en liet zich met een schok op zijne hakken neerkomen, dan krabde hij verlegen met zijn rechterwijsvinger in zijne boorden, trok die als het kon nog hooger, terwijl het hoofd daarbij merkwaardige kapriolen volvoerde. Zijn mond stamelde daarbij schuchter enkele onverstaanbare woorden, als eene jonge maagd, die het eerste complimentje opvangt.
Hij was thans bezig de jongelieden der derde klasse onderwijs te geven. De tafel der werkzaamheden gaf aardrijkskunde aan; maar hij had geen weerstand kunnen bieden aan de verleiding, om zijnen leerlingen weer enkele bladzijden uit zijne geschiedenis voor te lezen. „Dat was toch geen verloren tijd” zoo redeneerde hij bij zich zelven, „want de Indische geschiedenis moeten zij toch ook kennen, en met nu op een ander uur de aardrijkskunde te hervatten, blijf ik stipt binnen de grenzen van mijn plicht.” [330]
„Ik wil wel aan uw verzoek voldoen” sprak hij, terwijl hij zijn linker boordpunt hoog ophaalde. „Ik zal u eene bladzijde uit den Bondjolschen opstand voorlezen, die, zooals gij weet, in het begin van 1833 losbarstte. Luistert nu aandachtig.”
De vier en dertig leerlingen, die de bewuste klasse uitmaakten, zetten zich schrap. Er waren er bij, die de hand aan de oorschelp brachten, en haar dan trompetsgewijs ombogen, om toch maar geen lettergreep verloren te laten gaan. Allen waren geheel gehoor. De luitenant kuchte en hemde, schraapte zich de keel, bewoog den hals links en rechts, trok zijne boorden met eene zenuwachtige beweging andermaal omhoog en liep van stapel:
„Onder vele, ja onder de ontelbare heldendaden der troepen van het roemvolle Nederlandsch Indische leger, valt er eene aan te wijzen, die niet alleen diepen indruk gemaakt heeft op de inlandsche stammen in deze gewesten, maar ook de opmerkzaamheid tot zich getrokken heeft van al de beschaafde natiën der geheele wereld, als ik niet vreesde mij aan overdrijving schuldig te maken, zou ik zeggen: van het gansche heelal!.…”
„Van het gansche heelal!.. O! hoe schoon, hoe sierlijk is dat uitgedrukt!..” viel een der leerlingen den voorlezer in de rede.
„O! hoe schoon! hoe sierlijk!” herhaalden alle aanwezigen in stomme bewondering.
De luitenant had niet gemerkt, dat een der jongelieden op een gegeven oogenblik den vinger omhoog gestoken had, waarop die uitbarsting van opgetogenheid volgde.
„Sjtt! Stil jongelui!” zei de luitenant, het hoofd vol ijdelheid op het boordjes-bord latende rollen. „Laat mij vervolgen: Van het gansche heelal! maar inzonderheid de bewondering van elken krijgsman ontvonkt heeft. Dat is de roemvolle terugtocht, die de luitenant-kolonel [331]Vermeulen Krieger van Pisang op Agam volvoerde. Niet alleen in den kring van de operatiën van den kleinen oorlog, niet alleen onder de voornaamste partijgangerstochten zal die terugtocht een merkwaardige plaats innemen; neen, hij zal de eerste plaats, den hoogsten rang verwerven, wanneer hij slechts door eene geniale, door eene geestdriftvolle pen, als die van een Victor Hugo of een De la Martine, aan de vergetelheid zal ontrukt worden. Want die tocht, hij staat, wanneer alle bijzonderheden behoorlijk overwogen worden, niet beneden den Terugtocht der Tien Duizenden in Klein Azië! Vermeulen Krieger, de Nederlandsche Overste, streeft Xenophon, den Griekschen veldheer, op zijde!”
Daar ging de vinger omhoog.
„O! hoe mooi! hoe verheven!” blaatten de vier en dertig stemmen andermaal.
„Stil dan toch, jongelui! Laat mij voortgaan:
„Toch wordt die Terugtocht der Tien Duizenden als het grootste Militaire wonder der wereld in alle geschiedenissen vermeld, terwijl hij evenwel bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoering niet die leerrijke voorbeelden van vastberadenheid, van kalm beleid en van onwrikbaren heldenmoed kan aan de hand doen, die deze terugtocht van Pisang naar Agam geleverd heeft, en waardoor hij niet alleen eene boven alles uitstekende plaats in onze roemrijke nationale krijgsgeschiedenis moet innemen, maar als eene hoog ontstoken fakkel in de geschiedrollen van de oorlogen der beschaafde volkeren moet schitteren!”
Bij die ontboezeming had de luitenant, als door geestdrift vervoerd, zelf den vinger opgestoken, om den stand dier hoog ontstoken fakkel aan te duiden.
„O! hoe overweldigend verheven! hoe goddelijk dichterlijk!” klonk het van alle kanten. [332]
„Stil dan toch!
„Vermeulen Krieger was in December 1832.…..”
„Ik meen dat de tafel der werkzaamheden aangeeft, dat thans aardrijkskunde zou gedoceerd worden!” klonk een stem, die zich van den kant der deur, in de zij-galerij van het schoolgebouw liet hooren. Het was de kapitein, Directeur der Militaire School, wiens opmerkzaamheid door de eerste uitbarsting der bewonderende jongelieden getrokken was geworden, de galerij ingetreden was om te vernemen wat daar gaande was, en zoo getuige geweest was van de geschiedkundige voorlezing en natuurlijk ook van het spelletje, dat de jongelui met hunne opgetogenheidskomedie gespeeld hadden.
„Wilt u het lesuur maar eindigen en mij volgen, luitenant,” sprak hij verder tot den docent. „Wat de jongelui betreft, ik had van hen, die eenmaal officier wenschen te worden, meer achting, meer égards jegens hun meerderen verwacht. Zulk vergeten van een hunner voornaamste plichten mag ik niet door de vingers zien. Ik straf dan ook de geheele klasse met vier weken arrest!”
De luitenant-instructeur ging met den directeur deemoedig mede, om zijn „sans-prendre” met alle ondergeschiktheid te genieten; maar wie het ergste op hun neus keken, dat waren de bewonderaars van den dilettant-geschiedschrijver. Vier weken arrest! Dat wilde zeggen: vier weken opsluiting in de schoolinrichting; dat wilde zeggen: vier weken lang de paar uren vrijheid derven, die tweemaal ’s weeks des avonds, en des zondags den geheelen dag den jongelieden geschonken werden; dat wilde zeggen: achter de ijzeren traliën van het hek te staan turen naar de gelukkigen, die daar buiten de volle vrijheid genoten, langs ’s Heeren wegen voortstapten met den sabel kletterend en trillend bij iedere schrede op de beide kuiten, en niet nalieten op het erf van [333]de hoofdofficiers-woning, die schuins tegenover het schoolgebouw, aan de andere zijde van den grooten weg, gelegen was, een steelsgewijzen blik te werpen, ten einde Serassima te ontwaren, die op dat uur steeds met de kinderen van den bewoner van dat huis daar heen en weder drentelde. O! die gelukkige stervelingen!
Wie van de onderofficieren, die in die dagen de Militaire School bezochten, kende Serassima niet?
Serassima met haar allerbevalligst kinderlijk naïef gelaat; met haar koddig gevormd, wel eenigszins platgedrukt neusje; met hare fijne maar zwellende lippen, die bij een glimlach het fraaiste en regelmatigste gebit der wereld te zien gaven, een gebit dat door het fatale sirih-pruimen nog niet ontsierd was; met hare fraaie amandelvormige zwarte oogen; met haren rijken haardosch, die, naar achteren gestreken, de lieve gelaatstrekken zoo bevallig deed uitkomen, en tegen het achterhoofd in een zwaren kondeh opgebonden was, waarin hier en daar eenige melattie-bloempjes187 prijkten en heerlijk geurden; met hare licht bruine gelaatskleur, die in den hals en het keelkuiltje in een donker brons overging, en het lieve wezen eene onbeschrijfelijke bevalligheid bijzette; met hare goed gevormde schouders en aangenaam gewelfde borst, die door de kabaai zoo zedig mogelijk bedekt was; met haar dun middel, hetwelk in waarheid met twee handen omspannen kon worden, met hare goed gevulde heupen, die plastisch door den „sarong” omgeven, buitengewoon weelderige wendingen konden maken; met hare kleine handen doch breed uit elkander getrapte ongeschoeide voeten, was de bekoorlijkste, de slankste, de kleinste en de fraaistgevormde baboe, die Java’s bodem ooit gedragen heeft. Dat was ten minste de meening van de geheele Militaire School van Meester Cornelis. [334]
Of de ega van den heer des huisgezins evenveel bewondering voor hare kleine baboe aan den dag legde, valt te betwijfelen; maar Serassima had zoo veel zorg voor den kleinen sienjo en de kleine nonnie188, dat de goede moeder, daardoor afgeleid, de soms onverholen bewonderende blikken, die de majoor, haar heer en meester, op de verzorgster zijner kinderen sloeg, niet zag of niet wilde zien.
Achter de bedoelde hoofdofficiers-woning strekte zich kampong Bali tot aan de Tjiliwong uit, die daar achter stroomde, en was die kampong het rendez-vous van alle aspirantluitenants, die aan verliefde grillen leden. Zij konden van daar de lieve Serassima, die de spelen der kinderen in den ruimen tuin deelde, op hun gemak bewonderen. Of het bevallige wezen aan sommige verzuchtingen geen weerstand wist te bieden, of dat een stoutmoedige het gewaagd had ondanks alles, een verboden jachtgebied te betreden, is nimmer ontsluierd geworden. Maar te midden van een zekeren nacht vloog de majoor, door een vreemd gedruis in den tuin verontrust, plotseling zijne kamer uit; maar kwam nog tijdig genoeg, om eene gedaante, welker vorm niet te onderscheiden was, door den pagger189, die zijn tuin van het kamponggebied afscheidde, te zien sluipen. Naar zijne kamer terugspringen, zijn sabel grijpen, en die gedaante achterna spoeden, was door den majoor snel bedacht en even snel uitgevoerd. Maar … toen de vluchteling zich op de hielen vervolgd zag, maakte hij natuurlijk meer haast, liep regelrecht op de rivier aan, waar de majoor hem dacht te pakken te krijgen; maar sprong, toen deze de hand reeds op hem wilde leggen, zonder aarzelen in de snelvlietende rivier, en liet zich onder het slaken van een gil met den stroom afdrijven.
Door dien gil onthutst, keek de majoor een poos den afdrijvende na en vroeg zich af, of hij niet onwillekeurig [335]oorzaak van een ongeluk was, ook of er geen pogingen tot redding te doen waren. Onder den spoorslag van die laatste gedachte, begaf hij zich spoedig naar de politiewacht van het infanterie-kampement, dat terzijde van de kampong Bali lag, en gaf daar bevelen, dat eene patrouille de oevers der Tjiliwong zoude volgen. Zelf vergezelde hij die manschappen tot bij de brug van Matraman190, een groot kwartier benedenstrooms gelegen; maar keerde, toen geen spoor van den vluchteling ontdekt was, langs den grooten weg naar zijne woning terug.
Toen hij zijn erf wilde binnentreden, zag hij nog licht in de voorgalerij van de woning van den Directeur der School, die met ettelijke makkers een partijtje zat te maken. Hij stapte even binnen en verhaalde, wat hem overkomen was, en gaf als zijn gevoelen te kennen, dat het waarschijnlijk een élève der school was die in de kali gesprongen was.
„Onmogelijk is het niet,” sprak de Directeur glimlachend. „Serassima is mooi, en.… een mensch is geen stokvisch!”
„Ook geen snijboon!” merkte een der medespelenden aan.
„Maar, wij zullen wel zien,” vervolgde de Directeur.
Hij liet door een zijner bedienden den onder-adjudant der School roepen, en gaf dien bevel, stipt nauwkeurig contre-appel te houden, en na afloop rapport te komen uitbrengen.
„Als een mijner jongelui in het kwartier ontbreekt, dan kunt ge zeker zijn, dat die de verliefde Don-Juan zal zijn.”
„Maar, dan is hij verdronken,” zei de majoor.… „Ik hoorde een gil, en van regelmatig zwemmen heb ik niet vernomen, wel eenig geplas.”
Weinige oogenblikken later verscheen de onder-adjudant en meldde in onberispelijk militaire houding: [336]
„Alles is present, kapitein. Maar.…”
„Maar?…”
„Maar, bij de badkamers is duidelijk zichtbaar, dat iemand over het dak binnen de inrichting gedrongen is. Die iemand moet kletsnat geweest zijn. De sporen zijn daarvan duidelijk zichtbaar en tot bij den put, die midden op de cour staat, te volgen; daar schijnt die persoon zijn kleeding uitgewrongen, te hebben.…”
„En?.…”
„Verder is niets meer te bespeuren. Daar houdt het spoor op.”
„En hebt gij nergens natte kleeren in de kamers der jongelieden ontwaard?”
„Neen, kapitein.”
„Ik dank u, onder-adjudant.”
Toen deze vertrokken was, zei een der aanwezigen:
„Bij nauwkeurige inspectie zouden die natte kleeren toch wel te ontdekken zijn.”
„Och kom,” antwoordde de Directeur, „zooveel opschudding, om te trachten een minnaar van Serassima op te sporen, en.… waarschijnlijk niets te vinden. Kom, het is na middernacht. Laten wij de laatste spelen.”
[337]
Kampong Bali leverde niet alleen een aanblik op baboe Serassima op. Neen, te midden van het klapperbosch en de pagger-koffiestruiken,191 waarin hij zich verschool, bood hij voor jeugdige gemoederen, door tropenzon gestoofd en door de gloeiende sambalans en sajorans192 overprikkeld, andere en menigvuldige aantrekkelijkheden aan. Die kampong vormde met de daaraan en opvolgend aan elkander grenzende kampongs: Ambon, Tanah Rendah, Malajoe en Bidara Tjina, die het Europeesche kwartier Meester Cornelis en den daarbij behoorenden Passar omgaven, een doolhof, waarvan de beschrijving, door eene bekwame hand ondernomen, de galante verborgenheden van de meest groote Europeesche stad zoude op zijde streven, en den tegenwoordigen realistischen schrijver Emile Zola menige studieschets zoude inspireeren.
Is het wonder, dat de vier weken arrest, de jongelieden in het vorig hoofdstuk opgelegd, lang, zeer lang vielen zelfs voor Frank en Herman, die wel is waar, de eene door zijne liefde voor Adelien, de andere door zijne herinnering aan Lydia voor ernstige afdwalingen behoed werden; maar die niettemin hunne vrijheid betreurden, en soms het door den Directeur der School gesproken woord: „de mensch is geen stokvisch!” tusschen de tanden, de eene minder de andere meer, hoorbaar gromden en variëerden, naarmate zij door hun innerlijk gevoel ten opzichte van de verplichtingen aan de toekomst of van den eeredienst voor het verledene beheerscht werden.
Vooral waren het de zondagen, die het gemis aan vrijheid zwaar deden voelen. Ja, dan was de School zoo verlaten! Lezen, studeeren, teekenen en dergelijke, ja, dat ging nog gedurende de warme uren van den dag, die niet door het traditioneele middagdutje ingenomen [338]werden. Maar des namiddags, wanneer de groote weg met wandelaars bezaaid was, dan liepen de gestraften de binnenplaats, waar omheen de kamertjes der onderofficieren zich uitstrekten, in groepjes op en neer, of stonden zij als arme zondaars achter het hek naar de gelukkigen daar buiten te turen of hen te benijden, terwijl soms de kreet weerklonk:
„Hoort ze eens brullen!”
Waarbij dan gezinspeeld werd op hunne overeenkomst met de wilde dieren eener menagerie, die ook achter de traliën zaten.
„Ik weet een goed tijdverdrijf!” riep een der meest levendige jongelingen van dien troep rampzaligen, toen het kijken naar den grooten weg begon te vervelen.
„Laat hooren! Maar pas op als.…”
„Wij zullen een optocht houden! Een optocht bij gelegenheid.… ja, van wat?.… Kom, wij zullen den kardinaal Granvelle ophangen!.…”
„Hoerah! hoerah! den kardinaal Granvelle ophangen!” was de algemeene kreet.
Men school in de teekenzaal, die vlak bij het hek gelegen was, te samen. In weinige oogenblikken was een pop vervaardigd, die met veel verbeeldingskracht van de zijde van de toeschouwers, wel iets van een kardinaal had, maar welks gelaat sprekend op den luitenant-adjudant van de Militaire School geleek. Dat hoekige, bleeke gelaat, met den spitsen neus en doffe zwarte oogen was kenbaar genoeg.
De luitenant-adjudant Blauw was een ijverig dienaar. Hij was met de instructie der exercitie-reglementen en met den politie-dienst bij de Militaire School belast; maar had geen slag om die diensten aangenaam uit te voeren. Hij was in de hoogste mate stug van inborst, hetgeen hem wel eens uit het oog deed verliezen, dat hij [339]aanstaande collega’s voor zich had. Daarbij had hij zoo een lijmerig, vezelachtig spraakorgaan, door een onaangenamen neusklank nog verergerd, hetwelk hij, vooral wanneer hij in dienst het woord voerde, bot vierde, dat het onwillekeurig aan draderige keukenstroop deed denken, wanneer men deze laatste van zijne suikerdeelen kon ontdoen. De man was streng, door het strenge heen. Niets ontzag hij, zelfs de geringste kleinigheid niet. Voor de minste beuzeling, zelfs wanneer zij een eerste maal voorkwam, of dat de delinquent overigens een uitmuntend leerling was, eischte hij bestraffing; en meermalen moest de Directeur, die een flink militair was, maar daarbij een humaan mensch moest genoemd worden, dien ijver temperen, en die strengheid matigen. De jongelieden hadden dan ook hartelijk het land aan dien officier. Er was slechts één punt dat hem genade in hunne oogen deed verwerven, dat was: dat hij de bezitter was van een allerliefst vrouwtje, eene bevallige creoolsche, die door hare bekoorlijke gestalte en hare innemende gelaatstrekken aller oogen tot zich trok. De gelukkigen der élèves, die hunne opwachting bij de familie Blauw mochten maken, werden wel benijd en algemeen werd de schoone vrouw in de School van Meester Cornelis innig beklaagd, dat zij zoo’n „saaien kardoes”, dat was destijds de uitdrukking, tot echtgenoot had.
Toen Granvelle klaar was, kostumeerden zich de grappenmakers met alles, wat zij voor de hand vonden. Waar de prullen vandaan kwamen als heeren- en dameshoeden, japonnen, chacots, helmen enz., weet de hemel. Wat evenwel verreweg het meest op contributie gesteld werd om aan een gewenscht fantasie-costuum te komen, was het beddengoed. Zoo was er hier een die in zijn linnen sprei als in een almaviva gewikkeld was; [340]elders verleende eene pluizige wollen deken het uitzicht van een beer aan een ander; terwijl een derde zijn „bantal goeling”193 bij wijze van tulband om zijn hoofd droeg, en daar heen stapte met eene deftigheid en ernst, alsof hij Nathan de Wijze was, en den armen veroordeelden kardinaal geestelijken troost moest brengen.
Eindelijk was de optocht gereed, die nu driemaal het plein der School rondtrok en eindelijk bij den put, die het middenpunt van de plaats uitmaakte, aankwam, en zich daar rondom plaatste. Boven den put verhief zich eene galg, waaraan eene katrolschijf bevestigd was, om het waterputten te vergemakkelijken. Hieraan werd de kardinaal onder luid gejuich opgehangen, waarna de joelende jeugd een patertje langs den kant er omheen danste.
Dat gejuich en gejoel had evenwel de aandacht van den onder-adjudant, tot handhaving der politie bij de inrichting geplaatst, getrokken. Deze vertoonde zijne strenge tronie in de nabijheid, juist toen de cirkeldans in vollen gang was en de jongelieden hand aan hand in dolle vaart rond vlogen.
„De Stip! daar is de Stip!”194 gilde eene stem.
De menschenkring stond plotseling stil als versteend. Een paar evenwel, beducht dat de onder-adjudant de wezenstrekken van luitenant Blauw in die van den opgehangen kardinaal zoude herkennen, vlogen op de pop aan, trokken haar zoo stevig aan de beenen, dat de strop brak en de kardinaal in den put verdween.
„Hij verliest zijn afstand!!” gilde eene stem op hartverscheurenden toon.
Ja, dat gaf den doorslag. Bij het lijntjes-exerceeren namelijk, wanneer de een of andere guide den bepaalden afstand tot zijn voor hem marcheerenden collega niet nauwkeurig onderhield, dan riep de luitenant-adjudant onverdroten: [341]„de guide van het zooveelste peloton verliest zijn afstand!” en dat geval kwam soms wel honderdmaal bij zoo’n oefening voor; eigenlijk was het de eenige aanmerking, welke die officier zich veroorloofde. Het „hij verliest zijn afstand” was dan ook spreekwoordelijk geworden, en werd bij alles te pas gebracht en met de haren er bij gesleept. En zoo kwam het, dat kardinaal Granvelle, toen hij de buiteling in den put maakte, gezegd werd ook zijn afstand te verliezen.
Maar die kreet had den Stip opmerkzaam gemaakt. Hij liet de pop uit den put opvisschen, en toen hij in weerwil van die indompeling, die veel van de gelijkenis uitgewischt had, toch nog de trekken van den luitenant Blauw in den gehangene meende te herkennen, huiverde hij van verontwaardiging, en droeg den kardinaal Granvelle naar den Directeur, om zooveel snoodheid aan te klagen. Deze lachte hartelijk om de grap; maar verlengde toch het arrest van de grappenmakers met acht dagen, om het autoriteits-gevoel van den stipten dienaar, die zijn plicht deed, niet te beleedigen.
„Dat zullen wij den Stip betaald zetten!” riepen de gestraften woedend uit, evenwel zoo, dat de betrokkene die bedreiging niet kon hooren. [342]