139 Poeloe tiga (bladz. 240) beteekent: drie eilanden. Er zijn schrijvers, die deze eilandjes: tiga poeloeh genoemd hebben. Dat is eene vergissing, want dat beteekent: 30. 

140 Dapoer (bladz. 242) is een toestel, gewoonlijk van gebakken zandgrond, waarop gekookt wordt. Overdrachtelijk heet de keuken ook dapoer. 

141 Atàp (bladz. 242) is eene dakbedekking, die gewoonlijk van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt. 

142 Kadjang omwanding (bladz. 242) is een matwerk, dat ook van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt. 

143 Niboeng (bladz. 242) is eene fraaie slanke palmsoort, door de plantenkundigen Areca Nibung geheeten. De stam van dien palm levert een sterk hout, dat zich zeer gemakkelijk tot latten laat splijten. 

144 Tampat mandi (bladz. 248). Mandi beteekent: baden, Tampat mandi = badplaats. 

145 Kembang sapatoe (bladz. 250) = Hibiscus rosa sinensis. Van deze bestaan zeer veel variëteiten, met dubbele en enkele, met groote en kleine bloemen. Vooral komen de variëteiten in de kleur der bloemen uit. Er bestaan vuurroode, rooskleurige in alle schakeeringen, paarsche, witte en gele kembang Sapatoe. 

146 Sedap malam (bladz. 250) = Polyanthes tuberosa. Katja piring = Gardenia florida. Melattie = Jasminum sambec

147 Kembang mawar (bladz. 251). Zoo worden door de inlanders alle rozensoorten geheeten. De hier bedoelde is de „rosa indica”, die in sommige bergstreken gekweekt wordt, en dan overschoone heggen vormt. 

148 De prachtigste orchideeën (bladz. 251) waaronder in de bedoelde bergstreken, op ± 2000 voet hoogte gelegen, aangetroffen worden, b.v.: de Vanda tricolor suavis,—door de inlanders „angrek kringsing” genaamd—met hare fraaie paarsche bloemtrossen, met oranjekleurig hart,—de Coelogina speciosaangrek djamboe—met hare vijf hoekige bulbis en hare bruine bloemtrossen, die wonderlijk grillig van vorm zijn met heure harige en onevenredig groote bovenlip en zijlobben; en de Phalaenopsis grandifloraangrek poeti bezar—met hare fraaie bonte bladeren, met haren langen bloemstengel, aan welker uiteinde een tros zacht-lilakleurige bloemen bengelt, enz., enz. 

149 Aardorchideeën (bladz. 251), waaronder o.a. de Cipipredium javanicumangrek plembang—met hare wonderlijk gevormde bloem, welker onderlip den vorm van een muiltje vertoont. 

150 Pandan bebaoe (bladz. 252) = Pandanus odoratissimus

151 Wariengien (bladz. 253) = Ficus religiosa

152 De Takka laoet (bladz. 254) wordt door Miquel Tacca cristata en in Paxton’s Botanical Dictionary Attaccia Rafflesiana genoemd. 

153 Een allerliefste vuurvliegje (bladz. 259). Waarschijnlijk een Lampyris of ook wel een Fulgora of lantaarndrager, waarvan in Nederlandsch Indië verscheidene soorten aangetroffen worden. 

154 Benteng (bladz. 262) is de inlandsche naam eener versterking. Gevoegelijk is dat woord door: fort te vertalen. 

155 Kemiri (bladz. 263) = Aleurites tribola. De noten smaken als fijne amandelen. 

156 De peper (bladz. 266) = Piper nigrum

157 Kedjineman (bladz. 267) is een Javaansch woord, dat het best door „in dienst zijnde werkman” te vertalen is. 

158 Patjar tjina (bladz. 268) is een sierlijk struikgewas, dat door de geleerden Lawsonia alba, ook wel Aglaja odorata genoemd wordt. 

159 Idjoh (bladz. 272) is eene zwarte haarzelfstandigheid, die tusschen den stam en de bladstelen van de Arengpalmen groeit. 

160 Brandals (bladz. 274) beteekent: muitelingen. 

161 Rappat (bladz. 275), beter gezegd landraad, is eene rechtbank, die door het Europeesche hoofd van gewestelijk bestuur gepresideerd wordt, maar welker leden uit inlandsche hoofden bestaan. 

162 Oelam emas (bladz. 278) is de Javaansche naam van eene soort goudkarper, die door de geleerden Cyprima flavis punis geheeten wordt. Die visch wordt ongeveer twee voet lang. 

163 Tambra (bladz 278) = Labea barbus tambra. Deze visch bereikt bij volkomen wasdom eene lengte van ruim drie voet en weegt dan ± 20 katti’s of 25 Amsterdamsche ponden. Is zeer lekker. 

164 Goerami (bladz. 278) = Osphromeus olfax. Is een visch die ongeveer 1½ voet lang wordt. Is de lekkerste zoetwatervisch, die in den Indischen Archipel aangetroffen wordt. 

165 Kilaling (bladz. 278) = Bogarius Buchanani. Dit is een geduchte roofvisch, die ruim drie voet lang wordt. 

166 Randjoe’s (bladz. 281) zijn een soort voetangels van bamboe, van ijzerhout of van andere harde houtsoorten vervaardigd. Zij zijn een geducht chicane-middel voor den ongeschoeiden voet onzer inlandsche soldaten, en noodzaken de Europeanen zelfs om uiterst voorzichtig voorwaarts te schrijden. Het is meermalen gebeurd, dat zoo’n randjoe de schoenzool doorboorde en den voet deerlijk wondde. 

167 Borang’s (bladz. 281) zijn lange randjoe’s, die onder eene zekere helling in het hooge gras of te midden van het struikgewas geplant worden, en waaraan de aanvaller zich den buik gevaarlijk wonden kan. In ieder geval noodzaakt dit chicane-middel hem om behoedzaam en langzaam vooruit te gaan. 

168 Op den bedoelden top aan (bladz. 283). De Radja Bassa-top is 1341 M. of ruim 4316 voet hoog. 

169 De eilanden Seboekoe en Sebessi (bladz. 285). De hoogste top van het eiland Seboekoe bereikt 426 M. of ruim 1360 voet. De top van het eiland Sebessi is 859 M. of ruim 2744 voet hoog. 

170 Krakatoea (bladz. 285). De piek van Krakatoea is (was) 823 M. of ruim 2629 voet hoog. 

171 Maar het is misdadig (bladz. 292). Ik laat hier volgen wat destijds aan de troepen te velde verstrekt werd: 1⅓ pond rijst of 1 pond hard brood, zoogenaamde scheepsbeschuit, ¾ pond versch rund- of gezouten vleesch, in vervanging waarvan ook ½ pond gezouten of gerookt spek of ½ pond gezouten visch kon verstrekt worden, 1⁄25 pond koffie, 1⁄120 pond peper, 1⁄12 pond zout, 1⁄10 kan jenever of arak, 1⁄1000 vadem brandhout, 3⁄1000 kan lampolie. De ponden beteekenen Amsterdamsch gewicht en de kannen Bataviasche maat. De inlandsche soldaten bekwamen minder vleesch, geen spek en slechts 1⁄30 kan jenever. 

172 IJzerhout (bladz. 296) wordt door de geleerden Eusideroxylon Zwagerii genoemd. 

173 Poeloe Bessi en Krakatoea (bladz. 296). Deze uitleg dier namen, die zeer aannemelijk is, werd mij zoo in het jaar 1856 medegedeeld. Laat mij hier nog bijvoegen, dat tegenover Karang toea of Krakatoea in Bantam een berg ligt, die Karang heet, en door de inlanders wel eens Karang moeda genoemd wordt. Vergelijk nu daar eens mede het verhaal van een grappenmaker—dat evenwel na den Krakatoea-ramp op 27 Augustus 1883, in alle Nederlandsche couranten de rondte deed—alsof de naam Krakatoea van „krakende touw” en Sebessi van „slib in zee” zou afgeleid zijn, aan welke afleiding een dwaze hollandsche matrozenlegende werd vastgeknoopt. Alsof de inlanders zich bij het geven van namen aan onze matrozenverhalen zouden storen en diensvolgens hunne nomenclatuur vaststellen! 

174 Een groote inktvisch (bladz. 296). Zie daaromtrent de noot No. 76 op bladz. 391 van Naar den Equator. Het hier bedoelde dier, dat de schrijver zelf gezien en waarvan hij gegeten heeft, was waarschijnlijk een jonge Architeuthis princeps

175 Kaoem (bladz. 298) is een soort Mohammedaansch priester, wiens voornaamste bezigheid is driemaal daags, op de bedoed, die gewoonlijk onder het afdak der missigit staat, te roffelen. 

176 Bedoed (bladz. 298) is een instrument, dat niet beter te vergelijken is dan met eene overgroote Turksche trom, die slechts aan eene zijde met een vel bespannen zoude zijn. 

177 Adat (bladz. 300) beteekent: gewoonte, gebruik. Stelt in Indië een grooteren band daar dan nieuwbakken wetten. 

178 Dat de schuldige jaren geleden (bladz. 301). De bedoelde moord werd in 1851 gepleegd. 

179 Confiteor Deo omnipotenti (bladz. 310) beteekent: ik belijd aan den almachtigen God. Het zijn de beginwoorden van een formulier van schuldbekentenis, hetwelk steeds de eigenlijke belijdenis der zonden bij de oorbiecht voorafgaat. 

180 Meâ culpâ, meâ maximâ culpâ (bladz. 310) beteekent: door mijne schuld, door mijne overgroote schuld. Behoort tot het hierboven bedoelde formulier. 

181 Ideo precor beatam Mariam semper Virginem (bladz. 310) beteekent: Daarom verzoek ik de gelukzalige Maria, die steeds Maagd gebleven is, enz. Dat is eene smeekbede van den biechteling aan de Moedermaagd, aan alle Heiligen, ook aan den biechtvader, God den Heer te willen bidden den zondaar vergeving te schenken. 

182 Viaticum (bladz. 310) is de naam van het Nachtmaal aan stervenden verstrekt. 

183 Groene en roode briefjes (bladz. 314). Dat was destijds papieren geld van 5 en 10 gulden. 

184 Boegineezen (bladz. 317). Zoo worden de bewoners van Boni en aangrenzende rijken op Celebes genoemd. 

185 De geweren worden gebruineerd (bladz. 322). In Indië zijn de ijzerdeelen der geweren niet blank zoo als hier te lande. Het onderhoud dier wapens zou in die warme, vochtige atmosfeer te lastig en te schadelijk zijn door te veel slijtage. Al de zichtbare ijzerdeelen worden met een bijtend middel—een mengsel van sulphas ferri en murias ferri liquidum gebruineerd. Dat bruineeren heeft nog een ander voordeel dan het onderhoud der wapenen te bevorderen, namelijk, dat op die bruindoffe geweerloopon de zonnestralen niet kunnen weerkaatsen, en zoo den troep in de verte niet kunnen verraden. 

186 Amokh (bladz. 322) is een kreet, die bij moord zoowel door den moordenaar als door de bedreigden aangeheven wordt. 

187 Melattie-bloempjes (bladz. 333) zijn allerliefste uiterst welriekende bloemen, die door de geleerden Jasminum Sambec genoemd worden. 

188 Nonnie (bladz. 334) is eene verbastering van nonna. Wordt tegen zeer kleine meisjes gebezigd. Zie verder de noot No. 44 op bladz. 375 hiervoren. 

189 Pagger (bladz. 334) beteekent: heg. 

190 Matraman (bladz. 335) is een landgoed, dat in de afdeeling Meester Cornelis langs de Tjiliwong gelegen is. 

191 Pagger-koffiestruiken (bladz. 337). In zeer vele kampongs worden koffieheesters als heggen gebezigd. 

192 Sambalans en sajorans (bladz. 337). Zie omtrent het eerstbedoelde woord, de noot No. 32 op bladz. 273 hiervoren. Sajoran is ook eene toespijs voor de rijsttafel, waarvan „daoen sajor” (groentebladeren) de voornaamste bestanddeelen zijn. 

193 Bantal goeling (bladz. 340) is een kussen, een rolkussen, in den vorm van eene dikke worst. Wordt in Indië zeer veel ter bevordering van de luchtigheid gebezigd. 

194 Stip (bladz. 340) was destijds een schimpnaam voor de adjudant-onderofficieren bij het leger, waarschijnlijk omdat zij zoo stipt hunne plichten vervulden. 

195 De acht en twintig naderden (bladz. 342). Die leeftijd was het maximum, waarop een kandidaat tot het afleggen van het officiersexamen werd toegelaten. 

196 197 De weg naar Meester Cornelis (bladz. 345) is 3¾ paal of ruim 5½ kilometer lang. 

197 In den tekst op bladz. 345 staat abusievelijk (182) moet zijn (196). 

198 Les Sept Caveaux (bladz. 362). Zoo wordt eene galerij genoemd, die zich in de helling van den berg, ter halver hoogte daarvan bevindt. Van de boot op de Maas gezien, leverde die galerij een schilderachtigen aanblik op. 

199 Zouden de konkernollen-struiken daar nog staan? (bladz. 362). Men leze nog eens bladzijde 6 van Naar den Equator. Op 2 Mei 1884 volbracht de schrijver in zeer lief gezelschap een pelgrims-tocht naar Slavante. Hij deed zich toen die vraag: Zouden de konkernollenstruiken daar nog staan? De twijfel was gerechtvaardigd. Ruim dertig jaren waren voorbijgesneld. Och, wat gaat en vergaat er niet in zoo’n tijdruimte! Maar ziet … die struiken waren er nog! Hij toonde ze zijne lieve geleidster, en was ondeugend genoeg om haar voor te stellen met een blad op hare lieve wangen het proefondervindelijk bewijs te leveren. De achterkant van de bladeren van dat gewas is met fijne haartjes bezet, die bij wrijving een branderig en jeukend gevoel aan de huid mededeelen.