III.
Eene idylle te Rijswijk.
Het was werkelijk een prettige dag, die onze beide onderofficieren in het vooruitzicht hadden. Het degelijk ontbijt, bij den kapitein genoten, stelde ruimschoots schadeloos voor de twee rijstbroodjes, die hen ’s morgens in hun kamertje gebracht waren, en die zij ter nauwernood geproefd en verder neergelegd hadden, zoo flauw en smakeloos waren die geweest, voor de zeer slappe koffie, waarbij geen melk, maar wel een stuk bruin goed verstrekt was, dat Javaansche suiker heette39 maar er zoo onoogelijk uitzag, dat ze er niet aangeraakt, maar het slappe vocht zonder melk en ongesuikerd naar binnen geslagen hadden.
Na het ontbijt bleven zij nog een poos met kapitein Van Dam in de voorgalerij van het hotel praten, alwaar zij al de overige officieren van het suppletie-detachement aantroffen en zich daarmede gezellig onderhielden. Zij verbaasden zich gedurende dat vertoeven in die voorgalerij over het groote aantal „klontong’s” (rondventers), Chineezen, Arabieren, Klingaleezen, Javanen, die de nieuw aangekomenen bestormden met hunne aanbiedingen en met hunne uitstallingen. Hier spreidde een zoon van het Hemelsche rijk eenige linnens als: tafellakens, servetten, [43]handdoeken enz. ten toon; ginds pakte een ander hemden, kousen, handschoenen, enz. uit; elders riep een Sjech de aandacht der kooplustigen op fraaie geborduurde muiltjes, op beeldig gebloemde sarongs, op fraaie stramien patronen enz.; verder bood een Javaan sigarenkokers, sierlijk fraai bewerkt van pauwenveer of van manilla-stroo, ruggenkrabbers, tandenstokers, oorbelletjes, klamboe-haken40, die laatste voorwerpen in ivoor, hoorn of zilver bewerkt; verder een Klingalees, met een akelig Semieten-type op het bruine gelaat, stalde kleedingstukken uit, wit linnen pantalons, piqué vesten, jassen van ananas-zijde, enz. enz. Zelfs was er hier en daar een, die een tafel of een knaapje, of een stoel op zijn hoofd droeg en den vreemdelingen aanbood hen in hunne meubelen te steken. Het was of die voorgalerij een bazar was. Niemand zag daar iets vreemds in. Integendeel verscheiden gasten van het hotel deden daar hunne inkoopen tegen spotprijzen, soms nog beterkoop dan in Nederland. Er waren er ook, die bij wijze van tijdverdrijf die arme kooplieden hun geheele rommeltje lieten uitpakken, alles in handen namen, alles beduimelden en alles bekeken, maar niets kochten. Er zijn zoo van die menschen, die geen hart hebben. De arme klontong’s durfden geen woord tegen de blanke onbarmhartigen zeggen; maar hier en daar verried een blik, wat er bij zoo’n bejegening in hun binnenste omging.
Toen het zoo omstreeks elf uur geworden was, stond kapitein Van Dam op.
„Kom jongelui,” sprak hij, „nu in den wagen, naar Rijswijk!”
In Indië spreekt men steeds van wagen, wanneer een rijtuig bedoeld wordt.
Ons drietal reed vlug heen. De koetsier volgde de Goenoeng Sahari-laan, tot aan den Sipajers-weg, sloeg [44]dien in tot aan den weg, die langs en evenwijdig aan het front van het Groote Huis voerde, reed het Waterloo-plein over, dat door twee boogvormige wegen doorsneden werd, die bij het Michiels-monument te zamen kwamen en vandaar den weg langs, dien wij reeds kennen, over de Sluisbrug naar Rijswijk.
Toen het rijtuig het erf van het Java-hotel opreed, stond de heer Groenewald met zijne jongste dochter Adelien in de voorgalerij, en was het lieve meisje bezig haren papa te overreden een paar diamanten „kraboes”41 te koopen, die eene Javaansche oude vrouw bij eene menigte andere juweelen en goudwerken te koop aanbood.
„Kom, helpt mij heeren,” sprak het lieve meisje, terwijl zij op de nieuw aangekomenen toetrad, en ieder volgens de rei af een handje reikte, eerst aan kapitein Van Dam, toen aan Herman, eindelijk aan Frank.
Dat haar handje in die van den laatsten een ondeelbaar oogenblik langer toefde dan strikt noodzakelijk was, laat zich begrijpen.
Maar wat keken de jongelieden wonderlijk vreemd op.
Aan boord van de Fernandina Maria Emma waren de dames Groenewald steeds gekleed op het dek of in de kajuit verschenen. Voor al die baarsche passagiers hadden zij zich nimmer in sarong en kabaai42 willen vertoonen. Nu evenwel droegen zij, even als iedere dame in Indië, die nette ochtendkleeding, die wel de verbazing van Frank en Herman opwekte. Het jonge meisje scheen die verbazing te begrijpen; want zij bloosde bekoorlijk, hetgeen haar niet onaardig stond. Maar die kleeding was wel geschikt om de bevreemding, maar ook de bewondering onzer baren gaande te maken. De kabaai, hoewel eenigermate zakvormig, liet toch geen onzekerheid omtrent de slanke taille toe, modelleerde [45]de schouders en den boezem zoo kiesch, dat zelfs de meest strenge zedemeester er niet op aan te merken zou gehad hebben, omsloot met haar strookjes en gefestonneerde entre-deux hals en keel zoo geheimzinnig mogelijk, en daalde sierlijk tot op den sarong af, die de heupen plastisch omgaf, en gazeerde dat plastische eenigermate. Onder den sarong, die tot op den grond daalde, kwamen een paar snoeperige geborduurde slofjes uit, waarin een paar nog snoeperiger kleine lelieblanke voetjes schuilden, alsof ze daar kiekeboe speelden. De jonge dame had het zachte blonde haar in een weelderigen kondeh gebonden, die door een paar haarspelden, met brillanten versierd, opgehouden werd. Toch maakten zich eenige weerspannige krullen te midden van dien rijkdom baan, weigerden zich aan het dwangjuk te onderwerpen en omlijstten dat gezichtje allergoddelijkst.
„Drommels,” zei Herman in zich zelven, „als juffrouw Emma straks ook zoo te voorschijn komt, kerel, sta dan vast; want dan loopen je voornemens om ongetrouwd te blijven wel gevaar. Beeld van Lydia, sta mij dan bij!”
„Kom helpt mij, heeren,” herhaalde Adelien. „Papa is zoo zuinig, dat hij mij niet eens die fraaie kraboe’s wil koopen. Kijk eens, hoe die steenen fonkelen!”
Zij hield de juweelen in het heldere zonlicht en werkelijk het waren stralenbundels, zuiver en helder, die de oogen van de beschouwers troffen en die met hare kleurenpracht verblindden.
„Is het geen „djakot” (bergkristal), juffrouw Adelien? Pas op, die nenèh’s (oude vrouwen) zijn uiterst geslepen,” vroeg kapitein Van Dam.
„Neen, de steenen zijn echt,” antwoordde Groenewald. „Ik ben een oude kenner. Maar zij vraagt vijf honderd pop, dat is te duur!” En zich tot de koopvrouw wendende: „Maoe doea ratoes?” (Wilt ge twee honderd?) [46]
„Astaga! Toean! Roegi!” (Mijn hemel; mijnheer, dan zou ik schade lijden.)
„Nah! doea ratoes lima poeloeh! soeda!” (Nu, twee honderd vijftig dan, en niets meer.)
De oude wankelde, maar pakte toch haar boeltje in een ouden vuilen doek zamen en wilde weggaan. Adelien evenwel fluisterde haar wat in het oor, terwijl haar vader een handdruk met de heeren wisselde. Terstond ontvouwde de koopvrouw haar pak en reikte Adelien de kraboe’s over; nu betaalde haar papa de bedongen twee honderd vijftig gulden in vuile smerige recepissen43. Later zou de koopvrouw wel bij de nonna44 komen, om het meerder bedrag te halen.
Het jonge meisje stak de kraboe’s aan de ooren en vroeg de heeren:
„Zijn ze niet beeldig?”
„Ik weet wel, wat sergeant Brinkman beeldiger vindt,” plaagde kapitein Van Dam.
Adelien kleurde tot achter de kraboe’s. Frank niet minder. De kapitein was ook zoo „nakal” (ondeugend).
Toch kon de jonkman niet nalaten haar toe te fluisteren, dat hij die lieve blozende oortjes veel mooier vond.
„Zij zijn om te stelen!”
„En hebben de jongelieden nu permissie?” vroeg de heer Groenewald aan den kapitein.
„Tot middernacht,” antwoordde deze.
„Ik dank u wel voor uwe bemoeiingen, kapitein Van Dam. Blijft gij nu bij ons rijsttafelen?”
„Ik dank u; ik heb mijn woord reeds gepasseerd. Ik wacht maar op mevrouw Groenewald om haar mijn kompliment af te steken, dan haast ik mij voort.”
Mevrouw Groenewald en hare oudste dochter verschenen in dit oogenblik. Beiden waren even als Adelien [47]in sarong en kabaai gekleed. Emma zag er betooverend uit. Herman sloot een oogenblik de oogen als voor het zonlicht. Of hij uit ouder gewoonte als herinnering aan het Seminarie te Rolduc een: „Sub tuum presidium” of een „retro satanas” prevelde, heeft hij later aan niemand bekend. Genoeg zij het, dat toen hij de oogen weer opende, hij den blik vrij en onbevangen op de lieve maagd rusten liet, welker kabaai zooveel bekoorlijks uiterst bescheiden modelleerde.
„Goeden morgen, kapitein Van Dam! Goeden morgen jongelui, hebt gij den eersten nacht in ons goddelijk Indië goed doorgebracht, in andere woorden hebt gij goed geslapen?” vroeg de goedhartige moeder.
„Perfect mevrouw,” antwoordde de kapitein. „In het hotel Willem II zijn de klamboe’s luchtig en dicht. Daarbij is het een genot, na ruim zeventig dagen zich met eene nauwe korte en bedompte scheepskooi te hebben moeten vergenoegen, de ledematen weer eens te hebben kunnen uitstrekken in een ruim luchtig ledikant, zonder daarbij genoodzaakt te zijn, zich met den rug en met de knieën vast te zetten, om niet bij iedere beweging van het schip van den muur naar de plank, en van de plank naar den muur te rollen. Ik heb heerlijk geslapen!”
„En de jongelui?”
Thans nu zich de beide onderofficieren naar het volle licht keerden, en de blik der dames op hun gelaat viel, proestten dezen het uit van lachen. Zelfs Adelien deed mee, hoeveel medelijden zij ook met haren Frank had.
„Mijn hemel, wat ziet gij er uit!” riep mevrouw Groenewald.
„De eerste kennismaking met de „njamokh’s” (muskieten) dames,” zei kapitein Van Dam, „heeft niets te beduiden! Gij hadt die lummels straks moeten zien. [48]De builen op hunne oogleden zijn reeds grooten deels geslonken. Maar.… ik verbabbel mijn tijd. Men wacht mij; ik moet voort!”
En de dames een hand drukkende, snelde hij weg.
„Wij zien u toch nog, kapitein?” vroeg mevrouw Groenewald. „Aanstaanden dinsdag vertrekken wij naar Solo.”
„Zoo gauw al? Nu, dan kom ik ulieden maandag na de inspectie voor den legerkommandant nog even goeden dag zeggen.”
En weg was hij.
Nadat de dames de jongelieden braaf uitgelachen hadden, troonde Adelien ze allebei mede naar de kamer harer ouders, en riep eene oude baboe om haar in de verpleging der mishandelden te helpen.
„Nèh, kassi kapoer sirih,” (Neneh45 geef mij wat sirihkalk46).
De oogleden, de wangen, het voorhoofd der jongelieden werden nu met eene dunne laag van die kalk, die de consistentie van een zacht deeg had, bestreken. Natuurlijk dat Adelien haren Frank onder handen genomen had, en de nenèh Herman. Bij die bewerking moesten de oogen gesloten worden, er mocht eens iets van dat bijtend alkali in komen. De jongelieden lieten zich gedwee behandelen; maar de lippen van Herman krulden zich tot een glimlach, toen hij meende een verdacht geluid te hooren, dat veel van een zoen had. En inderdaad, toen Adelien haren Frank zoo met kalk geblinddoekt had, en zij tot het besmeren der wangen zou overgaan, bekroop haar een onbedwingbare lust om die wang een kus te geven. Er was vooral daar bij die oorlel een plekje, dat met zijn rozenrood en bedekt met het blonde vlas van een ontluikenden baard van een negentienjarige, haar bijzonder aantrok. Zij [49]kon eindelijk de begeerte geen weerstand bieden, hare lipjes naderden dat verraderlijk plekje en.… drukten zacht en onhoorbaar een zoen op die wang. Ja.… maar Frank was niet van steen! Hij greep bij het ontvangen van dien zoen het jonge meisje op den tast af om het middel, prangde haar aan zijne woest zwoegende borst, overlaadde hare wangen, haren hals, hare lipjes met brandende kussen, en dat met zoo weinig omzichtigheid, dat de nenèh, hoe doof zij ook was, het hooren moest en zich dan ook omkeerde:
„Astaga! itoe toean nakal!” („Mijn hemel! wat is die heer ondeugend!”) zei ze.
Bij het vernemen van die stem wrong Adelien zich snel en behendig uit Franks armen los, en fluisterde zacht tot de baboe:
„Sjtt! diam boe!… Skarang gossokh mienjakh!” (Shut! stil baboe!… Nu met olie insmeren). En de daad bij den raad voegende, sprong het jolige ding naar de toilettafel harer moeder, greep daar een vlok kapok uit eene doos, vormde daarvan een dotje, doopte dat in een zilveren vaasje, met versche klapperolie gevuld, en bestreek daarmede de met sirihkalk besmeerde plekken van Franks gelaat. De nenèh beijverde zich hetzelfde bij Herman te verrichten.
Toen Frank’s oogleden evenwel van de kalkkorst verlost waren, die hem belet had zijne kijkers te openen, en hij dat lieve aanminnige gezichtje van Adelien, hetwelk nog kersrood van de kussen van straks was, in zijne nabijheid zag, werd een tegenhanger van het tooneel van straks geleverd. Thans was het de jonkman, die geen weerstand aan zijn verlangen kon bieden. Hij greep andermaal het lieve kind en kuste haar met zooveel onstuimigheid, dat de baboe andermaal uitriep:
„Itoe toean nakal sakali!” (Die heer is zeer ondeugend!) [50]
„Betoel, boe!” pruttelde het jonge meisje zich loswringend. „Betoel, nakal sakali! Lihat saja poenja pipie, mienjakh sadja!” (Juist baboe, hij is zeer ondeugend! Kijk mijn wangen eens, zij zijn in de olie gezet!).
En tot Frank:
„Stil nu! daar komt Emma of mama aan!”
In een oogwenk stond Frank stil als de verpersoonlijkte onschuld. Of de goede moeder de glinsteringen van de klapperolie op de wangen harer dochter niet gewaar werd, valt niet uit te maken. Genoeg zij het, dat de wangen der nenèh die sporen niet droegen.
„Waar blijft gijlieden toch?” vroeg mevrouw Groenewald. „Het heeft reeds eenmaal geluid voor de rijsttafel.”
Zij glimlachte, toen zij de bewerking met het dotje zag, maar zei verder niets. De jongelieden waren nu in een oogwenk klaar; en waarlijk: of het de sirihkalk of de klapperolie was, die heil aangebracht had, dat is nog niet door de geleerden uitgemaakt, en zal nog wel aanleiding tot menig vinnig betoog van den een of anderen natuuronderzoeker geven; maar toen de beide onderofficieren de voorgalerij van het hotel weer intraden, waren alle sporen van muskietenbuilen nagenoeg verdwenen.
Een poos later begaf zich het gezelschap, op het sein van het tweede gelui, naar de pondoppo47 om aan tafel te gaan. Aanvankelijk hadden de jonge meisjes het er op gezet, de twee baren in het ootje te nemen; maar èn Frank èn Herman waren zoo verstandig naar den raad van mevrouw Groenewald te luisteren, zoodat zij zonder te veel wederwaardigheden er afkwamen. Wel kwam er een oogenblik, dat Herman, die zich door Adelien had laten overhalen, wat veel „sambal oelik” bij zijne rijst te voegen, met geweld lucht inademende, met tranen in de oogen prevelde: [51]
„Dat is heet als een oven!”
Maar overigens vonden zij de rijsttafel lekker en waren overtuigd dat, wanneer zij er maar eerst wat aan gewoon waren, zij al die sajoran’s en sambalan’s wel lekker zouden vinden.
Na dit maal, dat tot ongeveer half twee gerekt werd, ging de heer Groenewald naar zijne kamer om het traditioneele middagdutje te genieten. De dames zouden inmiddels de jongelieden gezelschap houden. Er werd een lief plekje in de voorgalerij uitgezocht, en daar vleide men zich in gemakkelijke luiaardstoelen neer. Dat het gesprek opgewekt was, wie zal dat betwijfelen? Men had elkander, sedert dat men den vorigen dag de Fernandina Maria Emma verliet, zooveel te vertellen. De meisjes: omtrent den indruk van haren wederkeer in het land harer geboorte, de jongelieden: omtrent de verschillende teleurstellingen, die zij ondervonden hadden, maar ook omtrent de betoovering, die zich van hen meester gemaakt had, toen zich daags te voren het zoo rijk geschakeerd panorama bij hunnen marsch buiten Batavia voor hen ontrold had. Zij vertelden van hunne aankomst in Indië’s hoofdplaats, later in Weltevreden, hun verblijf in de kazerne, hun strijd met de muskieten, de verwelkoming van den kommandant van het suppletie-depot, ja ook die! maar ook het hartelijk afscheid van kapitein van Dam van de mannen, die hij naar Nederlandsch Indië had overgebracht, van die edele woorden, die nog in hunne harten weerklonken!
„Het is te hopen, dat Indië meer zulke mannen rijk moge zijn!” sprak Riethoven met ernst. „Voor den nieuw aangekomenen in dit vreemde land is een woord van bemoediging onwaardeerbaar als eene weldaad, bijna onontbeerlijk als het levensvoedsel! Waarom men daar bij dat depot zoo’n barsch man geplaatst heeft, is mij onbegrijpelijk. [52]Het was, alsof die man ons allen bijten wilde. Ik ben overtuigd, dat velen hier te loor gaan bij gemis aan een vriendelijk woord, dat hen opbeurt op het pad dat zij ingeslagen hebben.”
De jonkman had met klem gesproken en daarbij niet bespeurd, dat de heer Groenewald het groepje genaderd was. Het is waar, thans liep ook hij op lichte sloffen, waardoor zijn tred onhoorbaar was, en was hij ook gekleed in kabaai, maar had in plaats van een sarong eene zeer breede slaapbroek aan, die hem om de magere beenen fladderde.
„En zult gij ook een diergenen zijn, die te loor zullen gaan, omdat zij dat vriendelijk woord missen?” vroeg hij Herman ernstig.
„Vergeef mij, mijnheer Groenewald. Zoo iets heb ik, meen ik, in mijne woorden niet laten doorschemeren. Ik ben naar Indië vertrokken met het vaste voornemen mijne loopbaan in de militaire wereld in Indië te maken. Bij gezondheid en leven hoop ik niet alleen, maar ben ik zeker, daarin te slagen. Niets, niets, hoort gij, niets, noch goede ontvangst, noch terugstooting, zal mij aan dat voornemen ontrouw maken. Maar, daarom mag ik wel met deernis neerzien op zoo vele menschelijke wezens, die mijne geestkracht niet hebben, en op wie dat gemis van een hartelijk welkomstwoord, en die aaneenrijging van ontzettende bedreigingen hunnen ontbindenden invloed niet misten. Daar, daar zit mijn vriend Frank, hij zag bleek in die oogenblikken. Laat hij u vertellen, wat toen in zijne ziel omging!”
„Ik wil niet ontveinzen,” sprak deze, „dat ik toen zeer ontsteld was; ja er is een oogenblik geweest, niet”—bij die woorden sloeg hij de oogen op Adelien—„niet dat ik herwaarts kwam, die stap zal mij nimmer berouwen; maar er is een oogenblik geweest, waarin het [53]mij heeft gespeten, dat ik uw voorstel niet heb aangenomen, mijnheer Groenewald.”
„Welnu,” sprak deze verlokkend, „het is nog tijd.”
„Neen, neen, dat duurde slechts een ondeelbaar oogenblik. Ik wil mijne Adelien slechts harer waardig naderen!”
„Anders.… aanstaanden Dinsdag vertrekken wij …”
„Neen, eerst officier worden! Dan vlieg ik naar u toe. Maar, hoe komt dat vertrek zoo onverwacht? Gij meendet toch eenige weken te Batavia te blijven, niet waar?”
„Ja, zeker. Zoo vertelde ik u aan boord,” hernam de heer Groenewald. „Maar bij mijne aankomst hier vond ik een aantal brieven, waaronder er waren, die mij niet verheelden, dat mijne tegenwoordigheid op mijne landen hoogst noodzakelijk is. Gedurende mijn verblijf in Nederland zijn mijne zaken niet vooruitgegaan. Er is een spreekwoord der Nederlanders wat van praktische wijsheid getuigt, en dat is: het oog van den meester maakt het paard vet.”
„Dat plotselinge vertrek spijt ons wel,” betuigde Frank.
„Ja, en dat is ook de reden, dat wij ulieden zoo gauw ten onzent verzochten. Gisteren avond vernamen wij van kapitein Van Dam, dat gijlieden maandag morgen inspectie voor den legerkommandant moet maken, en daarenboven meerdere dienstverrichtingen hebt, zoodat gij dien dag waarschijnlijk geen tijd zoudt hebben. Morgen hebben wij belet. Wij gaan naar Meester Cornelis, eene familie, oude bekenden, opzoeken. En dinsdag morgen vertrekken wij.”
„Wij zullen trachten u maandag avond nog een hand te komen drukken,” hernam Frank.
„Goed zoo. Vindt gij mij niet, dan zult ge toch de dames thuis vinden. Maar .… het is tijd om te gaan baden. Waarachtig, reeds half vier!”
Hij spoedde voort. Intusschen brachten de bedienden [54]van het hotel voor ieder een kop thee met beschuitjes, die ons gezelschap zich goed lieten smaken, hoewel de thee alles behalve geurig mocht heeten.
„Ik haak om te Wilatoong terug te zijn,” sprak Emma Groenewald, haar kopje slurpende. „Dan aanvaard ik het bestuur weer over de theetafel.”
„Is hij dan lekkerder, juffrouw Emma?” vroeg Frank ondeugend.
„Dat zou ik meenen!” antwoordde Adelien. „Mijn zusje is eene specialiteit in het thee zetten. Zelfs in Holland kon zij met de dames daar in mededinging treden.”
De thee was nagenoeg verorberd, toen de heer Groenewald terug kwam.
„Kom jongelieden,” zei hij, „nu een uwer mandieën (baden). Ik zal u slaapbroeken en kabaais geven.”
Herman volgde hem naar zijne kamer. In een oogwenk was hij in dat nachtgoed gestoken. O! als de dames hem eens hadden kunnen zien, hoe potsierlijk vreemd hij in die wijde broek voortstapte—hij had zoo’n gevoel of hij niets aan het lijf had,—hoe bespottelijk hij die kabaai voor op de borst kruiste, alsof hij daar eene musch te verbergen had; hoe onhandig of beter hoe onvoetig hij op die sloffen voortstrompelde, zij zouden het uitgegierd hebben. Maar de klucht was nog niet uit. Een der bedienden wees hem op bevel van den heer Groenewald den weg naar de badkamer. Toen de deur voor hem opengemaakt was, keek Herman eens rond. Hij zag daar een gemetselden bak, die met water gevuld was.
„Moet ik daarin?” vroeg hij aan den Javaan, terwijl hij de handdoeken en verdere badbenoodigdheden van hem aannam.
„Tida! tida!” (neen, neen!) schreeuwde deze, die een weinig hollandsch verstond, maar het niet sprak. „Djangan masokh!” (Niet daarin). [55]
Maar toen hij zag, dat de baar hem niet begreep, en hem wezenloos aanstaarde, liep hij zoo hard hij kon naar de voorgalerij, waar de familie nog bij elkaar zat en de heer Groenewald op zijne beurt een kop thee slurpte.
„Toean, njonja!” riep hij uit, „itoe toean maoe masokh didalem tampat ajer!” (Mijnheer, mevrouw! die heer wil in den waterbak klimmen).
De dames proestten van het lachen. Frank keek beteuterd; hij begreep niet welke onhandigheid zijn vriend begaan had. De heer Groenewald spoedde naar achteren en klopte aan de deur van de badkamer.
„Mijnheer Riethoven,” sprak hij, „open eens even de deur.”
„Maar .… mijnheer, wacht dan even; ik ben in paradijskostuum!”
„Nu, trek dan gauw uwe slaapbroek aan.…”
De deur ging open.
„Gij moet niet in dien bak klimmen,” lichtte de heer Groenewald toe, toen hij binnengetreden was.
„Maar hoe dan te baden, mijnheer?”
„Ziet gij daar dat kleine emmertje. Welnu, daarmede schept gij water uit dien bak en gooit u dat over het hoofd. Men noemt dat „zich sierammen.”
„Zooo!… ik zou het wel zoo gemakkelijk gevonden hebben, in dien bak te kunnen ploeteren.”
„Ja, maar, die na u kwam, zou geen versch water vinden, niet waar? En om dien bak een honderd maal per dag te vullen, dat ware ondoenlijk.”
Een uur later hadden allen, ook de dames, gebaad en zaten nu gekleed in de voorgalerij, het gewemel der voorbijgangers en der voorbijrijdenden gade te slaan. Er werd beproefd eene wandeling te maken; maar die werd niet ver uitgestrekt, want de dames vonden het voor een eerste uitstapje na die zeereis veel te warm. [56]
„O! het is om te stikken!” betuigden de beide meisjes.
Dat was nog maar ongewoonte. De jongelieden konden niet anders dan instemmen. De wandeling strekte zich dan ook maar langs den Citadelweg, langs een klein gedeelte van het Koningsplein, langs de Willemslaan en over de Willemsbrug, die de Tjiliwoeng overspande, langs een klein gedeelte van het Waterlooplein, van af het Michielsmonument tot aan de Sluisbrug, en zoo verder langs de Citadel en langs het kanaal van Rijswijk naar het Javahotel terug.
„Oef, ik ben blij dat ik zit,” zei mevrouw Groenewald. „Ziedaar de gevolgen der ongewoonte, wie zou zeggen dat ik na zoo’n wandeltoertje zoo moe zou zijn? Te Wilatoong maakte ik wandelingen van een paar uren minstens.”
„Ja, maar mama,” zei Emma, „bedenk dat Wilatoong vrij hoog gelegen is, en dat het daar op dit uur van den dag liefelijk koel is.”
„Dan nog vergeet ge,” voegde de heer Groenewald er bij, „dat ge gedurende ruim zeventig dagen bijna geene beweging genomen, althans geene wandeling gemaakt hebt.”
Op den Rijswijkschen weg wemelde het intusschen van wandelaars, van ruiters en van rijtuigen. De week was om en iedereen wilde thans van de verademing gebruik maken, die de dagvorstin schonk, wanneer zij de kim naderde. Toen zij daaronder gedoken was, verminderde het gewemel langzamerhand op den weg, en zaten onze nieuw aangekomenen gezellig in de voorgalerij te kouten. Een oogenblik kwam kapitein Butteling de familie Groenewald eene hand drukken en afscheid nemen, daar hij den volgenden morgen met de Fernandina Maria Emma naar Semarang zou vertrekken om koffie en suiker te laden. Het was den braven zeeman uiterst [57]aangenaam de beide sergeanten nog eens te ontmoeten. Hij drukte hun hartelijk de hand.
„Hebt gij volle lading?” vroeg de heer Groenewald.
„Ja, zeker.”
„Staan de vrachten hoog?”
„Ik heb ƒ 92 voor koffie en ƒ 90 voor suiker bedongen. Ik heb dus redenen om tevreden te zijn, vooral omdat de chertepartij zoo spoedig afgesloten is. Dat treft niet ieder kapitein. Maar, mijne Fernandina Maria Emma is ook een flinke zeiler, waarmeê op een vlugge reis gerekend kan worden!”
De bel van het hotel luidde reeds voor de tweede maal, en riep de hotelgasten aan tafel.
„Doet ge mee, kapitein Butteling?” vroeg mijnheer Groenewald.
„Dank u, ik heb eene invitatie aangenomen,” antwoordde de zeeman. „Nog een handdruk dames!.… Jongelui!.… mijnheer Groenewald!.… ik hoop, dat het u allen welga!”
Hartelijk wenschten allen hem eene voorspoedige tehuisreis toe en.… weg was hij.
Het diner kenmerkte zich door niets bijzonders. Alleen bij het dessert gaf Adelien haren Frank een koopje, door hem te overreden, in eene mangistanvrucht te bijten.
„Wat fraaie bruinroode vruchten zijn dat!” had hij tot het jonge meisje gezegd, „zij hebben wel iets van een appel.”
„O, dat zijn mangistan,”48 antwoordde Adelien met een snoeperig glimlachje. „Die zijn overheerlijk lekker.”
Meteen greep zij eene vrucht, en bood die Frank aan. Deze nam haar aan, en begon de vrucht te schillen zooals men een appel zoude doen. Eenige der contubernalen keken den baar reeds glimlachend aan. Dat bracht het jolige jonge ding op eene ondeugende gedachte. [58]
„Gij moet die mangistan niet schillen,” zei ze tot Frank. „Gij veegt ze slechts met uw servet af en bijt er in, zooals een hollandsche jongen in een peer of een appel zoude doen.”
De raad was nauwelijks gegeven, of hij was ook opgevolgd. Jonge dames kunnen altijd op volkomen gehoorzaamheid rekenen. Maar … welk gezicht trok Frank, toen hij die looizuurhoudende bast op zijne tong en tegen zijn verhemelte voelde. De meisjes proestten het uit, en zelfs de beide ouders en de overige gasten konden een glimlach niet weerhouden bij het potsierlijke gelaat, hetwelk de gefopte zette.
„Hier, laat ik u eens inschenken,” zei de heer Groenewald, terwijl hij Frank’s glas te boorde vulde. „Niets is beter dan wijn om dien akeligen wrangen smaak weg te spoelen.”
„Dat zal ik mijn Adelientje betaald zetten!” fluisterde de jonkman het meisje toe, toen hij na eenige teugen zijne spraak herkregen had.
Het jonge meisje maakte alles weer goed door eenige mangistans ter dikte van de schil door te snijden, de vrucht met behendige hand te openen, haar op een bord te rangschikken, en Frank te wijzen hoe ze met een vork uit de eene schilhelft gehaald moest worden om haar te kunnen verorberen.
Na het diner werd een heerlijke kop koffie geslurpt. Daarna steeg het gezelschap zoo omstreeks tegen negen uur in een ruimen tentwagen, die klaar stond, om een grooten wandeltoer te maken. De heer Groenewald gaf den koetsier zijne instructies over den te volgen weg.
Deze sloeg bij het verlaten van het hotelerf links om, en reed den Rijswijkschen weg langs. Het was een prachtvolle avond. Aan den donkerblauwen hemel schitterden millioenen sterren, die ter nauwernood verbleekt [59]werden door de maan, die in haar Eerste Kwartier een zilversikkel te zien gaf, en het aardrijk met haar geheimzinnig licht overgoot. Geen windje zuchtte, geen blad bewoog; toch was die rit heerlijk door den luchtstroom, die door het voortijlende rijtuig teweeggebracht werd en de voorhoofden eene aangename afkoeling aanbracht. Waren de jongelieden opgetogen geweest bij den marsch van Batavia naar Weltevreden, toen zij al die heerlijke woonhuizen der Europeanen voorbijmarcheerden, thans leverden die woningen een geheel ander tooneel op, dat niet minder verrukkelijk was.
Al de voorgalerijen dier huizen waren namelijk keurig verlicht door tal van lampen, die door middel van katrollen aan het plafond bengelden en met hare matglazen ballons een lief zacht licht verspreidden. In die voorgalerijen bevonden zich gezelschappen van dames en heeren, hier in een groep staande, daar de galerij op en neer wandelende, elders op wipstoelen gezellig in een kring gezeten om de ronde tafel, die steeds in het midden der galerij prijkte. Uit enkele woonhuizen weerklonk de piano en kon het oor: le carnaval de Venise of eenige andere bekoorlijke melodie opvangen. Ja, hier en daar werden de opwekkende tonen van een overheerlijken Strauss-wals vernomen, en zweefden dansende paren niet alleen door de voorgalerij, maar ook door de binnen- en achtergalerijen, ja tot door de pondoppo, tot waar de wijd geopende deuren en de overvloedige verlichting het oog lieten doordringen. Eigenlijk was het, alsof overal feest gevierd werd.
Wat ook in hooge mate de aandacht onzer baren trok, was dat hun rijtuig geen lantaarns voerde. Daarentegen stonden op de achtertrede een paar bedienden, die zware fakkels rechts en links van het rijtuig zwaaiden, en zoo den weg verlichtten. Maar dat merkten de beide [60]nieuwelingen niet alleen bij hun rijtuig op. Allen, die zij tegen kwamen of achter op reden—en er waren nog al eene menigte; iedereen wenschte toch van het liefelijke aangename weer te genieten—voerden die fakkels, en werd daardoor het schilderachtige van dien rijtoer wel verhoogd, en daaraan soms een cachet van tooverachtigheid bijgezet, wanneer zoo eene reeks flambouwen onder zwaar geboomte door reed. De jongelieden hadden geen woorden genoeg om uit te drukken, wat zij gevoelden bij het zien van die prachtige omstreken van Batavia bij dat maan- en fakkellicht, en bij het genieten van die aangename koelte, door het rijden teweeggebracht.
Zoo reden zij langs het kanaal tot bij de Harmonie, sloegen daar links om, den weg naar Tanah-abang op, toerden toen rond het Koningsplein, verlieten dat langs Parapattan, om langs de Defensie-lijn Van den Bosch den weg naar Meester Cornelis te bereiken. Die weg werd langs Kramat, Struiswijk, Salemba en het Kampement aldaar tot bij de Militaire School gevolgd, waarna denzelfden weg teruggereden werd tot bij de genoemde Defensie-lijn. Thans rolde het rijtuig langs Passar Senin, den Sipajersweg door, langs Goenoeng Sahari, Pintoe Bessi, Krekot; de Berendrechtslaan door naar Molenvliet en van daar naar Rijswijk terug.
Het was ruim half twaalf toen het rijtuig het erf op reed naar het Java-hotel.
Bij het uitstijgen waren de jongelieden de dames behulpzaam. Maar toen was het ook tijd om afscheid te nemen.
„Het ga u wel, jongelui,” sprak de heer Groenewald.
„Vaarwel en alle succes in uwe loopbaan,” sprak mevrouw Groenewald.
„Vaarwel,” zei Emma kalm.
„Tot weerziens!” lispelde Adelien. [61]
Men drukte elkander innig de hand. Maar toen Adelien Frank’s hand in de hare voelde, toen was het gevoel haar te sterk. Het was in dit uur eenzaam in die voorgalerij van het Java-hotel. Het lieve kind vloog den jonkman om den hals, drukte hem een innigen kus op de lippen en herhaalde:
„Tot weerziens!”
Met den uitroep: „Adelien! Adelien!” had mevrouw Groenewald gepoogd hare dochter te stuiten, maar alles was zoo snel geschied, dat zij geen tijd had.
„Wij hebben elkander zoo innig, innig lief, moeder,” sprak het meisje. „Gij zult het mij vergeven!”
„Tot weerziens!” herhaalde Frank. „O! over drie jaren ben ik bij u!”
De jongelieden stegen in het rijtuig, dat hen naar de kazerne zoude brengen, en.… weg waren zij het erf van het Java-hotel af. [62]