1 Tienkojangs-prauwen (bladz. 3) Zie de noot No 82 op bladz. 392 van Naar den Equator

2 De Welkomst-batterij (bladz. 3) is een klein onbeduidend veldwerk, dat met de batterij, het Loo, die nog kleiner is, den toegang tot het havenkanaal van Batavia heet te verdedigen. Die twee werken met de kustbatterijen Castor en Pollux, met het fort Antjol en de batterij Moeara Antjol, met de kustbatterijen Moeara Baroe en Moeara Angké en het fort Angké, vormen eene strandverdediging, die de reede van Batavia tegen eenen westerschen vijand moet beschermen. Als die werkjes daartoe ooit voldoende geacht mochten zijn, wat met grond betwijfeld mag worden, dan zijn zij het, sedert het geschut in den laatsten tijd zoo verbeterd is geworden, niet meer. Nimmer is er ernstig aan gedacht geworden in die strandverdediging verbetering te brengen. Daaromtrent, even als ten opzichte van zooveel andere belangrijke zaken voor Indië, heerscht hier in Europa de gedachte voor: après nous le déluge! Nu, die zondvloed zal zich niet laten wachten. 

3 In den modder waren blijven steken (bladz. 3). Hoe het destijds met den toegang tot Indië’s hoofdplaats geschapen stond, valt af te leiden daaruit, dat jaren later, toen Lord Elgin, uit China terugkeerende en Batavia aandoende, met zijne lichte sloep vlak bij den Kleinen boom in den modder steken bleef, en door koelies uit zijn vaartuig gedragen moest worden. 

4 Totdat de vloed doorkwam (bladz. 3). Bij hoogen vloed of springtij is bij den vuurtoren te Batavia de grootste rijzing en daling der zee 1,32 M. en bij gewoon tij slechts 0,67 M. (Jaarboekje voor de leden v/h Kon. Inst. van Ingenieurs). 

5 Ver in zee uitgebouwd waren (bladz. 4). Die kaaimuren waren destijds zoo lang niet als nu. Thans zijn ze 1800 M. ver in zee [372]uitgebouwd, gerekend van af het oude Waterkasteel, hetwelk op eene landtong op 1100 M. van den Kleinen boom gelegen is. 

6 Een werpnet (bladz. 4) heet te Batavia: „djala”, een kruisnet: „antjo” en een treknet: „djaring.” 

7 Sarong (bladz. 5) is een kleedje, dat op Java zoowel door mannen als door vrouwen gedragen wordt. Het is eigenlijk niet meer dan een zak, van boven en onder open, die om de heupen geslagen wordt en de beenen tot op de enkels bedekt. 

8 Een vischhaak (bladz. 5) heet „pantjing,” welke naam ook aan het geheele vischtuig gegeven wordt. Hengelen heet: „mantjing.” 

9 Bedoelde palmbladeren (bladz. 5) zijn gewoonlijk afkomstig van Nipah-fruticans, eene moeraspalm. 

10 Bandeng (bladz. 6) = Lutodeira Chanos, behoort tot de Clupea of haringsoorten. 

11 Kakap (bladz. 6) = Lates nobilis, behoort tot de Percoïdeae of baarsachtigen. 

12 Baren (bladz. 7) of in het enkelvoud baar, is afkomstig van het Maleische woord bahroe, hetgeen door nieuw vertaald wordt. Baren beteekent hier dus: nieuwelingen, vreemdelingen. 

13 Kondeh (bladz. 8). Zie de noot No 35 op bladz. 388 van Naar den Equator enz. 

14 Perampoean djelek kei andjing (bladz. 9) beteekent: vrouw zoo leelijk als een hond. Er was iets anders geroepen, een obscoeniteit, die ik niet mag neerschreven. Het is voor een baar in Indië uiterst gevaarlijk woorden te herhalen, die hij niet verstaat. Op het gebied van koopjes geven is men daar zeer sterk. 

15 Toekan-auer (bladz. 12) is een rondwandelende gaarkeukenbaas. 

16 Obie’s (bladz. 12) zijn aardvruchten, die veel met onze aardappelen, of meer nog met de topinambours overeenkomen. Hun technische naam is Batatas edulis

17 Ananas (bladz. 12) = Ananassa sativa. Pompelmoes = Citrus decumana. Oranjeappels = Citrus aurantium

18 Katoepat (bladz 12) is rijst in een vlechtwerk van klapperbladeren gekookt, die daarin in een dichten deeg te saam gedrongen wordt en den vorm aanneemt van een poppenkussentje. 

19 De Groote Boom (bladz. 12) is eigenlijk het Rijks-entrepot, waar de douaneformaliteiten vervuld worden. 

20 Passar (bladz. 13) verbastering van het woord: bazar, beteekent: markt. 

21 Trassi (bladz. 14) is een deeg, die in Indië onontbeerlijk bij de rijsttafel is. De eerste kwaliteit wordt gewoonlijk van bedorven garnalen vervaardigd, die met zout en specerijen fijn gewreven worden. De tweede kwaliteit wordt van heele kleine vischjes en de derde van visch-afval als ingewanden enz. zoo-ook van schelpdieren vervaardigd. 

22 Kwenni (bladz. 14) ook wel kawini = Mangifera foetida

23 Nangka djawa (bladz. 14) = Artocarpus integrifolia

24 Klapperpalm (bladz. 15) = Cocos nucifera

25 Katapangboom (bladz. 16) = Terminalia Catappa

26 A. V. H. vocht (bladz. 16) Zie daaromtrent de noot No 22 op bladz. 386. van Naar den Equator

27 Koeliet langsep. (bladz. 17) Koeliet beteekent: huid, ook schil. Langsep is de vrucht van de Lansium domesticum. Die vrucht heeft eene zachte fijne schil, die uiterst teeder geel genuanceerd is. Eene inlandsche of halfbloed maagd vertellen, dat zij koeliet langsep is, wordt gewoonlijk als een zeer vleiend kompliment omtrent hare teint opgevat. 

28 In het hartje van den westmoesson (bladz. 17) Langs de noordkust van Java begint de westmoesson gewoonlijk in het begin van November om in het laatst van April te eindigen. 

29 In drieën vertakte (bladz. 20). De middenweg loopt recht uit langs Passar Tanabang naar Buitenzorg. De linker voert naar Weltevreden en de rechter langs kampong Petodjo naar de Defensie-linie Van den Bosch. 

30 De hier bedoelde boontjes (bladz. 26) worden eenvoudig katjang, door de Oost-Javanen katjang bagohloh genoemd. Dit is de Vigna sinensis der geleerden. 

31 Geel vezelachtig touw (bladz. 26). De hier bedoelde specerij is de serèh, eene grassoort, die zeer welriekend is en door de geleerden Andropogon Schoenanthus geheeten wordt. 

32 Sambal (bladz. 27) is eene toespijs bij de rijst, welker bestanddeelen hoofdzakelijk uit spaansche peper, de lombok der inlanders en de Capsicum annuum der geleerden bestaat. Er worden veel soorten van sambals vervaardigd, en het laat zich hooren, dat die, in de keuken der soldaten gemaakt, niet in de schaduw kunnen staan, welke als fijn kunstproduct de keukens van rijke particulieren verlaten. In die dagen daarenboven was het eten bij het depôt afschuwelijk slecht. 

33 Slaaptafels (bladz. 28) zijn vierkante houten tafelbladen, die [374]zoowat de lengte van een groot mensch en in de breedte dezelfde afmeting hebben. Die bladen rusten op schragen, die ongeveer vier voet hoog zijn. Die slaaptafels worden in de kazerne naast elkander geplaatst, en zijn de gewone ligplaats der inlandsche militairen. 

34 In Nederlandsch-Indië wordt een groot aantal soorten muskieten (bladz. 30) aangetroffen. Op de noordkust van Java heeft men echter hoofdzakelijk drie soorten, die door de geleerden Culex nero, C. setulosus en C. luridus genoemd worden. 

35 Eene tongtong (bladz. 31) is een uitgehold dik stuk hout, waarop door de wachthebbende Javanen met een knuppel de uren en de halfuren alsook alarmseinen, zooals bij brand en amokh (moord) geslagen worden. Het boveneinde van zoo’n tongtong is veelal in de gedaante van het hoofd van het een of ander afschuwelijk leelijk monster gesneden. 

36 Tamarindeboom (bladz. 32) = Tamarindus indica

37 Een gekko (bladz. 32) is eene groote hagedissoort, die gaarne in oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen der menschen te deelen. Het diertje houdt zich dan bij voorkeur in het kapgebindte op. Het ontleent zijn inlandschen naam aan zijn geroep van gèk-ko. 

38 Zijn pantalon (bladz. 35). De man bezigde eene andere uitdrukking, die ik niet kan weergeven. 

39 De Javaansche suiker (bladz. 42) wordt hoofdzakelijk uit de sagoeweer- of den palmwijn uit de Arenga saccharifera getrokken, vervaardigd. 

40 Klamboe beteekent gordijn. Klamboehaken (bladz. 43) zijn haken waarmede bedgordijnen open gehouden worden. 

41 Kraboe’s (bladz. 44) zijn oorknoppen, die middels een stiftje door het gaatje, in de oorbel gestoken en met een schroefmoertje bevestigd worden. 

42 Sarong en kabaai (bladz. 44). Zie omtrent eerstbedoeld kleedingstuk noot 7 op bladz. 372 hiervoren. Een kabaai is een lang jak, van gekleurde zijde of sits bij de inlanders, maar van wit katoen of linnen bij de Europeanen vervaardigd. 

43 Recepissen (bladz. 46). Destijds bestond in Indië papieren geld van ƒ 1.00, in de wandeling recepis genoemd. Dat was vies, smerig, aan elkander geplakt papier, dat stonk, en de handen vuil maakte van wien het aanraakte. 

44 Nonna (bladz. 46) is de betiteling in Indië van een jong meisje van Europeesche afkomst. 

45 Nèh of nenèh (bladz. 43) is de gemeenzame benaming voor oude Inlandsche vrouwen. 

46 Sirihkalk (bladz. 48) maakt een bestanddeel van de sirih-pruim uit. De beste sirihkalk wordt door het branden van schelpen gewonnen. Over het sirihpruimen zullen wij later wel meer vernemen. 

47 Pandoppo (bladz. 50) is eigenlijk een ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van eene aanzienlijke woning in Indië en loodrecht daarop aangebracht is. Dient gewoonlijk tot eetzaal. 

48 Mangistan (bladz. 57). Zie hieromtrent de noot No. 78 op bladz. 392 van Naar den Equator

49 Generaal de Stuers (bladz. 68). Die naam is niet verdicht. 

50 Ik beveel u vooral bladzijde 28 (bladz. 71) Grandeurs et servitudes militaires par Alfred de Vigny, 12e édition 1872

51 Door andere soorten had doen vervangen (bladz. 74). Voor hen, die met de toestanden destijds bekend waren, roep ik de correspondentie in het geheugen, welke door wijlen kapitein Schiff, die van het Nederlandsche bij het Indische leger gedetacheerd werd, met de departementen van Oorlog en Koloniën over de onderwerpelijke leverantiën gevoerd is. 

52 De kazernes gesloten waren (bladz. 74). Tusschen 10 en 4 uur, dus op het heetste van den dag, mocht destijds in Indië geen militair de kazerne verlaten. Uit een oogpunt van hygiëne werkte die maatregel uitmuntend. 

53 Bruine kwalijk riekende olie (bladz. 77). Deze olie wordt van katjangboonen gewonnen. Die boonen zijn afkomstig van eene plant, die door den vakkundige Arachis hypogaea genoemd wordt. 

54 Tottokh’s (bladz. 80). De blanken, die niet in Indië geboren zijn, worden zoo genoemd. 

55 Buikje (bladz. 81) is de betiteling in de militaire wereld van burgers, vooral van hooggeplaatste civiele ambtenaren. 

56 Eene bendie (bladz. 84) is of beter was een eenspannig licht voertuig, het best te vergelijken met onze sjees. 

57 Toean toean koeliet langsep (bladz. 86). Toean toean beteekent heeren. Overigens wordt omtrent deze uitdrukking naar de noot No. 27 op bladz. 373 hierboven verwezen. 

58 Sienjo (bladz. 87) is eene verbastering van het Portugeesche [376]Signor. Deze benaming wordt in N. I. aan alle mannelijke kinderen van Europeesche afkomst gegeven. 

59 Nontongen (bladz. 88) of beter nontong wordt genoemd: buiten of op straat staande naar een feest te kijken of naar de muziek van een concert of van de opera luisteren. Wordt te Batavia zeer veel gedaan, waartoe de luchtigheid der gebouwen zich uitermate leent. Ik ben overtuigd, dat, wanneer het opera-gebouw aldaar op doelmatigen afstand door een flinken ringmuur omgeven was, de recette minstens een derde meer zou bedragen. Tegen die soort van oneerlijkheid zien zelfs zeer rijken en zeer hooggeplaatsten niet op. 

60 Lantaarns bengelden (bladz. 90). Die lantaarns heeten lolleng’s. De karakters daarop zijn gewoonlijk ontleend aan de gewijde geschriften van Kong Foe Tschee, en bevatten in den regel heilwenschen. 

61 Diam! olang blanda, soldadoe! blankali olang mabôh (bladz. 91). De Chineezen kunnen sommige letters moeielijk of in het geheel niet uitspreken. In den hier gebezigden zin is de r door de l vervangen en zou die moeten luiden: Diam! orang blanda soldadoe! brangkali orang mabôh. 

62 A. Thiers (bladz. 97). Histoire du Consulat et de l’empire par A. Thiers, XLIVe boek. 

63 Passar Senin (bladz. 107) beteekent: Maandag-markt. 

64 Tjoe (bladz. 107) is de Chineesche naam voor jonge arak. 

65 Ajer kras (bladz. 107) is palmwijn afkomstig van de Arenga Saccharifera. Deze drank wordt, na gegist te zijn, met het aftreksel eener bitter smakende wortel, „akar sosoot” afkomstig van de Garcinia Picrorhisa, vermengd en zoo de „ajer kras” verkregen. Die drank, die niet dronken maar stapel gek maakt, werd op Passar Senin bij verscheidene Chineezen verkrijgbaar gesteld; maar te Soerabaja geheel onbelemmerd door Inlanders aan bijna alle hoeken der straten in de nabijheid der kazernes gevent. 

66 Struiswijk en Kramat (bladz. 110) zijn Europeesche wijken ten zuiden van Passar Senin langs den weg naar Meester Cornelis gelegen. 

67 In Indië is een ras honden inheemsch, de zoogenaamde gladakhond (bladz. 110) dat meer van den jakhals dan van den hond heeft. Die dieren blaffen ook niet, zij janken en huilen; zij hebben steile ooren en zijn zeer schurftig. 

68 Sp.….… (bladz. 113). De lezer zal, hoop ik, permitteeren, dat ik den gebruikelijken naam, dien ik slechts met twee beginletters aanduid, niet voluit ter neder schrijf. 

69 Babah (bladz. 114) is de betiteling, waarmede Chineezen in Indië in het dagelijksche leven aangesproken worden. Men zou het door ons „man” of „goede vriend” kunnen weergeven.