WeRead Powered by ReaderPub
In het land der zon cover

In het land der zon

Chapter 4: IV. Miskenning.—Afscheidsvisite.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a quarter century spent in the Dutch East Indies through episodic travel sketches and reminiscences that mix arrival scenes, port life, river and coastal landscapes, encounters with local fishermen and urban populations, descriptions of climate, flora and fauna, and remarks on military and civic routines. Vivid on-the-ground detail ranges from the discomforts of travel and mudbound launches to market scenes and casual natural history observations, while recurring reflections compare colonial townscapes with homeland memories and everyday social customs.

[Inhoud]

IV.

Miskenning.—Afscheidsvisite.

In weinige minuten was de kazerne op Passar Senin bereikt. Maar daar zouden onze jongelieden de grootst mogelijke ontnuchtering op dien genotvollen avond ondervinden. Toen de beide onderofficieren het hek wilden passeeren, hetwelk het kampement afsloot, stond de kommandant van de politiewacht, een oude grijze snorrebaard met de Militaire Willemsorde en de medaille van den Java-oorlog op de borst, onder de kleine voorgalerij van het gebouwtje, dat tot wachthuis diende, en riep hun toe:

„Hebben de collega’s avondpermissie?”

„Ja, zeker,” antwoordde Riethoven.

„En zijn ze niet dronketjes?”

Geen van beiden verwaardigden zich anders dan door een gegrom op die vraag te antwoorden.

„Kom eens hier!” sprak de kommandant van de politiewacht.

„Wij gaan gauw onze krib opzoeken,” antwoordde Frank. „Wees gerust, wij zijn niet dronken.”

„Dat’s mooi van jullie! Maar, ik moet het permissiebriefje hebben.”

„Ons permissie-briefje?” vroeg Herman beteuterd.

„Hoor je het ook soms te Keulen donderen? Of heeft [63]de jonker soms ook in de rechten gestudeerd, dat hij niet weet wat een permissie-briefje is?” vroeg de oude snorrebaard schamper.

„Een permissie-briefje werd ons niet uitgereikt; maar wij kregen heden ochtend permissie van den kommandant van het depot om met kapitein Van Dam het kampement te verlaten!”

„Dat kan mij geen lor schelen! Het permissie-briefje als je blieft!”

„Maar ik zeg u,” hernam Herman, „dat wij geen briefje hebben, maar van den kommandant in persoon permissie kregen.”

Traberdoeli” (om het even), gromde de oude. „Dat kan m’n zuster mij ook komen vertellen, dat ze mondeling permissie heeft.”

„Maar, ik ben niet gewoon te liegen!” hernam Herman hooghartig.

„Dat doet mij pleizier voor jou. Treedt intusschen hier maar in.”

De kommandant der politie-wacht had een paar verbazend groote sleutels gegrepen en trad op een gebouwtje toe, hetwelk aan de overzijde van den weg vlak tegenover het wachthuis gelegen was, opende eene deur, die zwaar beslagen was, en wees op de zwarte holte, die zich voor het oog opende.

„Daarin?” vroeg Frank driftig. „Wij hebben niets misdaan, wij zijn niet dronken en hebben behoorlijk permissie. Gij kunt immers morgen op uw morgenrapport onze binnenkomst melden.…”

„En … ik voor jullie in de norrr gaan, jawel, dat ken ik; ik dank je hartelijk! ’k Heb mijn consigne, daar stap ik niet van af!… Kom, leuter nou niet.… Er in!.… Moet ik de manschappen van de wacht roepen?”

Ja, die stonden al nagenoeg klaar!… Frank en Herman [64]het nuttelooze van tegenstand inziende, en ook te veel eerbied voor het tooverwoord „consigne” hebbende, maakten van de nood eene deugd en stapten naar binnen; waarna de deur onmiddellijk achter hen dicht viel.

Het was donker als de nacht in dat hol. Op den tast zochten zij de brits op, die hen tot slaapsteê zoude verstrekken. Gelukkig dat dit arrestlokaal overigens leeg was; anders in die dikke duisternis had een conflict met half aangeschotenen of geheel bedronkenen niet hebben kunnen uitblijven. Nu schoven onze twee sergeanten op de vrij onzindelijke brits, en poogden den slaap te vatten, waarbij zij het hoofd op den balk neervlijden, die tot hoofdkussen in zoo’n goedkoop logement strekt.

Maar, was de eerste nacht, dien zij in Nederlandsch Indië doorbrachten, een slapelooze geweest; de tweede zou hem in niets toegeven. Vooreerst heerschte er eene lucht in dat arrestlokaal, die het tot een waar pesthol maakte. Het was alsof de kwade eigenschappen van het Liernurstelsel, van het overstortingstelsel en van ieder ander stelsel in dat hol te zamen gekomen waren. Dan wemelde het van muskieten, van kakkerlakken en van ander onrein gedierte, waarvan die brits niet vrij was, zoodat in weinige oogenblikken het aangezicht, de hals en de handen onzer rampzaligen met jeukende builen overdekt waren.

„Drommels,” pruttelde Frank, „had ik nu maar wat sirihkalk! Dat was een uitmuntend middel!”

„En zoo’n lief dotje om dat middel op je oogdeksels te smeren, niet waar?” vroeg Herman schaterlachend.

Brinkman zuchtte eens.

„O! welk einde van zoo’n mooien dag!” mompelde hij.

Maar wellicht had de behoefte aan slaap bij onze jongelieden over iedere kwelling gezegevierd. Reeds hadden zij de oogen geloken, en verkeerden zij in dien staat, die [65]nog geen slaap mag heeten, maar waarin toch de wilskracht haren scepter begint te verliezen, waarin de gedachten, zoowel de herinneringen aan het verleden, als de nasporingen van de toekomst, tot een onuitwarbaren klomp samenvloeiden; toen plotseling een helsch kabaal beiden deed opschrikken. In de arrestantenkamer naast hen waren eenige soldaten opgesloten, die na den eersten Januari ook nog eens den tweeden Januari gevierd hadden, en dronken van Passar Senin te huis gekomen waren.

Niets gesticht, dat zij door den kommandant der politiewacht ingerekend waren, omdat zij bij het doorstappen van het hek hun roer niet recht hadden weten te houden, trachtten zij nu den tijd te verdrijven met hevig te schreeuwen, te schelden en te razen, en daarbij nog heviger op de brits te stampen of daarop te slaan met een deksel van een meubel, tot het tonnenstelsel behoorende. Het was een leven, alsof de wereld vergaan moest. In weerwil van de waarschuwingen en bedreigingen van den kommandant der politiewacht hield dat spektakel niet op, zelfs niet, toen die onderofficier er toe overging de woestelingen in de boeien te sluiten; want toen scholden en raasden zij nog te erger, en klopten met de manchetten der boeien op de brits en rammelden met hunne ketenen, alsof zij een der meest woeste tooneelen uit Dante’s Inferno repeteerden. Eerst bij het gloren van den dageraad vielen de geboeide woestaards in slaap.

Toen de arrestantenkamers tegen zes uren geopend werden om te luchten, verzochten onze twee slachtoffers van het „consigne” den sergeant-majoor te spreken. Dat verzoek werd overgebracht; maar toen die vetgelokte gegradueerde verscheen, maakte hij hen bekend, dat de kommandant van het depot den vorigen namiddag naar een landgoed bij den kampong Tandjong Oost, op ongeveer 14 [66]palen van Batavia aan den grooten weg naar Buitenzorg gelegen, vertrokken was; zoodat zij tot den volgenden morgen in arrest moesten blijven.

„Ik kan er niets aan doen,” antwoordde die dubbel gestreepte. „Van uwe permissie weet ik niets, en de kommandant der wacht heeft stipt zijne consigne opgevolgd. Maar, het is morgenochtend wegens de inspectie voor den legerbevelhebber zeer vroeg rapport, dan kunt gij den kommandant spreken.”

„Een mooi vooruitzicht,” bromden die twee, „onzen eersten zondag in zoo’n arrestkamer door te brengen!”

Er was evenwel niets aan te doen. Dat vooruitzicht werd in allen deele tot werkelijkheid. Zij brachten dien eersten zondag in dat donkere hol door.


Toen den volgenden morgen het morgenschot gedreund had, dat aangeven moest, dat het uurwerk van den sergeant der artillerie, die met het afschieten van het kanonstuk op de citadel Prins Frederik belast was, vijf uur wees, en de reveille allerwege weerklonken had, ging de deur der arrestantenkamer open en mochten onze beide onderofficieren zich klaar gaan maken om èn op het rapport bij den kommandant van het depot èn op de inspectie van den legerkommandant te verschijnen. Het tenue was spoedig genoeg in orde gebracht, en om zes uur waren zij reeds onder geleide van den sergeant-majoor op weg om naar het rapport te gaan. Zij waren nauwelijks voor de woning van den kommandant aangekomen, of deze verscheen reeds. Maar, of die officier nog niet uitgeslapen was, of dat er andere redenen bestonden, die zijn kwade luim gaande maakten, kan buiten bespreking blijven; genoeg zij het, dat, toen hij onze twee onderofficieren, die op den rechtervleugel van een twintigtal militairen stonden, in het oog kreeg, hij vroeg: [67]

„Wat is er met die twee sergeanten?”

„Die zijn heden nacht door den kommandant der politiewacht gearresteerd,” antwoordde de sergeant-majoor.

„Dus dronken geweest.…!” schreeuwde de officier.

„Maar, kapitein.…” meende Riethoven tusschenbeide te moeten brengen.

„Zwijg sergeant!” was het barsche bevel. „Dus dronken geweest! Dat zal ik jullie afleeren. Denk er om, dat die mooie sergeantstreep maar met een haakje op den mouw zit. Die is er nog gauwer af, dan zij er opgekomen is. Sergeant-majoor schrijf op.… acht dagen.…”

„Maar, kapitein.…” viel Riethoven andermaal in.

„Zwijg, sergeant!.… Hoe heet die sergeant?”

„Riethoven, kapitein,” antwoordde de drager van dien naam, in de hoop dat de herinnering aan de permissie, daags te voren aan kapitein Van Dam gegeven, verlevendigd zoude worden.

„Zult ge zwijgen, sergeant!.… vier dagen politiekamer voor den sergeant Riethoven, omdat hij tegen het bevel in van zijn superieur zijn mond niet gehouden heeft!”

De beide onderofficieren stonden nu als standbeelden daar en deden natuurlijk geen mond meer open.

„En voor beiden,” ging de kapitein voort, „acht dagen provoost!”.…

„De redenen?” vroeg de sergeant-majoor.

„Dronkenschap.”

Beiden verroerden geen vin en hielden de oogen op vijftien passen voor zich op den grond gevestigd.

Toen evenwel na een vrij langen tijd het rapport verder afgeloopen was; vroeg Riethoven, terwijl hij eerbiedig de hand aan de klep zijner politiemuts bracht:

„Is het mij vergund een woord te spreken, kapitein?”

„Over de opgelegde straf niet, sergeant.”

„Ik heb u een verzoek te doen!” [68]

„Wat is er?”

„Ik wensch straks den legerkommandant te spreken.”

„Waarover?”

Herman aarzelde een kort oogenblik.

„Dat moet ik weten,” gelastte de kapitein. „Waarover?”

„Over de straf daar zoo even aan ons opgelegd.”

„Sergeant!” schreeuwde de kapitein buiten zichzelven van woede. „Als je je mond durft open te doen, dan degradeer ik je, dan laat ik je in de boeien sluiten, dan laat ik je afranselen! Je weet nu waar het op staat!”

Het gelaat van Herman was ernstig en toonde de grootste beradenheid. Hij wachtte zich evenwel een enkel woord te antwoorden.

Een uur later stond het geheele detachement, door de Fernandina Maria Emma aangebracht, met zijne officieren aan het hoofd in de Hertogslaan op een gelid gerangschikt. Sergeant Riethoven deed al het mogelijke om den blik van kapitein Van Dam te ontmoeten ten einde hem met de oogen een wenk te geven. Eindelijk gelukte dat; maar het scheen te laat. Daar ginds trad de legerkommandant, van zijn adjudant vergezeld, buiten zijne woning, en begaf zich naar het detachement. Toch trad de brave chef nog op Riethoven toe en vroeg:

„Wat is er, sergeant?”

„Brinkman en ik zijn met provoost gestraft, omdat wij zonder permissiebriefje te huis gekomen zijn. Ik wenschte thans mijn bezwaren daarover bij den legerbevelhebber in te brengen.”

„Bij den legerbevelhebber?.…”

„De kommandant van het depot laat ons niet aan het woord komen, en blijft ons.…”

„Geen woord meer.… daar is de Generaal!.… Geene reklame.… hoort ge! Ik zal die zaak in orde brengen.”

Eene seconde later stond Generaal de Stuers49 voor [69]het front van den troep, en werd omringd door den Kolonel-Chef in de 1e militaire afdeeling op Java, door den Plaatselijken militairen Kommandant, door de adjudanten van die autoriteiten, door de officieren van het detachement suppletie-troepen en door den kommandant van het depot—allen in groot tenu gekleed.

Wanneer ooit, dan heeft toen het Nederlandsch-Indisch leger een chef bezeten, die aan veel wilskracht eene groote mate van goedhartigheid en menschenmin paarde. Uitstekend voor de taak berekend, om den opperbevelhebberstaf te voeren, wist hij zich innemend voor te doen en aller harten te winnen, niet het minst door naijverig, voor zooveel hem zulks mogelijk was, voor aller belangen te waken. Hij was toegankelijk voor een ieder, voor den geringsten zoowel als voor den hoogstgeplaatsten. Voor allen, die hem naderden was hij uitermate minzaam, had hij een goed woord, en niemand verliet ongetroost zijne nabijheid.

De monstering der troepen was spoedig afgeloopen. Zichtbaar was de waardige chef voldaan, dat zijne vragen, betreffende voeding en behandeling aan boord, bevredigende antwoorden ontvangen hadden. Alvorens het detachement te laten inrukken, heette hij de nieuw aangekomenen welkom in Indië, spoorde een ieder aan stipt zijn’ plicht te doen, wees er op, hoe bij goed gedrag en stipte plichtsbetrachting Indië het land was, alwaar tot de hoogste sport op te klimmen was, en drukte er vooral op, dat alsdan ieder mindere in zijn meerderen een vaderlijken vriend zoude vinden.

Bij die woorden van den edelen bevelhebber ontmoetten de oogen van Herman Riethoven en van den kommandant van het depot elkander. De blik van eerstbedoelde was rustig en kalm, hoewel een zekere mate van twijfel daarin niet te miskennen viel. Het gelaat van den anderen [70]verried spotziekte bij die edele woorden; terwijl zijn blik uitdagend op dien van den sergeant rustte.

Toen de Generaal met spreken ophield, had hij ieder dier mannen een riem onder het hart gestoken, die met opgeruimde gezichten naar de kazerne terugmarcheerden.

Ternauwernood waren de sergeanten Brinkman en Riethoven in het kwartier terug, of de vetlokkige sergeant-majoor van het depot stond gereed om hen naar het provoosthuis over te brengen. Hij raasde al, dat zij voort moesten maken, daar hij weinig tijd had; toen de Javaansche bediende van den kommandant van het depot een briefje overbracht, waarin hem gelast werd met de twee bedoelde onderofficieren als ook met den sergeant der politiewacht bij hem te verschijnen.

Toen de opgeroepenen daar aankwamen, wandelde de kommandant met den kapitein Van Dam in de voorgalerij zijner woning op en neer, en schenen beide officieren in eene vrij opgewonden woordenwisseling gewikkeld, die evenwel dadelijk in eene andere stemming overging, toen zij hunne ondergeschikten gewaar werden.

„Zijn die twee onderofficieren in den nacht van zaterdag op zondag dronken geweest?” vroeg de kommandant van het depot aan den sergeant der politie-wacht.

„Neen, kommandant!” was het antwoord van den ouden snorrebaard.

„Waarom hebt ge ze dan gearresteerd?”

„Omdat ze na bezetten tijd zonder permissiebriefje zijn binnengekomen.”

De kommandant keek den sergeant-majoor vragend aan.

„Dat is geschied volgens art. 5 der consignes voor den kommandant der politiewacht, door uzelven voorgeschreven en onderteekend, kommandant,” antwoordde deze.

„Waarom heb jij mij niet op de hoogte gebracht?” vroeg de officier barsch. [71]

De sergeant-majoor pruttelde zoo iets van „niet aan het woord kunnen komen.”

„Wij zullen die zaak later afdoen,” sprak de kommandant en zich tot den sergeant der politiewacht wendende:

„Dus, niet dronken geweest?” vroeg hij.

„Neen, kommandant!”

„Maar, waarom geen permissie-briefje gevraagd? Gij weet toch, dat zoo iets behoort.”

„Daarin ligt ons eenig verzuim, kapitein,” antwoordde Brinkman. „Wij zijn dadelijk met kapitein Van Dam medegereden.”

„Zooo!… Voor het vervolg zal dat eene les zijn!… Sergeant-majoor, de straf van die twee onderofficieren rojeeren!.… Verstaan?.… En, nu heb ik niets meer voor u. Dankje.”

En de beide officieren bleven alleen.

Toen kapitein Van Dam de beide jongelieden later ontmoette, kwam die treurige episode natuurlijk ter sprake. Herman Riethoven betuigde, dat wat hem nog het meeste gegriefd had, ja pijn had gedaan, was dat hij met het grootste recht aan zijne zijde nog had moeten zwijgen tegenover het grootste onverstand en bij de meest onbillijke bejegening.

„Jongmensch,” antwoordde kapitein Van Dam goedig, maar met nadruk: „De zelfverloochening is de meest verheven deugd vooral in de militaire maatschappij. Zonder die deugd is geen leger denkbaar, en hij slechts, die haar zonder nevengedachten en zonder omzien betracht, kan aanspraak maken op den naam van degelijk soldaat. Kent gijlieden het werk getiteld: Grandeurs et Servitudes Militaires?”

De jongelieden betuigden van neen. Zij waren nog zoo kort geleden die militaire maatschappij ingetreden.

„Komt dan eens aan, ik zal dat boekje gereed leggen. [72]Ik beveel u vooral bladzijde 2850 aandachtig te lezen.”

„U schijnt den inhoud zoo goed te kennen, kapitein, dat u de bladzijde weet op te geven, waar de grondstellingen staan, die in uw betoog passen,” merkte Frank glimlachend op.

„Wanneer gij mijn rang zult bereikt hebben, jongelui,” antwoordde kapitein Van Dam hoogst ernstig, „dan zal ook onuitwischbaar in uwe zielen gegrift staan de gulden regel, de schoone woorden, welke op die bladzijde te lezen zijn: „L’abnégation du guerrier est une croix plus lourde que celle du martyr. Il faut l’avoir portée longtemps pour en savoir la grandeur et le poids.” Maar.… wanneer uwe zelfverloochening slechts vereischt zal worden bij onbillijke behandelingen als de onderwerpelijke, die u getroffen heeft, och, gelooft mij, dan zult ge u niet te beklagen hebben.”


Na de inspectie van den legerbevelhebber moest het detachement vernieuwing ontvangen, en afrekenen omtrent de scheepssoldij gedurende de reis. De kleeding viel al dadelijk niet meê. Was die te Harderwijk niet als doelmatig en aanlokkelijk te roemen geweest; wat thans in Indië ontvangen werd, kon gerust afzichtelijk genoemd worden. Het schooljongens-buisje met pantalon, daar ginds ontvangen en van licht laken—met den weidschen titel van Circassienne mouwvest betiteld—werd hier al dadelijk tot groot tenue gepromoveerd, terwijl den nieuwelingen thans een paar bamboezen buisjes, een bamboezen pantalon, twee paren bamboezen schoenen, een wit linnen pantalon, een paar hemden, onderbroeken enz. toegeworpen werden. Wat de soldaat in zijne eigenaardige taal bamboes noemde, duidde bij de schoenen er op, dat zij lomp van fatsoen, van inlandsch leder, hetwelk van [73]uiterst geringe kwaliteit was, slecht genaaid en ondoelmatig vervaardigd waren, en bij de overige kleedingstukken, dat zij bestonden uit een grove dikke blauwe stof, dat geen linnen en geen katoen genoemd kon worden, zoo onbuigzaam als een plank en zoo slecht geverfd was, dat ieder die zoo’n kleedingstuk maar aanvatte, dadelijk de handen gekleurd had, alsof hij een indigoverver was. Streek zich nu zoo’n arme drommel met de handen over het gelaat, dat bij absentie van zakdoeken en bij het overvloedig zweeten in dat warme klimaat, veelvuldig geschiedde, dan is er geen buitengewone verbeeldingskracht noodig om zich voor den geest te halen, hoe de lands-dienaren soms toegetakeld waren, en hoe hunne geblauwde gezichten afstaken bij de koffiekleurige troniën hunner Javaansche wapenbroeders.

Onze beide onderofficieren keken elkander beteuterd aan bij het ontvangen van die kleeding. Vooral beschouwden zij de nieuw ontvangen politiemuts met verbazing; want die zag er zoo wanstaltig uit, dat het pronkstuk, hetwelk zij te Harderwijk ontvangen hadden, nog als een voorwerp van smaak zou kunnen beschouwd worden. Hier was het niets anders dan een lompe afgeknotte kegel, onevenredig hoog en van eene horizontale zeer breede klep voorzien, die men niet onbillijk behandeld zou hebben met haar luifel te noemen.

Met de afrekening zag het er nog maller uit, hoewel de teleurstelling deswege onze jongelieden niet behoefde ter neder te slaan, daar zij bij het verlaten van Europa niet geheel zonder middelen waren, en zij beide het sommetje, hetwelk zij bezaten, en aan Frank van de nalatenschap zijns vaders overgebleven was, en aan Herman door zijn vader bij het verlaten van het ouderlijk huis was ter hand gesteld, zuinig en gepast beheerden. Maar voor de overigen viel die afrekening danig tegen. Alles, alles was [74]op rekening gesteld. Niet alleen hunne pijpen, hun rook- en pruimtabak, hun komaliewant, als: lepels, vorken, messen, hunne zeep, maar ook de agurken, de wijn, die hun aan boord verstrekt waren, de kien-, domino- en andere spelen, die niet alleen tot vermaak aan boord moesten zijn, maar ook zoo nuttig gerekend konden worden om de manschappen voor verveling te bewaren, dat alles, alles moesten die arme drommels betalen en niet goedkoop ook. Gelukkig nog, dat de kwaliteit van wijn en tabak goed geweest was, hetgeen niet kon gezegd worden van het verstrekte bij andere detachementen. Maar, dat was uitsluitend te wijten geweest aan de goede zorgen van kapitein Van Dam, die wel verre van te vertrouwen op de aanbevelingen en keuringen te Harderwijk, alles zelf had willen zien, de aanvankelijk verstrekte wijn en tabak afgekeurd en door andere soorten had doen vervangen51.

Neen, de som, die ieder in hand kreeg, viel niet mede. De reis had zeer kort geduurd, en de bedragsom van al het ingekochte was zeer groot, zoodat.….. En toch was het nog te veel, wat die mannen daar in eens ontvingen. Al was het maar een luttel tiental guldens dat overschot, het was nog te veel voor velen, die de weelde niet dragen konden en bij de verleiding, die straks de armen zoude uitstrekken, noodwendig zouden bezwijken.

Het was laat geworden met die uitdeeling van kleeding, met die afrekening; zoodat toen die dienstverrichting afgeloopen was, de zon vrij hoog stond en .… de kazernes gesloten waren.52 Onze beide onderofficieren beklaagden zich deswege niet. Zij hadden de vorige nachten bijna niet gerust. Wie weet of de muskieten hun den volgenden nacht den slaap zouden gedoogen? Toen dan ook de onderofficiers-tafel afgeloopen was, haastten zij zich naar hun kamertje, en lagen weldra te ronken en [75]als gelukzaligen te droomen, de eene: dat hij met zijne Adelien op reis naar Wilatoong was: de andere … dat hij zieleherder was in een nonnenklooster, waarvan zijne Lydia priores was. De god der droomen maakte het waarachtig te bont; het was waarlijk tijd, dat de tamboer van de wacht voor het middagappel sloeg.

Toen de jongelieden een uur later de voorgalerij van het Java-hotel binnentraden om de familie Groenewald hun afscheidsbezoek te brengen, vonden zij de dames alleen te huis.

„Papa is den geheelen dag voor zaken uit geweest,” vertelde Emma, „en heden avond moest hij eenige noodzakelijke bezoeken afleggen.”

„Maar, hij komt toch straks te huis om te dineeren,” zei Adelien. „Gij hebt immers zoo lang tijd? Neemt toch plaats.”

Mevrouw Groenewald presenteerde de jongelieden een glas port, en weldra zat dat vijftal daar zoo gezellig mogelijk bij elkander te kouten. Het uurtje, dat onzen gelukkigen geschonken werd, vloog om. Het luidde reeds voor het diner. Adelien meende dat het te vroeg was; maar een blik op de klok bewees haar dat het bij zeven uur was. Daar kwam Papa binnen. Nu was het oogenblik van scheiden daar. De hartelijkste heilwenschen werden gewisseld, men drukte elkander innig de hand, en betreurde iemand van het gezelschap, dat daar zoo veel gasten in de voorgalerij van het Java-hotel zaten, dan waren dat voorzeker Adelien en Frank, die bij het bittere ook het zoete van het afscheidnemen hadden willen genieten; maar zich nu met een eenvoudigen handdruk, die evenwel een poosje aanhield, moesten vergenoegen.

„Het ga u wel, jongelieden!” sprak de heer Groenewald met aandoening. [76]

„Het ga u wel!” herhaalde mevrouw Groenewald. „Onze beste zegenwenschen vergezellen u!”

„Dag dames, dag mijnheer Groenewald,” sprak Herman Riethoven kalm.

„Dag Frank!” zeide Adelien. En zich tot den jonkman voorover buigende, prevelde zij zacht, zeer zacht: „Tot weerziens mijn Frank!”

„Tot weerziens, mijne Adelien!” antwoordde Frank even zacht. „Vertrouw op mij!”

„En gij op mij!”

„Tot weerziens, dames!”

„Tot weerziens, jongelui!”

Een oogenblik later bevonden zich de beide onderofficieren op den Rijswijkschen weg. Frank wischte zich een traan uit het oog, terwijl Adelien niet minder ontroerd, zich na het vertrek der jongelieden naar hare kamer begaf en, toen weinige minuten voor de laatste maal voor het diner gebeld werd, niet aan tafel verscheen. Hare aandoening was te groot. [77]