V.
Eene wandeling.—In de Concordia.
Voor Riethoven en Brinkman was het nog te vroeg om naar het kampement terug te keeren. Wat moesten zij trouwens daar ook uitrichten gedurende den langen avond? De chambrée’s der manschappen en de onderofficiers-kamers waren erbarmelijk verlicht, door middel van geribde waterglazen van de eenvoudigste soort, waarin een pitje te midden van een bruine kwalijk riekende olie53 rookte, en door een donkerrood vlammetje verteerd werd, dat zoo min mogelijk licht verspreidde, en door den soldaat in zijne eigenaardige maar vaak zoo juist uitdrukkende taal met den naam van „gloeienden spijker” begiftigd was.
Onze beide baren besloten nog eene wandeling te maken, alvorens huiswaarts te gaan. Zij hadden daartoe een paar uren beschikbaar, alvorens dat het avondappel zoude geroffeld worden. Het geluk diende hen. Toen zij de Sluisbrug betraden, die bij de Citadel Prins Frederik den oostelijken tak der Tjiliwong overspant, ontmoetten zij de heeren Slierendrecht en Van Diepbrugge, hunne reisgenooten van de Fernandina Maria Emma, die in gezelschap van een hunner bekenden, welke zijn leven te Batavia doorbracht, eene avondkuiering maakten. Na een handdruk gewisseld te hebben, vernamen de beide [78]ambtenaren ter beschikking dat hunne reisgenooten even als zij een paar uren aan eene wandeling wenschten te wijden en noodigden hen derhalve uit die gezamenlijk te maken.
„Wij hebben hier in den heer Patimana een uitmuntenden gids,” zei Piet Van Diepbrugge, na de twee onderofficieren aan dien heer voorgesteld te hebben, „die ons beloofd heeft, ons een belangwekkend gedeelte van het nieuwe Batavia te laten zien.”
De heer Patimana boog bij die woorden. Hij had evenwel bij de voorstelling een vreemden blik op de beide sergeanten geslagen. Hij was volgens zijn naam van Portugeeschen oorsprong; maar scheen door zijn gelaatskleur en zijne wezenstrekken zoo nauw verwant aan den Javaanschen volksaard, dat de gedachte niet kon verbannen worden, dat zijn geslachtswapen, wanneer het een duizendkunstenaar mogelijk ware, dat in volle glorie te voorschijn te roepen, verscheidene dwarsbalken zoude vertoonen.
Van geslacht tot geslacht waren de leden van de familie Patimana als ingezetenen van Batavia te beschouwen geweest. Overgrootvader, grootvader, vader en zoon waren ambtenaren geweest, weleer van de Edele Compagnie, thans van het gouvernement. De pen was bij hen allen in eere, en was die dan ook in hunne handen tot een kunstvaardig werktuig geworden, waarmede zij meesterstukken op het gebied van schoonschrijven vervaardigden en vervaardigd hadden. Maar die familie-loopbaan van penridder had hun eene armzalige meening doen opvatten ten opzichte van een ieder, die tot de civiele ambtenaarswereld niet behoorde, die zijne lafenis niet vond aan de zwarte bron van den officiëelen gouvernements inktkoker, hij mocht dan koopman, industriëel, planter of soldaat zijn. Maar vooral had deze vertegenwoordiger [79]van dat doorluchtig geslacht een zekeren afkeer van militairen beneden den rang van officier.
„Dat zijn lieden,” zei hij, wanneer hij zich daarover uitliet, „die niet als „mijnheer” in het land waren gekomen.”
Van daar zijn vreemdsoortige blik op de twee onderofficieren, die dezen bij het avondduister evenwel gelukkig niet opvingen. Toen de heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht de beide sergeanten de hand met warmte drukten, maakte mijnheer Patimana van den nood eene deugd, stak hun zijne hand ook toe en zette zijn gezicht in de meest mogelijke vriendelijke plooi.
„Zeker oude schoolkameraden?” vroeg hij.
„Volstrekt niet,” antwoordde Piet Van Diepbrugge. „Wij maakten kennis aan boord van het schip, dat ons herwaarts bracht. Is het zoo niet, heeren?”
„Ik ben zonder schip in het land gekomen,” antwoordde Patimana luidkeels lachende.
„Dat is jammer,” betuigde Slierendrecht. „Het leven aan boord is wel geschikt om elkander grondig te leeren kennen en daardoor den hoeksteen te leggen van menig trouw vriendschapsverbond.”
„Wij althans hebben daar de heeren Riethoven en Brinkman leeren kennen en waardeeren,” voegde Van Diepbrugge er bij, „en wij hopen dat onze kennismaking niet met het eindigen der reis afgebroken zal zijn.”
De Portugeesche afstammeling meesmuilde, maar zweeg zeer verstandig.
„Is er al iets omtrent uwe bestemming bekend?” vroeg Riethoven aan de beide ambtenaren.
„Officiëel nog niets,” antwoordde Slierendrecht, „maar daarom weten wij het toch.”
„Hoe dat zoo?”
„Hier, onze vriend Patimana is kommies ter secretarie, en die heeft ons.…” [80]
„Sjt!.…” sprak de Portugees. „Dat zijn zaken, die niet aan de groote klok mogen gehangen worden. Wat zijn die „tottokhs”54 toch babbelkousen!”
„Maar, mijnheer Patimana,” sprak Riethoven met een glimlach, „wanneer die heeren ons vertellen, waarheen hunne bestemming hen voeren zal, is dat dat nieuws niet aan de groote klok hangen?”
„Het mocht wat,” pruttelde de verre afstammeling van een der landgenooten van Vasco da Gama. „Jullie Europeanen zijt nog praatzuchtiger dan een oude nenèh.”
Hij vergat bij die oordeelvelling, dat hij zich gehaast had van de wetenschap, op zijn bureau opgedaan, aan zijne nieuwe vrienden mededeeling te doen, en hij dus het meest aanspraak op die vergelijking met eene oude nenèh had.
„Wij beloven stipte geheimhouding; maar gaat nu voort met uwe mededeeling omtrent uwe bestemming,” sprak Riethoven.
„Ik ben ter beschikking gesteld van den Resident van Cheribon,” sprak Piet Van Diepbrugge.
„En ik van den Resident van Madioen,” vulde Slierendrecht aan.
„Vergeeft mijne geringe aardrijkskundige kennis,” zei Brinkman, „maar waar liggen die beide Residentiën? Nergens wordt minder de kennis van onze Oost-Indische bezittingen aangekweekt dan in de inrichtingen, waar wij beiden onze opleiding genoten hebben.”
„Cheribon ligt aan de Java-zee en behoort tot het zoogenaamde Westjava,” antwoordde Van Diepbrugge.
„Is dat dicht bij den Lawoe?” vroeg Brinkman andermaal.
„O, olijkert!” lachte de andere, „ik begrijp die vraag. Ligt Wilatoong niet op de helling van dien vulkaan?”
Frank knikte toestemmend. [81]
„Daar komt mijnheer Slierendrecht dichter bij,” lichtte Patimana toe. „Hij gaat naar Madioen, dat tusschen de vulkanen Lawoe en Willis inligt. Het zou mij niets verwonderen of gij wordt te Magettan geplaatst, dat op de oostelijke helling van eerstgenoemden berg ligt. Er is eene vacature daar bij de koffiekultuur.”
„Gelukkige sterveling!” mompelde Frank binnensmonds. „En wanneer is uw vertrek bepaald, mijnheer Slierendrecht?” vroeg hij dezen.
„Dat is nog niet bepaald. Ik heb mijne officiëele benoeming nog niet, en hoor, dat die nog wel tien dagen kan uitblijven.”
„Nu, zoolang wel niet,” antwoordde Patimana glimlachend. „Maar is die er eenmaal, dan vertrekt gij ook met de eerste gelegenheid. Denkt ge, dat het gouvernement „por tjoema” (voor niemendal) traktement en verblijfkosten uitbetaalt?”
„Voor dien tijd zie ik u nog wel, mijnheer Slierendrecht,” sprak Brinkman.
„Dat hoop ik,” antwoordde deze. „Maar, is omtrent u beider bestemming nog niets bekend?”
„Neen, wij zijn nog niet ingedeeld,” zegt Riethoven.
„Och, bij dien soldatenwinkel gaat alles zoo’n slakkengang,” pruttelde Patimana. „Men moest het geheele militaire departement maar tot een onderdeel maken van de secretarie, dan zoudt gij eens zien, hoe die rommel meer voortvarend zou marcheeren!”
Onze onderofficieren keken elkander met een glimlach aan. Dat een „buikje”55 zich zoo’n oordeelvelling aanmatigde wekte hun spotlust op. Zij waren evenwel te goed opgevoed om dien bot te vieren. Daarenboven zij misten nog de noodige ondervinding om met vrucht op te treden. Zij zwegen dus, maar zij zouden op dat gebied nog wel meer beleven. [82]
Ons vijftal was inmiddels voortgestapt. Zij hadden Noordwijk, dat tegenover Rijswijk aan de andere zijde der rivier ligt, gedeeltelijk afgewandeld en sloegen, geloodst door Patimana, Gang Petjanongan in, die schuin tegenover het Java-hotel nagenoeg loodrecht eerstbedoelden weg snijdt. Het was een eigenaardige buurt, die men thans binnentrad. Was de verlichting reeds schraal te noemen op de hoofdwegen van de hoofdplaats van Nederlandsch-Indië, hier schitterde zij nagenoeg door geheele afwezigheid. Slechts hier en daar, maar op overgroote afstanden van elkander, bevonden zich bij de ingangen van dwarslanen, die Gang Petjanongan sneden, aangewitte palen, iets hooger dan eene mans lengte, waarop ellendige wrakke kleine lantaarns prijkten, nu eens rood dan weer groen of blauw geverfd, met smerige berookte glazen, waarin een nachtlampje een walmend vlammetje liet zien, welks lichtkring uiterst begrensd was. Toch was die gang eene flinke breede hartader, die door eene dichtbevolkte buurt naar Sawah Bazar voerde, welke laatstgenoemde heerbaan met Gang Ketapan, met Krokok, met Pinto Bessi, met de zoogenaamde Defensie-lijnen van den Bosch, met Parapattan en met Kebong Sirih de boulevards van Weltevreden vormden en die voorstad van Batavia ook in een groot onregelmatig vierkant besloten.
Die buurt, die onze wandelaars thans betraden, werd de wijk der smalle gemeente genoemd. Hierbij valt zich volstrekt geen tafereel voor den geest te halen, zooals de achterbuurten onzer groote steden aanbieden. Integendeel, alles wees hier op een zekere soort van welvaart, op reinheid en netheid, die met de niet ver af liggende kampongs der inlanders zoo’n kontrast maakten. Wel werden hier geen paleizen, geene vorstelijke gebouwen aangetroffen, zooals langs het Koningsplein en te Salemba, [83]wel werden hier geene weelderige zuilenrijen en marmeren vloeren ontwaard; maar toch maakten al die kleine huizen met hare zindelijk witte muren, met hare voorgalerijen, waarin op dit uur allerwege helder brandende hanglampen onder de schier onmerkbare avondbries zacht heen en weder wiegelden, een uiterst prettigen indruk, waartoe de smaakvolle en bloemrijke tuintjes, die de meeste dier huizen omgaven, en de hooge schaduw- en vruchtboomen, die hare kruinen boven de daken dier woningen welfden, en over dag de brandende stralen der dagvorstin afweerden, en frischheid en afkoeling bevorderden; maar zich thans dichterlijk geheimzinnig tegen den donkerblauwen keerkrings-hemel met zijne myriaden sterren afteekenden, het meeste bijdroegen.
Onze wandelaars bekeken en bewonderden ook wel die woningen met hare omgeving, die toch niet te versmaden waren; maar vooral trokken de bewoners dier huizen, die zich thans schier allen in hunne voorgalerijen bewogen, om de frischheid van de avondlucht met volle teugen te genieten, hunne aandacht. Weinige paggers (heggen), die de erven gewoonlijk van den openbaren weg afscheidden waren zoo dicht, en de sierstruiken in de tuintjes waren nimmer zoo talrijk, om den bespiedenden blik van buiten te kunnen afweren. En het was een aardig volkje, wat daar waar te nemen viel. Verreweg het grootste gedeelte van die bevolking behoorde tot het gemengde ras, hetgeen voornamelijk door de kleur der huid verraden werd. Maar daaronder bevonden zich ook blanken, creolen uit volbloed Europeesche ouders geboren, of Europeanen met een schip in het land gekomen, zooals dat destijds heette. Het waren in den regel ambtenaren en klerken op de Gouvernements-bureaux beneden een traktement van ƒ 150 ’s maands.—Die daarboven ging, achtte zich te groot [84]om in Gang Petjanongan en aangrenzende te wonen, en zocht eene meer aanzienlijke buurt.—Het waren geëmployeerden op de koopmanskantoren of in de toko’s (winkels) in de stad. In één woord het waren de beginnende in de Indische maatschappij. Vele van die mannen en die jongelieden, die daar ontwaard werden, waren of zouden bestemd worden om, tengevolge van minder grondig onderwijs en middelmatige opvoeding, tengevolge van gebrek aan geestkracht en werkzaamheid, tengevolge van wederwaardigheden en van het missen van de gunsten van de blinde godin Fortuna, maar ook sommigen tengevolge van lichtzinnigheid, van minder degelijk karakter, zich niet boven die sfeer van die buurt te verheffen. Anderen daarentegen zouden na korteren of langeren tijd de vleugelen uitslaan, het huisje, wat zij thans betrokken, soms met een of meer lotgenooten deelden, tegen een grooter en in voornamer kwartier verwisselen, de bendie,56 die hen thans naar kantoor of winkel bracht, tegen een smaakvollen milord, met fraaie Makassaarsche, misschien wel met hooge lompe maar zooveel deftiger Sydney-paarden bespannen, ruilen. Daar waren er onder, die later in een bont geborduurden rok zouden prijken, den chapeau-claque met bevallig gebaar onder den linkerarm zouden opvangen, alsof zij nooit iets anders gedaan hadden; er waren er, die als rijkaards, als millionnairs later door het leven zouden huppelen, om vroeg of spa in het oude Nederland eene villa te gaan betrekken, die thans nog niet in aanbouw was.
Maar van dit alles was in dit uur onder die voorgalerijen niets te aanschouwen. Wel zaten daar stemmige huisvaders, die weleer ook droomen van grootheid, van rijkdom gekoesterd hadden, op wier aangezicht de teleurstelling haren onmiskenbaren stempel gegrift had. Eene soort van tevredenheid, van kalme berusting evenwel [85]was op die gelaatstrekken niet te miskennen, hoe hoog gespannen de niet bereikte verwachtingen ook geweest waren. Zij verbraken het genoegelijke waas niet, dat zich rondom hen verspreidde. Wat er te ontwaren viel, was een tooneel van hartelijkheid in omgang, van vriendschappelijkheid, van ongedwongenheid en van gezelligheid, dat een ieder, die zoo iets voor den eersten keer te aanschouwen kreeg, het hart goed deed. O! dat er bij die ongedwongenheid, bij die hartelijkheid wel eens te kort gedaan werd aan de fijnere beschaving der hoogere westersche kringen; dat er wel eens een woord in goed Nederlandsch genoemd werd, waarvoor men in andere gezelschappen hetzelfde woord, maar in eene vreemde taal zoude gebruikt hebben; dat er ook wel eens gebroken, ja ergerlijk gebroken Nederlandsch gehoord werd, was niet te loochenen, maar die leemten werden vergoed door de gulheid en de hartelijkheid, die den boventoon voerden, zoodanig vergoed, dat ieders hart, zoowel van hen, die met die „smalle gemeente” in aanraking kwamen, als van hen, die zooals ons vijftal haar van den openbaren weg door de tusschenruimten der paggers waarnam, verrukt werd.
Onder de eene voorgalerij zaten eenige bedaagden gezellig om het speeltafeltje een partijtje kaart te maken, en brachten zoo de avonduren door. In eene andere zaten zij op wipstoelen in een kringetje om de ronde tafel, die steeds in het midden der galerij prijkte, te wiegelen, of op een rijtje langs de balustrade geschaard, om de beenen gemakkelijk daarop te kunnen uitstrekken. Waar jeugd bij elkander was, daar steeg de jool ten top, daar werd muziek gemaakt, daar werd gezongen, voornamelijk door volbloed Europeesche jonge dames of heeren,—het gemengde ras is slechts bij uitzondering goed bij stem—daar werd viool en fluit gespeeld, het laatste [86]instrument voornamelijk door de „toean toean koeliet langsep”57, die daarop ware virtuosen konden genoemd worden. Zij wisten daaruit de meest sprekende, smachtende en smeltende tonen te halen. Hier en daar werd ook pianogetokkel vernomen; maar dat speeltuig scheen niet en vogue, niet omdat de artisten ontbraken, maar eerder omdat in Indië zoo’n instrument nog al duur en het stemmen niet goedkoop is. Die, welke onze waarnemers dan ook hoorden, brachten tonen voort, die aan de klavecimbalen onzer grootmoeders deden denken, of aan dat instrument, waarmede de Savojaarden den dans hunner marmotten op onze kermissen weleer begeleidden, en een geluid voortbrachten, hetwelk den middenweg hield tusschen het getokkel eener lier en het gepiep van een vogelorgel. Maar waar dat pianospel ook vernomen werd, daar heerschte vreugde en pret; want daar werden geen sonates van Beethoven voorgedragen, ook geen meesterstukken van Chopin. Neen, daar weerklonken smachtende walsen, huppelende polka’s, verleidelijke redowa’s of mazurka’s. Daar vormden zich paartjes, die op de vleugelen der muziek in de voorgalerijen en binnengalerijen zweefden, en niet altijd rekening hielden met de bekrompenheid der lokaliteit. Daar zagen onze baren niet alleen dansen met eene lichtheid en bevalligheid, zoo als zij het nog niet aanschouwd hadden—want het moet erkend worden dat de meeste Indische dames volmaakte danseressen zijn—maar zij konden ook kopjes en bekjes bewonderen, die ieder, die jong was en gevoel voor het schoone had, in verrukking moesten brengen.
„Wat schoone kinderen!” zuchtte Piet Van Diepbrugge, als naijverig.
„Kijk, die blondine daar eens!” fluisterde Riethoven. „Juno zou geene fraaiere gestalte hebben.”
„Iets stijfs in die gestalte; iets flets in die trekken, [87]iets slaperigs in die oogen!” meende Slierendrecht.
„Zoo als meest alle creolinnen zijn,” merkte Sienjo58 Patimana op. „Ziet eens daar dat lieve kind. Dat is nonna Leentjie, een ware engel, heeren!”
Onze Portugees had gelijk, nonna Leentje was een engel! Met haar lief gezichtje, dat den ronden vorm naderde; met haar zachtbruine gevulde wangetjes, die evenwel met een frisch rozenrood overdekt waren, dat uitermate aangenaam getint in de lichte bronskleur der huid overging; met hare fraai gevormde zwarte oogen, die vurig en meeslepend konden genoemd worden; met haar klein mondje, gevormd door een paar heerlijke inkarnaat lipjes, die, wanneer zij zich tot een glimlach plooiden, het fraaiste gebit ter wereld lieten ontwaren; met haar prachtig donker hoofdhaar, dat heur gelaat met zware golven omlijstte, en aan het achterhoofd in overvloedige krullen opgebonden was; met hare rozenroode blouse die hare buste zedig bedekte—het was toen nog geen mode, dat de dames hare bekoorlijkheden zichtbaar modelleerden,—maar in weerwil van de menigvuldige plooien toch zooveel bekoorlijks liet gissen, dat niemand onzer jongelieden er aan twijfelde, of hij had een van de meesterstukken der Schepping voor oogen; met hare gestalte, die noch te rijzig, noch te ineengedrongen, maar zich veerkrachtig en buigzaam vertoonde, vooral wanneer zij danste en dan, lichtelijk achterover gebogen met haar middel op den arm van haren „danseur” leunde; met al die bekoorlijkheden gaf zij een bevallig beeld te aanschouwen, dat moeilijk te evenaren was.
Waarlijk, nonna Leentje was een engel, een engel van bevalligheid.
„Waren die twee onderofficieren niet bij ons,” fluisterde Patimana de beide ambtenaren in de ooren, „dan zou ik u hier presenteeren, en dan zoudt gij een prettigen [88]avond doorbrengen; want kijk, behalve nonna Leentje, zijn daar nog meer mooie meisjes.”
Frank Brinkman, die deze woorden opgevangen had, en zich toch met dat „nontongen”59 niet amuseerde, omdat geen vrouwelijk beeld hem kon boeien, en hij met de gedachte slechts in het Java-hotel verwijlde, antwoordde:
„Laten wij u niet hinderen, heeren. Het wordt zoo zachtjes tijd om naar ons kampement terug te keeren. Als de heer Patimana ons maar den weg wil wijzen, dien wij te volgen hebben, dan kuieren wij voort.”
„Neen, volstrekt niet,” viel Piet Van Diepbrugge in. „Wij hebben u overgehaald om gezamenlijk te wandelen; wij blijven bij elkander en wij brengen u te huis, nietwaar Slierendrecht.”
„Wis en drie!” antwoordde deze. „Maar wij moeten voort. Wij hebben al te lang naar nonna Leentje gekeken. Kom, vooruit!”
Onze jongelieden wandelden voort. Gang Petjanongan kwam op Sawah bezar uit. Zij volgden den weg, die zoo heet, vervolgden hunne wandeling langs Krokot; maar bij de schoutswoning, in die buurt gelegen, aangekomen, liet Patimana hen eene laan rechts inslaan.
„Ik heb u nu op Passar Bahroe gebracht,” lichtte hij toe. „Ziet ge, gij behoeft nu maar steeds recht toe, recht aan te loopen, dan komt gij van zelf op het Waterlooplein te recht.…”
Hij aarzelde een oogenblik; de andere jongelui keken hem vragend aan.
„Ik heb hier in de nabijheid in Gang Klientjie eene boodschap te doen, die ik totaal vergeten had, maar mij nu gelukkig ingevallen is. De heeren zullen mij excuseeren, niet waar?”
„Voorzeker, voorzeker,” betuigden de vier jongelui. [89]„Vrijheid en blijheid voor allen! Goeden avond, mijnheer Patimana. Wij danken u voor uwe begeleiding.”
„Goeden avond, heeren!”
En weg was de vroolijke mosch.
„Ik wed dat hij naar Gang Petjanongan terugkeert,” sprak Jan Slierendrecht.
„Naar nonna Leentje,” vulde Van Diepbrugge aan.
„Waarin hij trouwens geen ongelijk heeft,” merkte Herman Riethoven op. „Als ik te kiezen had tusschen een dans met dat lieve wezentje of te nontongen—zoo als hij dat noemde—met een gezelschap baren, zooals wij zijn, dan was mijne keuze bliksemsnel geschied.”
„Maar, daar staan wij nu,” pruttelde Brinkman. „Waar nu heen? That is the question.”
„Hij zei, altijd maar recht toe, recht aan,” antwoordde Slierendrecht. „Kom, vooruit.”
„Maar, het is hier helsch donker.”
Dat was het. Hij, die deze laatste opmerking uitsprak, had volkomen recht. Van straatverlichting was geen spoor. Daarbij, het was in het hartje van den Westmoesson; langzamerhand was eene dikke wolkenbank uit het noordwesten komen opdagen, die den hemel van zijne doorschijnendheid en de sterren van haar licht beroofd had. De duisternis werd nog vermeerderd door twee rijen loodsen, die zich langs den weg uitstrekten, en overdag gebezigd werden om allerhande koopwaren onder dak te brengen en tegen de verzengende stralen der tropische zon te beschermen, maar nu verlaten en natuurlijk niet verlicht waren. Men moest letterlijk op den tast voortstappen, waarbij onze wandelaars herhaaldelijk struikelden, omdat aan den weg daar ter plaatse niet veel zorg besteed was, en de karresporen diep uitgereden waren. [90]
Maar eindelijk waren onze wandelaren die loodsen voorbij. Zij kwamen toen in het chineesche kwartier, dat zich daar aan weerszijden van den weg uitstrekte. Ook daar was de verlichting niet rijk te noemen. Van straatverlichting ook daar geen spoor; maar hier en daar brandde een lichtje in een winkeltje, terwijl boven de deur van het meerendeel der chineesche woningen lantaarns60 bengelden, die in stede van glazen, roodgekleurd papier tot bescherming van het daarin brandende olielichtje hadden, en die met hare chineesche letters op die roode doorschijnende vlakken een fantastisch licht verspreidden. De meeste huizen stonden open, en ontwaarde de blik daarbinnen tegen den muur, die den achtergrond van het binnenvertrek vormde, het beeld van eenen wanstaltigen dikken Chinees, dat boven een altaar prijkte, waarop verscheidene roode waskaarsen stonden te branden. Langs de deurstijlen waren breede strooken rood papier geplakt, waarop ook alweer zwarte of ook wel vergulde chineesche karakters prijkten.
„Het is thans jammer, dat Patimana ons verlaten heeft,” zei Brinkman, „hij zou ons veel kunnen uitleggen, wat ons nu onbegrijpelijk voorkomt.”
„Och, laat dien lummel loopen; wij zijn nu in dit land en zullen later wel vernemen, wat thans onze aandacht boeit,” antwoordde Van Diepbrugge.
Onder de zeer smalle luifels, welke die chineesche woningen tegen de zonnestralen overdag moesten beschutten, zaten de mannelijke bewoners op de even smalle stoepen de avondlucht te genieten. Op de straat speelden eenige kinderen, terwijl men geen vrouwen gewaar werd. De meeste dier Chineezen zaten òf stilzwijgend te rooken uit pijpen met zeer lange rieten roeren en kleine kopjes, òf kakelden met elkander met eene luidruchtigheid, die het soms deed voorkomen, alsof zij met elkander twistten. [91]Maar niet zoodra naderden onze wandelaren of eene plechtige stilte verving het vroegere gesnater. Soms hoorden zij, dat elkander toegefluisterd werd:
„Diam! olang blanda, soldadoe! blangkali olang mabôh.”61 Stilte! daar komen blanken, militairen, misschien zijn zij dronken.
„Die menschen meenen dat wij dronken zijn,” zei Slierendrecht, die te Delft zooveel Maleisch geleerd had, dat het woord „mabôh” hem op het spoor bracht, wat die Chineezen bedoelden.
Hier en daar verhief zich een oorverscheurend geluid, niet ongelijk aan dat, wat een verliefde kater in de maand Maart des nachts in het vaderland op de daknokken pleegt aan te heffen. Hier was het geen dier, dat zoo de gunsten eener weerbarstige schoone trachtte te verwerven, maar wel een jeugdige Chinees, die de „trauwkoei” een eensnarig instrument, wat wel eenige verre verwantschap met eene viool had, bespeelde, en met een korten strijkstok daaraan tonen ontlokte of beter daaruit zaagde, zoo erbarmelijk, dat zij iemands haren recht overeind deden rijzen en alle Europeesche katers op de vlucht zouden gejaagd hebben. Een paar fraaie chineesche winkels werden in dat kwartier van Passar Bahroe aangetroffen, en moesten onze wandelaars erkennen, dat die smaakvol ingericht en verlicht waren.
Toen ons viertal het chineesche kamp uittrad en de brug overstapte, die daar ter plaatse de Tjiliwong overspande, en toegang tot de Comediebuurt verleende, bespeurden zij dat het begon te droppelen.
„Kom, vooruit, vooruit!” sprak Van Diepbrugge. „Hier ben ik in bekende wereldoorden. Daar ginds, waar gij die lantaarns ziet, is het Waterlooplein! Vooruit! Kijk de lucht daar achter ons eens zwart zijn.”
De jongelieden stapten vooruit met al de veerkracht, [92]die hunne jeugdige beenen toelieten. Weldra waren zij op dat plein. Zij hadden reeds het Groote Huis gepasseerd, toen eensklaps in de verte een geluid vernomen werd, alsof een rollende wagen snel naderde. Er viel zich niet te vergissen.
„Drommels, daar is de bui!” riep Piet Van Diepbrugge. „Kom, gauw hierin, anders worden wij kletsnat!”
Hij stormde met zijne makkers een weg in, die naar een der groote poorten voerde, die tot het Groote Huis, het paleis, dat Maarschalk Daendels voor zich bestemde, toegang verleende. Die poort was evenwel op dat uur van den avond gesloten, zoodat daaronder geen schuilplaats te vinden was.
„Kom, voort! voort! naar de Concordia!” riep Van Diepbrugge. „Hoort de bui eens naderen! over weinige minuten is zij hier.”
En het voorbeeld gevende liep hij naar een gebouw toe, dat zich naast het Groote Huis verhief, en uit welks ruime voorgalerij bundels lichtstralen het nachtelijke duister daarbuiten doorboorden, en van eene onbekrompen verlichting daarbinnen getuigden. Juist toen onze vier jongelieden den trap der voorgalerij bereikten, begon de regen met groote zware droppels kletterend neer te vallen. Een seconde later, dan waren allen druipnat geweest; want in een oogwenk gudste het water in dikke stralen van de daken, en zweepte de noordwestenwind den dichtvallenden regen over den weg, die weldra onder eene waterlaag bedolven, aan eene vuilgeele drabbige beek gelijk was, die snel stroomend de sloten allerwege vulde om zich rivierwaarts te spoeden.
Toen onze jongelieden de voorgalerij binnenstormden, zaten daar ettelijke officieren en burgers om eene groote ronde tafel, die het midden dier galerij besloeg. In het gebouw zelf zaten een aantal heeren om eene langwerpig ronde [93]tafel, couranten en tijdschriften te lezen, terwijl enkelen zich vergenoegden de platen van verschillende illustratie’s te bekijken, zonder een enkel woord van den tekst in te zien. Verderop zaten ettelijke groepjes heeren om speeltafeltjes, en maakten een gezellig partijtje. In de zijvleugels stonden eenige biljardtafels, die druk omringd waren.
De „Concordia” was destijds en is nog altijd de officiers-sociëteit van Weltevreden, waarvan evenwel een groot aantal burgers van Batavia, zoowel civiele ambtenaren als handelaren, ook lid zijn.
De heeren Van Diepbrugge en Slierendrecht, die zich eenige dagen te voren in die sociëteit hadden laten introduceeren, naderden de ronde tafel in de voorgalerij, wisselden een groet met eenige bekenden, grepen twee stoelen en noodigden Herman en Frank insgelijks te doen en naast hen plaats te nemen. Deze laatsten, op het gezicht der officieren, die daar zaten, hadden het militair salut gemaakt, ontdekten zich daarna het hoofd, naderden bescheiden, evenwel met de vrijmoedigheid van mannen, die zich in dergelijke kringen weten te bewegen, maar verzochten toch hunne civiele vrienden hen eerst te introduceeren.
„Mag ik u verzoeken, mijnheer Abbema, onze vrienden, de heeren Riethoven en Brinkman, in het introductieboek in te vullen,” wendde zich Slierendrecht tot een jeugdig ambtenaar, die in den kring zat, en even als al de anderen de voeten gemakkelijk op een ijzeren stang geplaatst had, die tot dat doel op een paar voet boven den grond aan de tafelpooten bevestigd was, en derhalve eene hoepel daarom daarstelde,
„Sapada! kassi boekoe nama!” (aannemen! geef het introductieboek!) riep de heer Abbema bereidwillig.
Hij werd evenwel in zijne goede voornemens gestuit door een gezet heer van middelbaren leeftijd, die daar [94]zwijgend tusschen de jongelieden zat, en zich slechts onledig scheen te houden met kolossale rookwolken, die hij uit zijn manilla-sigaar zoog, uit te blazen, en van tijd tot tijd een wippertje aan zijn bitterglaasje te proeven, dat voor hem op de tafel stond. De man was van top tot teen in het wit gekleed, witte das, waaruit de punten van een paar staande vadermoorders te voorschijn traden, die langs ’s mans ooren den weg naar zijn oogen schenen te zoeken, wit jasje, wit vest met overdikke gouden horlogeketting, wel geschikt om een dog aan vast te leggen, witte pantalon, natuurlijk witte kousen, die bijna niet te onderscheiden waren van de lage witte zeildoeksche schoenen, die almede op den ijzeren hoepel der „kletstafel” rustten. Zijn gelaat was aschgrauw, bloed- en kleurloos, alleen zijne oorboorden waren vuurrood. De man scheen zich tot type gesteld te hebben in zijn gelaatstrekken eene onverstoorbare deftigheid en voornaamheid te vertoonen.
„Mijnheer Abbema,” sprak hij met indrukwekkende stem en een gebaar, alsof hij doceeren wilde, „mag ik u in herinnering brengen, dat het hier geen militaire cantine is.”
De heer Abbema scheen verschrikt en verlegen bij die opmerking, vooral toen een paar andere niet minder gezette heeren, ook in witte jasjes gekleed, in de nabijheid gezeten door knikken hunnen bijval betuigden. De beide onderofficieren traden een pas achteruit, alsof zij zich in weerwil der stortbui wilden verwijderen, waarin zij evenwel door een officier, die opgesprongen was en hen naderde, verhinderd werden.
„Maar, mijnheer,” bracht Slierendrecht in het midden, „een fatsoenlijk man mag toch wel bij fatsoenlijke lieden geïntroduceerd worden, niet waar?”
„Let wel op, wat ik zeg, mijnheer,” hernam de toegesprokene [95]met de meest mogelijke deftigheid. „Ik heb alleen den heer Abbema in herinnering gebracht, dat het hier geene militaire cantine is.”
„Met wie hebben wij het genoegen te spreken?” vroeg Van Diepbrugge, die zich noemde en de namen zijner vrienden Slierendrecht, Brinkman en Riethoven noemde, en hen met een gebaar voorstelde.
„Ik ben de directeur Endelbuis, de directeur van binnenlandsch bestuur!”
De toon, waarop die woorden gesproken werden, klonk zoo hooghartig, zoo aanmatigend, dat zij niet anders zouden geklonken hebben, wanneer de heer Endelbuis het „quos ego” van Neptunus had moeten uitspreken om de verwoede golven tot bedaren te brengen, wanneer hij had moeten verkondigen, dat hij de Heer van hemel en aarde in persoon was. De beide jeugdige ambtenaren ter beschikking verbleekten gedurende een ondeelbaar oogenblik. Zij bevonden zich daar voor een der machtigen van Nederlandsch-Indië, voor hunnen hoogsten chef en, zóóveel hadden zij reeds van het leven in dit land vernomen, dat het niet goed was, zoo iemand te weerstreven. Hunne edele natuur hernam evenwel de bovenhand.
„Gij kunt toch niet willen, niet bedoelen, mijnheer de directeur,” sprak Van Diepbrugge diepbuigend, „dat die beide onderofficieren in dit hondenweer naar buiten moeten, terwijl wij hen uitnoodigden hier te schuilen.”
„Ik wil en bedoel niets, mijnheer,” antwoordde de heer Endelbuis, terwijl hij den duim en wijsvinger der rechterhand te zamen bracht, en daarmede bewegingen volbracht, alsof hij spelden in de tafel wilde tikken, terwijl de drie overige vingeren dier hand sierlijk trapsgewijs omhoog gericht waren. „Ik wil en bedoel niets. Ik herhaal het, ik heb den heer Abbema alleen willen herinneren, dat het hier geene militaire cantine is. Voor u [96]wil ik de opmerking er bijvoegen, dat ik niet goedkeuren kan, dat de aanstaande ambtenaren van binnenlandsch bestuur hun gezelschap bij onderofficieren zoeken!”
„Dat gaat te ver!” riep de officier, die de beide sergeanten genaderd was, en hun intusschen de hand gedrukt had. „Dat gaat te ver! Ik neem die beide mannen onder mijne hoede, en ik raad een ieder, al is het ook een directeur van binnenlandsch bestuur, ernstig aan, zich te onthouden van hen nog een woord toe te voegen dat kwetsend mocht luiden!”
Het was luitenant Leidermooi, onze oude kennis van de Fernandina Maria Emma, die trillend van verontwaardiging opgevlogen was, bij de bejegening, die de beide onderofficieren ondergingen.
Frank en Herman stonden doodsbleek daar, hunne lippen trilden, hunne oogen schoten vuur, toch was er een onbeschrijfelijk weemoedige trek op hun gelaat waarneembaar. Kalm antwoordde Herman, met dankbare warmte in zijne stem:
„Wij danken u, luitenant Leidermooi, voor uwe tusschenkomst en voor uwe toegezegde bescherming bij verder kwetsende woorden. Wij hebben in dit oogenblik een onzer meerderen leeren kennen, omkransd met den nimbus, zooals ik mij hen allen steeds omstraald voorstel, namelijk gereed om steeds voor hunne minderen in de bres te springen. Nogmaals wij danken u! Maar.…” liet hij er vervolgens ijskoud op volgen, „gij spraakt van kwetsen. „Les humiliations sont en général ce qu’on les fait soi-même par la manière de les prendre. Si l’on se montre blessé elles blessent, si l’on les accepte comme une simple condition des choses, elles relèvent au lieu d’abaisser.” De heer Endelbuis zal [97]ons veroorloven ons naar die uitspraak te gedragen. Zij werd verkondigd door den heer A. Thiers62 een man van meer gewicht in de wereld dan ooit een ambtenaar in Nederlandsch-Indië zal verkrijgen.”
„Braaf gesproken!” liet eene stem zich achter de jongelieden hooren, terwijl een hand op Hermans schouder terecht kwam.
Het was kapitein Van Dam, die, aan een speeltafeltje gezeten, door de discussie, welke in de voorgalerij gevoerd werd, naar buiten gelokt was, en juist het antwoord van sergeant Riethoven opving.
„Braaf gesproken!” herhaalde hij. „Toen de heer Endelbuis hem geheel onbekende lieden, die door fatsoenlijke mannen hier binnengeleid werden, zoo bejegende als hij gedaan heeft, welke handeling slechts aan zijn almachtswaanzin toe te schrijven is, kon hij de betrokken personen niet kwetsen, en was hij geen ander antwoord waard dan hij ontvangen heeft. Kom, jongelui, ik ben een oud lid van Concordia; ik zal de eer hebben u te introduceeren. Sapada! Kassie boekoe nama!”
„Anders, zal ik het wel doen!” riepen verscheidene stemmen, waaronder die van een paar hoofdofficieren.
„Dank u heeren! het is reeds geschied,” sprak Van Dam dankbaar.
De directeur Endelbuis stond op en stapte in zijn rijtuig, pruttelende: „ik zal mij veroorloven de directie der sociëteit opmerkzaam te maken, dat de Concordia geen militaire cantine is.”
Hij werd door de andere heeren, die hunne goedkeuring aan zijn ongepasten uitval verleenden, bij zijn terugtocht op den voet gevolgd. Menige schampere glimlach vervolgde hem; de tegenwoordigheid der onderofficieren hield evenwel de jongeren in bedwang om hunne gevoelens op andere wijze lucht te geven. [98]
Onze beide sergeanten brachten nu een zeer genoegelijk uurtje te midden van dat gezelschap aan die „kletstafel” door. Toen het evenwel tijd werd, om heen te gaan, ten einde op het avondappel present te zijn, riep kapitein Van Dam,—daar het nog steeds regende,—den koetsier van het huurrijtuig, dat hem naar de sociëteit gebracht had, en beval hem de jongelieden naar hun kampement te rijden.
Terwijl het rijtuig den korten weg aflegde tusschen de kazerne en de Concordia, mompelde Riethoven in zich zelven:
„De kapitein had gelijk dezen morgen, toen hij zeide: l’abnégation du guerrier est une croix plus lourde, que celle du martyr. Welk eene bejegening! en dat van een regeeringslid! ten opzichte van militairen, die toch in eene kolonie onmogelijk te ontbeeren zijn! Hier zit ook al de wijsheid niet ten troon.” [99]