WeRead Powered by ReaderPub
In het land der zon cover

In het land der zon

Chapter 8: VIII. Eene militaire terechtstelling.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a quarter century spent in the Dutch East Indies through episodic travel sketches and reminiscences that mix arrival scenes, port life, river and coastal landscapes, encounters with local fishermen and urban populations, descriptions of climate, flora and fauna, and remarks on military and civic routines. Vivid on-the-ground detail ranges from the discomforts of travel and mudbound launches to market scenes and casual natural history observations, while recurring reflections compare colonial townscapes with homeland memories and everyday social customs.

[Inhoud]

VIII.

Eene militaire terechtstelling.

Kapitein Van Dam liet zich nooit wachten, wanneer een ongelukkige hem riep. Al heel kort na het vertrek der noodlottige Commissie, verscheen hij bij Taugwalder, wien hij met warmte de hand drukte, zonder evenwel, door aandoening overmand, een woord te kunnen spreken.

„Ziet, die handdruk van u, heer kapitein, doet mij goed,” sprak de Zwitser, terwijl hij de hand van den officier in de zijne geklemd hield. „Die hand doet mij goed! Het is een teeken dat de eerlijke lieden zich niet van mij afkeeren, al moet ik het leven laten voor hetgeen ik misdaan heb. Och, ik had het zoo misdadig niet gemeend. Gij gelooft mij toch, heer kapitein, nietwaar? Door mijn toedoen, met mijn medeweten zou uw en uw aller leven aan boord geen gevaar geloopen hebben. Ik heb slechts de vrijheid willen herwinnen, om mijne jeugdige jaren er aan te kunnen wijden, eene zekere positie in de wereld te verwerven, die mij eenmaal in staat zoude stellen, kommerloos en onafhankelijk tot de mijnen in het Zermatt-dal terug te keeren. Gij weet, heer kapitein, dat het een droombeeld van de Zwitsers is, om wanneer wij onze fraaie dalen verlaten hebben, daarin later terug te keeren, dáár van de vruchten [138]van ons zwoegen te leven en de achtergeblevenen, zij die de bergen, welke hen omringen, niet hadden overschreden, te verblinden met de welvaart, die wij verworven hebben. Hoe kon ik na zesjarigen dienst hier in de koloniën als subaltern-militair te Zermatt terugkeeren? Zouden mij de kinderen niet nagejouwd hebben, wanneer zij mij in mijn grauwen kapotjas hadden zien verschijnen? Zoude ik dan wel het noodige geld bezitten om dat fatale kleedingstuk, hetgeen de Nederlandsche krijgslieden op tuchthuisboeven doet gelijken, tegen een voegzamen burgerjas, tegen een blauwen kiel zelfs te verruilen, om ten minste voegzaam voor de oogen der mijnen te verschijnen. Och, mijne arme ouders! Hebben die wel kunnen gissen, dat, toen zij mij te Zürich lieten studeeren, zij den grondslag legden van mijn ongeluk? Want, heer kapitein, het is de eerzucht, welke mij bezielde, die van alles schuld is. Had ik mij bij het onvermijdelijke, toen mij dat bleek, weten neer te leggen, dan zou dat alles niet gebeurd zijn. Och, och, heeft die goede brave vader, heeft die moedige berggids, die zoovele menschenlevens redde op den Monte-Rosa, op den Mont-Cervin, of op den Breithorn, zijne zuur verdiende spaarpenningen moeten opofferen om zijn kind ongelukkig te maken.… om zijn eenigen zoon tegenover een doodvonnis te plaatsen?.…”

Taugwalder stond daar met gebukten hoofde, terwijl hij steeds de hand van kapitein Van Dam in de zijne geklemd hield. Zijne ontboezeming ontvlood zijne lippen met eene radheid, eene gejaagdheid, alsof hij vreesde haar niet ten einde te zullen brengen. De kapitein, die zielsinnig medelijden met den rampzalige had, wist niet wat daarop te antwoorden. Hij gevoelde dat hij zich zonder troost, zonder woorden tegenover een zoo groot ongeluk bevond. Tegenover zoo eene natuur, waren [139]gemeenplaatsen zoo niet wreed, dan toch overbodig en nutteloos geweest. Hij zweeg dus, maar keek den ongelukkige met deernis aan.

„Ik heb den geestelijke geweigerd, dien men tot mij zenden wilde,” ging de arme ter dood veroordeelde voort nadat hij een poos gezwegen had. „Wat zou die man mij kunnen vertellen,” vervolgde hij met een bitteren glimlach op de lippen, „hetgeen indruk op mij zou maken kunnen? Hij zou mij spreken over leven en dood, over een leven na dit leven, zooals hij dat in zijne jeugd geleerd heeft en zooals dat in zijne boeken staat, die hij voor zoo’n gang mijwaarts zoude geraadpleegd hebben. Maar, weet die man wat sterven is? Neen, dat weet hij niet! Hij moge aan nog zooveel sterfbedden gestaan hebben! Men leert niet sterven, door te zien sterven; dat leert men alleen, wanneer men in onmiddellijk doodsgevaar is. Dat leert men, wanneer men lange weken op de eindbeslissing der machtigen der aarde zit te wachten. Dan sterft men ieder uur, iedere minuut, iedere seconde. Dan doet ieder gedruisch aan de deur, aan het slot den rampzalige opschrikken. Dan ontwaakt hij ’s nachts plotseling uit een benauwenden verschrikkelijken droom, bij het gekraak der geweerschoten, die het doodvonnis voltrekken, of bij het zien van het doodoffer als een zeef door de kogels doorboord en met bloed overstroomd.… Neen, men kan mij niet leeren sterven! Ik heb den dood herhaaldelijk onder de oogen gezien op de slagvelden in de Krim, in het gevecht, in de spanning, in de aandoeningen, in de opgewondenheid van het gevaar, als het een kamp om het leven gold.… ik heb hem ook herhaaldelijk zonder die opgewondenheid gezien op den Gorner-Gletscher, op de hellingen van den Monte-Rosa, een anderen keer op den Theodul-Gletscher bij den top van den [140]Matterhorn, toen de Foehn met zijne verstikkende lucht en zijne sneeuwstormen mij met donderend geweld om de ooren woei, en mijn oog verduisterden, terwijl eene aarzeling, een misstap, hoe gering ook, een doodelijken val onvermijdelijk ten gevolge moest hebben. Ja.… ik heb den dood herhaaldelijk onder de oogen gezien! Ik vrees den dood niet.… ik zal hem overmorgen manmoedig tegemoet treden. Toch voel ik, dat thans te sterven, zwaar is! Toenmaals zou ik licht gestorven zijn. Maar nu?.… Och, waartoe dienen al die beschouwingen? Er is niets te veranderen aan mijn noodlot! Nogmaals kapitein, ik dank u, dat gij den armen veroordeelde uwe ridderlijke hand hebt komen reiken. Gij hebt daardoor een edel werk verricht!”

„Kan ik niets meer voor u doen, Taugwalder?” vroeg kapitein Van Dam, wien de stem in de keel stokte alsof daar iets wrangs zat. „Hebt gij uwe laatste beschikkingen getroffen? Hebt gij uwe ouders geschreven? Kan ik u in iets behulpzaam zijn?”

„Dank u, heer kapitein, voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde de veroordeelde met zachte stem. „Beschikkingen heb ik niet te maken; want ik bezit niets ter wereld dan mijn lichaam, dan mijn arm hart!… Maar … wat zeg ik? ook dat behoort mij niet; dat behoort de wet, dat zal weldra doorboord en zielloos daar neer liggen. Ja, ik heb aan mijne arme ouders geschreven, een heel langen brief. Ik zal er straks en morgen wat bij voegen. Wilt gij u met het verzenden van dien brief belasten? Ja?.… O! ik dank u. Ik heb den heer auditeur verzocht of de sergeanten Riethoven en Brinkman den laatsten dag mijns levens bij mij mochten komen doorbrengen. Hij heeft mij dat beloofd. Ik zal een hunner den brief geven, om hem u te overhandigen. Och, als ik u bidden mag; maar.…” [141]ging hij aarzelend voort, „ik … durf.… niet.…”

„Wat durft gij niet? Spreek op, Taugwalder! Wat ik voor u doen kan, zal gebeuren!”

„Och, heer kapitein, schrijf bij dien brief een paar regels. Schrijf aan mijn braven vader, aan mijn goede moeder, dat ik zoo slecht niet was, als zij wel meenen zullen. Schrijf hen dat ik mijne daad diep verfoeid en berouw er over gevoeld heb. Schrijf hen, dat ik in mijne laatste oogenblikken aan hen gedacht en hun aandenken gezegend heb. Gij zult verzachting aanbrengen, heer kapitein, bij de vreeselijke pijn, die mijn dood hen veroorzaken gaat. Zult gij dat doen?”.…

„Ik beloof het u, Taugwalder,” sprak de kapitein diep bewogen.

„Zult ge? O!… dat zijn toch geen woorden, om mij maar te paaien, om mij af te schepen? Nietwaar, de beloften aan stervenden gedaan zijn heilig? Die volvoert men altijd!” riep de ongelukkige in de grootste opgewondenheid uit.

„Taugwalder, ik beloof het u op mijn woord als officier; ik zal uwe ouders schrijven. Ik zal hen de geheele toedracht mededeelen. Ik zal hen schrijven, hoe gij als soldaat gedwaald en hoe gij als soldaat geboet hebt; maar ik zal er bijvoegen, dat gij een eerlijke kerel gebleven zijt, en u tot in het laatste oogenblik een goed zoon getoond hebt!”

„Ik dank u, heer kapitein! ik dank u!… Om Godswil laat mij nu alleen.”

„Nog een enkel woord, Taugwalder. Straks zeidet ge dat ge verzocht hadt, dat de sergeanten Brinkman en Riethoven bij u zouden komen. Arme kerel, dat verzoek zal u een teleurstelling baren. De sergeant Brinkman is na beëindiging van uw proces, dus reeds geruimen tijd geleden, naar Ngawie, eene plaats in de binnenlanden van Java vertrokken.” [142]

„Is dat ver van Batavia, heer kapitein?” vroeg de rampzalige.

„Zeer ver. Derwaarts gaande, reist men eerst een paar dagen over zee, en daarna een viertal dagen over land.”

Taugwalder zuchtte eens.

„In Gods naam!” zei hij gelaten. „Ik had dien onderofficier nog wel eens willen ontmoeten. Maar, het zal mij toch wel vergund zijn, zijn vriend, den sergeant Riethoven te zien? Die is toch niet vertrokken?”

„Neen; ik zal er dadelijk werk van maken, dat aan uw verzoek voldaan wordt. Is er nog iets, waarmeê ik u aangenaam kan zijn?”

„Neen, dank u, heer kapitein. Maar.… zie ik u nog voor.…? Ik zou u nog zoo gaarne de hand willen drukken, alvorens.…”

„Och, dat beloof ik u. En nu … Taugwalder, moed!”

„Die zal mij niet ontbreken. Goeden dag, heer kapitein!”


Den volgenden avond zaten Herman Riethoven en Peter Taugwalder in de cel, die laatstgenoemde tot gevangenis strekte, bij elkander. Op de kleine tafel stond, behalve eene helder brandende astraallamp, een overvloedig maal, dat evenwel door den veroordeelde onaangeroerd was gelaten. Alleen dronk hij van tijd tot tijd een zeer klein teugje wijn. Ook stak hij bijwijlen eene sigaar aan, deed dan eenige trekken, blies den rook boven zich uit, maar liet haar daarna weer gedachtenloos, of beter in gedachten verzonken, uitgaan, om haar een oogenblik later weer aan te steken. De deur van het kleine vertrek stond wijd open, om den schildwacht, die daarvoor in den gang met eentonigen pas op en neer drentelde, en den sergeant van de wacht aan de gevangenis, [143]wanneer hij zulks noodig oordeelde, den vrijen blik daarin te gunnen. In den hoek van het vertrek stond eene krib met stroozak en hoofdkussen, die de sporen droegen, dat daarop heen en weer gewoeld was. Inderdaad, Taugwalder had verscheidene malen gedurende dien laatsten dag getracht zoo geen slaap te genieten, wat hem bij zijne gemoedsstemming onmogelijk was, dan toch zijn opgewonden zenuwgestel door rustig uitgestrekt te liggen tot bedaren te brengen. Helaas! dat gelukte weinig of niet. Nauwelijks lag hij toch, dan werd hij door zielsangst gedreven om weer op te vliegen. Het was hem dan alsof hij door die rust diefstal aan zijn eigen leven pleegde, of hij daardoor zijn bestaan feitelijk verkortte. Boven die krib hing een groot kruisbeeld. Verklare het, wie het kan; Taugwalder had den toegang tot zijn persoon voor den pastoor der R. K. gemeente, waartoe hij behoorde, afgewezen; toch had hij in den morgen van den laatsten dag voor zijne terechtstelling om dat kruisbeeld verzocht, hetwelk uit het Roomsche kerkgebouw was geleend geworden, en waarop hij herhaaldelijk gedurende den dag een langen blik sloeg, zonder evenwel een woord te laten ontglippen van hetgeen op godsdienstig terrein in zijn binnenste omging. De ijverige geestelijke destijds te Batavia, in dat verzoek eene toenadering vanwege den veroordeelde ziende, was snel aangeloopen gekomen om zijne diensten andermaal aan te bieden, maar was wederom afgewezen.

De lange uren van dien dag waren voor beide personen, die daar thans in het avonduur bij elkander zaten, voorbijgekropen onder afwisselende gemoedsstemming bij den veroordeelde, die haren weerslag niet miste bij hem, dien hij verzocht had, hem in dat laatste etmaal ter zijde te staan. Nu eens was de arme ter dood veroordeelde [144]diep neerslachtig, wanhopig en scheen onder die foltering zijn denkvermogen, zijn bewustzijn van handelen te verliezen; een volgend oogenblik was hij door een woord van zijn toespreker aangemoedigd, of beurde hij zich zelven op, en verscheen in dat kort te voren bijna gebroken oog de weerslag van wat in zijne ziel omging, en ademden zijne trekken niet alleen kalme berusting, maar ook moed en vastberadenheid.

Zwijgend zaten beiden thans bij elkander, de veroordeelde met half gesloten oogen als in gedachten verzonken, Herman Riethoven even stil, beducht om den gedachtengang of den sluimer wellicht van zijn ongelukkigen metgezel te storen. Zij zaten zoo een wijl, toen de nadering van eene ronde de nachtelijke stilte kwam storen. Eerst werd in de verte het regelmatig geluid van den afgemeten militairen tred vernomen. Dat geluid naderde, naderde, naderde nogmaals, hield eensklaps op. Eene stem vroeg toen, hoewel fluisterend, toch waarneembaar aan den schildwacht: „niets nieuws?” en klonk het antwoord, terwijl de schildwacht het geweer schouderde: „niets, sergeant!” Waarop de ronde, bestaande uit een vijftal gewapende mannen, waaronder de kommandant, voorafgegaan door een gevangenbewaarder met eene brandende lantaarn in de hand, de geopende deur voorbijtrok, de ronde-sergeant een doorzoekenden blik door het vertrek liet waren, en zich verwijderde, terwijl de afgemeten tred van den verwijderenden troep langzamerhand verzwakte, en eindelijk in de verte geheel wegstierf.

„Waartoe toch al die omhaal?” vroeg Taugwalder, terwijl hij het hoofd oplichtte en zijn makker aanzag. „Zou men meenen dat ik zou willen ontvluchten? Veronderstel, dat ik zulks zou willen, waar zou ik heen?”

„Het is slechts eene formaliteit, door de reglementen [145]voor dergelijke gelegenheden voorgeschreven,” antwoordde Riethoven. „En de ondergeschikte militair heeft zich daarnaar stipt te gedragen.”

„Men kan anders die moeite wel sparen, en die arme drommels met rust laten.…. Mij heeft die ronde jammerlijk gestoord. Och, ik vertoefde voor een oogenblik bij mijne ouders.…. Dat is alweer voorbij!.. Wat spoedt de tijd toch voort!.… Heb ik u al den brief, voor mijne ouders bestemd, ter hand gesteld?.. Neen?… Zie, hier is hij. Gij moet hem aan kapitein Van Dam overhandigen, die zal er een eigenhandig schrijven bij doen. Dat heeft hij mij beloofd.…. Is het adres wel duidelijk?… Laat zien … Herrn Peter Taugwalder, Zermatt. Kanton Wallis. Schweiz. Ja, dat is voldoende. Er is slechts een Peter Taugwalder in het geheele dal.… Ik zou de tweede geweest zijn, als ik teruggekeerd ware.… Als!.. als … vreemd woord. Als deze brief daar ginds aan zal komen, zeg, hoelang zal ik dan begraven zijn?… Zes of zeven weken, niet waar?”

„Maar Taugwalder, is dat uw leven niet noodeloos verbitteren, door u met zulke vragen bezig te houden? Is dat niet uw’ moed aan het wankelen brengen?”

„Gij hebt gelijk, maar kan ik anders? Zeg, is het mij mogelijk eene andere gedachte te hebben, dan die mij aan mijn snel naderend einde herinnert?… Moed!… Moed om te sterven! Och, gij weet niet, wat gij zegt. Zie ginds eens door de traliën van dat venster omhoog. Wat ziet ge?.… De sterren, niet waar?… Die zult gij morgen avond weer aanschouwen, als gij den blik omhoog wilt richten. En ik?… ik?… hoeveel voet zal ik dan reeds onder de aarde liggen?… Ja, zie door die traliën heen?… Maar neen, gij kunt niet zien, wat ik daar zie. Het oog der stervenden ziet in de toekomst. Ik ga sterven, gij niet!… Wat ik [146]zie?… Ik zie mijne moeder met hare grauwe loshangende haren, met saamgevouwen handen boven haar gelaat, dat zij ten hemel wendt. Zij vloekt het oogenblik, toen zij mij in haren schoot ontving, zij vloekt het oogenblik, toen zij mij het levenslicht schonk. En toch … ziet de eeuwige moederlijke liefde! in weerwil van de smart, die ik haar bereid heb, strekt zij liefdevol de armen naar mij uit … roept zij mij!… Hoort gij haar niet?… Peter! Peter!… Ja, moeder, ik kom!”

„Taugwalder, bedaar, bedaar, in ’s hemels naam!” kreet Herman wanhopig. „Door zulke gedachten toegang te verleenen, door haar te koesteren, vernietigt gij uwe geheele geestkracht, die gij straks zoo noodig zult hebben, om uwen laatsten gang in deze wereld af te leggen. Kom, drink een glas wijn.”

Werktuigelijk greep de ongelukkige zijn glas, bracht het aan de lippen; maar nog voor dat die door het druivennat beroerd werden, zette hij het weer neder.

„Geestkracht!… Ja, gij hebt gelijk, steeds gelijk! Ik heb straks geestkracht, veel geestkracht noodig! O! die zal mij niet ontbreken, dat zult gij wel zien. Arme vriend! welken schrikkelijken nacht berokken ik u, niet waar? Maar ik moet toch iemand bij mij hebben. Als ik dien akeligen nacht alleen had moeten doorbrengen, dan zou men morgen slechts een waanzinnige in de cel teruggevonden hebben. Neen … gij hebt gelijk, ik moet geestkracht hebben! O! kon ik die schrikkelijke gedachten maar verbannen. Is daar niets voor te doen? Kom, laten wij kaartspelen. Ik was nog al een hartstochtelijk minnaar van een partijtje. Misschien zal me dat een oogenblik doen vergeten.”

De kaarten werden gebracht. Het partijtje nam een aanvang. Hoe beide partners hunne gedachten bij die stomme stukjes bordpapier in die oogenblikken konden [147]bepalen, dat is moeielijk te verklaren. Maar het middel gelukte een wijl, zelfs in zoover, dat Taugwalder een oogenblik twistte en kibbelde over de betaling van eene duit77. Hij had waarachtig niets te veel gezegd, toen hij beweerde, dat hij een hartstochtelijk kaartspeler was. Dat duurde zoo omstreeks tot vier uur in den ochtend. Toen voelde Taugwalder zich zoo afgemat van de vreeselijke inspanning, om zijne gedachten bij de kaarten te bepalen, dat hij zich op zijn bed wierp en ook in een loomen dommel, dat geen slapen en geen waken was, geraakte, waarin hij zich tallooze malen dan op deze en dan op gene zijde wentelde, en daarbij soms zware zuchten, maar ook onzamenhangende woorden uitstiet, die evenwel aanduidden, dat het bewustzijn kortstondig geweken was. Herman zat op een stoel aan het voeteneind van de krib, waarop de rampzalige lag, en staarde hem zonder een vin te roeren met stomme smart aan.

Zoo vlood een groot uur heen. De dag begon aan den hemel te komen. Een zwak flets en bleek licht brak reeds door de traliën van het venster, toen een tred in den gang, die naar de cel voerde, weerklonk en den ongelukkige deed ontwaken. Met een schreeuw van angst vloog hij overeind.

„Ik ben het, Taugwalder,” sprak kapitein Van Dam geruststellend. „Ik kom mijne gelofte gestand doen en u nogmaals eene hand reiken. Zeg, hoe hebt gij den nacht doorgebracht?”

Op die vraag schudde de veroordeelde het hoofd en sprak met doffe stem, ja, het geluid baande zich sissend een weg tusschen zijne tanden, alsof hij zich geweld moest aandoen om de woorden uit te brengen:

„Hoe ik den nacht heb doorgebracht?… O! als op de pijnbank, heer kapitein. Ik heb mij moeite gegeven [148]om mijne gedachten te verstrooien. Ik heb getracht wat te rusten. Ik heb zelfs kaart gespeeld. Begrijpt gij dat? Ik heb zelfs kaart gespeeld! Maar och telkenmale en altijd trad het laatste oogenblik, dat met snelheid nadert, met al zijne verschrikkingen mij voor den geest. Toen gij daar binnentraadt weerklonken uwe voetstappen in mijn hoofd als de geweerschoten, die mij straks het leven zullen benemen. Zie, heer kapitein, de blauwe lucht, die zich met rozenrood tint. De dageraad rijst ten hemel. Over een uur zal de zon vroolijk over Gods heerlijke schepping schijnen, en ik?.. ik zal dood ter neer liggen! O, gevoelt ge, wat er wanhopigs in die zekerheid ligt? God, God! wat de tijd zich haast! hoe de uren voorbij ijlen. Gisteren toen gij bij mij waart, had ik bijna nog vier en twintig uren te leven! En thans, thans! O! die uren, ik heb ze allen geteld, wanneer de schildwacht voor de poort der gevangenis den klepel tegen de wanden der metalen klok deed aanslaan. Die slagen dreunden in mijn hoofd, zij weerklonken in mijn hart, zij deden mijn geheele lijf sidderen! En nu geen half uur meer! Wat zijn de menschen toch wreed tegenover mij. Ziet, ik heb niet gedood … en men doodt mij. En al had ik gedood, al had ik mijne handen met bloed bezoedeld, dan zou dat niet anders dan in het gevecht geweest zijn. Ik zou u of een ander hebben ter neer geslagen. Uw doodstrijd zou kort geweest zijn. En ik … ik sterf sedert weken, ik sterf ieder uur, iedere minuut. Dat is wreed, dat is beulswerk!… Heeft de maatschappij het recht mij zoo te martelen? Heeft de maatschappij het recht mij zoolang in dien vreeselijken doodsangst te laten krimpen en wentelen, om mij daarna in koelen bloede te dooden?”

Kapitein Van Dam en Herman Riethoven stonden [149]daar, aan standbeelden gelijk, die wanhoop aan te staren. Daar was geen troost, geen verzachting bij dat vreeselijke lijden aan te brengen.

„Het had zoo anders kunnen zijn, wanneer ik te Harderwijk behoorlijk ingelicht ware geworden! Ik was dan een wakker soldaat, wellicht een verdienstelijk officier in de toekomst geweest!”

Daar liet de klok buiten den eersten slag van het noodlottige uur weerklinken. Voetstappen werden in den gang vernomen. Bij dien eersten slag van het metaal, wendde Taugwalder den blik naar het kleine strookje blauw, dat door de traliën van het venster zichtbaar was en zuchtte daarna diep. Maar nog hadden de trillingen der klok niet opgehouden, of hij keerde zich om naar de deur en sprak vastberaden:

„Ik wil als een man sterven!”

Daarna reikte hij kapitein Van Dam en Herman Riethoven de hand en prevelde met een snik:

„Ik dank u beiden!”

Bedaard en met berusting trad hij den provoostgeweldige te gemoet, die met zijne helpers in de omlijsting der deur verschenen. Hij keek scherp toe, of de knoopen van het mouwvest en van de kwartiermuts die hem aangereikt werden, wel behoorlijk gepoetst waren, beademde die, en wreef ze nog eens met zijn blooten arm op. Daarna trok hij het mouwvest aan, zette zich de politiemuts op het hoofd, bekeek zich in een klein spiegeltje, dat aan den muur hing, sloeg nog een blik op het kruisbeeld, en trad daarna moedig en met vasten tred tusschen zijne bewakers de deur der cel uit. Toen hij buiten de poort der gevangenis kwam, stond daar de pastoor. Hij wees dien niet af, maar antwoordde geen woord op zijne toespraak; hij keek hem zelfs niet aan. Met dien geestelijke nam hij plaats te [150]midden van het executie-peloton, dat bij die poort gereed stond en schreed langzaam voort om den kortsten afstand af te leggen, die hem van de noodlottige plek scheidde.


Al heel vroeg in den morgen waren de garnizoenen van Weltevreden, Meester Cornelis en Rijswijk, allen in groot tenu uitgerukt. De veldbataillons hadden hunne vaandels met de gebruikelijke plechtigheid afgehaald. Maar dat alles was zonder muziek, zonder hoorn- of trompetgeschal geschied; ook de trommen hadden gezwegen. Het was geen feestmarsch, die uitgevoerd werd; de troepen waren niet uitgerukt om te paradeeren. Neen, allen hadden het besef van den treurigen plicht, dien zij te volbrengen hadden; op aller gelaat was hooge ernst te lezen.

De troepen stonden thans op het plein, hetwelk zich langs den Vrijmetselaarsweg tusschen de gevangenis van Weltevreden en het gebouw der Loge de Ster in het Oosten uitstrekt, zoodanig in een groot carré opgesteld, dat de zijde langs den ringmuur der gevangenis vrij bleef. In het midden dier zijde zag men eene kleine borstwering, die den vorigen dag door een detachement sappeurs van graszoden opgezet was. Achter de gelederen der troepen en ook op den openbaren weg wemelde en verdrong zich eene onafzienbare menigte, zoowel Europeanen als Inlanders, en was daaronder, wreed genoeg, het schoone geslacht, vooral van het laatstgenoemde ras ruim vertegenwoordigd.

Daar sloeg het noodlottige uur. De bevelvoerende officier liet de troepen het geweer schouderen. Toen het executie-peloton het plein betrad, stak hij zijn sabel omhoog, waarop de tamboers een langgerekten roffel sloegen, en de hoorns en trompetten luide schetterden. [151]Inmiddels schreed de veroordeelde met vasten gang tot voor de borstwering, keerde zich daar om met het gelaat naar de troepen, en tegenover zich het vaandel van het 11de bataillon ziende, bracht hij met afgemeten gebaar de hand aan de klep van zijne kwartiermuts en maakte het militaire salut. De provoostgeweldige trad achter hem om hem de oogen te blinddoeken. Met kalm gebaar wees hij dien af.

„Ik zal niet weifelen,” sprak hij. „Onverschrokken zal ik in de geweerloopen kijken.”

Maar toen hem de auditeur-militair en de gedelegeerden uit den krijgsraad, die de voltrekking van het vonnis moesten bijwonen, zeiden, dat de wet die formaliteit voorschreef, onderwierp hij zich, na nog een blik ten hemel gezonden te hebben, met een zucht.

Onmiddellijk na geblinddoekt te zijn, marcheerde het executie-peloton, op zes passen afstand van den veroordeelde met het front naar hem toe, op. De auditeur-militair trad voor hem, en begon de voorlezing van het vonnis.

„In Gods naam!” prevelde de ongelukkige, wien die marteling te erg werd, „maak het kort, ik ken dat vonnis.”

„De krijgsraad:” begon de auditeur-militair met meer bewogen stem, dan de veroordeelde hooren liet, „De krijgsraad: Gezien de stukken der procedure;

„Gehoord den auditeur-militair in zijne schriftelijke overgelegde conclusie van eisch, daartoe strekkende …”

„Maak het toch kort, ik smeek u!” herhaalde de veroordeelde.

„Gehoord den beklaagde in zijne middelen van verdediging.

„Overwegende dat.…”

„O! die marteling is te erg! Sla over!” smeekte de rampzalige. [152]

Ja, de auditeur-militair sloeg over. Zijne knieën knikten onder hem. De stem begaf hem schier.

„Gelet op de artikelen 81 en 100 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande,” en zijne stem verheffende zooveel hij zulks vermocht, schreeuwde hij schier:

„Rechtdoende
IN NAAM EN VAN WEGE DEN KONING!

„Presenteert de geweren!!” klonk bij die woorden het kommando van den bevelvoerenden officier.

Die twee korte en droge slagen, welke bij die handgreep vernomen worden, wanneer goed gedrilde troepen haar uitvoeren, drongen den ongelukkige in de ooren. Eene beweging als van schrik overviel hem.

„In Gods naam, die marteling duurt te lang! Ik smeek u, maak er een eind aan!” bad hij.

„Veroordeelt hem over zulks tot de straf des doods met den kogel.…”

De auditeur, die zelf het bewustzijn schier verloor, kon niet voortgaan. Een der leden van de commissie uit den krijgsraad tikte hem op den schouder en wees op den veroordeelde. Deze waggelde als een beschonkene, strekte de handen uit, alsof hij om genade wilde bidden.

„Gauw, gauw!” prevelde hij, „maak er een einde aan!”

De auditeur-militair trad achteruit … De officier, die het executie-peloton kommandeerde en ter zijde daarvan stond, maakte een gebaar met den sabel, waarop de manschappen van dat peloton het geweer vaardig maakten en den haan onhoorbaar spanden. Op een tweede gebaar brachten zij het geweer in den aanslag.

De rampzalige gevoelde als bij intuïtie, dat het noodlottige oogenblik naderde.

„Goed mikken, kameraden!” riep hij.… „Vader!.… Moeder!.…” [153]

De officier deed eene forsche beweging met den sabel naar den grond. Twaalf schoten weerklonken in een en denzelfden knal.… Taugwalder wankelde een ondeelbaar oogenblik onder die losbranding en stortte achterover. Een officier van gezondheid, die gereed stond, trad naderbij, knielde bij den gevallene, die hoewel de twaalf kogels hem de borst doorboorden, nog lag te stuiptrekken en te zieltogen. Op een teeken van hem, naderde een reserve-schutter, plaatste de tromp van zijn geweer in het oor van den stervende en brandde los. Dat was het genadeschot.

„Hij is dood!” verzekerde de geneesheer, die den pols van den gevonnisde gegrepen had.

Onmiddellijk na dien laatsten knal trok de kommandeerende officier zijne troepen tegenover den gevallene met pelotons in gesloten kolonne te zamen, en kommandeerde vervolgens:

„Om te defileeren: Kolonne voorwaarts: guide rechts, MARSCH!”

En toen de beweging begonnen was:

„Hoofd van de kolonne links!”

Met slaande trom, met volle muziek en met geschouderd geweer defileerden de troepen voor den gevallene, terwijl de vaandels bij het voorbij trekken voor het zielloos overschot diep ter aarde neigden.

O! had de ongelukkige dat nog eens kunnen zien! Had hij, die met zooveel vuur bepleit had, dat hem toch een onteerende dood gespaard zoude worden, kunnen zien, hoe het Oranjevaandel zich voor zijn stoffelijk omhulsel boog en dat nog een groet toezond, gewis zijn gelaat, dat nu door de saamgeknepen lippen van vertwijfeling in dien laatsten stond getuigde, zou een meer zacht verscheiden verkondigd hebben.

Toen kapitein Van Dam, die met Herman Riethoven [154]na het vertrek van Taugwalder in diens cel gebleven was, den knal der geweerschoten vernam, sprak hij:

„Aan ’s menschen gerechtigheid is voldaan!…” En met een snik: „O, die doodstraf! die doodstraf! Wie zal er ons van verlossen?.… Wat heb ik mij een moeite gegeven om den ongelukkige te redden! Ik ben zelf op audiëntie bij den Gouverneur-Generaal geweest om gratie te vragen; en.… wat antwoordde die machthebbende mij: „Bij God is genade te verwerven, bij mij niet!”

Herman ijsde bij het hooren van die woorden.

„O!” dacht hij: „Als ik slechts een wensch te doen had, dan zou die klinken: dat die woorden dien verwaten almachtswaanzinnige in herinnering mogen komen, wanneer ook voor hem dat bange uur zal aangebroken zijn, en hij op het punt zal staan om rekening en verantwoording te gaan afleggen!” [155]