71 Verschijnt in de eerste plaats de opiumpachter (bladz. 116). De heer Cremer, hoofdadministrateur der Deli-maatschappij heeft in zijne brochure: De toekomst van Deli als zijne overtuiging uitgesproken: dat de opiumpacht te Deli was ingevoerd, niet om te voorzien in eene bestaande behoefte, maar om die te scheppen ten voordeele der Gouvernements kas. De lezer zal begrepen hebben, waarom ik de afschuwelijke tooneelen afbrak, die in zoo’n kit met annex b.…. voorkomen. Hij, die daar meer van wil weten, raadplege: the History of Java van Sir Stamfort Raffles, Luit.-Gouverneur Generaal van Java; de Proeve van eene geschiedenis van den handel in het verbruik van Opium in N. I. van J. C. Baud, gewezen Minister van Koloniën en wd. Gouverneur-Generaal van N. I.; Eene bijdrage tot de studie der opiumkwestie op Java van Mr. W. K. Baron van Dedem, lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal. In die staatkundige geschriften konden die verdienstelijke en hoogst achtenswaardige mannen meer openhartigheid betrachten, dan ik mij bij mijne pogingen om door middel van romantischen vorm belangstelling in onze koloniën op te wekken, veroorloven mag. ↑
72 Voor den opium-pachter buigt geheel Nederlandsch-Indië (bladz. 118). De Minister van Koloniën rapporteerde destijds aan Z. M. den Koning het navolgende: „Ik veroorloof mij Uwer Majesteits aandacht in het bijzonder te vestigen op het zeer geheime en vertrouwelijke rapport van den Directeur der Middelen en Domeinen, 9 Oktober 1866 No. 3910, waarin de vroeger los daar heen geworpen bewering, dat Europeesche en Inlandsche ambtenaren stelselmatig door de opium-pachters worden omgekocht, maar al te zeer met onwraakbare feiten wordt gestaafd. Het blijkt daaruit hoe de smokkelhandel den pachters aanleiding geeft tot ondermijning van het gezach door de uitvoerders van de bevelen der Regeering in de binnenlanden, althans voor een deel, in afhankelijkheid te brengen van Chineesche pachters en sluikers.” ↑
73 Voor den krijgsraad (bladz. 119). Het saaie en langdradige der rechtspleging heeft bij het schetsen van dit tooneel voor eene meer gewenschte veerkrachtigheid van het verhaal moeten plaats maken. Ik hoop, dat ik hierbij een niet al te vreemd beeld van den gang van zaken bij de behandeling van een geding voor den krijgsraad geleverd heb. Ik stel deze bemerking ter neer om den Generaal-criticus te gemoet te komen, die eens beweerd heeft, dat ik de rechtspleging voor de landmacht niet zou kennen. Mijne lezers ten dien opzichte geruststellende, betuig ik: dat het mij niet mogelijk was, een eenigszins genietbaar verhaal te leveren bij het nauwkeurig getrouw blijven aan den gang bij zoo’n geding. ↑
75 Uit de binnenlanden van Java en Madura of van Amboina (bladz. 121). Het 11e bataillon infie bestond destijds uit eene Europeesche, drie Javaansche, eene Madureesche en eene Amboineesche kompagnie. ↑
76 Het gaat al wonderlijk toe in de wereld (bladz. 129). Het geldt hier vroegere toestanden. Overigens wordt verwezen naar de noot No. 15 voorkomende op bladz. 386 van Naar den Equator. ↑
77 En kibbelde over de betaling van eene duit (bladz. 147). De schrijver heeft zoo’n geval in 1856 waargenomen. Een ter dood veroordeelde Eur. kavalerist, die den volgenden morgen zou gefusilleerd worden, bracht in de gevangenis te Weltevreden nagenoeg den geheelen nacht met kaartspelen door, en kibbelde herhaaldelijk over het betalen of het ontvangen van één duit, die destijds de waarde van 1⁄120 gulden vertegenwoordigde. ↑
79 Matjan en Singa (bladz. 155). Die woorden beteekenen in het Maleisch: tijger en leeuw. Die namen worden door Europeanen in Indië veel aan honden gegeven. ↑
81 De Lawoe (bladz. 157) een vulkaan, die 3254 M. of 10394 voet hoog is, ligt op de grenzen van de Residentiën Soerakarta en Madioen. ↑
82 De Tjerimai (bladz. 157) een vulkaan die 3070 M. of 9808 voet hoog is, ligt in de Residentie Cheribon. ↑
87 Plosso-boomen (bladz. 171) zijn vrij hooge woudboomen, die op de berghellingen van Midden- en Oost-Java veelvuldig aangetroffen worden. Hun loof, uit driebladig gevinde bladeren bestaande, is allerliefst en de fraaie vuurroode bloemtrossen bekoorlijk. De geleerden noemen die boomen: Butea frondosa. ↑
88 Tjakkar-beh-beh en Tjoemplingan (bladz. 171). Beiden zijn Convolvulus-soorten, die door de geleerden, de eerste: Ipomoea pes tigridis, en de andere Ipomoea Hewittia bicolor genoemd worden. ↑
89 De Willis (bladz. 171) is een vulkaan, op de grenzen van de residentiën Madioen en Kediri gelegen, die in zijn hoogsten top, Goenoeng Doerowati geheeten, eene hoogte van 2351 M. of 7512 voeten bereikt. ↑
90 Dessa-boschjes (bladz. 171). De dessa’s of dorpen liggen gewoonlijk in boschjes van vruchtboomen verscholen. ↑
91 Sawah’s (bladz. 172) zijn rijstvelden, die in de vlakten en ook op de berghellingen, ten allen tijde met behulp van waterleidingen en kunstmatig besproeid kunnen worden. De rijstvelden, die afhankelijk van den regen zijn, worden „hoembah” of „gaga” genoemd. ↑
92 Kaboepaten (bladz. 172) is de benaming eener Regentswoning. Vroeger heetten de regenten: boepati. ↑
93 Toedoeng (bladz. 174) is een hoofddeksel in den vorm van een slabak, en is gewoonlijk van palmbladeren vervaardigd. ↑
94 Droh (bladz. 174) is eene eerbiedsuitdrukking, titel zou men kunnen zeggen, die de Javaan steeds tegenover blanken, hetzij man of vrouw, bezigt. ↑
96 Kiahi (bladz. 175) is de titulatuur van een opperhoofd. Nimmer zal de Javaan het woord: harimao (tijger) bezigen. Hij zal zelfs vermijden over het dier te spreken. Kan hij evenwel niet anders, dan geeft hij het een titel bij voorkeur dien van kiahi om zijn eerbied te betuigen. ↑
99 Ikan sapat (bladz. 183) is een vischje dat veel overeenkomst met ons scharretje heeft, en gezouten en gedroogd in den handel voorkomt. ↑
100 Het fort Pontjol (bladz. 183) is eene gebastionneerde redoute, die aangelegd is, om in verband met eenige andere kleinere werkjes de reede van Semarang te verdedigen. Als die werken ooit daartoe voldoende gerekend zijn, dan zijn zij dat niet meer, daar zij door de verbazende aanslibbing der noordkust van Java, thans veel te ver van den zeeoever verwijderd liggen. ↑
102 Sajor-petèh (bladz. 184) beteekent: petèhsaus. De petèh is eene peulvrucht afkomstig van de Parkia speciosa, eene Mimosceën-soort. De petèhboonen hebben eenen hoogst onaangenamen geur, maar smaken goed toebereid zeer lekker. ↑
103 Karbouwenlapjes (bladz. 184). De hier bedoelde lekkernij is de binnenwand van een karbouwenmaag in vierkante stukjes gesneden en in klapperolie gebraden. Door de inlanders worden zij „babat” geheeten. ↑
105 Randoesari, Djoemblang en Karang Bidara (bladz. 184). De twee eerstbedoelden zijn groote dessa’s in de nabijheid van Semarang. De derde is eene buitenwijk van die plaats. ↑
106 Koeda galadak en koeda haloes (bladz. 186). Het eerstbedoelde is een werkpaard, Koeda haloes beteekent een fijn paard, dus een rijpaard, een heerenpaard. Na hetgeen ik in den tekst van dit laatste gezegd heb, wanhoop ik er aan om van het eerstbedoelde eene beschrijving te kunnen geven. Om dat waardig te doen, zou het talent noodig zijn van den schrijver van den Danse macabre. ↑
107 De Oenarang (bladz. 188) is een vulkaan, op de grens van de Residentiën Semarang en Kadoe gelegen, die 2047 M. of 6527 voet hoog is. Aan zijn noord-oostelijken voet is een groote kampong van denzelfden naam gelegen. ↑
108 Merak Mati (bladz. 188) is een vrij groote kampong, die haren naam ontleent aan een’ kleinen berg—een vulkaan in miniatuur. Merak Mati beteekent eigenlijk: doode pauw. Zeer waarschijnlijk is die naam evenwel afgeleid van de woorden: Mer api mati, hetgeen beteekent dooden of uitgebranden vuurberg. ↑
110 De Toentang (bladz. 188) is eene rivier, die uit een moerassig meer, Rawah Peneng genaamd, ontspringt, en zich onder den naam van rivier van Demak in de Java-zee stort. Van de Toentang en van de Rawah Peneng zullen de lezers later meer vernemen. ↑
111 Merbaboe (bladz. 188) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentiën Kadoe en Semarang gelegen, die 3116 M. of 9955 voet hoog is. ↑
112 Eene galadak (bladz. 188) op Java is wat men zou kunnen noemen een militair passantenhuis. Voor die inrichtingen wordt hoegenaamd geen zorg gedragen. En wordt er al eens naar omgekeken, dan gaan de civiele ambtenaren gewoonlijk van het denkbeeld uit, dat, hoe vies, hoe smerig, hoe vervallen en hoe overbevolkt ook door het wandgedierte, die passantenhuizen ook zijn, zij goed genoeg voor de mindere militairen moeten geacht worden. ↑
114 Merapie (bladz. 189) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentie Kedoe, Djokjokarta en Soerakarta gelegen, die 2807 M. of 8967 voet hoog is. ↑
115 Madja (bladz. 191) is een plaatsje in de Residentie Cheribon, aan den westelijken voet van den Tjerimai gelegen. ↑
116 Majoor (bladz. 196). In de militaire hospitalen, wordt de behandelende geneesheer steeds met den titel van majoor begiftigd. ↑
118 De gamelang (bladz. 199) is een orkest van vele metalen bekkens, die bespeeld worden. Na de Amsterdamsche Koloniale Uitvoerhandel Tentoonstelling zal het wel onnoodig zijn, eene nadere beschrijving er van te geven. ↑
119 „Jan den dief” (bladz. 200). In alle militaire hospitalen werd destijds een „Jan den dief” aangetroffen. Waaraan die naam ontleend is, heb ik niet kunnen ontdekken. Het is evenwel geen individu, die steelt, maar bij wien allerhande zaken te koop zijn, zoowel eetwaren als papier, enveloppen, sigaren, tabak, speelkaarten, zelfs sterke drank. Waar vandaan hij de meeste dier zaken, die in de hospitalen verboden zijn, erlangt, weet de hemel alleen. ↑
121 De Lampongs (bladz. 204). Zoo wordt het Zuider gedeelte van Sumatra geheeten. Destijds was het een onbeduidend gewest, hetwelk door een kapitein als Civiel en Militair Gezaghebber bestuurd werd. Sedert is het tot eene residentie verheven. ↑
122 Op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en spel in het net gelokt zijn (bladz. 209). Ik breng hier voor hen, die op de Militaire bureaux te Batavia bekend zijn, in herinnering de aanschrijving van den G. G. Duymaer v. Twist, waarbij de kunstgrepen, bij de werving van inlandsche militairen gewoonlijk gebezigd, verboden werden. Ik breng tevens in herinnering, dat dat verbod bij latere zeer geheime aanschrijving ingetrokken werd. ↑
123 Eene tandoe (bladz. 211) is een draagtoestel. De hier bedoelde zou men hier te lande brancard noemen. ↑
124 De randsels (bladz. 213). Destijds behoorden de randsels tot de velduitrustingen en werden derhalve in het garnizoen niet verstrekt. ↑
125 Gollokh’s (bladz. 213) zijn eene soort hakmessen, die eigenlijk geen wapen mogen genoemd worden. Zij zijn daarentegen uiterst nuttig om zich in de wildernis baan te breken. ↑
126 Wingsen (bladz. 224) waren worstvormige smakelooze schouderversieringen van geel sajet vervaardigd. ↑
127 Frisschen morgenwind (bladz. 226). De maanden Juni, Juli en Augustus leveren de koelste nachten op van het geheele jaar. Niet zelden wijst dan de thermometer des morgens bij het opgaan der zon 64o F. aan. ↑
128 De Kleine Boom (bladz. 227) is het kantoor van in- en uitgaande rechten aan het haven-kanaal gelegen, alwaar de visitatiën der bagages enz. door de douanen plaats hebben. ↑
129 Een slendang (bladz. 228) is een kleedingstuk, een soort sjerp, die voornamelijk door de inlandsche vrouwen over den schouder gedragen wordt. Moeders en baboe’s wikkelen er gewoonlijk kleine kinderen in, en dragen die, hetzij op den rug, of schrijlings op de heup. ↑
130 Snuivende zoenen (bladz. 228). De bewoners, van den Ind. archipel kussen niet, zooals wij westerlingen dat doen. Zij drukken hunnen neus tegen het te zoenen voorwerp, en snuiven daarbij sterk en met gedruis de lucht op. Sommige maken daarbij [383]eene beweging met den neus, alsof zij het te zoenen voorwerp al snuivende willen afvegen. ↑
131 Kree’s (bladz. 230) is een soort matwerk van zeer fijne bamboelatjes vervaardigd. Die latjes worden op een onderlingen afstand gelijkstaande aan hunne dikte gebonden, zoodat de luchtstroom er heerlijk doorheen kan. ↑
133 De kanari-boom (bladz. 234) is een der fraaiste boomen van Nederlandsch-Indië. Hij wordt voornamelijk aangeplant tot het vormen van lanen. Zijn naam in de botanische wereld is Canarium commune. ↑
134 Zich lekker maken (bladz. 235) is een Indische uitdrukking, welke beteekent: het zich gemakkelijk maken. ↑