WeRead Powered by ReaderPub
Ingrid cover

Ingrid

Chapter 4: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a circle of characters in nineteenth-century Sweden, focusing on a young aristocratic student whose dedication to music conflicts with expectations of study and stewardship after his family estate falls into financial trouble. Friends and relatives confront him with practical burdens and secrets kept to spare him worry, setting up tensions between personal passion and social duty. The work shifts between university rooms and rural households, using intimate scenes and moral reflection to probe class difference, responsibility, loyalty, and the sacrifices demanded by changing circumstances.

[Inhoud]

III.

Roglanda heette een gemeente ver weg in ’t oosten van Wermeland, dicht bij de grenzen der Westerdalen, waar een rijke proost woonde, maar een arme predikant in een kleine pastorie. Maar hoe arm de bewoners van dat kleine huisje ook waren—zóó groot was hun barmhartigheid, dat ze een pleegkind hadden aangenomen. ’t Was een meisje, dat Ingrid heette en ze was daar aan huis gekomen toen ze dertien jaar was.

De predikant zag haar voor ’t eerst op de markt, waar zij zat te schreien buiten een koordedanserstent. Toen was hij blijven stilstaan om te vragen, waarom ze schreide. En zij had hem verteld, dat haar blinde grootvader dood was en dat ze nu heelemaal geen familie meer had. Ze was nu bij een paar koordedansers, die goed voor haar waren; maar ze schreide omdat ze zoo dom was, dat ze nooit op het koord kon leeren dansen en ze helpen geld [24]te verdienen. En er was iets zóó aandoenlijk bedroefds geweest in het kind, dat het den predikant getroffen en bekoord had. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op, dat hij zulk een klein wezentje toch niet kon laten rondzwerven met die landloopers. Hij ging de tent binnen, waar hij Mijnheer en Mevrouw Blomgren aantrof en bood aan het kind in zijn huis op te nemen.

Het oude kunstenaarspaar begon te schreien en zeide, dat, hoewel ’t meisje geheel onbruikbaar voor de kunst was, zij haar toch graag hadden willen behouden. Maar zij geloofden, dat zij gelukkiger zou worden in een echt tehuis bij menschen, die ’t heele jaar door op dezelfde plaats woonden, en daarom zouden ze haar aan mijnheer den dominé afstaan, als hij maar wilde belooven dat hij haar als zijn eigen kind zou behandelen.

Dat had hij beloofd en sinds dien tijd had het meisje in de pastorie gewoond. Ze was een stil en zacht kind, rijk aan liefde en teere zorg voor allen om haar heen. Den eersten tijd hielden haar pleegouders veel van haar, maar toen zij ouder werd, ontwikkelde zich bij haar een sterke neiging tot droomen en fantasieën. ’t Rijk der verbeelding en der visioenen ging voor haar open en bekoorde haar in hooge mate. En midden op den dag kon ze haar werk in den schoot laten zinken en zich in droomen verdiepen. Maar de dominésvrouw, een vlugge, nuchtere persoonlijkheid, die alleen hard werken hoog stelde, zag dit met leede oogen aan. Zij klaagde over de luiheid en traagheid van het meisje en behandelde haar met zulk een strengheid dat ze heelemaal schuw en ongelukkig werd.

Toen ze negentien jaar geworden was, werd ze ernstig ziek. Men wist niet precies wat haar scheelde, want dit gebeurde lang geleden, in den tijd, dat er [25]nog geen dokter in Roglanda was. Maar ’t ging niet goed met het meisje. Men merkte spoedig, dat ze zoo ziek was, dat ze sterven zou.

Zij zelf deed niet anders dan bidden, dat ze niet meer zou behoeven te leven. Ze wilde zoo graag sterven, zei ze.

En toen was het, alsof Onze Lieve Heer eens probeeren wilde of ze ’t wel ernstig meende. Op een nacht voelde ze, hoe ze stijf en koud werd door ’t geheele lichaam en dat een zwaar gevoel van slaap over haar kwam. „Dat moet zeker de dood zijn,” zei ze tot zichzelf.

Maar ’t wonderlijkste was, dat ze haar bewustzijn niet verloor. Ze wist, dat ze dood was, dat ze haar aflegden en in de kist neervlijden, maar ze voelde geen vrees of angst voor begraven te worden, hoewel ze leefde. Ze had maar één gedachte, dat ze blij was, dat ze dood was en dit moeilijke leven verlaten mocht.

Ze was alleen maar bang, dat ze zouden ontdekken, dat ze maar schijndood was en haar niet begraven. Wel moet het leven bitter voor haar geweest zijn, dat ze zóó vrij was van alle vrees voor den dood.

Maar niemand ontdekte dat ze nog leefde. Ze werd naar de kerk gereden, naar buiten, naar ’t kerkhof gedragen en in ’t graf gezet.

’t Graf werd toch niet gesloten boven haar, want volgens ’t gebruik in Roglanda was ze op Zondagmorgen vóór de hoogmis begraven. De lijkstoet ging naar de kerk na de begrafenis en liet de kist in ’t open graf staan. Maar zoodra de Godsdienstoefening voorbij was, zou men komen en den doodgraver helpen de aarde op de kist te werpen.

’t Meisje wist alles wat er gebeurde, maar ze voelde geen schrik. Ze had geen beweging kunnen maken om te toonen, dat ze niet dood was, al had ze ’t [26]ook nog zoo graag gewild, maar ze zou zich stil gehouden hebben, ook al had ze zich kunnen bewegen. Ze was steeds blij omdat ze zoo goed als dood was.

Men kon ook niet zeggen, dat ze leefde. Ze had geen gevoel en ook haar gewone bewustzijn niet. ’t Was maar een deel van haar ziel, dat in haar leefde—dàt gedeelte dat ’s nachts droomt.

Ze kon niet eens zoover denken, dat ze begreep hoe vreeselijk ’t voor haar zijn zou, wakker te worden, als ’t graf gesloten was. Zij had niet meer macht over haar verstand als een droomende.

„Ik zou wel eens willen weten,” dacht ze, „of er iets is, dat er mij weer toe zou kunnen brengen te willen leven.”

Zoodra ze dit gedacht had, was het haar alsof het deksel van de kist en ’t laken, dat over haar gezicht lag, doorschijnend werden. En vóór zich zag ze geld en mooie kleeren en heerlijke boomgaarden met sappige vruchten. „Neen, ik geef niets om dat alles,” zei ze en ze sloot de oogen voor al die heerlijkheden.

Toen ze weer opzag was dat weg, maar in plaats daarvan zag ze duidelijk, dat een engeltje op den rand van ’t graf zat.

„Dag engeltje van God,” zei ze tegen hem.

„Dag Ingrid,” zei ’t engeltje. „Terwijl je hier zoo ligt en niets te doen hebt, zal ik wat met je praten over vroeger dagen.”

Ingrid hoorde duidelijk ieder woord wat de engel sprak, maar zijn stem klonk heel anders dan wat ze ooit vroeger gehoord had. Die leek veel op snarenspel en de tonen waren woorden. ’t Was geen gezang, maar viool- of harpmuziek.

„Ingrid,” zei de engel, „weet je nog wel, dat je eens, toen je grootvader nog leefde, een jong student hebt ontmoet, die met je meeging van de eene hoeve [27]naar de andere en den heelen dag op je grootvaders viool speelde?”

’t Gezicht van de schijndoode werd door een lach verhelderd. „Meen je dat ik dat vergeten heb?” vroeg ze. „Er is sinds dien tijd geen dag voorbij gegaan, dat ik niet aan hem gedacht heb.”

„En geen nacht, dat je niet van hem droomde.”

„Neen, geen nacht, dat ik niet van hem droomde.”

„En nu wil je sterven, hoewel je je hem nog zoo goed herinnert,” zei de engel, „dan kun je hem immers nooit meer zien.”

Toen hij dat zei, kwam het de schijndoode voor alsof ze het geluk van de liefde voelde, maar zelfs dàt kon haar niet bekoren. „Neen, neen,” zei ze, „ik ben bang voor het leven. Ik wil veel liever sterven.”

Toen wenkte de engel met de hand. En Ingrid zag een groote, eenzame zandwoestijn voor zich.

Er waren geen boomen, de grond was onvruchtbaar, droog en heet, en strekte zich eindeloos voor haar uit. Op ’t zand lag hier en daar iets wat op ’t eerste gezicht op verspreide rotsen leek, maar toen ze beter toezag, waren ’t dieren, monsterachtige, levende wezens met geweldige klauwen en groote muilen vol tanden;—zij lagen op het zand en loerden op roof. En tusschen al die verschrikkelijke dieren kwam de student aan. Hij liep daar zorgeloos, zonder te vermoeden, dat die gestalten om hem heen leefden.

„Maar waarschuw hem, waarschuw hem dan toch,” riep Ingrid den engel toe, vol van onuitsprekelijken angst. „Zeg hem toch dat ze leven, dat hij voorzichtig moet zijn.”

„Mij is niet vergund tot hem te spreken,” zei de engel, met zijn klankvolle stem. „Je moet hem zelf waarschuwen.” [28]

De schijndoode voelde met ontzetting, dat ze daar verlamd neerlag en niet weg kon ijlen om den student te redden. Ze deed de eene vruchtelooze poging na de andere om op te staan, maar de onmacht van den dood hield haar gebonden. Maar toen eindelijk—eindelijk, voelde zij hoe haar hart weer begon te kloppen, ’t bloed weer door haar aderen voortdrong, en de stijfheid van den dood weer uit haar lichaam verdween. Zij stond op en snelde naar hem toe.… [29]