WeRead Powered by ReaderPub
Ingrid cover

Ingrid

Chapter 7: VI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a circle of characters in nineteenth-century Sweden, focusing on a young aristocratic student whose dedication to music conflicts with expectations of study and stewardship after his family estate falls into financial trouble. Friends and relatives confront him with practical burdens and secrets kept to spare him worry, setting up tensions between personal passion and social duty. The work shifts between university rooms and rural households, using intimate scenes and moral reflection to probe class difference, responsibility, loyalty, and the sacrifices demanded by changing circumstances.

[Inhoud]

VI.

Ingrid en moeder Stine liepen samen door het donkere bosch. Zij hadden vier dagen aan één geloopen en drie nachten in de huizen der veehoedsters geslapen. Ingrid zag er moe en vervallen uit; haar gezichtje was doorschijnend bleek, de oogen ingezonken en glinsterend van de koorts.

Moeder Stine zag haar nu en dan in stilte onrustig aan en bad God, dat Hij de krachten van ’t meisje toereikend zou maken, zoodat ze niet op ’t mos neerzinken en sterven zou. Nu en dan kon ze niet laten schuw om te kijken. Ze had een onveilig gevoel, alsof de oude Dood achter hen aansloop door ’t bosch om ’t meisje te grijpen, dat toch door Gods woord en de aarde die op de kist geworpen werd, hem toegewezen was. [59]

Moeder Stine was klein en forsch, met een groot vierkant gezicht, dat er zóó verstandig uitzag, dat men er graag naar keek. Ze was niet bijgeloovig. Ze woonde alleen midden in ’t bosch zonder bang te zijn voor heksen of kabouters, maar terwijl ze daar zoo naast Ingrid liep, voelde ze, dat ze iemand bij zich had, die niet in deze wereld thuis hoorde. Dat gevoel was over haar gekomen, zoodra ze haar op dien Maandagmorgen in haar kamer gevonden had.

Ze was dien Zondagavond niet thuis gekomen, want in de pastorie was de dominésvrouw gevaarlijk ziek geworden en moeder Stine, die goed slag van zieken oppassen had, was bij haar blijven waken. Den heelen nacht had zij de dominésvrouw er over hooren ijlen, dat Ingrid haar verschenen was, maar dat had de oude vrouw niet geloofd.

En toen ze eindelijk thuis kwam, en ’t meisje gezien had, wilde ze dadelijk naar de pastorie terug gaan en hun daar zeggen, dat ’t geen spook geweest was, maar toen ze daarover sprak was Ingrid zóó wanhopend geworden, dat ze het niet had durven doen. ’t Leven was bijna weer van haar weggevloden als de vlam van een kaars, die dreigt uit te gaan in sterken tocht. Ze kon licht sterven als een vogel in een kooi. De dood ging nog uit om ’t meisje te rooven en men kon niet anders doen, dan op haar passen en heel voorzichtig zijn, als men ze in ’t leven wilde houden.

De oude wist niet zeker of Ingrid niet een uit de dooden teruggekeerde was, zoo weinig leven was er in haar. Zij beproefde niet eens verstandig met haar te praten. Zij schikte zich naar wat Ingrid verlangde, nl. dat niemand zou weten, dat ze nog leefde. En daarvan uitgaande beproefde de oude vrouw zoo wijs mogelijk te handelen. Ze had een zuster, die als huishoudster diende op een groote [60]hoeve in Dalecarlië en ze besloot met Ingrid daarheen te gaan om haar zuster Stava te bewegen het meisje een betrekking op het landgoed te bezorgen. Ingrid moest tevreden zijn met de plaats van een eenvoudig dienstmeisje. Er was niets anders aan te doen.

En nu waren ze op weg naar het landgoed. Moeder Stine kende de streek daar zoo goed, dat ze niet langs den grooten weg behoefden te gaan, maar woeste boschpaden volgden. Maar daar waren ze slecht te pas gekomen. Haar schoenen waren scheef geloopen en versleten, haar rokken waren vuil en doorgestooten. Een kleine nijdige dennetak had een lange scheur in Ingrids mouw gemaakt.

Tegen den avond van den vierden dag kwamen ze op een heuvel aan den zoom van ’t bosch, van waar ze in een diep dal konden neerzien. Daar beneden lag een meer en bij den oever van het meer lag een hoog eiland, waarop een wit heerenhuis stond. Toen Moeder Stine dat huis zag zei ze, dat het de Monnikshut was en dat haar zuster daar diende.

Daar op dien heuvel maakten ze haar toilet. Ze knoopten den hoofddoek om, veegden de schoenen met mos af en waschten zich in de beek. En Moeder Stine legde een plooi in Ingrids mouw, zoodat de scheur niet te zien was.

De oude vrouw zuchtte, toen ze Ingrid aanzag en verloor alle hoop. ’t Was niet alleen, dat ze er zoo wonderlijk uitzag in de kleeren van Moeder Stine, die haar in ’t geheel niet pasten. Maar zuster Stava zou haar zeker niet in dienst willen nemen, zoo zwak als ze er uitzag. Ze kon even goed een windvlaag huren. ’t Meisje kon niet meer uitvoeren dan een zieke vlinder. Zoodra ze klaar waren, gingen ze den heuvel af, op het meer toe. Zoo kwamen ze op het landgoed. [61]

Neen, dat was er ook een landgoed naar! Daar lagen groote, verwaarloosde akkers, waar ’t bosch bezig was overheen te groeien en ze vol boomen te zetten.

Daar was een brug naar het eiland, zóó wrak, dat ze bang waren, dat zij onder haar voeten zou inzakken. Daar was een laan van de brug naar ’t huis, dicht met gras begroeid en daar lag een omgewaaide boom dwars over den weg.

Toch was ’t mooi genoeg op ’t eiland, zoo mooi, dat er wel een slot liggen kon, maar in den tuin was geen een gekweekte bloem en in ’t groote park verstikten de boomen elkaar en zwarte slakken kropen over de groene, modderige paden.

Moeder Stine werd onrustig. Ze merkte het verval om zich heen op en mompelde iets in zichzelf. Hoe kwam dat? Zou Zuster Stava dood zijn? Laat ze alles zóó verloopen? Voor dertig jaar toen ik hier ’t laatst was, zag ’t er hier heel anders uit. Wat in de wereld bezielt Stava! Ze kon zich zulk een wanorde niet voorstellen op een plaats waar Stava was!

Ingrid kwam zacht en aarzelend achter haar aan. Op ’t zelfde oogenblik, dat ze over de brug gingen, had ze gevoeld, dat ze niet met hun beiden waren, maar met hun drieën.

Er was iemand, die haar daar tegemoet gekomen was, zich had omgekeerd en nu met haar meeging.

Ingrid hoorde geen stappen, maar ze onderscheidde duidelijk iemand naast zich. Ze kon zien, dat er iemand liep.

Ze werd vreeselijk bang en wilde Moeder Stine vragen om terug te keeren, haar zeggen, dat alles hier zóó tooverachtig was, dat ze niet verder durfde gaan. Maar eer ze nog iets zeggen kon, kwam de [62]vreemde vlak bij haar en toen herkende ze hem.

Eerst had ze hem maar flauw kunnen onderscheiden, nu zag ze hem goed. Ze zag dat hij het was: de student.

’t Was nu niet akelig of spookachtig, dat hij naast haar liep. ’t Was heerlijk en feestelijk, dat hij haar tegemoet gekomen was. ’t Was alsof hij ’t geweest was, die haar hierheen gebracht had en haar dat wilde toonen, door haar hier te komen begroeten.

Hij ging met haar over de brug, door de laan en zelfs tot het woonhuis. Ze kon niet laten het hoofd telkens naar links te wenden. Daar zag ze zijn gezicht, vlak bij het hare. Eigenlijk zag ze geen gezicht, alleen een onuitsprekelijk lieven glimlach, die haar naderde. Maar wendde zij het hoofd heelemaal naar dien kant om ’t duidelijk te zien, dan was er niets. Neen, er was niets duidelijk te zien, maar zoodra ze recht voor zich uitzag, kwam het weer—daar vlak naast haar.

Hij, die daar bij haar liep, sprak niet, hij lachte alleen, maar dat was haar genoeg. ’t Was volkomen toereikend om haar te toonen, dat er één in de wereld was, die haar met teedere liefde omringde.

Ze voelde zijn nabijheid als iets zóó werkelijks, dat ze volkomen overtuigd was, dat hij haar beschermde en over haar waakte. En voor dat heerlijk gevoel week al de wanhoop, die door de harde woorden van haar pleegmoeder was gewekt.

Ingrid voelde zich op nieuw aan het leven weergegeven. Zij had recht te leven, omdat iemand haar liefhad. En zoo kwam het, dat ze de keuken op de Monnikshut binnentrad, met een teeren blos op ’t gezicht, en met stralende oogen. Wel heel fijn en teer, bijna doorschijnend, maar mooi als een pas opengegane roos. [63]

Ze was als in een droom en wist bijna niet waar ze was, maar wat haar sterk verbaasde—zóó, dat ze er bijna wakker van werd, was dat daar ginds bij den haard een tweede Moeder Stine stond. Daar stond ze: kort en breed, met een groot vierkant gezicht juist zooals de andere. Maar waarom was ze zoo mooi, met een witte muts met een strik onder de kin vastgemaakt, en in een zwart bombazijnen kleedje? Ingrid was zoo duizelig en verward in ’t hoofd, dat er heel wat tijd voorbij ging eer ze begreep, dat het juffrouw Stava moest zijn.

Ze voelde hoe Moeder Stine haar onrustig aanzag en ze probeerde te groeten, maar ze kon op dit oogenblik alleen belang stellen in ’t feit, dat hij gekomen was.

Achter de keuken was een heel klein kamertje met blauw geruite gordijnen. Daar werden ze binnen gebracht en juffrouw Stava gaf haar eten en koffie.

Moeder Stine begon al gauw over haar boodschap te praten. Ze sprak lang en zei dat ze wist, dat haar zuster in zoo hoog aanzien stond bij de Genadige Vrouw op de Monnikshut, dat ze haar had opgedragen, op het landgoed de dienstboden te kiezen, die ze goed vond. Juffrouw Stava antwoordde niet, maar zond Ingrid een blik, die zei dat ze zulk een vertrouwen zeker niet verworven zou hebben, als ze dienstmeisjes gekozen had zooals zij er een was.

Moeder Stine prees Ingrid en zei, dat ze een flink meisje was. Ze had tot nu toe in een pastorie gediend, maar nu ze volwassen was, had ze lust om wat meer te leeren en toen had Moeder Stine haar bij iemand willen brengen, die meer kende dan iemand anders voor zoover ze wist.

Juffrouw Stava antwoordde ook hierop niet. Maar [64]haar oogen zeiden duidelijk, dat ze er zich over verwonderde dat iemand die in een pastorie gediend had, geen eigen kleeren had, maar die van de oude Stine had moeten leenen.

De oude vrouw begon te vertellen hoe ze het in ’t bosch had, zoo eenzaam, door de haren verlaten. En dan was dit meiske menig avond en morgen de heuvels op komen springen om eens naar haar te kijken. Daarom had ze nu gedacht en gehoopt, dat ze ’t eens zoo voor haar zou kunnen schikken, dat ze ’t goed kreeg.

Nu zeide juffrouw Stava, dat ’t jammer was dat ze zoover gegaan waren om een betrekking te zoeken. Als ’t meisje flink was zou ze zeker wel een plaats kunnen vinden op een of ander landgoed in haar eigen woonplaats.

Nu begreep Moeder Stine, dat haar zaak slecht stond en nam dus haar toevlucht tot groote woorden. „Hier heb je nu al dien tijd in welstand verkeerd en ’t gemakkelijk gehad, Stava! en ik heb me in groote armoede door de wereld moeten slaan. En nooit heb ik je om iets gevraagd voor vandaag. En nu zal je me weer wegsturen als een bedelares, die je een maal eten toestopt en verder niets.”

Juffrouw Stava glimlachte even en zei toen: „Zuster Anna Stine, je zegt de waarheid niet. Ik ben ook van Roglanda en ik zou wel eens willen weten in welk boerenhuis in die gemeente zulke oogen en zulk een gezicht te vinden zijn.”

En op Ingrid wijzend ging ze voort: „Ik kan me zoo heel goed begrijpen, Anna Stine, dat je iemand die er zóó uitziet wilt helpen, maar ik kan me niet begrijpen, dat je meent, dat je zuster Stava zoo dom geworden is, dat je haar wat voor kunt liegen.”

Moeder Stine werd hierdoor zóó verschrikt, dat [65]ze geen woord kon zeggen, maar Ingrid besloot juffrouw Stava in vertrouwen te nemen, en begon dadelijk met haar mooie, zachte stem haar geschiedenis te vertellen.

En nauwelijks had Ingrid met een paar woorden er van gesproken, dat ze in ’t graf gelegen had en hoe de man met de viool haar gered had, of de oude juffrouw Stava kreeg een kleur en boog zich haastig voorover om dat te verbergen. ’t Was maar een oogenblik, maar ’t moest toch wat goeds beteekenen, want ze zag er daarna veel vriendelijker uit.

Spoedig begon ze ook allerlei nauwkeurige vragen te doen over alles; vooral wilde ze meer weten van den krankzinnige—of Ingrid niet bang voor hem geweest was.

„Ach neen, hij was in ’t geheel niet gevaarlijk. Hij was niet gek,” zei Ingrid, „hij kon best koopen en verkoopen. Hij was alleen maar schuw.”

Ingrid vond het ’t moeilijkste te vertellen wat ze haar pleegmoeder had hooren zeggen. Maar ze sprak ook daar volkomen oprecht over, hoewel de tranen haar in de keel zaten. Maar juffrouw Stava ging naar haar toe, streek haar hoofddoek achterover en zag haar in de oogen. Toen streelde zij haar over de wang. „Sla dat maar over, als u dat liever doet,” zeide ze, „dat behoef ik niet te weten.”

„Ja, nu moeten mijn zuster en juffrouw Ingrid ’t me niet kwalijk nemen,” zei ze daarop,—„maar ik moet nu naar binnen om Mevrouw de koffie te brengen. Ik zal gauw terugkomen en wil dan graag verder hooren.”

Toen zij terugkwam, zeide ze, dat ze aan Mevrouw verteld had van het jonge meisje, dat in het graf gelegen had. En nu wilde Mevrouw haar zien. [66]

Zij werden door juffrouw Stava de trap opgeleid naar het kleine salon van de Genadige Vrouw.

Moeder Stine bleef aan de deur staan van die mooie kamer, maar Ingrid was niet verlegen. Ze ging dadelijk naar de oude dame toe en nam haar hand. Ze had verlegen kunnen zijn voor anderen, die veel minder voornaam waren, maar hier in huis was ze niet verlegen. Ze voelde ’t alleen maar als een eindeloos groot geluk, dat ze hier gekomen was.

„Is dit nu ’t jonge meisje, dat begraven geweest is?” vroeg de oude barones en knikte haar vriendelijk toe. „Wil je nu zoo vriendelijk zijn mij je geheele geschiedenis te vertellen? Ik zit hier zoo alleen en hoor zoo niets van buiten af, moet je weten.”

En Ingrid begon op nieuw te vertellen. Maar ze was nog niet lang bezig, toen haar verhaal werd afgebroken. De oude barones deed precies als juffrouw Stava: zij stond op, schoof den hoofddoek terug en zag haar in de oogen. „Ja, ja,” sprak ze, als in zichzelf, „dat kan ik begrijpen. Ik begrijp wel, dat hij die oogen gehoorzaamde.”

Voor ’t eerst in haar leven werd Ingrid nu om haar moed geprezen. Mevrouw de barones meende, dat ze heel moedig was, dat ze zich aan een krankzinnige durfde toevertrouwen.

Ze was ook wel een beetje bang geweest, zei ze, maar ze was er nog banger voor geweest, dat de menschen haar zouden zien, zooals ze er toen uitzag. En hij was niet gevaarlijk. Hij was bijna wijs en hij was zoo goed.

Mevrouw de barones wilde weten hoe hij heette, maar dat wist Ingrid niet. Zij had nooit een anderen naam gehoord dan „Geitebok”.

Verscheidene malen vroeg de oude barones hoe hij deed als hij kwam om te verkoopen. En had zij hem niet uitgelachen en vond ze niet, dat hij er [67]vreeselijk uitzag—de Geitebok. Er was iets vreemds in, de barones dat woord: „Geitebok” te hooren zeggen. Ze zei het met oneindige bitterheid, en toch zei ze het telkens weer.

Neen, dat vond Ingrid niet. En zij lachte niet om ongelukkigen.

Mevrouw de barones keek hoe langer hoe vriendelijker.

„Je moet slag hebben om met krankzinnigen om te gaan,” zei ze. „Dat is een groote gave. De meesten zijn bang voor zulke arme menschen.”

Zij had Ingrids verhaal nu geheel aangehoord en zat in gepeins verzonken.

„Je hebt nu toch geen eigen huis, meisjelief,” zei ze. „Wil je nu niet bij mij blijven?

„Ik zit hier zoo alleen en je zoudt mij gezelschap kunnen houden. Ik zal zorgen dat je alles krijgt, wat je noodig hebt. Zou je daarmee tevreden kunnen zijn?”

„Er kan wel een tijd komen,” ging ze voort, „dat we je ouders moeten zeggen, dat je nog leeft; maar vooreerst zal alles blijven zooals het is, zoodat je tot rust kunt komen. En dan moest je tegen mij tante zeggen. Maar hoe moet ik jou noemen?”

„Ingrid,—Ingrid Berg.”

„Ingrid,” zei de oude dame nadenkend. „Ik zou je liefst anders willen noemen. Zoodra ik je zag, met je sterreoogen, dacht ik, dat je eigenlijk Mignon heeten moest.”

Toen nu ’t meisje begreep, dat zij hier een werkelijk thuis vinden zou, werd dit voor haar een nieuw bewijs, dat ze op een bovennatuurlijke manier hierheen geleid was en zij fluisterde een woord van vurigen dank aan haar onzichtbaren beschermer, eer ze de oude barones, Juffrouw Stava en moeder Stine bedankte. [68]

Ingrid lag in een ledikant met een hemel, en wiegde zich op een veeren bed, dat anderhalf el dik was. Aan de lakens waren breede, sierlijk genaaide zoomen, en een zijden deken, met zweedsche kronen en fransche lelies er op geborduurd, lag op het bed, dat zóó breed was, dat ze naar keus in de lengte of in de breedte liggen kon, en zóó hoog dat ze er met een trapje in moest klimmen. Boven aan den hemel zat een engeltje en liet bonte gordijnen over haar neervallen en op de bedstolpen zaten andere engeltjes, die de gordijnen in groote plooien ophielden. In dezelfde kamer, waar het ledikant stond was een oude commode, met citroenhout ingelegd, waaruit Ingrid zooveel wit geurend linnengoed mocht krijgen als ze maar wilde. En er stond ook een kast met vele fraaie, kleurige mouselinen kleertjes, die daar hingen en er nieuwsgierig naar waren, welke van hen ’t haar zou behagen aan te doen.

Toen ze in den morgen wakker werd, stond er naast haar een blaadje met koffie, glinsterend van zilver en oud indisch porselein. En iederen morgen zette ze haar kleine, witte tandjes diep in ’t fijne wittebrood en ’t heerlijke amandelgebak. Iederen dag kleedde ze zich in een licht mouselinen kleedje en een fichu, van achteren dichtgeknoopt. Heur haar werd hoog in den nek opgestoken, maar rond om het voorhoofd droeg zij een krans van fijne krulletjes.

Aan den wand, tusschen de vensters had zij een spiegel met een smal glas en breeden lijst. Daarin kon ze soms zichzelf aanzien en toeknikken en vragen. „Ben je daar? Ben je ’t werkelijk? Hoe ben je toch hier gekomen?”

Overdag, als Ingrid de kamer met dat mooie bed verlaten had, zat ze gewoonlijk in het prachtig salon en borduurde of schilderde op zij. En als ze daar geen lust meer in had, speelde ze op de guitaar [69]en zong liedjes, of praatte met de oude barones, die haar fransch leerde en er zich in verheugde haar tot een beschaafde dame op te kunnen voeden.

Maar ’t was een betooverd slot, waar ze gekomen was. Die gedachte kon ze niet loslaten. Van ’t eerste oogenblik was dat gevoel over haar gekomen en ’t kwam telkens terug.

Geen mensch kwam er ooit een bezoek brengen. En niemand ging er ooit uit. In ’t groote huis werden alleen maar een paar kamers bewoond. In de anderen kwam nooit iemand. Niemand wandelde ooit in den tuin en niemand onderhield dien. Op de hoeve waren enkel een jongen en een oude man, die hout hakte. En juffrouw Stava had maar twee dienstmeisjes, die haar in de keuken en in de schuur hielpen.

Maar er waren altijd uitgezochte spijzen op tafel en Mevrouw de barones en Ingrid werden altijd bediend en gekleed als voorname dames.

En al was er nu ook niets anders, dat tierde op het landgoed, toch was er een vruchtbare bodem voor droomen. En al werden er geen gewassen gekweekt, Ingrid plantte er haar droomenrozen.

Zij groeiden op om haar heen, zoo vaak ze alleen was. Dan was ’t haar als vormden de roode droomrozen een troonhemel boven haar hoofd.

Rond om het eiland, waar de boomen zich neerbogen over ’t water en lange takken uitzonden naar ’t riet en waar struiken en hooge boomen waren, liep een pad, waar Ingrid gewoonlijk wandelde. Wonderlijk vond ze het, de boomen vol letters gesneden te zien en de oude banken en rustplaatsen en een paar bouwvallige paviljoentjes, zóó vermolmd, dat ze er niet in durfde gaan.

Vreemd, dat hier menschen geweest waren, dat hier leven en beweging en liefde geweest was, dat [70]het niet altijd een betooverd slot was geweest.

Hier bij dat water was de betoovering het sterkst. Hier kwam dat gezicht met dien glimlach weer bij haar. Hier kon ze heen en weer loopen en hem—den student—danken, omdat hij haar hier had laten komen, waar ze zoo gelukkig was, waar men haar liefhad, en haar deed vergeten hoe hard anderen voor haar geweest waren.

Als hij ’t niet geweest was, die ’t zoo had bestuurd, had ze hier zeker niet mogen blijven, dat was onmogelijk geweest.

Ze wist wel, dat hij ’t wezen moest. Ze had nooit te voren zulke vreemde gedachten gehad. Ze had altijd aan hem gedacht; maar nooit had ze gevoeld, dat hij bij haar was, dat hij haar met zorg omringde.

’t Eenige waar ze zich over verwonderde was:—wanneer hij zelf zou komen,—want komen zou hij zeker. ’t Was onmogelijk dat hij niet hier zou komen. In deze lanen had hij een deel van zijn ziel achtergelaten.


De zomer ging voorbij en de herfst ook, het liep tegen Kerstmis.

„Juffrouw Ingrid,” zei juffrouw Stava op zekeren dag, eenigszins geheimzinnig. „Mij dunkt, dat u weten moet, dat de jonge heer aan wien dit landgoed hoort, met Kerstmis thuis komt.—Dat doet hij ten minste gewoonlijk,” voegde zij er met een zucht bij.

„Mevrouw heeft mij nooit gezegd, dat zij een zoon heeft!” zei Ingrid.

Toch was ze niet verwonderd. Zij had bijna willen antwoorden, dat ze het al dien tijd geweten had.

„Niemand heeft hem ooit genoemd, juffrouw Ingrid,” zei juffrouw Stava, „want Mevrouw de [71]barones heeft ons verboden over hem te spreken.” En meer wilde juffrouw Stava niet zeggen.

Ingrid wilde ook niet verder vragen. Ze was nu bang om iets zeker te weten. Ze had haar verwachtingen zóó hoog gespannen, dat ze zelf bang was, dat ze zouden breken. De waarheid was misschien prettig om te weten, maar die kon ook bitter zijn en alle schoone droomen bederven.

Maar na dat gesprek was hij nacht en dag om haar heen. Zij had nauwelijks tijd met iemand anders te spreken, ze moest zich voortdurend met hem bezighouden.

Op een dag merkte zij, dat men de sneeuw uit de groote laan opruimde. Ze werd bijna bang. Zou hij nu komen?

Den volgenden dag zat de oude dame al ’s morgens vroeg aan het venster, en keek den weg op.

Ingrid ging dieper in de kamer zitten. Ze durfde niet bij ’t venster komen: ze was niet kalm genoeg.

„Ingrid, weet je wien ik vandaag wacht?” vroeg de oude barones plotseling.

Het meisje knikte. Ze durfde haar stem niet vertrouwen.

„Heeft juffrouw Stava je gezegd dat mijn zoon vreemd is?”

Ingrid schudde het hoofd.

„Hij is heel vreemd.… hij.… Ik kan er niet over spreken. Ik kan het niet. Je moet ’t zelf maar zien.”

Dat klonk hartverscheurend. Ingrid werd angstig en diep ontroerd. Wat was er toch op de hoeve dat allen zoo wonderlijk maakte? Was er iets verschrikkelijks, dat zij nog niet wist? Leefden de barones en haar zoon in onmin? Wat was er? Wat zou er toch zijn?—

’t Eene oogenblik jubelend van vreugd, het volgende [72]rillend van twijfel. Zij moest zich een reeks visioenen voor den geest roepen om weer te voelen, dat hij het zijn moest, die komen zou.

Ze kon eigenlijk in ’t geheel niet zeggen, waarom ze zoo zeker geloofde, dat hij juist de zoon des huizes zou zijn. Hij kon immers even goed iemand anders wezen voor zoover ze wist.

O, God! hoe vreeselijk toch, dat ze nooit zijn naam gehoord had.

’t Werd een lange dag. Zwijgend zaten ze te wachten tot den avond.

Toen kwam de jongen aanrijden met een vracht brandhout voor ’t Kerstfeest en ’t paard bleef op de plaats staan, terwijl het hout afgeladen werd.

„Ingrid,” zei de barones, heftig en bevelend, „ga gauw naar beneden en zeg Anders, dat hij het paard wegbrengt. Gauw, gauw!”

’t Meisje sprong de stoep af en kwam beneden in de veranda. Maar daar gekomen vergat zij den jongen te roepen. Vlak achter de lading hout zag ze een langen man met een witten pels aan en een grooten zak op den rug. Ze had niet eens noodig hem te zien stilstaan en aanhoudend groeten om hem te herkennen.

„Maar, maar,”—Ze bracht de hand aan het voorhoofd en haalde diep adem. Hoe zou ze ooit uit deze verwarring wijs kunnen worden. Had Mevrouw haar om dien man naar beneden gezonden? En de jongen, waarom bracht hij ’t paard zoo haastig weg? En waarom nam hij de muts af om te groeten? Wat hadden ze hier op het landgoed met den armen krankzinnige te maken?

En plotseling kwam het besef van de waarheid over Ingrid, zóó plotseling, zóó overweldigend, dat ze het wel had willen uitschreeuwen. ’t Was niet de geliefde, die over haar gewaakt had—de krankzinnige [73]was het!—Ze had hier mogen blijven, omdat ze vriendelijk over hem gesproken had, omdat zijn moeder een goede daad, die hij begonnen had, wilde voortzetten.

De Geitebok daar—hij was de jonge heer!—Maar bij haar zou niemand komen,—niemand had haar geleid, haar wachtte niemand. ’t Waren droomen, grillen! niets dan gezichtsbedrog.

Ach, hoe bitter was dit! Had ze hem maar nooit verwacht!

Maar dien nacht, toen Ingrid in het prachtige ledikant lag, onder de bonte gordijnen, droomde ze telkens weer, dat ze den student thuis komen zag.

„Je waart het niet! je bent niet gekomen,” zei ze dan.

„Ja, zeker was ik het,” antwoordde hij haar.

En in haar droom geloofde zij hem. [74]