AANGEHAALDE GEDICHTEN
CONSTANTIJN HUYGENS:
SCHEEPSPRAET.
(ten overlyden van Prins Maurits van Orange (1625)).
D) de zeven provinciën.
E) onberispt.
F) gepraaid.
G) In den zeilwagen van Simon Stevin.
H) Frederik Hendrik.
P. C. HOOFT:
HEILIGE VENUS.
['t Gedicht begint met de vraag:
De dichter troost zich dan, dat dit niet zoo blijven zal; de macht van de Mingodin zal ook dat hartjen „schuw en schichtig,” „ommekeeren en minnen leeren.”
En is die les eenmaal geleerd,]
I) Mompen = verlakken.
J) Verzweren = afzweren.
GALATHEA.
Wijze: Gisteravond spae sloot ik mijn deur, etc.
- Minnaer
- Galathea, ziet, de dag komt aan.
- Galathea
- Neen mijn lief, wilt nog wat marren,
- 't Zijn de starren.
- Neen mijn lief, wilt nog wat marren; 't is de maan.
- Minn.
- Galathea, 't is geen maneschijn.
- Gal.
- Hoe? 't Is nog geen één geslagen;
- Wat zoud' 't dagen?
- Hoe? 't Is nog geen één, 't en kan de dag niet zijn.
- Minn.
- Galathea, aanschouwt den hemel wel.
- Gal.
- Laas! ik zie den dagerade,
- t' onzer schade;
- Laas, ik zie de dageraad. De tijd is snel.
- Minn.
- Waarom duurt de nacht tot d'avond niet?—
- Vreest ze dat wij, met ons beien,
- Zonder scheien
- Blijven zouden totdat ons de dood verried?
- Minn.
- Nu, adieu, mijn troost, en blijf gezond!
- Gal.
- Wil mij noch een kusje geven,
- Och, mijn leven!
- Jont mij nog een kusje van uw blijen mond!
- Minn.
- Galathea! Kom ik t' avond weer?
- Gal.
- Och, mijn moeder mocht het hooren
- En haar storenK)
- Och, zij mocht het hooren—maar komt evenzeer!
- Minn.
- Galathea, hoe raak ik van uw hals?
- Gal.
- Laas, de dag en wil niet lijen
- Langer vrijen;
- Dank hebt van uw zachte kuskens, en van all's—
K) Zich boos maken.
ROZEMONDT.
Wijze: Alle caccie, caccie, Pastori, etc.
L) d. i. als je om de levende pluimen der vogels het met doode pluimen gevulde bed zoudt willen ontruimen.
M) Minlyke, die tot de min behooren. Treken = driften.
KLAARE, WAT HEEFT ER.
Wijze: Amarilletje mijn vriendin, etc.
N) leute (nog in 't Vlaamsch gebleven): pret, jooligheid.
O) Zou wel wenschen dat ge beter te moe was!
KLACHTE DER PRINSESSE VAN ORANGIEN OVER 'T OORLOG VOOR 'S HERTOGENBOSCH.
JOOST VAN DEN VONDEL:
Uit: GEBOORTEKLOK van Prince Willem II.
HUIG DE GROOT'S VERLOSSING.
P) bezoeken = beproeven.
WELLEKOMST
van den heere Huig de Groot,
t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap.
Uit: ROSKAM.
aan den heer P. C. Hooft, Drost van Muiden (1630) (over de godsdienst-huichlarij).
KLINKERT (Klinkdicht).
op de wonderlyke reize van den Hoornschen meerman Willem Cornelisz. Schouten (1618) na de uitgaaf van zyn Reisverhaal.
('t Is een gedicht uit Vondel's vroegen tijd en draagt er de sporen van; want wel was hij toen al 31 jaar, hij is zeldzaam laat rijp geworden. Werd hij daarom zoo welig-krachtig, toen die rijpheid eenmaal gekomen was?)
[Men zou bij dit klinkdicht een college kunnen gaan geven in de historie der ontdekkingstochten: Ferdinand Magellaan, Lemaire, Drake, Thomas Cavendish of Candish, Olivier van Noord, Spilbergh—om niet in noten bij noten te vervallen, zet ik slechts even de door Vondel verwerkte namen op een rijtje, ter verduidelijking. De aardigheid, de klankspeling, waar 't klinkdicht op rust, zal men wel vatten, als men maar bij de uitdrukking „De schout en zijn rakkers” (rakkers, beulsknechten, dienders) aan de 16e en 17e eeuwsche politie—en aan den naam van den ontdekker denkt.]
Uit: LOF DER ZEEVAART (1623)
voor Laurens Reael (1583–1637).
VRIJE ZEEVAART.
onder de vlagge van den doorluchtigen zeeheld Marten Harpertsz Tromp (1653) Ridder, L.-Admiraal van Holland en Zeeland.
[Men weet, dat onze dichter in den strijd tusschen Cromwell en Koning Karel I van Engeland warm partij gekozen had vóor den laatste. En had hij dit eenmaal gedaan, hij spaarde zijn tegenstander niet, dien hij dan ook als de plaag, 't gedrocht aanduidt:
Pulchrumque mori succurit in armisQ)].
Q) En 't schijnt ons schoon toe, in 't wapen te sterven.
KINDERLIJK.
(by den dood van myn zoon Constantyn):
R) Weelderigen blik.
KERSTLIED (1660).
REI VAN AMSTERDAMSCHE HOFJUFFERS.
uit Gysbreght van Aemstel (1638).
[Deze reizang wordt door de Amsterdamsche hofjuffers gezongen als Baedeloch in zwijm is gevallen in wanhoop of haar Gysbreght nog ooit uit het nachtelijk overvallen Amsterdam behouden zal wederkeeren.]
[Het die in den vierden regel van dit laatste couplet slaat natuurlijk terug op het zy van den tweeden regel. Dus: Moge zy, die tusschen hoop en vreeze dryft, den held met blyschap op het kasteel ontvangen!]
DE MONSTERS ONZER EEUWE.
S) Maria de Medicis.
T) Moeder van Ibrahim laat haar zoon door de Janitzaren vermoorden.
U) Verf = gelaatskleur.
V) d. i. Amsterdam.
DE RIDDERSCHAP VAN AMSTERDAM.
onder zijne Koninklijke Hoogheid Willem van Oranje, Prinse van Oranje en Nassau (1660).
Formaque ante omneis pulcherW)
W) De schoonste in gedaante onder allen.