WeRead Powered by ReaderPub
Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum / met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen cover

Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum / met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Chapter 17: GALATHEA.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De bundel verenigt een satirisch verhaal over een burgerlijk echtpaar en hun jongste kind dat spot met kleingeestige luiheid, en een essayistische wandeling door het nationale museum waarin schilderijen en voorwerpen herinneringen oproepen aan een verguld verleden en aanleiding geven tot een pleidooi voor burgerlijke degelijkheid. De auteur zet het levendige verleden af tegen hedendaagse lauwheid, prijst zeventiende-eeuwse vitaliteit en hekelt zelfgenoegzaamheid. Aantekeningen, een inleiding en talrijke afbeeldingen verduidelijken historische verwijzingen en literaire citaten.

AANGEHAALDE GEDICHTEN

CONSTANTIJN HUYGENS:

SCHEEPSPRAET.

(ten overlyden van Prins Maurits van Orange (1625)).

Mouringh, die de vrye schepen
Van de Seven-landtsche buurtD)
Veertigh jaren, onbegrepenE)
Onbekropen heeft gestuurt;
Mouringh, die ze, door de baren
Van zoo menig tegenty
Voor de wind heeft leeren varen,
Al en was 't maar wind op zij;
Mouringh, schipper zonder weêrgâ
Die zijn onverwinlijkheid
Waar de zon òp, waar zij neergâ
T' aller ooren heeft gepreidF);
Mouringh, die de zee te nauw hiel(d)
Voor zyn zeilen en zyn wand,
Die de vogelen te gauw viel,
Al bezeilde hij maar 't zandG)...
Mouringh was te kooi 'ekropen,
En de endelooze slaap
Had zyn wakker oog beslopen
En hem, Leeuw, gemaakt tot Schaap;
Reeërs en matrozen riepen:
„Och! de groote schipper, och!
Wat zou 't schaên of wy al sliepen,
Waakte schipper Mouringh noch!”
Stille, maats! een toontje min.
Dutten? wacht, dat most ik schutten,
Ben ik anders dien ik bin;
'k Heb' te lang, om Noord en Zuien,
By den Baes te roer 'estaan,
'k Heb' te veel gesnor van buien
Over deuse muts sien gaan.”
„'k Zel't hun lichtelyk zoo klaren,
Dat ik vlaggen, schut en touw,
En de maats, die met me varen,
Vryen zal van dut en rouw.
Reeërs (jouwerliefde mien ik
Die van vers op 't kussen vicht)
Wil je'er an?—Kedaar, jou dien ik,
Jou allienig, by dit licht.”—
„Weeraan!” riepen de matrozen,
„'t Is een man of 't Mouringh waar'!”
En de Reeërs, die hem kozen:
„Weeraan!—'t is de jonge vaêr!”
Heintje peurde strak an 't stuur, en
Haalde 't anker uit de grond,
't Scheepje ging door 't zeepsop schuren,
Of er Mouringh nog an stond.

D) de zeven provinciën.

E) onberispt.

F) gepraaid.

G) In den zeilwagen van Simon Stevin.

H) Frederik Hendrik.


P. C. HOOFT:

HEILIGE VENUS.

['t Gedicht begint met de vraag:

Heilige Venus, die 't roer houdt aller harten,
Hoe komt mijn nimfjes hart zoo ongevoelijk
Daar z' is zoo goelijk?

De dichter troost zich dan, dat dit niet zoo blijven zal; de macht van de Mingodin zal ook dat hartjen „schuw en schichtig,” „ommekeeren en minnen leeren.”

En is die les eenmaal geleerd,]

Dan leert men luchtig ten zachte bedde uitstijgen,
En in een onderkeurs ter venster varen,
Op zang en snaren.
Zijn voetjes zetten, dat het niemand luister,
Alleen, bij duister.
Dan leert men, lustig, zijn boel ter sluik in laten,
En vloeken 't kraken van de deur en trappen,
Die 't willen klappen.
Dan leert men lafjes, als afgemend van minne,
Het geven òp, en in liefs armen glijen;
De lipjes vlijen.
Dan leert men flauwtjes de weêrlooze oogjes luiken,
En lieve lipjes aan liefs lipjes lijmen,
En zoo bezwijmen.
Dan leert men, eindlijk aan liefjes hals besterven;
Dan stoutertjens, op liefs mond, zijn verloren
Zieltjen na sporen.
VerzweertJ) te striblen tegens de geboden,
Der minnegoden.

I) Mompen = verlakken.

J) Verzweren = afzweren.


GALATHEA.

Wijze: Gisteravond spae sloot ik mijn deur, etc.

Minnaer
Galathea, ziet, de dag komt aan.
Galathea
Neen mijn lief, wilt nog wat marren,
't Zijn de starren.
Neen mijn lief, wilt nog wat marren; 't is de maan.
Minn.
Galathea, 't is geen maneschijn.
Gal.
Hoe? 't Is nog geen één geslagen;
Wat zoud' 't dagen?
Hoe? 't Is nog geen één, 't en kan de dag niet zijn.
Minn.
Galathea, aanschouwt den hemel wel.
Gal.
Laas! ik zie den dagerade,
t' onzer schade;
Laas, ik zie de dageraad. De tijd is snel.
Minn.
Waarom duurt de nacht tot d'avond niet?—
Vreest ze dat wij, met ons beien,
Zonder scheien
Blijven zouden totdat ons de dood verried?
Minn.
Nu, adieu, mijn troost, en blijf gezond!
Gal.
Wil mij noch een kusje geven,
Och, mijn leven!
Jont mij nog een kusje van uw blijen mond!
Minn.
Galathea! Kom ik t' avond weer?
Gal.
Och, mijn moeder mocht het hooren
En haar storenK)
Och, zij mocht het hooren—maar komt evenzeer!
Minn.
Galathea, hoe raak ik van uw hals?
Gal.
Laas, de dag en wil niet lijen
Langer vrijen;
Dank hebt van uw zachte kuskens, en van all's—

K) Zich boos maken.


ROZEMONDT.

Wijze: Alle caccie, caccie, Pastori, etc.

Rozemondt, hoor di spelen noch zingen?
Ziet den dageraad op komen dringen,
Dartele duiven, en zwanen en musschen,
Zouden den vaak uit uw' oogen wel kussen;
Zoo 't u lustte de doode te ruimen
Om den lust van levende pluimen.L)
Alle weiden, en duinen, en dalen
Hunnen aêm met verheugen ophalen,
't Jeugdelijk jaar, met zijn vroolijke tijen,
Is rechtevoort op zijn kwikste te vrijen.
Kruijen, bloemen, en boomen veroov'ren,
En zich pronken met levende loov'ren.

L) d. i. als je om de levende pluimen der vogels het met doode pluimen gevulde bed zoudt willen ontruimen.

M) Minlyke, die tot de min behooren. Treken = driften.


KLAARE, WAT HEEFT ER.

Wijze: Amarilletje mijn vriendin, etc.

Klaare, wat heeft er uw hartje verlept,
Dat het verdriet in vroolijkheid schept,
En, altijd even benepen, verdort,
Gelijk als een bloempje, dat dauwetje schort.
Krielt het van vrijers niet om uw deur?
Moog je niet gaan te kust en te keur?
En doe je niet branden en blaken en braân
Al, waar 't u op lust een lonkje te slaan?
Anders en speelt het windetje niet,
Op elzetakken en leuterigN) riet,
Als: lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat
Het watertje, daar 't tegen 't walletje slaat.
Ziet d'openhartige bloemetjes staan,
Die u tot alle blijgeestigheid raan.
Zelfs 't zonnetje wenscht u wel beter te moe;O)
En werpt u een liefelijk oogelijn toe.

N) leute (nog in 't Vlaamsch gebleven): pret, jooligheid.

O) Zou wel wenschen dat ge beter te moe was!


KLACHTE DER PRINSESSE VAN ORANGIEN OVER 'T OORLOG VOOR 'S HERTOGENBOSCH.

Schoon Prinsenoog, gewoon te flonkeren,
Met zuiver hemelvlam! kan ook
De grimmigheid u dan verdonkeren,
En smetten met een aardschen rook?
Wat tocht verleent die glinsterlichten
Hun zoeten zwier
Om liever brand van Mars te stichten
Dan Venus vier?
Zoo gloriezucht uw zinnen prikkelt
Voert in triomf mijn slavernij:
Een krans van bloemen, blij gespikkeld,—
Geen lauwerkroon en heeft erbij—
Zal ik u vlechten, heel doorwasemd
Op nieuwen vond,
Met geur, mijn handjes aangeasemd,
Van uwen mond.
Op gouden lelien en stralen
Laat trotsen Fransche en Spaansche Kroon;
Om daar een perel af te halen
En streeft zoo niet door duizend doon.
'k Zal d'uw al aardiger doen blaken
Van stee tot stee,
Met traantjes, dauwend op mijn kaken,
Uit minnewee!
Mijn zuchtjes, teedere getuigen
Van d'ongeneeselijke kwaal
Die plag uw open oor te zuigen,—
Nu stoppen 't koper en metaal.
Terwijl ge breidelt d'oorlogskansen
Met wal en graft;—
Trompet en schut—och arme!—schansen
Mijn klachten af.
Indien 't u lust Jupijn te spelen
Zijn vriendlijkheen te volgen tracht:
Zijn hoogste lof in menschenkeelen
Noch donder is, noch bliksemjacht.
En beter dat mijn smijdig smeeken
Uw hart verfraai
Dan in gedruisch van slaan en steken
Het veldgeschraai!—
'k Hoor alle daags van versche dooden
Geveld in hol of galerij!
Elk overlijdt aan eigen looden
Maar aller koevoets moorden mij!
Want ik mij elkmaals voel bezeeren
Als van een punt,
Die denk: op 't hoofd met witte veeren
Was dat gemunt.
Maar is om lief, om lijf, om leven,
Om kind, om zoon van Vaders naam
Zooveel op veer na niet te geven
Als om een glorierijke faam;—
Zoo gunt mij dat ik met u rijde
Door koud, door heet;
En voert mij bij het rapier op zijde,
Waar dat gij treedt.—

JOOST VAN DEN VONDEL:

Uit: GEBOORTEKLOK van Prince Willem II.

Zij stemden al-te-maal, met handgeklap en wenschen.
De Faam in 's Gravenhaag drong door tot alle menschen,
En sloeg de ruime lucht met brommend klokgeluid,
En lokte Melkerbuur en schrander Elsken uit;
Die kwamen in het Hof de moeder zalig roemen,
En offerden het kind goudgele boterbloemen,
En room, en schapewei, en uchtendversche melk,
En nog een' pijpkan, daar, tot verwondering van elk,
Een waterlandsche deerne in scheen, met luid geschater,
Te lachen, zoo ze zag een zwarte kop te water
Uitsteken, tusschen twee uitstekenden armen, als
Gesneuveld was in 't diep, heel ongereed tot weêrstand.
De boerman, met een' haak, die dreigt hem van den meerkant;
Wiens blaauwe toppershoed waait over 't groene veld.
De Spanjaart zingt genade, en looft vast macht en geld.
Oranje loofwerk hangt met appelen geladen,
En ciert den hals omhoog met krunkelende bladen.
Na dat het boersche paar, eerst schaamzaam om de pracht,
't Nieuwboren kind, 'twelk hun uit joffers schoot toelacht,
Met gaven had vereerd, neemt melleker een' hallem,
En zeît: „dat is u voor!” waarop met zoeten gallem,
Zijn' vrijster rustig volgt, en op dees' wijze stemt:
„Al 't onweêr is verzacht, de buyen zijn getemd.
Ons dorp zijn adem haalt, de landliê zich verblijen;
Prins Willem brengt ons weêr te voorschijn d' oude tijen.
't Is bruiloft in de weî: 't is boter tot den boôm.
De koe is klaverkiesch; de Hemel druppelt room.
Ons' fuiken zijn vol visch, dat merkt men aan 't gespartel;
De leeuwerk kwinkeleert; ons' kalvers springen dartel,
't Is vrede in onze buurt; geen mensch benijdt een aâr.
Men brandmerkt niemant meer voor schelm, voor landverraâr.
Geen Schouten en beslaan de rijmers meer in boeten.
Deze edele Princes kan allen druk verzoeten.
Het wichtje lacht, en zij wordt nimmer lachens moê.
Zoo, kleene zoete knaap! zoo, Willem! ga vrij toe,
Verzacht met lach op lach de zorgen uwer moeder,
Terwijl uw vader leît te velde, als 's lands behoeder.

HUIG DE GROOT'S VERLOSSING.

Geweld van wallen, dubble gracht,
Ontruste honden, wacht bij wacht,
Beslage poorten, ijs're boomen,
Geknars van slotwerk, breede stroomen,
En d' onvermurwde kastelein
Verzekerden op Loevestein
Den Grooten Huygen, buiten duchten,
Van in der eeuwigheid t'ontvluchten!
Ten waar zijn schrandre gemalin
En drukgenoot en kruisheldin
Een eerlijke uitkomst had gevonden
En hem van lang verdriet ontbonden.
Zij sprak: mijn lief, mijn levenslicht,
(De tranen stonden in 't gezicht)
Sal dees spelonk uw' glans versmoren,
En is uw deugd dit graf beschoren?
Helaas! maar 't is vergeefs gesuft.
Hier helpt geen kermen maar vernuft.
Terstond verandert hij in boeken.
De schildwacht draagt dien vetten buit
Op hare beê voor boeken uit.
Een vrouw belacht al die haar parssen,
En laat hen op de tanden knarsen.
Een vrouw is duizend mannen t'erg.
O eeuwige eer van Reijgerberg,
De volgende eeuwen zullen spreken,
Hoe gij den Haat hebt uitgestreken.
Nadat ze op 't droef gevangenhuis,
Gelijk Marije neffens 't kruis,
Uw' bruigom, onder moordenaren
Gerekend, troostte heele jaren.
Haar liefsten Schat met koorden neêr;
Toen Sauls zwaarden hem bezetten,
Gelijk de jagers 't hart met netten.
Aldus werd Lynceus ook gered
In zijn belegerd bruiloftsbed,
Toen zoo veel ledekanten smoorden
In 't gruwlijk bloed der mannemoorden.
Vergun mijn luite dat ze speel'
Het bergen van ons landjuweel,
In 't onweêr, dat het roer vermande,
Toen 't groote schip van Holland strandde.

P) bezoeken = beproeven.


WELLEKOMST

van den heere Huig de Groot,
t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap.

Wat zaal'ge wind is 't, die, van 't Leliestrand
Den stroom op, in 't ondankb're Vaderland
Hervoert het Delfsche wet-orakel, dat,
Gekofferd, als een kostelijken schat,
Weleer de bange Maas afdrijven kwam,
Totdat de Sein het in haar' armen nam,
En zette dat gebergde Gods-kleenood
Met blijdschap op den koninglijken schoot
Des allerchristelijksten Luydewijcx,
Die 't herberg schonk tot glorie zijnes Rijks;
Opdat het, na 't verstuiven van die wolk
Des druks, verscheen tot heil van 't vrije volk,
En 't misverstand, aanziende 's Helds geduld,
Hem weder eerde, en riep: „Het is mijn' schuld!”
O groote ziel! o zon van mijn gezang,
Die weêr verrijst na uwen ondergang,
En ons verheugt met dezen gouden dag,
Dien Holland wel met eere vieren mag;
Wat woorden zal de dankbare gemeent
Best vlijen, als de goudsmid dier gesteent',
Om u t' onthalen op den hoogsten trap,
Van 's kerkers ramp, na zure ballingschap?
O stalen hart, al gloeijend hard gesmeed
O Groothart! met wat hemelschen magneet
Bestreek Standvastigheid uw vast gemoed,
Dat het zoo heet van liefde t' onswaart woedt,
En wraakt de weelde van een aartspaleis,
En kust het land, zijn' strenge stiefmoêr, peis!

Uit: ROSKAM.

aan den heer P. C. Hooft, Drost van Muiden (1630) (over de godsdienst-huichlarij).

Zoo was uw vader niet, die burger-vader, neen,
Van binnen was hij juist, gelijk hij buiten scheen.
'k Geloof, men had geen gal in dezen man gevonden,
Indien, na dat de dood zijn leven had verslonden,
Zijn lijk waar opgesneên. Hoe was hij zoo gelijk
Dien Burgermeestren, die wel eertijds 't Roomsche rijk,
Door hunne oprechtigheid, opbouwden van der aarde
Ten top, doen d' akkerbouw in achting was en waarde;
Doen deege deeglijkheid niet speelde „raap en schraap,”
En 's vijands goud min gold dan een gebrade raap.
Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel,
Een hoofd vol kreuken, en geweten zonder rimpel!
O beste Bestevaêr! wat waart gij Holland nut!
Een stijl des Raads, toen 't lijf van 't stoksken werd gestut,
Opdat ik ga voorbij ons Catilinaas tijen;
Doen 't Vaderland in last, door twist der burgerijen,
Gij 't leven waart getroost te heiligen den staat,
En doen uw hoofd gedoemd, door 't hoofd van eigenbaat,
Gij geen gedachten hadt van wijken of van wanken.
De wees en weduwen, de ballingen u danken;
Hoewel ge, nooit om dank, hebt zonder onderscheid
Beschenen met den glans van uw goedaardigheid
Ondankbre en dankbre, dien ge kondt ten oorbaar strekken.
O spiegel van de deugd! o voorbeeld zonder vlekken!
Nooit zoopt ge 't bloed en merg der schamele gemeent,
Nocht stopte d' ooren voor haar rammelend gebeent.
„Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen!”
Zoo was uw uiterste aâm slechts ware, klare deugd,
Daar gij, vermaarste stad! uw kroon meed' cieren meugt.

KLINKERT (Klinkdicht).

op de wonderlyke reize van den Hoornschen meerman Willem Cornelisz. Schouten (1618) na de uitgaaf van zyn Reisverhaal.

('t Is een gedicht uit Vondel's vroegen tijd en draagt er de sporen van; want wel was hij toen al 31 jaar, hij is zeldzaam laat rijp geworden. Werd hij daarom zoo welig-krachtig, toen die rijpheid eenmaal gekomen was?)

Als over Hooren blies de faam haar gulden hooren,
Hoe Schouten d' aardenkloot op nieuws was omgegaan
Niet meer als andre, door de straat van Magellaan,
Maar de engte van Lemair, zoo niemand deê te voren;
„Nu is,” sprak Ferdinand, „mijn eerekrans verloren!”
Draak vuur en vlam uitspoog en Thomas zag men staan
Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaân:
„'t Is olie in het vier om na iets nieuws te sporen!”
En Spilbergh nauwlijks nog 't gerucht en kwam verrassen:
„Nu leggen” (riep hij) „al mijn spillen in der asschen!
O Magellaan, vaartwel, Draak, Candish, Olivier,
En Spilbergh, die tot nog geweest zijt trouwe makkers;
't Is heel met ons gedaan; de Schout komt met zijn rakkers,
Fluks jongens! op een zij, en pakt u weg van hier!”

[Men zou bij dit klinkdicht een college kunnen gaan geven in de historie der ontdekkingstochten: Ferdinand Magellaan, Lemaire, Drake, Thomas Cavendish of Candish, Olivier van Noord, Spilbergh—om niet in noten bij noten te vervallen, zet ik slechts even de door Vondel verwerkte namen op een rijtje, ter verduidelijking. De aardigheid, de klankspeling, waar 't klinkdicht op rust, zal men wel vatten, als men maar bij de uitdrukking „De schout en zijn rakkers” (rakkers, beulsknechten, dienders) aan de 16e en 17e eeuwsche politie—en aan den naam van den ontdekker denkt.]


Uit: LOF DER ZEEVAART (1623)

voor Laurens Reael (1583–1637).

Gelijk een vogel als de dag begint te krieken,
Ter vlucht zich rust, en rekt en wakkert zijne wieken,
Zoo doet mijn zeilbaar vlot en watertreder meê:
Hij spant zijn vleugels uit en maakt zijn zeilen reê.
De wind de doeken vult en doet het hennep klemmen.
De(n) eik de baren spouwt en wint de diepte in 't zwemmen.
Recht als een zwemmer doet die, moedernaakt, ontkleed,
Met handen water schept, en met de voeten treedt,
En stiert, en 't oever ziet al meer terugge deizen,
Zoo neemt ook 't schip te baat al wattet kan in 't reizen.
En als een duif, ter vaart zich gevend, driemaal klept,
„Geeft vier, Konstabel!” is 't, wanneer de kiel zich rept;
Trompetten slaan de locht, met trommels met schalmijen,
Met een vermengd geluid van lachen en van schreien”—

VRIJE ZEEVAART.

onder de vlagge van den doorluchtigen zeeheld Marten Harpertsz Tromp (1653) Ridder, L.-Admiraal van Holland en Zeeland.

[Men weet, dat onze dichter in den strijd tusschen Cromwell en Koning Karel I van Engeland warm partij gekozen had vóor den laatste. En had hij dit eenmaal gedaan, hij spaarde zijn tegenstander niet, dien hij dan ook als de plaag, 't gedrocht aanduidt:

Pulchrumque mori succurit in armisQ)].

De plaag van inheemsch en uitheemsch,
't Gedrocht, dat met zijn dolle honden,
In 't bloedig moordhol, aan den Theems,
Den Grooten Herder had verslonden,
Zich dronken zoog aan 's Konings strot,
En knaagde op 't Koninklijk geraamte,
Den romp van hoofd en kroon geknot;
Die moordpest, zonder God en schaamte,
Nu vlammende op een verschen buit
Van Fransch gewas, kwam nederzakken,
En dreef voor stroom den bloedstroom uit,
Om balg en buik met roof te pakken;
Maar die den afgrond palen stelt,
En ketent helsche monsterdieren,
Ontvonkte 't hart van onzen held,
Tot voorstand van zijn Batavieren.
Dees zag den gruwel in 't gezicht,
Die helsch, met vijfmaal veertien koppen,
De zon bedroefde en 't hemelsch licht;
En, om ons' zee haar keel te stoppen,
Zich dwers voor Hollands kielen smeet;
Waarop de ridder aan kwam rennen
Op zijne vleugels vlug en breed,
Hij voerde een slagzwaard in de vuist.
Het monster braakte donderklooten,
Granaten, bliksems, baldert, bruist;
Bedreef geweld met staart en pooten;
Blies rook en smook, en vlam en vier
Uit zijne kieuw en koopren kelen;
Maar Hollands Perseus trof het dier,
Dat zalf noch kruid de borst zal heelen.
Drie volle dagen hield hij 't staan.
Hoe beet het op zijn ijzren tanden!
Hoe schoot het toe! gelijk d'Orkaan
Op d'Indiaansche golf en zanden;
Totdat het eindlijk afgemat,
Gescheurd, verminkt, begon te deizen,
En liet ons' rijke vloot, van schat
En rijkdom zwanger, henereizen;
Hoewel 't alreê de vrucht vermand,
Verslonden had, ten roof geschonken
Aan zijn alvratig ingewand,
Van moord en diefstal dol en dronken.
Dus kwam de Hollandsche Admiraal,
Die voor geen zeeheld vlag moet strijken,
Een man, gelijk een punt van staal,
Bij geen Romijnen te gelijken,
Zijn Maasstroom in, en werd begroet
Van 't Vaderland en Zeven Staten,
Die hem verschenen te gemoet,
Ten trots van all', die vroomheid haten.
Wie vreest nu schutgevaart' of scherp,
Of zeegevaarten en watersmetten?
O Harpertszoon, gij zijt ons' harp!
O Tromp, men zal uw deugd trompetten,
Waar 's Hemels gunst ons' Zeevaart bouwt!
U komt een Scheepskroon toe van goud.

Q) En 't schijnt ons schoon toe, in 't wapen te sterven.


KINDERLIJK.

(by den dood van myn zoon Constantyn):

Konstantijntje, 't zalig kijndje,
Cherubijntje van omhoog,
d'IJdelheden, hier beneden,
„Moeder!” zeit hij, „waarom schreit gij,
Waarom krijt gij op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van 't hemelrijk;
En ik blink er, en ik drink er,
't Geen de schinker alles goeds
Schenkt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar paleizen, uit het slik
Dezer werreld, die zoo dwerrelt.—
Eeuwig gaat voor oogenblik!”

R) Weelderigen blik.



REI VAN AMSTERDAMSCHE HOFJUFFERS.

uit Gysbreght van Aemstel (1638).

[Deze reizang wordt door de Amsterdamsche hofjuffers gezongen als Baedeloch in zwijm is gevallen in wanhoop of haar Gysbreght nog ooit uit het nachtelijk overvallen Amsterdam behouden zal wederkeeren.]

Waar werd oprechter trouw,
Dan tusschen man en vrouw
Ter wereld ooit gevonden?
Twee zielen, gloeênde aaneengesmeed,
Of vastgeschakeld en verbonden
In lief en leed.
De band, die 't harte bindt
Der moeder aan het kind,
Gebaard met wee en smarte
Aan hare borst met melk gevoed,
Zoo lang gedragen onder 't harte—
Verbindt het bloed.
Nog sterker bindt de band
Van 't paar, door hand aan hand
Verknocht, om niet te scheiden,
Nadat ze, jaren lang gespaard,
Een kuisch en vreedzaam leven leidden
Gelijk van aard!—
Daar zoo de liefde viel,
Smolt liefde ziel met ziel
En hart met hart tegader.
Die liefde is sterker dan de dood.
Geen liefde komt Gods liefde nader,
Noch schijnt zoo groot.
Door deze liefde treurt
De tortelduif, gescheurd
Van haar beminden tortel;
Zij jammert op de dorre rank
Van eenen boom, verdroogd van wortel,
Haar leven lank.
Zoo treurt nu Aemstelsvrouw,
En smelt, als sneeuw, van rouw
Tot water en tot tranen.
Zy rekent Gysbreght nu al dood,
Die om zijn stad en onderdanen,
Zich geeft te bloot.
O God verlicht haar kruis,
Dat zy den held op 't huis,
Met blyschap mag ontvangen,
Die tusschen hoop en vreeze drijft,
En zucht, en uitziet met verlangen
Waer Aemstel blijft.

[Het die in den vierden regel van dit laatste couplet slaat natuurlijk terug op het zy van den tweeden regel. Dus: Moge zy, die tusschen hoop en vreeze dryft, den held met blyschap op het kasteel ontvangen!]


DE MONSTERS ONZER EEUWE.

Men hoeft om monsters niet te reizen
Naar Afrika,
Europe broedt ze in haar paleizen,
Vol ongenâ:
Vindt schut noch scherm,
En sterreft balling, zonder hope,
Verdrukt en arm.
Der Engelandren tongen lekken
Huns vaders strot
En toonen 's Konings hoofd in 't bekken
Om snood genot.
De wraak wil Ottoman niet borgen:
De moeder laat
Den Keizer, haren zoon, verworgen,T)
Uit blinden haat.
Oranje, in 't harnas opgezeten.
Rukt Holland in,
Op Amsterdam te helsch gebeten,
's Lands noodvriendin.
Hij wenscht zijn dol rapier te stooten
Door 't hart des lands.
Hoe heeft de deugd haar verfU) verschoten!
Waar is haar glans?
Verbeet ooit Wolf een lam verwoeder?
Waar baart de tijd
Een zoon, zoo boos, die zijne moederV)
De borst afsnijdt!—

S) Maria de Medicis.

T) Moeder van Ibrahim laat haar zoon door de Janitzaren vermoorden.

U) Verf = gelaatskleur.

V) d. i. Amsterdam.


DE RIDDERSCHAP VAN AMSTERDAM.

onder zijne Koninklijke Hoogheid Willem van Oranje, Prinse van Oranje en Nassau (1660).

Formaque ante omneis pulcherW)

De ridderschap van Troje wordt herboren,
En oefent zich langs onzen Amstelstroom;
Daar zit zij op, en noopt het paard met sporen,
Het brieschend paard, gewend naar roede en toom
Te luistren en 't steken der trompette.—
Prins Willem draaft alle Amstelridders voor
Verbonden aan Graefs Standerd en Kornette.
Heer Waveren en Tulp bewaren 't spoor
Des Prinsen als geoefende manhaften.
Zoo volgen zij de straten van de stad,
De singels en de schaduwrijke graften,
Langs huizen, volgepropt van weelde en schat,
Door wolken van veel duizend burgerijen
En Bataviers van Noord en Zuid vergaard.
Zoo plag de zon alle oogen te verblijen,
Als jonge Oranje op zijn schuimbekkend paard,
Een schooner dag den sterfelijken menschen
Hier toevoert, en zijn grootvaêrs naam ververscht,
Op 't juichende geschal van zooveel menschen
Te dicht opeengedrongen en geperst.
Lang leev' Oranje, en handhaav' 't recht der staten,
De vrijheid en de rust van 't Vaderland,
Ten schimp van al, die Hollands welvaart haten.
Zoo blink' hij, als in goud een diamant.
De ridderschap lost hierop haar pistolen
Is 't voorspel goed, hoe kan 't hoogtijd dolen?

W) De schoonste in gedaante onder allen.