(ten overlyden van Prins Maurits van Orange (1625)).
D) de zeven provinciën.
E) onberispt.
F) gepraaid.
G) In den zeilwagen van Simon Stevin.
H) Frederik Hendrik.
['t Gedicht begint met de vraag:
De dichter troost zich dan, dat dit niet zoo blijven zal; de macht van de Mingodin zal ook dat hartjen „schuw en schichtig,” „ommekeeren en minnen leeren.”
En is die les eenmaal geleerd,]
I) Mompen = verlakken.
J) Verzweren = afzweren.
Wijze: Gisteravond spae sloot ik mijn deur, etc.
K) Zich boos maken.
Wijze: Alle caccie, caccie, Pastori, etc.
L) d. i. als je om de levende pluimen der vogels het met doode pluimen gevulde bed zoudt willen ontruimen.
M) Minlyke, die tot de min behooren. Treken = driften.
Wijze: Amarilletje mijn vriendin, etc.
N) leute (nog in 't Vlaamsch gebleven): pret, jooligheid.
O) Zou wel wenschen dat ge beter te moe was!
P) bezoeken = beproeven.
van den heere Huig de Groot,
t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap.
aan den heer P. C. Hooft, Drost van Muiden (1630) (over de godsdienst-huichlarij).
op de wonderlyke reize van den Hoornschen meerman Willem Cornelisz. Schouten (1618) na de uitgaaf van zyn Reisverhaal.
('t Is een gedicht uit Vondel's vroegen tijd en draagt er de sporen van; want wel was hij toen al 31 jaar, hij is zeldzaam laat rijp geworden. Werd hij daarom zoo welig-krachtig, toen die rijpheid eenmaal gekomen was?)
[Men zou bij dit klinkdicht een college kunnen gaan geven in de historie der ontdekkingstochten: Ferdinand Magellaan, Lemaire, Drake, Thomas Cavendish of Candish, Olivier van Noord, Spilbergh—om niet in noten bij noten te vervallen, zet ik slechts even de door Vondel verwerkte namen op een rijtje, ter verduidelijking. De aardigheid, de klankspeling, waar 't klinkdicht op rust, zal men wel vatten, als men maar bij de uitdrukking „De schout en zijn rakkers” (rakkers, beulsknechten, dienders) aan de 16e en 17e eeuwsche politie—en aan den naam van den ontdekker denkt.]
voor Laurens Reael (1583–1637).
onder de vlagge van den doorluchtigen zeeheld Marten Harpertsz Tromp (1653) Ridder, L.-Admiraal van Holland en Zeeland.
[Men weet, dat onze dichter in den strijd tusschen Cromwell en Koning Karel I van Engeland warm partij gekozen had vóor den laatste. En had hij dit eenmaal gedaan, hij spaarde zijn tegenstander niet, dien hij dan ook als de plaag, 't gedrocht aanduidt:
Pulchrumque mori succurit in armisQ)].
Q) En 't schijnt ons schoon toe, in 't wapen te sterven.
(by den dood van myn zoon Constantyn):
R) Weelderigen blik.
uit Gysbreght van Aemstel (1638).
[Deze reizang wordt door de Amsterdamsche hofjuffers gezongen als Baedeloch in zwijm is gevallen in wanhoop of haar Gysbreght nog ooit uit het nachtelijk overvallen Amsterdam behouden zal wederkeeren.]
[Het die in den vierden regel van dit laatste couplet slaat natuurlijk terug op het zy van den tweeden regel. Dus: Moge zy, die tusschen hoop en vreeze dryft, den held met blyschap op het kasteel ontvangen!]
S) Maria de Medicis.
T) Moeder van Ibrahim laat haar zoon door de Janitzaren vermoorden.
U) Verf = gelaatskleur.
V) d. i. Amsterdam.
onder zijne Koninklijke Hoogheid Willem van Oranje, Prinse van Oranje en Nassau (1660).
Formaque ante omneis pulcherW)
W) De schoonste in gedaante onder allen.