The Project Gutenberg eBook of Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
Title: Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker
Author: Herman Teirlinck
Release date: October 9, 2005 [eBook #16841]
Most recently updated: June 10, 2022
Language: Dutch
Credits: Marc D’Hooghe
I GETROUWD
II LICHTMIS
III DE BOETVAARDIGE
IV DE SCHADUW
JOHAN DOXA
VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER
door
HERMAN TEIRLINCK
1917
I
JOHAN DOXA
GETROUWD
Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker. De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen, muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al meer.
Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.
De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek. Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn binnenzak steken had.
's Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.
De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik in het bijzonder verhalen wil.
Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader, omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.
Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat, verklaard had dat het hem niet schelen kon.
En Johan Doxa werd een artist-schilder.
Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer, waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de Academie verlaten had—hij was nu een en twintig jaren oud—gansche dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje, hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde. De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen, diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het hoofdeinde van het ijzeren bed.
Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht, lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.
Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.
Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien. Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.
Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette, welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de Old Curiosity Shop, een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften, die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk "Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de Shop, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke verhalen.
Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig, maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.
Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten, poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:
"Het groene sijsje is kapot!"
Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....
Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch.... Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd verliefd.
Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad. Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang niet voorspeld?"
Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....
De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.
Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs de oude deuntjes van den Reus, van den Koekoek, van het Ros Beiaard, van Mijn moeder gaat naar Halle, en van den Uil. De anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.
Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van de gebeurtenissen in de Curiosity Shop, van de mooie Roy-Dour die zich tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op een stoel, naast het doode kacheltje.
Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes, op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze zeggen zou:
"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"
Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei, daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die, tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.
Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid. Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als pioenen, op zijne heete wangen.
Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.
Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen. Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste verdieping.
Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia. Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.
Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,—beweeglijken gloed....
Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje—dat het een onschuldige leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op, bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....
Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn korte armen. Hij zou zeggen:
—"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten, zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u, Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel, geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje. Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u. We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij voorbeeld. Goeden avond."
Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij wilde er mee wegvluchten. Hij zei:
—"Goedenavond ... Goedenavond...."
En vluchtte inderdaad.
Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje, haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en droppelkens goud.
Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde. Bloemen waren overal rond haar,—tulpen en leeljen in waaiervormigen tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen, familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn, aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon. Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar, binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
—"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje, een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn vriend?"
Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht, naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor. Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan, die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën, geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon. Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje, dat dood was gegaan.
"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien, die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was, maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen bekte. Anatole zong het liedje van de Drie Gezellen, en daarna een ander nog, van het Euverzwijn. De dag was grijs en triestig en de schaduwsluierde stille langs de muren.
Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof nooit de vrije dag zou klaren.
Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren, waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare, die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp, maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de Old Curiosity Shop de kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken. Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond, schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon, ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur vervloog....
Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan kwamen de dames.
Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting. Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse- groen.
Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de tafel, en roerde daarna niet meer.
Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou: "Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade. Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op, onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek met Anatole:
—"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij, en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen, zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen; maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt. Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren. Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een half-en-half bij den herbergier beneden.
"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen. Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag. Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en 'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen. Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan, wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de violetten hemelvaten neerspoelt,—lui, en weelderig, en geluideloos."
Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende—met uitzondering van de drie oudsten die school gingen—telkens als ze buiten huis op boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee, zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug, knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken, welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich, om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.—"O Johan! mijn lieve Johan!"
Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor, streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer aangedaan.
De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
—"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt ge nu—een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
II
JOHAN DOXA
LICHTMIS
Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het goede riet de ruzie van den stormenden wind....
Maar alopeens—in 't putje van den winter—werd Julia ziek. Zij had, na den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes, geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed. Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan, haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren, idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:—Zij is krank. Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik ongelijk ook?!..
Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den dool tonneklinkend.
Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na noenstond, Anatole was de tapper van The Old Curiosity Shop, de nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met aandoenlijke wanhoop te snikken begon.
—"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ... (tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren? (klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe, Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ... in den put."
Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:—"Wat? Wat zegt ge weer? Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer Anatole?..."
Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.
—"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."
Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de zonderlinge kamerstilte verried.
Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken. Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen schoone kleuren bewegen.—Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden een glas lambik.
—"Sec!" zei Anatole.
En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:
—"Anatole, hebt ge geld?"
Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog. De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was, kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:
—"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"
Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig, onnoozel:
—"Nikske...."
En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen gedruisch:
—"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."
Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk, om weg te gaan.
Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in 't Wit Paard bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen, 't krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen. En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.
—"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.
Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:
—"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is 't?"
—"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"
—"Nog al ... nog al...."
—"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."
—"Bloedpens."
—"Hein?"
Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:
—"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.
Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren op. Hij voegde erbij:
—"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge ziet het nu zelf Anatole!..."
Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep achter hem:
—"Loërik!"
Anatole sprak:
—"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar. Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg ... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."
Johan Doxa sprak:
—"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"
Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze kussetjes van zijne ellebogen.
—"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen. Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt, en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij, Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."
Anatole had gedronken en sprak nuchter:
—"En de socialisten?"
Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:
—"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard. Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen, steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik, duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u iet zeggen. Ik—gij beziet mij en ge kent mij, Anatole—ik ben een sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik blijf dien spijt getrouw."
Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen. Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.
—"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte zachtjes:
—"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"
Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:
—"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de Old Curiosity Shop van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed, vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.
Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee wippelvlammende eindjes kaars.
Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken. Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek, geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.
—"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"
Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei, weltevreden:
—"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch, waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen.... Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"
En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan welk oordeel hij zich zou houden....
Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.
Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig en blikkerend.
—"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt geraken. We gaan naar 't bal."
Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:
—"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."
Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om 't zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.
De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam. De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.
Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men sprong wild. En Anatole zei:
—"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge? Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"
Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:
—"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."
Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn, voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:
—"Is de dood iets?..."
Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.
Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan, daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij scheeren kon.
—"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop, maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."
Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:
—"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te vervelen."
Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij verdween in het licht, en de deerne zei:
—"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer dansen?"
Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij. Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje, waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd zonder denken. Het meisje zei:
—"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."
—"Ja," knikte hij dwaas.
—"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van alles gezien."
Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en, ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het gerinkel van een tamboerijn met belletjes....
Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis. Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.
—"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt—begrijpt ge, lieve loebas?—zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed bewaren!"
Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene domino, vormloos. Hij sprak:
—"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."
Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde. Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.
Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te vertragen. Hij liep struikelend door de straten.
Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.
Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...
Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht eens even! Waar was 't alweer?...
De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze wordt over de brug geheven.... Ze valt!...
Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...
En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag. De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was besneeuwd.
—"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel! wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen? Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel! wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de stad!..."
Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....
De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en slappe strikken.
Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme niet.
Hij zei stil:
—"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en laat u over aan Hem—kom binnen."