WeRead Powered by ReaderPub
Keltische Mythen en Legenden cover

Keltische Mythen en Legenden

Chapter 361: Besluit.
Open in WeRead

About This Book

Een overzicht presenteert de oorsprong, oude geschiedenis en godsdienst van de Keltische wereld, gevolgd door mythische verhalen over invallen en de vestiging van volkeren in Ierland. Vertellingen zijn geordend in cycli — waaronder de koningen van Milesië, de Ulster-cyclus, het Ossiaanse materiaal en zeereizen zoals die van Maeldūn — en omvatten ook legenden van buurstammen. Daarnaast komen goden en mythische huizen aan bod en verschijnen fragmenten uit Arthuriaanse tradities, met achtergrondcommentaar uit etnologie en literatuur. Aantekeningen en illustraties belichten rituelen, megalithische symbolen en volksmotieven.

“Het jammeren en weeklagen werd nog luider dan te voren gehoord”

De Conte del Graal.

Het verhaal van Chrestien de Troyes genaamd de “Conte del Graal,” of “Perceval le Gallois,” bracht de geschiedenis in de Europeesche literatuur. Het werd geschreven omstreeks 1180. Het inleidend gedeelte komt overeen met “Peredur,” de held wordt hier Perceval genoemd. Hij wordt in ridderlijke kundigheden opgeleid door een ouden ridder Gonemans geheeten, die hem waarschuwt tegen te veel praten en vragen te doen. Als hij komt aan het Kasteel der Wonderen worden in de zaal gebracht een van bloed druipende lans, een “graal” vergezeld van twee dubbelarmige kandelaars, waarvan het licht door het schijnsel van den graal wordt overstraald, een zilveren schotel en een zwaard; dit laatste wordt aan Perceval gegeven. Het bloedend hoofd van het verhaal uit Wales verschijnt niet, ook wordt ons niet verteld wat de graal was. Toen Perceval den volgenden dag uit reed, ontmoette hij een meisje dat hem heftige verwijten deed, omdat hij niet had gevraagd naar de beteekenis van hetgeen hij zag—had hij dat gedaan dan zou de kreupele koning (hier dezelfde als de heer van het Kasteel der Wonderen) weer beter zijn geworden. Perceval’s zonde, dat hij zijn moeder tegen haar zin verliet, was de reden dat hij werd weerhouden van het stellen van de vraag, die de betoovering zou hebben verbroken. Dit is een zeer pover brok vinding, want het was blijkbaar Peredur’s lot zich te wapenen en het Graal-avontuur te bestaan, en hij beging geen zonde met dit te doen. Verder in het verhaal ontmoet Perceval een afzichtelijk uitziende joffer die hem verwenscht omdat hij verzuimde vragen te doen aangaande de lans en de andere wonderen—had hij dat gedaan dan zou de koning weer beter zijn geworden en zijn land in vrede hebben geregeerd, maar nu zullen maagden onteerd, ridders gedood, vrouwen tot weduwen en kinderen tot weezen gemaakt worden.

Deze opvatting van de vraag-episode lijkt mij radikaal verschillend van die welke werd aangenomen in de lezing van Wales. Het is kenmerkend voor Peredur dat hij altijd doet zooals hem door de bevoegde macht wordt voorgeschreven. De vraag was een proef van gehoorzaamheid en zelfbeheersching en hij bestond die. In toover-literatuur wordt nieuwsgierigheid dikwijls bestraft, bescheidenheid en terughoudendheid nooit. Het verhaal uit Wales behoudt hier, dunkt mij, den oorspronkelijken vorm der geschiedenis. Maar de Fransche schrijvers beschouwden ten onrechte het niet stellen van vragen als een fout van den held en bedachten een oppervlakkige en ongemotiveerde theorie van de episode en haar gevolgen. Toch, vreemd genoeg, vond de Fransche opvatting ingang in latere lezingen van het verhaal uit Wales en zulk een lezing is die welke voorkomt in de “Mabinogion.” Tegen het eind van het verhaal ontmoet Peredur een afschuwelijke joffer, wier schrikwekkend uiterlijk levendig wordt beschreven, en die hem heftig gispt, omdat hij niet vroeg naar de beteekenis van de wonderen op het Kasteel. “Hadt gij dat gedaan, de koning zou weer gezond zijn geworden en in zijn land zou de vrede zijn teruggekeerd. Terwijl hij van nu af gevechten en conflicten zal hebben te doorstaan, en zijn ridders zullen omkomen, en vrouwen zullen weduwen worden en meisjes zonder bruidschat worden achtergelaten, en dat alles door uw schuld.” Ik beschouw deze walgelijke joffer als klaarblijkelijk in het verhaal van Wales te zijn geschoven. Zij kwam er in rechtstreeks uit het geschrift van Chrestien. Dat zij niet oorspronkelijk behoorde bij het verhaal van Peredur schijnt te blijken uit het feit, dat in dat verhaal de kreupele lord, die Peredur vermaant zich van vragen te onthouden, volgens haar juist de persoon is, die er bij zou hebben gewonnen als hij het wel gedaan had. Feitelijk doet Peredur de vraag nimmer en zij speelt geen rol in de ontknooping van de geschiedenis.

Chrestien’s onvoltooid verhaal bericht van verdere avonturen van Peredur en van zijn vriend en makker, den ridder Gauvain, maar geeft nimmer een verklaring van de beteekenis der geheimzinnige dingen in het kasteel gezien. Zijn voortzetters, van welke Gautier de eerste was, berichten dat de Graal was de Beker van het Laatste Avondmaal en de lans die welke bij de kruisiging Christus in de zijde had doorboord; en dat Peredur ten slotte terugkeert naar het kasteel, de noodige vraag doet en zijn oom opvolgt als heer van het kasteel en bewaarder van de schatten ervan.

Wolfram von Eschenbach.

In de geschiedenis zooals die is gegeven door Wolfram von Eschenbach, die omstreeks 1200 schreef—zoowat twintig jaar later dan Chrestien de Troyes, met wiens werk hij bekend was—vinden wij een nieuwe en eenige voorstelling van den Graal. Hij zegt van de ridders van het Graal-Kasteel:

“Si lebent von einem steine

Des geslähte ist vîl reine....

Es heizet lapsit [lapis] exillîs,

Der stein ist ouch genannt der Grâl.”40

Hij was oorspronkelijk uit den hemel gehaald door een vlucht engelen en neergelegd in Anjou, als de waardigste streek om hem te ontvangen. De werking er van wordt onderhouden door een duif die telkens op Goede Vrijdag uit den hemel komt en op den Graal een gewijde hostie legt. Hij wordt bewaard in het Kasteel van Munsalväsche (Montsalvat) en bewaakt door vierhonderd ridders, die allen, met uitzondering van hun koning, de gelofte der kuischheid hebben afgelegd. De koning mag trouwen, en hem is dat zelfs, ten einde de opvolging te verzekeren, door den Graal bevolen, die zijn boodschappen aan de menschen overbrengt, door schrift dat er zichtbaar op wordt en dat verdwijnt wanneer het is ontcijferd. Ten tijde van Parzival is Anfortas de koning. Hij kan niet sterven in tegenwoordigheid van den Graal, maar hij lijdt aan een wond die, omdat hij die kreeg door wereldschen trots en in het najagen van verboden liefde, door den invloed van den Graal niet kan worden geheeld voordat de voorbestemde verlosser de betoovering zal verbreken. Dit had Parzival moeten doen door te vragen: “Wat schort u, oom?” De Fransche lezing laat Parzival in nieuwsgierigheid te kort schieten—Wolfram vat het te kort schieten op als een gebrek aan sympathie. In elk geval schiet hij te kort en vindt den volgenden morgen het kasteel verlaten en zijn paard voor hem gereed staand bij de poort; als hij vertrekt wordt hij bespot door dienaren, die aan de vensters van de torens verschijnen. Na vele avonturen, geheel verschillend zoowel van die in Chrestien’s “Conte del Graal”, als in “Peredur”, vindt Parzival, die de maagd Condwiramur heeft gehuwd, zijn weg terug naar het Graal-Kasteel—dat niemand bezoeken kan dan die daartoe is voorbestemd en door den Graal zelf verkozen—verbreekt de betoovering en heerscht over de Graal-gebieden, terwijl zijn zoon Loherangrain de Ridder van den Zwaan wordt, die rond trekt om onrecht goed te maken, en die, evenals alle Graal-ridders, zijn naam en afkomst niet aan de buitenwereld mag openbaren. Wolfram vertelt, dat hij zijn verhaal in hoofdzaak ontleende aan den Provençaalschen dichter Kyot of Guiot—“Kyot, der meister wol bekannt”—die op zijn beurt—maar dit is waarschijnlijk niets dan een romantische verdichting—beweerde het verhaal te hebben gevonden in een Arabisch boek te Toledo, geschreven door een heiden genaamd Flegetanis.

De voortzetters van Chrestien.

Wat precies het materiaal mag zijn geweest voor Chrestien de Troyes kunnen wij niet zeggen, maar zijn verschillende mede-werkers en voortzetters, in het bijzonder Manessin, staan allen stil bij het Christelijk karakter van hetgeen Parzival in het kasteel werd vertoond, en de vraag rijst: hoe kwam het aan dat karakter? Uit de geschiedenis van Wales, stellig de meest verouderde vorm der legende, blijkt dat het dit karakter niet van den beginne af had. Een aanwijzing in een van de Fransche vervolgen op Chrestien’s “Conte”, kan dienen om ons op het spoor te brengen. Gautier, de schrijver van dat vervolg, vertelt ons van een poging van Gauvain (Sir Gawain) om het Graal-avontuur ten einde te brengen. Hij slaagt ten deele en dit gedeeltelijk succes heeft ten gevolge, dat de landen om het kasteel, die woest en onbebouwd waren, weer bloeiend en vruchtbaar werden. Behalve zijn andere eigenschappen, heeft de Graal dus een toovermacht om aanwas, rijkdom en verjonging te bevorderen.

De Graal een talisman van overvloed.

Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal verbonden in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst wereldsche er van, de “Parzival” van Wolfram von Eschenbach, komt dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen de week sterven, ook konden de dienaren er van niet oud worden: “al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer vergrijzen.” De Graal-ridders leefden er van, schijnbaar doordat hij in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages hun aanboden. Elk had het voedsel dat hem leek, à son gré—van dat woord gré, gréable was de naam Gral, die in de Fransche lezingen voorkwam, geacht te zijn afgeleid.41 Alle wenschen werden er door vervuld. In Wolfram’s gedicht was de Graal, zooals wij zagen, hoewel verband houdend met de H. Hostie, een steen, geen beker. Hij komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het is opmerkelijk dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt in “Peredur”, hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf den steen aan zijn vriend Etlyn.

De Keltische ketel des overvloeds.

De lezer is nu algeheel vertrouwd geraakt met een voorwerp dat het karakter heeft van een talisman van overvloed en verjonging in Keltische mythen. Als Ketel van den Dagda kwam hij in Ierland met de Danaans uit hun geheimzinnig tooverland. In legenden van Wales kreeg Bran de Gezegende hem uit Ierland, waar hij weer terug kwam als deel van Branwen’s bruidschat. In een vreemd en mystisch gedicht van Taliesin komt hij voor als behoorend tot den buit van ’t Schimmenrijk of Annwn, van daar meegebracht door Arthur, in een tragisch avontuur waarvan overigens geen melding wordt gemaakt. Volgens Taliesin wordt hij bewaard in Caer Pedryvan, het Kasteel van Pwyll; het vuur dat hem verwarmde werd aangeblazen door den adem van negen maagden, de rand was met paarlen bezet en het voedsel van een lafaard of meineedige kon er niet op worden gekookt42:

“Ben ik niet een wien roem zal geworden, als zanger

In Caer Pedryvan viermaal te worden gehoord?

’t Eerste woord van den ketel, wanneer werd het gesproken?

Door den adem van negen maagden werd hij zachtkens verwarmd.

Is het niet de ketel van den heerscher van Annwn? Hoe is zijn gedaante?

Zijn rand is geheel in paarlen gevat.

Hij zal geen spijs koken van lafaard of meineedige.

Een hel oplaaiend zwaard zal tegen hem geheven worden,

En gelaten in de hand van Lleminawg.

En voor de deur van de poort van Uffern43 brandde de lamp.

Toen wij gingen met Arthur—een schitterend bestaan—

Keerde geen, buiten zeven, van Caer Vedwyd44 weer.

Nog vroeger vertegenwoordigt de ketel de Zon, die in de vroegste Arisch-Indische mythen voorkomt als een gouden vat, dat licht, warmte en vruchtbaarheid uitstort. De lans is het bliksemwapen van den Dondergod, Indra, die in de Noorsche mythologie als de hamer van Thor verschijnt. Het zoeken naar deze dingen beteekent dat men zich den een of anderen goddelijken kampioen voorstelde als hersteller van de heilzame opvolging der seizoenen, door de eene of andere tijdelijke storing in de war gebracht, zooals deze nog in onze dagen hongersnood en jammer over Indië brengen.

Nu hebben wij blijkbaar in “Peredur,” het verhaal uit Wales, een schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de Graal komt er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier’s vervolg op Chrestien’s gedicht, dat een talisman van overvloed voorkwam in oude lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In éen lezing althans—die waarop Wolfram zijn “Parzival” bouwde—was die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen zijn geweest, maar een ketel of vat van den een of anderen aard, bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische mythen. Dit vat werd in verband gebracht met een van bloed druipende lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende zanger, in een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart en ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker schuld dan de dood van Peredur’s bloedverwant45. Keltische poëzie, Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen, die nog hangen aan de ruwe steenen gedenkteekens van West Europa—dat alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die zonderlingebekoring te geven die er toe leidde dat kunstenaar na kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu nog zeggen dat het eindelijk heeft uitgediend en dat de torens van Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.

Het verhaal van Taliesin.

Van de verhalen in de verzameling door Lady Charlotte Guest de “Mabinogion” genoemd, wordt alleen het verhaal van de geboorte en de avonturen van den mythischen bard Taliesin, den Amergin van de Kimbrische legende, niet gevonden in het veertiende-eeuwsch handschrift getiteld “Het Roode Boek van Hergest.” Het is geput uit een handschrift van het laatst der zestiende of zeventiende eeuw en schijnt nooit in Wales zeer populair te zijn geweest. Veel van de zeer duistere poëzie aan Taliesin toegeschreven kan men er in vinden en dit is veel ouder dan het proza. Het doel van het verhaal is trouwens, zooals Nutt heeft aangetoond in zijn uitgave van de “Mabinogion,” veeleer een soort van omlijsting te vormen teneinde verspreide verzen toegeschreven aan Taliesin aan elkaar te rijgen, dan een samenhangend verhaal over hem en zijn daden te vertellen.

De geschiedenis van de geboorte van den held is het belangwekkendst van het verhaal. Daar leefde, zoo heette het, “in den tijd van Arthur van de Tafelronde”,46 een man genaamd Tegid Voel van Penllyn, wiens vrouw Ceridwen heette. Zij hebben een zoon genaamd Avagddu, die de leelijkste man van de wereld was. Om zijn gebrek aan schoonheid te vergoeden besloot zijn moeder een wijze van hem te maken. Daartoe nam zij, in overeenstemming met de kunst van de boeken van Feryllt,47 haar toevlucht tot de groote Keltische bron van magischen invloed—een ketel. Zij begon een “ketel van inspiratie en wetenschap voor haar zoon te koken, opdat hij waardig zou worden ontvangen om zijn kennis van de mysterieën van den toekomstigen staat der wereld.” De ketel zou een jaar en een dag niet mogen ophouden te koken en slechts in drie droppels er van zou de tooverkracht van het brouwsel worden gevonden.

Zij stelde Gwion Bach, zoon van Gwreang van Llanfair, aan om in den ketel te roeren, en een blinden man Morda geheeten, om het vuur aan den gang te houden, en zij hield bezweringen over den ketel en deed er tooverkruiden in van tijd tot tijd, zooals Feryllt’s boek voorschreef. Maar op zekeren dag tegen het eind van het jaar vlogen drie droppels van het toovervocht uit den ketel en kwamen terecht op Gwion’s vinger. Evenals Finn mac Cumhal bij een dergelijke gelegenheid, bracht hij zijn vinger in den mond, en hij werd daarop onmiddellijk met bovennatuurlijk inzicht begiftigd. Hij begreep, dat hij had verworven wat voor Avagddu was bestemd, en hij begreep ook dat Ceridwen hem er voor zou ombrengen als zij kon. Hij vluchtte daarom naar zijn eigen land, en de ketel, beroofd van de gewijde droppels, bevatte nu niets dan vergif; door de werking daarvan barstte de ketel en het vocht liep in een nabijen stroom en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir, die van het water dronken. Vandaar dat de stroom van dien tijd af heette het Vergif van de Paarden van Gwyddno.

Nu kwam Ceridwen voor den dag en zag dat haar werk van een jaar verloren was. In haar woede sloeg zij Morda met een blok brandhout een oog uit en zette toen Gwion Bach achterna. Hij zag haar en veranderde zich in een haas. Zij werd een hazewind. Hij sprong in de rivier en werd een visch en zij zette hem als otter achterna. Hij werd een vogel, zij een havik. Toen veranderde hij zich in een graankorrel en viel onder de andere korrels op een dorschvloer en zij werd een zwarte hen en verslond hem. Negen maanden later baarde zij hem als kind; en zij had het willen dooden, maar zij kon het niet omdat het zoo schoon was: “Zij stopte het dus in een leeren zak en smeet den zak in zee op God’s genade.”

De buitenkans van Elphin.

Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth. En zijn zoon Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den leeren zak op, toen die tegen den dam dreef. Zij openden den zak en vonden het kind er in. “Zie, welk een stralend gelaat!”48 zeide Gwyddno. “Hij zij Taliesin geheeten”, zeide Elphin. En zij brachten zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden het op als hun eigen. En dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht dat hij maakte, was een loflied op Elphin en een voorspelling van geluk in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in rijkdom en aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.

Maar op zekeren dag dat Koning Arthur en al wat tot hem behoorde, boven mate werden geroemd, pochte Elphin erop, dat hij een vrouw had even deugdzaam als er maar een was aan Arthur’s Hof, en een bard knapper dan de barden des Konings; en hij werd in de gevangenis geworpen totdat zou blijken, dat hij zijn pochen goed kon maken. En terwijl hij daar lag met een zilveren ketting om de voeten, werd een verdorven kerel, Rhun geheeten, gezonden om de vrouw van Elphin het hof te maken en bewijzen mee te brengen van hare zwakheid; en men zeide, dat er geen maagd of vrouw was met wie Rhun verkeerde, of er werd kwaad van haar gesproken.

Taliesin ried toen zijn meesteres zich te verstoppen, en zij gaf haar kleeren en juweelen aan een van de keukenmeiden, die Rhun ontving alsof zij de meesteres was van het huis. En na het avondeten diende Rhun de meid drank toe en zij werd beschonken en viel in diepen slaap; toen sneed Rhun een harer vingers af, waaraan de zegelring stak die Elphin een poosje te voren aan zijn vrouw had gezonden. Rhun bracht den vinger met den ring er aan naar Arthur’s Hof.

Den dag daarop werd Elphin uit de gevangenis gehaald en men liet hem den vinger met den ring zien, waarop hij zeide: “Met uw welnemen, machtige Koning, ik ontken niet, dat de ring van mij is, maar de vinger waaraan hij steekt was nooit van mijn vrouw. Want dit is de pink en de ring past er precies aan, maar mijn vrouw kon hem ternauwernood aan haar duim houden. En bovendien is mijn vrouw gewoon elken Zaterdagavond haar nagels te knippen en deze nagel is zeker niet in een maand geknipt. En ten derde, de hand waaraan deze vinger hoorde heeft minder dan drie dagen geleden roggedeeg gekneed, maar mijn vrouw heeft nooit roggedeeg gekneed sedert zij mijn vrouw is geweest.”

Toen was de Koning boos, omdat zijn proef mislukt was en hij zond Elphin naar de gevangenis terug, totdat hij kon bewijzen wat hij omtrent zijn bard had beweerd.

Taliesin, de voornaamste bard van Brittannië.

Toen ging Taliesin naar het Hof en op een feestdag toen de barden en minstreels des Konings voor hem zouden zingen, stak Taliesin, toen zij hem, die rustig in een hoek zat, voorbijgingen, zijn lippen vooruiten speelde “Blerwm, blerwm”, met zijn vinger op den mond. En toen de barden voor den Koning zouden optreden, ziet, toen was er een betoovering over hen, en zij konden niets doen dan buigen voor hem en spelen “Blerwm, blerwm”, met hun vingers op de lippen. En hun hoofd Heinin zeide: “O Koning, wij zijn niet dronken van wijn, maar stom onder den invloed van den geest, die daar zit in gindschen hoek, in de gedaante van een kind.” Toen werd Taliesin voor den Koning gebracht en men vroeg hem wie hij was en waar hij vandaan kwam. En hij zong als volgt:

“Eerste der barden ben ik bij Elphin,

En het land mijner afkomst is het rijk der zomersterren;

Idno en Heinin noemden mij Merddin,

In ’t eind zal mij ieder wezen noemen Taliesin.

“Ik was met mijn Heer in de hoogste sferen,

Toen Lucifer viel in de diepte der hel;

Ik droeg een banier voor Alexander uit;

Ik ken de namen der sterren van noord tot zuid.

“Ik was in Kanaan toen Absalom gedood werd,

Ik was in het hof van Dōn vóór de geboorte van Gwydion.

Ik was op de plaats der kruisiging van den barmhartigen Zoon Gods;

Ik was tot driemaal toe in de gevangenis van Arianrod.

“Ik was in Azië met Noach in de ark,

Ik zag de verdelging van Sodom en Gomorrah.

Ik was in Indië toen Rome gebouwd werd.

Nu kwam ik hier naar wat van Troja49 nog bleef.

“Ik was met mijn Heer in des ezels kribbe,

Ik sterkte Mozes door de wateren van den Jordaan;

Ik was in den hemel met Maria Magdalena;

Ik ontving de Muze uit den ketel van Ceridwen.

“Ik zal tot den jongsten dag zijn op het vlak der aarde;

En men weet niet of mijn lichaam vleesch is dan visch.

“Toen was ik negen maanden

In den schoot van de heks Ceridwen;

Ik was aanvank’lijk kleine Gwion,

En in ’t eind ben ik Taliesin.”50

Terwijl Taliesin zong, stak een groote storm op, en het kasteel trilde door het geweld er van. Toen liet de Koning Elphin voor zich brengen en toen hij kwam vielen, bij de muziek van Taliesin’s stem en harp, de kettingen van zelf van hem en hij was vrij. En vele andere gedichten betreffende geheime dingen van verleden en toekomst zong Taliesin voor den Koning en zijn edelen, en hij voorspelde dat de Saksers in het land zouden komen en de Kimbren verdrukken, en hij voorspelde ook dat zij heen zouden gaan wanneer de dag zou zijn gekomen.

Besluit.

We eindigen hiermede dit lange overzicht van de legendaire literatuur der Kelten. De stof is zeer rijk en het is uit den aard der zaak niet mogelijk in een boekdeel als dit meer te doen dan de voornaamste strooming aan te wijzen van de ontwikkeling der legendaire literatuur tot op den tijd, toen het mythische en legendaire element geheel verdween en vrije literaire vinding daarvoor in de plaats kwam. De lezer dezer bladzijden zal echter, naar wij hopen, een algemeen begrip van het onderwerp hebben verkregen, dat hem zal in staat stellen de beteekenis te begrijpen van verhalen, die wij hier niet konden behandelen, en daaraan de hun passende plaats te geven in een of ander van de groote cyclen van Keltische legenden. Men zal opmerken, dat wij het uitgebreide gebied van de Keltische folk-lore niet betraden. Folk-lore werd niet geacht te vallen binnen het kader van dit werk. Folk-lore kan soms verbasterde mythologie geven, soms mythologie in wording. In beide gevallen is het bijzondere kenmerk er van dat ze behoort tot en komt van een klasse van menschen wier dagelijksch leven hen in nauwe aanraking brengt met den grond, werkers op het veld en in het bosch, die met eenvoudige oprechtheid, in verhalen of door tooverformules hun indrukken weergeven van natuurlijke of bovennatuurlijke machten, die hun eigen leven omringen. Mythologie in den eigenlijken zin van het woord treedt eerst daar op waar verstand en verbeelding tot een trap van ontwikkeling zijn gekomen, hooger dan die gewoonlijk voor den boerengeest bereikbaar—waar de mensch is begonnen zijn verspreide indrukken samen te vatten en den aandrang heeft gevoeld daarvan dichterlijke scheppingen te maken, die universeele begrippen weergeven. Natuurlijk wordt hiermee niet beweerd, dat er altijd een scherpe grens kan worden getrokken tusschen mythologie en folk-lore; toch lijkt het mij gegrond het onderscheid te maken en ik heb getracht dat in deze bladzijden in het oog te houden.

Na de twee historische overzichten, waarmede onze verhandeling begon, was het doel van het boek meer letterkundig dan wetenschappelijk. Ik heb evenwel gepoogd, waar de gelegenheid zich voordeed, uitkomsten mede te deelen van latere critische geschriften over de overblijfselen van Keltische mythen en legenden, die althans kunnen strekken den lezer aan te duiden den aard der critische problemen, die daarmee samenhangen. Ik hoop, dat daardoor de waarde van het boek voor den studeerende iets is verhoogd, terwijl het aan de attractie er van voor den gewonen lezer geen afbreuk doet. Verder kan ik in dien zin dit werk als wetenschappelijk laten gelden, dat het zooveel mogelijk eenige aanpassing van de stof aan den populairen smaak vermijdt. Zulk een aanpassing, wanneer ze geschiedt met een uitgesproken artistiek doel, is natuurlijk volkomen gewettigd; ware het anders, wij zouden de helft van de groote wereldpoëzie moeten veroordeelen. Maar hier was het doel de mythen en legenden der Kelten weer te geven zooals zij in de werkelijkheid zijn. Het ruwe is niet weggedoezeld, pijnlijke of monsterlijke dingen zijn niet weggelaten, behalve in enkele gevallen, waar het noodig was te bedenken, dat dit boek zich richt tot een breeder kring dan die van wetenschappelijke beoefenaars alleen. De lezer kan er, geloof ik, van verzekerd zijn, dat hij hier heeft een in wezen onpartijdige en niet geïdealiseerde voorstelling van den Keltischen kijk op het leven en de wereld, in een tijd, toen de Kelt nog een vrij, onafhankelijk, natuurlijk leven leidde, zijn opvattingen uitwerkte in de Keltische taal en niet meer aan vreemde bronnen ontleende dan hij kon assimileeren en zijn eigen maken. De aldus behandelde legendaire literatuur is de oudste niet klassieke letterkunde van Europa. Dit geeft haar, dunkt mij, al op zichzelf voldoende aanspraak op onze volle aandacht. Welke andere aanspraken zij moge hebben, hierover zouden vele bladzijden kunnen worden gevuld met aanhalingen uit de oordeelkundige lofuitingen er aan toegekend door beoordeelaars niet van Keltische nationaliteit, van Matthew Arnold af. Hier moge zij voor zichzelf spreken. Zij zal ons, geloof ik, leeren dat, zooals Maeldūn zeide van een van de wonderen, die hij op zijn reis in het Tooverland ontmoette: “Wat wij hier zien was het werk van machtige mannen.”


1 Het Keltisch van de Schotsche Hooglanden. (N.v.d.v.).

2 “The Mabinogion”, blz. 45 en 54.

3 Spreek uit “Annoon”. Dit woord werd in de oudste literatuur gebruikt voor Schimmenrijk of Tooverland.

4 “Barddas,” deel I, blz. 224 e.v.

5 Hoe vreemd het ons ook moge voorkomen, de aard van dit voorwerp stond volstrekt niet van den beginne af vast. In het gedicht van Wolfram von Eschenbach was het een steen met toovermacht bedeeld. Door de eerste vertellers wordt het woord afgeleid van gréable, iets prettigs om te bezitten en te genieten en waardoor men à son gré kon hebben wat men wenschte. Over de Graal-legende later, in verband met het verhaal uit Wales: “Peredur.”

6 In tegenstelling met de andere groote vooraadschuur van poëtische legenden, de Matière de Bretagne—i.e. de Arthur-sage.

7 Zie blz. 88.

8 “Cultur der Gegenwart” I, IX.

9 Een lijst van hen komt voor in Lobineau’s “Histoire de Bretagne.”

10 Zie e.g. blz. 223 en 199 noot.

11 Zie blz. 215 en een dergelijk geval in des schrijver’s “High Deeds of Finn,” blz. 82.

12 Zie blz. 213 en het verhaal van het terug krijgen van de “Tain,” blz. 215.

13 “Pwyll Koning van Dyfed,” “Bran en Branwen,” “Māth Zoon van Māthonwy,” en “Manawyddan Zoon van Lyr.”

14 Zie blz. 91.

15 “Hibbert Lectures” blz. 237–240.

16 Zie blz. 73, 94 enz. Natuurlijk is Lugh = Lux, licht. De Keltische woorden Lamh en Llaw werden beurtelings voor hand, of arm gebruikt.

17 In zijn “Mythology of the British Islands,” 1905, heeft de heer Squire op heldere en boeiende wijze de jongste uitkomsten van de onderzoekingen over dit onderwerp bijeengebracht.

18 Finn en Gwynn zijn respectievelijk de Galische en Kimbrische vormen van den zelfden naam, beteekenend schoon of blank.

19 “Mythology of the British Islands” blz. 225.

20 In den tekst staat “Fairy” en de schrijver teekent zelf daarbij in een noot aan: “De beteekenis schijnt hier onzeker, en wordt verschillend weergegeven.” Hoe, dat zegt hij niet. Ik liet het woord dan ook maar onvertaald. (Noot v.d.v.)

21 Fransch Clos (Noot v.d.v.)

22 Rhys, “Hibbert Lectures”; de aanhaling is uit de oude sage van Merlin, uitgegeven door de “English Text Society,” blz. 693.

23 Mythology of the British Islands,” blz 325, 326; Rhys, “Hibbert Lectures,” blz. 115 en v.

24 In de “Iolo MSS.,” verzameld door Edward Williams.

25 Zie blz. 95, 250.

26 Het blijkt dat wij hier ver zijn van de primitieve Keltische legende. De helden vechten als ridders in de middeneeuwen, te paard, elkander met hun lansen stekend, niet op wagens of te voet, en niet met de vreemde wapens die voorkomen in Galische krijgsverhalen.

27 Hēn, de Oude; een epitheton dat doorgaans aan iets overouds doet denken in verband met mythologische overlevering.

28 Blijkbaar was dit het driehoekige Normandische schild, niet het ronde of ovale Keltische. Het is reeds opgemerkt, dat in deze verhalen uit Wales, de ridders, wanneer zij vechten, elkander met speren steken.

29 Men kan uitspreken: “Matholaw.”

30 Vergelijk de beschrijving van Mac Cecht in het verhaal van de pleisterplaats van De Derga blz. 156.

31 Waar nu de Tower van Londen staat.

32 Deze verhalen worden altijd, in Ierland en Wales, in betrekking gebracht met bestaande begraafplaatsen. In 1813 werd een grafurne gevonden, bevattende asch en half verbrande beenderen, op de plek die naar de traditie werd ondersteld het graf te zijn van Branwen.

33 Saksisch Brittannië.

34 Dit is een verwrongen herinnering aan een gebruik dat aan de hoven van vorsten in Wales schijnt te hebben geheerscht, dat een hooggeplaatst beambte in zijn schoot de voeten van den koning zou houden, wanneer deze aan den maaltijd zat.

35 “Hagedoorn, Koning der Reuzen.”

36 De goden van de familie van Dōn worden dus beschouwd als dienaren van Arthur, die in dit verhaal klaarblijkelijk de god Artaius is.

37 “Zij met het Witte Spoor”. Vergelijk de beschrijving van Etain blz. 141, 142.

38 Er is geen andere vermelding van dezen Kenverchyn, of hoe Owain aan zijn raven-leger kwam, waarvan ook sprake is in “De droom van Rhonabwy.” Klaarblijkelijk hebben wij hier te doen met een brok antieke mythologie in een moderner gewaad gestoken.

39 Evenals het verhaal uit Bretagne van “Peronnik de Dwaas,” vertaald in “Le Foyer Breton” door Emile Souvestre. De lettergreep Per die in alle vormen van den naam van den held voorkomt beteekent in de taal van Wales en Cornwallis kom of vat (Iersch coira—zie blz. 19, noot). In geen geval is een afdoende afleiding gevonden van het tweede gedeelte van den naam.

40 “Zij worden gevoed door een steen van den edelsten aard... hij is genaamd lapis exillis; de steen is ook genaamd de Graal.” Lapis exillîs schijnt een verbastering te zijn van lapis ex celis, “de steen uit den hemel.”

41 De juiste afleiding is van het Middeleeuwsch Latijnsch cratella, klein vat of kelk.

42 Een dergelijke selectieve werking wordt door Wolfram aan den Graal toegeschreven. Hij kan alleen worden opgelicht door een reine maagd, wanneer hij in de zaal wordt gedragen, en geen heiden kan hem zien of er goeds door ondervinden. Dezelfde gedachte komt ook sterk uit in het verhaal, dat de eerste geschiedenis van den Graal vertelt, door Robert de Borron, omstreeks 1210; de onreine en zondige kan er geen goeds door ondervinden. Maar Borron roert het Perceval- of “zoek”-gedeelte van het verhaal in het geheel niet aan.

43 Hades.

44 Caer Vedwyd beteekent Kasteel van de Feestvreugde. Ik volg de lezing van dit gedicht gegeven door Squire in zijn “Mythology of the British Islands,” waar men het in zijn geheel kan vinden.

45 De combinatie van voorwerpen in het Graal-Kasteel is zeer beteekenisvol. Het waren een zwaard, een speer en een vat, of, in sommige lezingen, een steen. De tooverschatten die de Danaans in Ierland brachten waren—een zwaard, een speer, een ketel en een steen. Zie blz. 90, 91.

46 De Tafelronde wordt in Kimbrische legenden niet genoemd voór de vijftiende eeuw.

47 Vergilius, in zijn middeneeuwsch karakter als toovenaar.

48 Taliesin.

49 Zinspeling op de denkbeeldige Trojaansche voorouders der Britten.

50 Ik heb dit zonderlinge gedicht een beetje bekort. Het verband met ideeën over zielsverhuizing, zooals in de legende van Tuan mac Carell (zie blz. 82 e.v.), is duidelijk. Men herinnert zich, dat Tuan’s laatste phase een visch was, en Taliesin werd gevonden in een dam voor de zalmvangst.